Parket bij de Hoge Raad, 01-11-2016, ECLI:NL:PHR:2016:1425, 16/05224
Parket bij de Hoge Raad, 01-11-2016, ECLI:NL:PHR:2016:1425, 16/05224
Gegevens
- Instantie
- Parket bij de Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 1 november 2016
- Datum publicatie
- 30 mei 2017
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2016:1425
- Formele relaties
- Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:970
- Zaaknummer
- 16/05224
Inhoudsindicatie
Cassatie in het belang der wet. Beschikking ex art. 577b Sv. Strekking en toepassingsbereik van de in art. 577b Sv vervatte regeling betreffende de kwijtschelding dan wel vermindering van het ter ontneming van het w.v.v. te betalen bedrag. De HR wijdt overwegingen aan de vraag in welke gevallen vermindering of kwijtschelding van het te betalen bedrag o.g.v. art. 577b Sv kan plaatsvinden en in hoeverre daarvoor is vereist dat zich, na de onherroepelijke vaststelling van die betalingsverplichting, gewijzigde dan wel nieuwe f&o hebben voorgedaan. Welke f&o van belang zijn voor de beoordeling van het verzoek tot vermindering of kwijtschelding, hangt mede samen met de grond waarop dat verzoek berust. De HR onderscheidt in dit verband verschillende gevallen. In alle gevallen ligt het op de weg van verzoeker om in zijn schriftelijke en gemotiveerde verzoek a.d.h.v. verifieerbare gegevens aannemelijk te maken dat sprake is van f&o die dienen te leiden tot vermindering of kwijtschelding van het bedrag van de in het ontnemingsgeding vastgestelde betalingsverplichting. ’s Hofs oordeel dat “artikel 577b van het Wetboek van Strafvordering er niet toe strekt om het wederrechtelijk verkregen voordeel op basis van nieuwe feiten opnieuw te berekenen en eventueel op een lager bedrag vast te stellen” is in strijd met hetgeen is overwogen. Dat behoeft echter niet tot cassatie te leiden, nu ’s Hofs vaststelling dat niet is gebleken dat “bij de oplegging van de maatregel tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel een hoger bedrag is vastgesteld dan de som van het werkelijke voordeel”, de afwijzing van het verzoek tot vermindering van het vastgestelde bedrag zelfstandig draagt.
Conclusie
Nr. 16/05224 CW
Mr. Hofstee
Zitting 1 november 2016
Vordering tot cassatie in het belang der wet inzake
[betrokkene]
1. Deze vordering tot cassatie in het belang der wet betreft een beslissing van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 28 juni 2013 waarbij het hof het verzoek ex art. 577b Sv strekkende tot kwijtschelding c.q. vermindering van het ter ontneming van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel vastgestelde bedrag heeft afgewezen.
2. Tegen de beslissing van het hof staat geen gewoon beroep in cassatie open.1 De beslissing is onherroepelijk. Cassatie in het belang der wet is echter wel mogelijk (art. 78, eerste lid, RO in verbinding met art. 456, eerste lid, Sv).
I Inleiding/art. 577b Sv
3. Het gaat in deze vordering om de vraag wat de reikwijdte of strekking is van art. 577b, tweede en derde lid, Sv. Deze leden luiden als volgt:
“2. Op vordering van het openbaar ministerie dat met de tenuitvoerlegging is belast, of op schriftelijk en gemotiveerd verzoek van de veroordeelde of van een benadeelde derde kan de rechter die de in het eerste lid genoemde maatregel heeft opgelegd, het daarin vastgestelde bedrag verminderen of kwijtschelden. Is het bedrag reeds betaald of verhaald, dan kan de rechter bevelen dat het geheel of gedeeltelijk zal worden teruggegeven of aan een door hem aangewezen derde zal worden uitgekeerd. Het bevel laat ieders recht op het teruggegeven of uitgekeerde bedrag onverlet.
3. Wanneer blijkt dat een hoger bedrag is vastgesteld dan de som van het werkelijke voordeel, geeft de rechter een beschikking strekkende tot vermindering of teruggave, ten minste gelijk aan het verschil.”
4. Art. 577b Sv is opgenomen onder Titel I van Boek VI van het Wetboek van Strafvordering, in de derde afdeling luidend “Tenuitvoerlegging van strafbeschikkingen, bevelen tot vrijheidsbeneming en veroordelende vonnissen of arresten”. Het artikel bevat een zogenoemde matigingsprocedure ter zake van de ontnemingsmaatregel en is een voorbeeld van betrokkenheid in de executiefase van de rechter die deze maatregel heeft opgelegd. Het tweede lid formuleert een bevoegdheid (de rechter “kan”), het derde lid schept een verplichting tot vermindering.
5. In de praktijk lijkt onduidelijkheid te bestaan over het toepassingsbereik van art. 577b, tweede en derde lid, Sv. In vraagvorm kan deze onduidelijkheid als volgt worden omschreven. Kan een geheel nieuw feit dat zich na de vaststelling van het ontnemingsbedrag heeft voorgedaan, of misschien zelfs wel een geheel nieuw feitenonderzoek, ertoe leiden dat het eertijds vastgestelde ontnemingsbedrag opnieuw wordt berekend en vastgesteld? Is de mogelijkheid tot het indienen van een vordering of het doen van een verzoek tot kwijtschelding of vermindering van het in de ontnemingsprocedure vastgestelde bedrag begrensd tot slechts nader te bepalen gevallen? Daarbij valt te denken aan een achteraf gebleken rekenfout, de draagkracht van de veroordeelde en inmiddels aan benadeelde derden vergoede bedragen.
II De bestreden beslissing
6. Het hof ‘s-Hertogenbosch heeft het volgende overwogen en beslist: “De beoordeling
Uit de gedingstukken, waaronder begrepen de stukken van de strafzaak, blijkt dat de veroordeelde bij arrest van het gerechtshof ’s Hertogenbosch d.d. 16 maart 2010 is veroordeeld tot betaling van een geldbedrag van € 738.142,93 aan de Staat ter ontneming van het door hem verkregen wederrechtelijk voordeel. Tegen dit arrest is beroep in cassatie ingesteld. Bij arrest d.d. 21 juni 2011 heeft de Hoge Raad der Nederlanden betrokkenen niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep. De zogeheten ontnemingsmaatregel is daarmee op 21 juni 2011 onherroepelijk geworden.
Thans wordt verzocht voormeld bedrag te verminderen.Ter onderbouwing van zijn verzoek heeft veroordeelde op de in het verzoek aangevoerde gronden – kort samengevat – aangevoerd dat het hof in zijn beslissing tot vaststelling van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat is uitgegaan van een onjuiste grondslag.
Het hof stelt voorop dat artikel 577b van het Wetboek van Strafvordering er niet toe strekt om het wederrechtelijk verkregen voordeel op basis van nieuwe feiten opnieuw te berekenen en eventueel op een lager bedrag vast te stellen. Een dergelijk onderzoek, waarmee veroordeelde in feite herziening beoogt van de uitspraak van het hof van 16 maart 2010, zou in strijd zijn met het gesloten stelsel van rechtsmiddelen in strafzaken.
Uit de door de raadsman overgelegde bescheiden is het hof niet gebleken dat bij de oplegging van de maatregel tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel een hoger bedrag is vastgesteld dan de som van het werkelijke voordeel.
Het hof ziet derhalve geen aanleiding het bedrag – vastgesteld ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel – te verminderen.”
7. Vooreerst merk ik op dat het hof feitelijk heeft vastgesteld dat uit de door de raadsman overgelegde bescheiden het hof niet is gebleken dat bij de oplegging van de maatregel tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel een hoger bedrag is vastgesteld dan de som van het werkelijke voordeel als bedoeld in art. 577b, derde lid, Sv, en dat deze vaststelling de beslissing van het hof tot afwijzing van het verzoek tot kwijtschelding c.q. vermindering van het ontnemingsbedrag zelfstandig draagt.
8. Mitsdien heeft deze vordering tot cassatie in het belang der wet enkel betrekking op de vooropstelling van het hof, dat art. 577b Sv er niet toe strekt het wederrechtelijk verkregen voordeel op basis van nieuwe feiten opnieuw te berekenen en eventueel op een lager bedrag vast te stellen, en dat een dergelijk onderzoek, waarmee de veroordeelde in feite herziening beoogt van de uitspraak van het hof in de ontnemingszaak, in strijd zou zijn met het gesloten stelsel van rechtsmiddelen. Dat het hier gaat om louter een vooropstelling van het hof, die aan zijn beslissing niet afdoet, hoeft geen beletsel te zijn om het oordeel van de Hoge Raad over de juistheid van die vooropstelling te vragen, nu daarin sprake is van een rechtsvraag die door de feitenrechter verschillend wordt beantwoord.2 Daarmee is tevens de reden gegeven om tegen de beslissing van het hof ’s-Hertogenbosch cassatie in het belang der wet in te stellen.
III Een tweetal andere beslissingen van hoven
9. Eerder al had het hof Leeuwarden in zijn beslissing van 30 oktober 2009, ECLI:NL:GHLEE:2009:BK2831 ten aanzien van art. 577b, tweede lid, Sv overwogen:
“Artikel 577b van het Wetboek van strafvordering houdt een regeling in voor de tenuitvoerlegging van de maatregel ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel. Het tweede lid van die bepaling strekt ertoe te beoordelen of bij de veroordeelde sprake is van betalingsonmacht die aanleiding zou moeten zijn tot matiging of kwijtschelding van het vastgestelde bedrag. Anders dan de advocaat van de veroordeelde veronderstelt strekt genoemd tweede lid er derhalve niet toe om het wederrechtelijk verkregen voordeel op basis van een nieuw feitenonderzoek, zoals door de advocaat voorgesteld en dat niet de draagkracht van de veroordeelde betreft, op een lager bedrag vast te stellen. Een dergelijk onderzoek, waarmee de advocaat herziening beoogt van de uitspraak van het hof, zou in strijd zijn met het gesloten stelsel van rechtsmiddelen in strafzaken.”
Ook het hof Leeuwarden verwerpt in de aangehaalde beslissing de opvatting dat de regeling van art. 577b Sv nieuw feitenonderzoek mogelijk maakt, althans voor zover dat op iets anders dan de draagkracht betrekking heeft, omdat anders sprake zou zijn van herziening van de eerdere beslissing van het hof, en wijst daarbij op strijd met het gesloten stelsel van rechtsmiddelen. Goed beschouwd beperkt het hof Leeuwarden de toepasselijkheid van het tweede lid van art. 577b Sv tot betalingsonmacht die gerelateerd is aan de draagkracht van de veroordeelde.
10. Het hof Arnhem-Leeuwarden legt in zijn beslissing van 30 december 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:10012 de bepaling van art. 577b, derde lid, Sv als volgt uit:
“Gelet op de inhoud van het verzoekschrift en het verhandelde in raadkamer is het verzoek gebaseerd op artikel 577b, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering.
Die bepaling houdt in:
"Wanneer blijkt dat een hoger bedrag is vastgesteld dan de som van het werkelijke voordeel, geeft de rechter een beschikking strekkende tot vermindering of teruggave, ten minste gelijk aan het verschil."
Uit de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 577b van het Wetboek van Strafvordering volgt dat de gevallen en de gronden waarop het derde lid van artikel 577b van het Wetboek van Strafvordering ziet, dienen te worden onderscheiden van de gevallen en gronden waarop de matigingsbevoegdheid van het tweede lid ziet. Blijkens de memorie van toelichting (kamerstukken II, 2001-2002, 28079, nr. 3, p. 29-30) bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Wet van 8 mei 2003 tot wijziging van een aantal bepalingen in het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten met betrekking tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel (aanpassing ontnemingswetgeving) heeft het derde lid van artikel 577b van het Wetboek van Strafvordering een strekking die vergelijkbaar is met het bij die wet ingevoerde tweede lid van artikel 578 van het Wetboek van Strafvordering. Daarin is geregeld dat de officier van justitie kan overgaan tot verrekening van het verschil tussen een reeds betaald schikkingsbedrag of de waarde van een overgedragen voorwerp ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel en het werkelijke voordeel verkregen door middel van of uit de baten van het strafbare feit. Het werkelijke voordeel kan lager blijken te zijn, bijvoorbeeld als gevolg van een door derden aangespannen civiele procedure.
In deze memorie van toelichting heeft de wetgever toegelicht dat met de wijziging van artikel 578, tweede lid, werd beoogd de situatie voor beide gevallen gelijk te trekken.
Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat artikel 577b, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering de rechter de mogelijkheid biedt om het vastgestelde bedrag dat moet worden betaald ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, te verlagen dan wel te bepalen dat reeds betaalde bedragen moeten worden teruggegeven, indien blijkt dat het werkelijke voordeel lager is geweest dan waarvan bij de vaststelling van het bedrag is uitgegaan en dat deze mogelijkheid niet is beperkt tot nieuwe feiten of omstandigheden die zich hebben voorgedaan na die vaststelling. In dit verband overweegt het hof dat de vaststelling van het voordeel een schatting betreft die naderhand onjuist kan blijken te zijn.
Voor niet-ontvankelijkverklaring van verzoeker in het verzoek, zoals door de advocaat-generaal betoogd, omdat sprake zou zijn van een verkapt appel is dan ook geen aanleiding Het ligt echter wel op de weg van een veroordeelde die een beroep doet op artikel 577b, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, om aan te tonen dat het werkelijke voordeel dat hij heeft verkregen door middel van of uit de baten van het strafbare feit lager is gebleken dan het bedrag dat in de ontnemingsprocedure is vastgesteld. Verzoeker is daarin niet geslaagd.”
In afwijking van hetgeen het hof ’s-Hertogenbosch in de onderhavige zaak ten aanzien van art. 577b, tweede lid, Sv heeft vooropgesteld, is het hof Arnhem-Leeuwarden kennelijk van oordeel dat art. 577b, derde lid, Sv de ruimte biedt om nieuwe feiten en omstandigheden in te brengen die zich na de vaststelling van het ontnemingsbedrag hebben voorgedaan. Voorts overweegt het hof Arnhem-Leeuwarden dat de gevallen waarin en de gronden waarop het derde lid ziet, dienen te worden onderscheiden van de gevallen waarin en de gronden waarop de matigingsbevoegdheid van het tweede lid betrekking heeft. Of dat inderdaad zo is, is mijns inziens nog maar de vraag gezien de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel waarop hieronder in de randnummers 20 en 21 zal worden gewezen.