Home

Hoge Raad, 24-06-2025, ECLI:NL:HR:2025:987, 24/01513

Hoge Raad, 24-06-2025, ECLI:NL:HR:2025:987, 24/01513

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
24 juni 2025
Datum publicatie
24 juni 2025
ECLI
ECLI:NL:HR:2025:987
Formele relaties
Zaaknummer
24/01513

Inhoudsindicatie

Cassatie in het belang van de wet. Opheffing van schorsing van voorlopige hechtenis bij veroordeling, art. 82 Sv.

1. Uitgangspunten voor beslissing over opheffing van schorsing van voorlopige hechtenis als rechter de verdachte veroordeelt tot vrijheidsbenemende straf of maatregel van zekere duur.

2. Vormt enkele omstandigheid dat bij vonnis onvoorwaardelijke gevangenisstraf is opgelegd van langere duur dan ondergane voorlopige hechtenis toereikende grond voor opheffing van schorsing?

Ad 1. Bij beslissing over opheffing van schorsing gaat het om afweging van belangen van strafvordering en belangen van verdachte. Bij die afweging staat voorop dat voorlopige hechtenis als ingrijpend dwangmiddel terughoudend moet worden toegepast. Verder moet tot uitgangspunt worden genomen dat voorlopige hechtenis wordt geschorst als doel dat (gelet op grond of gronden die aan voorlopige hechtenis ten grondslag ligt of liggen) in het concrete geval met voorlopige hechtenis wordt nagestreefd ook kan worden gerealiseerd door stellen van voorwaarden i.h.k.v. schorsing. Rechter mag pas tot opheffing van schorsing overgaan als opheffing noodzakelijk is gelet op genoemd doel. Art. 75.1 Sv brengt niet met zich dat enkele omstandigheid dat vrijheidsbenemende straf of maatregel is of wordt opgelegd van ten minste even lange duur als in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd na verlenging, toereikende grond vormt voor opheffing van schorsing van voorlopige hechtenis. Beslissing tot opheffing moet ook dan berusten op afweging van belangen van strafvordering en belangen van verdachte. In die afweging kan betekenis toekomen aan omstandigheid dat verdachte is veroordeeld en dat daarbij straf of maatregel van zekere duur is opgelegd, in die zin dat met die veroordeling groter gewicht toekomt aan grond of gronden die al aan voorlopige hechtenis ten grondslag ligt of liggen. Rechter kan in afweging ook betrekken in hoeverre verdachte zich heeft gehouden aan specifieke voorwaarden die zijn verbonden aan schorsing van voorlopige hechtenis. Als sprake is van wending ten goede in leven van verdachte waardoor recidivegevaar is afgenomen, kan dat meebrengen dat het zowel in belang van verdachte als in belang van samenleving is om schorsing onder betreffende voorwaarden te laten voortduren. Voorschrift dat rechter zo mogelijk verdachte hoort voordat hij overgaat tot opheffing van schorsing (art. 82.2 Sv) vergt dat alles wat relevant is voor die beslissing voldoende concreet tijdens onderzoek op tz. door rechter aan de orde is gesteld. Als voorlopige hechtenis voor bepaalde tijd is geschorst, tot aan tz. of tot aan einduitspraak, ligt het in de rede dat rechter o.g.v. actuele situatie beoordeelt of aflopen van schorsing van voorlopige hechtenis nog steeds noodzakelijk is, dan wel hernieuwde schorsing is aangewezen. Beslissing tot opheffing van schorsing moet op voorliggende zaak toegesneden motivering bevatten (vgl. HR:2021:1662) waaruit blijkt dat rechter genoemde belangenafweging heeft gemaakt en dat in het concrete geval (alsnog) voortzetten van tenuitvoerlegging van voorlopige hechtenis noodzakelijk is.

Ad 2. Voorlopige hechtenis van verdachte was voor onbepaalde tijd geschorst. Rb heeft bij vonnis ambtshalve schorsing opgeheven. Motivering houdt in: ‘Nu Rb van oordeel is dat aan verdachte onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden moet worden opgelegd, zal zij schorsing van voorlopige hechtenis opheffen.’ Daarin ligt als oordeel van Rb besloten dat enkele omstandigheid dat onvoorwaardelijke gevangenisstraf is opgelegd van langere duur dan ondergane voorlopige hechtenis, toereikende grond vormt voor opheffing van schorsing en dat aan die beslissing geen (nadere) afweging ten grondslag hoeft te liggen tussen strafvorderlijke belangen die met (verdere) tul van voorlopige hechtenis zijn gemoeid en belangen van verdachte. Dit oordeel geeft blijk van onjuiste rechtsopvatting.

Volgt (partiële) vernietiging in het belang van de wet t.a.v. opheffing van schorsing van voorlopige hechtenis.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 24/01513 CW

Datum 24 juni 2025

ARREST

op het beroep in cassatie in het belang van de wet van de advocaat-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden tegen een vonnis van de rechtbank Overijssel van 22 januari 2024, nummer 08-073482-23, ECLI:NL:RBOVE:2024:357, in de zaak

van

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1957,

hierna: de verdachte.

1 De uitspraak van de rechtbank

De rechtbank heeft de verdachte bij vonnis van 22 januari 2024 veroordeeld tot een gevangenisstraf en de schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte opgeheven.

2 Het cassatieberoep

De advocaat-generaal M.E. van Wees heeft beroep in cassatie in het belang van de wet ingesteld. De voordracht tot cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De vordering strekt tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank wat betreft de beslissing tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis.

3 Het procesverloop en het vonnis van de rechtbank

3.1

De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld voor “voorbereiding van met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam”. Het relevante procesverloop voorafgaand aan het vonnis van de rechtbank is weergegeven in de vordering van de advocaat-generaal onder 3.5 tot en met 3.7. Daaruit blijkt onder meer dat de rechter-commissaris op 17 maart 2023 de bewaring van de verdachte heeft bevolen, dat de raadkamer van de rechtbank op 29 maart 2023 de gevangenhouding heeft bevolen en dat de raadkamer van de rechtbank de voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van 19 mei 2023 voor onbepaalde tijd heeft geschorst.

3.2

De beslissing van de raadkamer tot schorsing van de voorlopige hechtenis houdt onder meer in:

“Beoordeling

De raadkamer is van oordeel dat de ernstige bezwaren en gronden voor de voorlopige hechtenis, behoudens de onderzoekgrond, nog bestaan. Voorts is de raadkamer van oordeel dat het persoonlijk belang van de verdachte, gelet op de reclasseringsrapportage, zwaarder weegt dan het strafvorderlijk belang. Daarbij komt dat de doelen die met de voorlopige hechtenis worden nagestreefd door het stellen van voorwaarden aan een schorsing ook kunnen worden bereikt.”

3.3.1

De strafzaak tegen de verdachte is behandeld op de terechtzitting van de rechtbank van 18 december 2023. Volgens het proces-verbaal van die terechtzitting hebben de raadslieden van de verdachte daar het woord gevoerd overeenkomstig de bij de stukken gevoegde pleitnota. Deze pleitnota houdt onder meer in:

“80. Om zichzelf te begrijpen heeft cliënt met een doorverwijzing van de huisarts hulp gezocht. Inmiddels wordt hij sinds september 2023 behandeld. De geschatte behandelduur bedraagt 13 - 24 maanden. Zijn behandeling bestaat uit intensieve EMDR-sessies voor het behandelen van PTSS en het voeren van gesprekken opdat cliënt inzicht krijgt in de grondoorzaken van zijn chatbehoefte en -gedrag. De PTSS is het gevolg van zijn aanhouding en detentie. Cliënt is - gelet op de aard van de verdenking - ernstig geïntimideerd en bedreigd tijdens de detentie. Om die reden is hij toentertijd geplaatst in een Extra Zorgvoorziening binnen de PI. (...)

81. Cliënt wordt bij zijn behandeling gesteund door zijn echtgenote en dochter. Cliënt heeft volledige openheid van zaken gegeven in het gezin. Op een zeker moment zal het gezin ook worden betrokken in de behandeling.

82. Uit het NIFP-rapport volgt dat doordat er sprake is van volledige toerekenbaarheid, een behandeling van cliënt enkel op vrijwillige basis kan plaatshebben. Zoals gezegd is deze behandeling reeds in gang gezet in een vrijwillig kader. Er geldt dus een intrinsieke behandelbehoefte. De behandeling vindt plaats bij De Waag, hetgeen aansluit op het NIFP-rapport.

83. Cliënt heeft aldus inzicht getoond in zijn handelen en werkt hier hard aan.

84. Uit het meest recente reclasseringsadvies volgt dat cliënt de schorsingsvoorwaarden accuraat nakomt. Uit de eerdere reclasseringsadviezen blijkt dat de recidivekans op laag werd geschat. Deze lage kans op recidive volgt ook uit het NIFP-rapport alsook het rapport van De Waag.

(...)

86. De verdediging verzoekt uw rechtbank dan ook het (geschorste) bevel voorlopige hechtenis op te heffen.”

3.3.2

Verder heeft de verdachte volgens het proces-verbaal van die terechtzitting daar onder meer naar voren gebracht:

“Ik heb de periode in detentie als heel erg zwaar ervaren. Op enig moment is binnen de gevangenis aan het licht gekomen waar ik van werd verdacht. Het was op een gegeven moment zelfs zo erg dat ik een ring om mijn nek had gedaan en ik blauw was aangelopen. Uiteindelijk is men met zes man mijn cel binnengestormd en hebben ze mij losgemaakt. Daarna ben ik op de EZV-afdeling geplaatst. Door detentie en de inval door de politie heb ik een trauma opgelopen. Hier ben ik voor in behandeling gegaan. Op dit moment volg ik ook behandeling bij De Waag voor mijn grensoverschrijdend gedrag. (...) Deze behandeling zal naar verwachting een jaar tot anderhalf jaar duren. (...)Over een eventueel op te leggen straf kan ik alleen maar zeggen dat ik de oplegging van een gevangenisstraf vreselijk zou vinden. Een taakstraf kan ik gewoon uitvoeren. Daarnaast kan ik dan behandeling blijven volgen.”

3.4

De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren. Bij het vonnis heeft de rechtbank ambtshalve de schorsing van de voorlopige hechtenis opgeheven. De strafmotivering houdt onder meer in:

“Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.

Verdachte heeft via Chatplaza.nl vele en langdurige chatgesprekken gevoerd met contacten aan wie hij liet weten seksuele handelingen met hun dochter(s) van elf jaar of jonger te willen plegen, ook door het seksueel binnendringen van de lichamen van die dochters, waarbij hij de seksuele handelingen zeer expliciet benoemde en met concrete plannen kwam om die seksuele handelingen daadwerkelijk uit te voeren. Het is niet aantoonbaar tot uitvoering van die voorbereide plannen gekomen. Verdachte heeft er in de chatgesprekken blijk van gegeven dat de gevolgen van zijn seksuele voornemens voor de beoogde slachtoffers lichamelijke schade zouden opleveren. Hij heeft er geen blijk van gegeven het verwerpelijke daarvan in te zien. Evenmin heeft hij zich zorgen gemaakt over de psychische schade die seksueel contact tussen een volwassene en zeer jonge slachtoffers kan veroorzaken. Alleen zijn eigen behoeftes waren leidend. Ter zitting heeft hij geen zinnige verklaring gegeven voor zijn handelen. Zijn spijt lijkt alleen de voor hem nadelige gevolgen van deze strafzaak te betreffen. De verantwoordelijkheid voor zijn handelen erkent hij slechts wat betreft het voeren van de gesprekken. Zijn rechtvaardiging daarvoor is dat het nepgesprekken met nepmoeders over nepkinderen waren. Dat hij door die gesprekken een bijdrage heeft geleverd in de wereld van seksueel kindermisbruik lijkt niet tot hem te zijn doorgedrongen. De rechtbank rekent dit hem aan, maar ook is dit een verontrustend gegeven bij de vraag of er gevaar voor recidive is.

De Pro Justitia rapportage van [betrokkene 1] , GZ-psycholoog houdt onder meer in dat er geen sprake is van psychopathologie hoewel een parafiele stoornis niet kan worden uitgesloten of bevestigd. Er zijn aanwijzingen voor seksuele preoccupatie en deviantie(s). Desondanks is het lastig uitspraken te doen over de risicofactoren. Verdachte is volledig toerekeningsvatbaar. De rechtbank deelt de conclusie over de toerekenbaarheid maar heeft haar twijfels bij de overige bevindingen. De reclassering acht het recidiverisico laag. Ook bij die conclusie plaatst de rechtbank vraagtekens. De psycholoog rapporteert immers ook dat verdachte niet volledig open is geweest over zijn seksuele belevingswereld, zodat op dit vlak geen eenduidig beeld van hem is verkregen. En het argument van verdachte dat voor herhaling niet gevreesd hoeft te worden omdat hij inmiddels weer seksuele betrekkingen met zijn echtgenote heeft overtuigt allerminst.

Het advies van de psycholoog tot een behandeltraject bij een instelling met forensische- en zedenexpertise, zoals bijvoorbeeld De Waag, is zoals ter zitting is gebleken in een vrijwillig kader in gang gezet.

Gelet op de ernst van het gepleegde feit en al het voorgaande, acht de rechtbank oplegging van ook een nog uit te zitten onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden. Alles afwegende zal aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf worden opgelegd van zes maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. De rechtbank is van oordeel dat een straf conform voorarrest, zoals bepleit is door de verdediging, geen recht doet aan de ernst van het feit.

Nu de rechtbank van oordeel is dat aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden moet worden opgelegd, zal zij de schorsing van de voorlopige hechtenis opheffen.

De rechtbank zal naast een onvoorwaardelijke gevangenisstraf ook een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen van zes maanden, met een proeftijd van drie jaar, om verdachte ervan te weerhouden in de toekomst een soortgelijk of ander strafbaar feit te plegen. De rechtbank ziet in de over verdachte opgemaakte rapporten aanleiding om aan de voorwaardelijke gevangenisstraf de bijzondere voorwaarde te verbinden van verplichte ambulante behandeling bij De Waag.”

4 Juridisch kader

5 Beoordeling van het cassatiemiddel

6 Beslissing