Home

Parket bij de Hoge Raad, 14-02-2014, ECLI:NL:PHR:2014:76, 13/04341

Parket bij de Hoge Raad, 14-02-2014, ECLI:NL:PHR:2014:76, 13/04341

Gegevens

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
14 februari 2014
Datum publicatie
13 juni 2014
ECLI
ECLI:NL:PHR:2014:76
Formele relaties
Zaaknummer
13/04341

Inhoudsindicatie

Prejudiciële vraag; art. 392 Rv. Consumentenrecht. Telefoonabonnement met ‘gratis’ mobiele telefoon. Koop op afbetaling (art. 7A:1576 BW)? Goederenkrediet (art. 1, aanhef en onder a en e, Wck (oud))? Kredietovereenkomst (art. 7:57 lid 1, aanhef en onder c, BW)? Strekking overeenkomst. HR 23 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT8457, NJ 2014/22. Perspectief en belangen van consument. Stelplicht en bewijslast telecomaanbieder. Zacht krediet (art. 7:58 lid 2, onder e, BW). Dient art. 4 lid 1, aanhef en onder a, Wck (oud) tussen 11 juni 2010 en 25 mei 2011 te worden geïnterpreteerd conform Richtlijn 2008/48/EG (Richtlijn consumentenkrediet)? Richtlijnconforme interpretatie contra legem? Gedeeltelijke nietigheid overeenkomst? HR 20 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2123. Rechtsvormende taak van de rechter.

Conclusie

Rolnr. 13/04341

Mr M.H. Wissink

Zitting: 14 februari 2014

Conclusie inzake een verzoek om een prejudiciële beslissing, in de zaak waarbij

- als partijen zijn betrokken:

[eiseres],

gevestigd te [vestigingsplaats],

en

[verweerster] ,

wonende te [woonplaats],

- en als indieners van schriftelijke opmerkingen op de voet van artikel 393 lid 2 Rv:

1 CAIW Diensten B.V.,

2. Tele2 Nederland B.V.,

3. T-Mobile Netherlands B.V.,

4. UPC Nederland B.V.,

5. Vodafone Libertel B.V., en

6. Ziggo B.V.

1 De prejudiciële vraag

1.1

De kantonrechter heeft bij vonnis van 13 juni 2013, ingekomen bij de Hoge Raad op 9 september 2013, in rov. 4.11 aan de Hoge Raad de vraag gesteld:1

“of telefoonabonnementen, waarbij een ("gratis") telefoon aan de consument ter beschikking wordt gesteld, zijn te kwalificeren als een consumentenkrediet als bedoeld in de Wck (tot 25 mei 2011) dan wel als bedoeld in titel 2A van boek 7 BW (vanaf 25 mei 2011), ofwel dat dergelijke overeenkomsten zijn te kwalificeren als koop op afbetaling als bedoeld in artikel 7A:1576 e.v. BW”.

1.2

Daarbij merkt de kantonrechter op dat kennelijk in veel zaken onduidelijk is of en zo ja welk bedrag voor de "gratis" telefoon in rekening wordt gebracht in de maandelijks te betalen termijnen.

2 Feiten en procesverloop

2.1

De door de kantonrechter vastgestelde feiten kunnen, voor zover van belang voor de prejudiciële vraag, als volgt worden samengevat.2

(i) [verweerster] heeft als jongmeerderjarige op 10 december 2010 in een belwinkel te Rotterdam twee overeenkomsten gesloten met KPN (Hi), hierna overeenkomst 1 en overeenkomst 2 genoemd.

(ii) Bij overeenkomst 1 (voor telefoonnr. 06-[001]) bedroegen de abonnementskosten € 54,50 per maand, plus eventuele extra verbruikskosten buiten de bundel. Voor de eerste 12 maanden van het abonnement gold een korting van 50%. [verweerster] ontving bij het aangaan van dit abonnement een mobiele telefoon, type Blackberry Bold 9780 met – in 2010 – een verkoopwaarde van ongeveer € 475,-. Ter zake van dit abonnement is een schriftelijk contract opgemaakt.

(iii) Van overeenkomst 2 (voor telefoonnr. 06-[002]) is geen schriftelijk contract opgemaakt. [verweerster] heeft bij het afsluiten van dit abonnement ook een mobiele telefoon van het merk Blackberry ontvangen met een waarde van toen ongeveer € 475,-.

(iv) KPN heeft [verweerster] ter zake van beide abonnementen gefactureerd. Deze facturen zijn (gedeeltelijk) onbetaald gelaten.

( v) Bij brief van 12 april 2011 aan KPN - Hi N.V. heeft de gemachtigde van gedaagde onder meer de vernietiging van de overeenkomsten ingeroepen omdat deze niet voldoen aan de eisen die de Wet op het Consumentenkrediet (verder: WCK) aan deze overeenkomsten stelt.

(vi) KPN heeft haar vordering op [verweerster] aan [eiseres] overgedragen.

2.2

In januari 2012 heeft [eiseres] gedaagde gedagvaard voor de kantonrechter. Zij vorderde in verband met beide overeenkomsten, kort gezegd, betaling van € 1.994,11, met rente en kosten.

Bij akte van 10 augustus 2012 heeft [eiseres] haar vordering voor overeenkomst 2, die aanvankelijk een bedrag van € 672,72 voor de resterende contractsperiode betrof, beperkt tot louter de waarde van de mobiele telefoon, door [eiseres] gesteld op € 450,-.

De vordering betreft dus thans nog voor overeenkomst 1 € 1.321,39 en voor overeenkomst 2 €450,-, totaal € 1.771,39, met rente en kosten.

2.3

In het onderhavige geval heeft [verweerster] diverse verweren gevoerd, waaronder:

- ( meer subsidiair) dat de overeenkomsten ter zake van de telefoons vernietigbaar zijn gezien art. 30 (oud) WCK;

- ( uiterst subsidiair) dat de overeenkomsten ter zake van de telefoons niet tot stand zijn gekomen gezien art. 7A:1576 lid 2 BW; en

- ( als verweer tegen de gevorderde ontbindingsschade) dat de overeenkomsten ter zake van de telefoons niet rechtsgeldig zijn ontbonden gezien art. 44 lid 1 WCK.

2.4

Bij rolbeslissing van 25 oktober 2012 heeft de kantonrechter partijen een uitspraak in een vergelijkbare zaak doen toekomen, waarvan de kantonrechter ambtshalve had kennisgenomen,3 en partijen in de gelegenheid gesteld zich daarover bij akte uit te laten.

Ter rolle van 8 november 2012 heeft [verweerster] een akte genomen, waarin zij een verzoek deed tot toepassing van art. 392 Rv. Daarop heeft [eiseres] bij akte van 6 december 2012 gereageerd. De kantonrechter heeft, alvorens op het verzoek ex art. 392 Rv te beslissen, de zaak naar de rol verwezen tot het nemen van de eerder gevraagde akten uitlating.

[eiseres] heeft bij akte van 14 februari 2013 de toepasselijkheid van art. 7A:1576 BW en de WCK betwist, onder meer met een beroep op art. 4 lid 1 sub a (oud) WCK. [verweerster] heeft bij akte van 14 maart 2013 gereageerd, onder meer op het beroep op art. 4 lid 1 sub a WCK (nr. 27 e.v.), en een vonnis van de kantonrechter Delft van 22 november 2012 overgelegd. [eiseres] heeft daarop een akte uitlaten producties d.d. 16 mei 2013 genomen.

Bij vonnis van 13 juni 2013 heeft de kantonrechter een tussenvonnis gewezen waarin wordt bepaald dat de hiervoor genoemde prejudiciële vraag aan de Hoge Raad zal worden gesteld; iedere verdere beslissing werd aangehouden.

2.5

In de procedure bij de Hoge Raad hebben [eiseres] en [verweerster] ieder schriftelijke opmerkingen ingediend en vervolgens gereageerd op elkaars opmerkingen. Voorts hebben CAIW Diensten B.V., Tele2 Nederland B.V., T-Mobile Netherlands B.V., UPC Nederland B.V., Vodafone Libertel B.V. en Ziggo B.V. (hierna genoemd: de Aanbieders) gezamenlijk op de voet van art. 392 lid 2 Rv schriftelijke opmerkingen ingediend. [verweerster] heeft gereageerd op de schriftelijke opmerkingen van de Aanbieders.

3 Juridisch kader

4 Behandeling van de prejudiciële vraag