Parket bij de Hoge Raad, 18-05-2018, ECLI:NL:PHR:2018:514, 17/02713
Parket bij de Hoge Raad, 18-05-2018, ECLI:NL:PHR:2018:514, 17/02713
Gegevens
- Instantie
- Parket bij de Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 18 mei 2018
- Datum publicatie
- 8 juni 2018
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2018:514
- Formele relaties
- Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:1672, Gevolgd
- Zaaknummer
- 17/02713
Inhoudsindicatie
Contractenrecht. Samenhangende overeenkomsten. Invloed einde overeenkomst tussen afnemer en leverancier op voortbestaan overeenkomst tussen leverancier en producent. Exclusiviteitbeding, nawerking. Onrechtmatige daad doordat producent direct aan afnemer levert? Samenhang met 17/03120.
Conclusie
Zaaknr: 17/02713
mr. B.J. Drijber
Zitting: 18 mei 2018
Conclusie inzake:
[eiseres] ,
eiseres in het principale cassatieberoep,
verweerster in het incidentele cassatieberoep,
advocaat: mr. B.T.M. van der Wiel
tegen
BAST s.r.o.,
verweerster in het principale cassatieberoep,
eiseres in het incidentele cassatieberoep,
advocaat: mr. M. den Besten en mr. D. Rijpma
Inleiding
De onderhavige zaak hangt samen met zaak 17/03120, [eiseres] /VelopA B.V. [eiseres] (hierna: [eiseres] ) was tussenpersoon in een contractuele relatie met VelopA B.V. (hierna: VelopA), haar opdrachtgever/afnemer, en anderzijds met de Tsjechische firma BAST s.r.o. (hierna: Bast), haar toeleverancier. Bast is in 2005 de producten (met name metalen fietsenrekken) die zij aan [eiseres] leverde, rechtstreeks aan VelopA gaan leveren. De beide zaken gaan over dit feitencomplex. Gelet op deze samenhang (de dossiers bevatten bovendien deels dezelfde stukken) is het wenselijk dat zij gelijk op lopen. Om die reden wordt vandaag in beide zaken geconcludeerd.
In de onderhavige zaak vordert [eiseres] van Bast schadevergoeding wegens wanprestatie en afdracht van winst. In cassatie gaat het met name om de vraag of de beëindiging van de contractuele relatie tussen [eiseres] en VelopA meebrengt dat ook de contractuele relatie tussen [eiseres] en Bast is beëindigd. In zaak 17/03120 vordert [eiseres] nakoming van een in 2002 tussen haar en VelopA gesloten raamovereenkomst. In cassatie gaat het daar over de uitleg van die raamovereenkomst teneinde de omvang van de schade te kunnen vaststellen die [eiseres] heeft geleden als gevolg van de wanprestatie van VelopA. Was VelopA verplicht om bij [eiseres] de in die overeenkomst vermelde aantallen af te nemen of enkel de aantallen die daadwerkelijk door haar afnemers bij haar werden besteld?
1 Feiten
In cassatie kan worden uitgegaan van de volgende feiten.1
[eiseres] (in sommige gedingstukken aangeduid als [A] ) produceert en handelt in metaalwaren, machines en constructies. Zij verkocht metalen straatmeubilair, met name de fietsenparkeerinstallatie ‘Tulip’ en/of ‘Twin Tulip’, aan VelopA, die dit doorleverde aan de Nederlandse Spoorwegen en/of ProRail. Daartoe hadden [eiseres] en VelopA, laatstelijk op 28 mei 2002, een raamovereenkomst afgesloten, door hen ook aangeduid als Raamcontract NS.
Aanvankelijk produceerde [eiseres] het aan VelopA te leveren metalen straatmeubilair zelf. Wegens druk op de marges heeft [eiseres] deze producten sinds eind 1996 in Tsjechië laten vervaardigen, onder meer bij Bast.
[eiseres] en Bast hebben een op 29 april 1997 gedateerde overeenkomst gesloten. In deze overeenkomst is – voor zover hier van belang – het volgende bepaald:2
“(...)
This contract (...) contains the following statements and no-compete agreements:
1) The product is to be manufactured by Bast acc. specifications and drawings supplied by [eiseres] (...)
It shall be manufactured for [eiseres] only, not for third parties.
(...)”
[eiseres] en Bast hebben voorts een op 1 september 1999 gedateerde overeenkomst gesloten, waarin – voor zover hier van belang – het volgende is bepaald:3
“Betreffs Produkten wie zubehörende Zeichnungen sollte Sie allein in Auftrag nehmen von [eiseres] und deshalb auch nicht direkt zu unserem Kunde geliefert werden.
(...)
Das Vertrag ist gültig auf unbestimmte Zeit (...)”
In 2004 hebben [eiseres] en VelopA onderhandeld over overname door VelopA van de activiteiten van [eiseres] met betrekking tot de productie van straatmeubilair, waaronder de aan Bast uitbestede activiteiten. Partijen zijn het niet eens geworden. De overname is daarom niet doorgegaan.
VelopA heeft zich in april 2005 tegenover [eiseres] op het standpunt gesteld dat zij geen afnameverplichting had op grond van het Raamcontract NS en gerechtigd was rechtstreeks bij Bast te bestellen.4 Dit standpunt heeft VelopA ook kenbaar gemaakt aan Bast.5 [eiseres] heeft Bast er op 12 april 2005 op gewezen dat tussen hen een overeenkomst geldt die niet toestaat dat Bast rechtstreeks aan VelopA levert.
De eerste rechtstreekse levering van Bast aan VelopA is door de vervoerder op 12 mei 2005 per vergissing afgeleverd bij [eiseres] in plaats van VelopA. VelopA heeft geen straatmeubilair meer bij [eiseres] besteld met als gevolg dat [eiseres] ook geen bestellingen meer had te plaatsen bij Bast. Andere opdrachtgevers dan VelopA had [eiseres] (in dit segment) niet.6
Bij brief van 5 juli 2005 heeft [eiseres] aan VelopA medegedeeld dat de situatie lijkt te zijn dat de samenwerking “na de aanstaande leveringen feitelijk beëindigd is”. Zij heeft aan VelopA gevraagd op welke wijze deze zeker kon stellen dat de in dat verband verschuldigde betalingen nog zouden plaatsvinden.7 Bij brief van 11 juli 2005 heeft VelopA [eiseres] meegedeeld dat samen is geconstateerd dat de relatie tussen hen is geëindigd.8
[eiseres] heeft tegenover zowel VelopA als Bast bezwaar gemaakt tegen deze gang van zaken en zich daarbij op haar contractuele rechten beroepen.9
Tussen [eiseres] en VelopA zijn diverse procedures gevoerd over (onder meer) de beëindiging van de handelsrelatie (zie zaak 17/03120). Het hof Arnhem-Leeuwarden heeft geoordeeld dat VelopA gehouden was bepaalde aantallen product uit hoofde van het Raamcontract NS tot het jaar 2008 van [eiseres] af te nemen en dat VelopA, door in 2005 de afname te staken, deze verplichting heeft geschonden en daarom jegens [eiseres] toerekenbaar tekort is geschoten. De stelling van VelopA dat [eiseres] in de brief van 5 juli 2005 ermee heeft ingestemd dat VelopA het raamcontract had beëindigd is door het hof Arnhem-Leeuwarden verworpen.
2 Procesverloop
Bij inleidende dagvaarding van 12 maart 2010 heeft [eiseres] gevorderd Bast te veroordelen tot (i) betaling van € 715.864,17 te vermeerderen met de wettelijke handelsrente te berekenen vanaf 1 juli 2005 en (ii) afdracht van de winst die Bast gedurende de periode van 1 juli 2005 tot 1 juli 2010 heeft genoten ten gevolge van de contractbreuk jegens [eiseres] , althans een door de rechtbank te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente te berekenen vanaf 1 juli 2010, met veroordeling van Bast in de proceskosten.10
Voor zover in cassatie nog van belang heeft [eiseres] aan deze vorderingen het volgende ten grondslag gelegd. 11 Bast is overgegaan tot het stelselmatig rechtstreeks leveren van straatmeubilair aan VelopA. Door deze handelwijze heeft Bast wanprestatie gepleegd onder de overeenkomsten van 29 april 1997 en 1 september 1999. Deze overeenkomsten hebben de strekking de belangen van [eiseres] te beschermen, omdat Bast niet alleen gedurende de samenwerking tussen partijen maar ook na afloop daarvan geen opdrachten rechtstreeks van klanten van [eiseres] , waaronder VelopA, mag aanvaarden. Deze overeenkomsten zijn niet beëindigd door een eventueel einde van de relatie tussen [eiseres] en VelopA. Bast handelt daarnaast onrechtmatig jegens [eiseres] door bewust te profiteren van de wanprestatie of onrechtmatige daad van VelopA jegens [eiseres] en door bewust ten nadele van [eiseres] rechtstreeks zaken te doen met VelopA, waarvan Bast weet dat het een belangrijke klant/opdrachtgever is van [eiseres] . Bast is derhalve aansprakelijk voor de uit de wanprestatie en/of de inbreuken voor [eiseres] voortvloeiende concrete schade, alsmede de ten onrechte door haar gemaakte winst over vijf jaar na het verbreken van de relatie als bedoeld in art. 6:104 BW. Op grond van het met VelopA in 2002 overeengekomen raamcontract mocht [eiseres] aan lopende en nieuwe orders een winst verwachten van ten minste € 715.864,17, die zij is misgelopen. De winst die Bast ten onrechte heeft gemaakt over drie jaar begroot [eiseres] op € 450.000,-.
Bij tussenvonnis van 19 december 2012 stelt de rechtbank Rotterdam vast dat partijen hebben gekozen voor toepassing van Nederlands recht op zowel de op de overeenkomst gebaseerde vorderingen als op de buitencontractuele vorderingen (rov. 5.1). Volgens de rechtbank is de verplichting tot exclusiviteit in de relatie tussen [eiseres] en Bast beperkt tot de duur van de relatie tussen [eiseres] en VelopA (rov. 5.5). De rechtbank oordeelt verder dat Bast zonder wanprestatie te plegen jegens [eiseres] vanaf juli 2005 in rechtstreekse opdracht van VelopA kon gaan werken. Bast is echter al vanaf april/mei 2005 voor VelopA gaan werken. Totdat de overeenkomst tussen [eiseres] en Velopa was geëindigd (per 1 juli 2005) was Bast verplicht de exclusiviteitsbedingen te respecteren. Daarin is zij toerekenbaar tekortgeschoten. Zie rov. 5.6:
“(...)
Tussen partijen is niet in geschil dat Velopa en [eiseres] tot in voorjaar 2005 hebben onderhandeld over de overname door Velopa van de activiteiten van [eiseres] en haar opdrachten aan toeleverancier Bast, maar dat die onderhandelingen niet tot resultaat hebben geleid. Evenmin is tussen partijen in geschil dat Bast bij die onderhandelingen betrokken is geweest. Onder die omstandigheden kan na het stuklopen van die onderhandelingen voorjaar 2005 een haasje-overspringen tussen Velopa en Bast voor [eiseres] niet onverwacht zijn gekomen. Dat rechtstreeks contact tussen Bast en Velopa voor [eiseres] inderdaad niet onverwacht is gekomen, vindt haar bevestiging in de correspondentie tussen [eiseres] en Bast van april 2005, zoals aangehaald in rov. 2.6, 2.7 en 2.8.
Tegen de achtergrond van die mislukte onderhandelingen tussen Velopa en [eiseres] gelezen, lijkt het gestelde in de brief van [eiseres] aan Velopa van 5 juli 2005 inderdaad, zoals Bast stelt, veeleer de berusting in een afgelopen relatie te bevestigen, met name door de bewoordingen “De situatie lijkt te zijn dat onze jarenlange samenwerking na de aanstaande leveringen feitelijk is beëindigd”, dan het verlangen van [eiseres] om de relatie met Velopa te doen voortduren. Dat oordeel wordt niet anders door de toevoeging “Onder voorbehoud van alle rechten” onderaan de brief van 5 juni 2005. (...)
[eiseres] heeft geen feiten of omstandigheden gesteld waaruit valt af te leiden dat haar zakelijke relatie met Velopa (al dan niet onder het Raamcontract NS) zonder meer na juli 2005 zou voortduren.
Zoals gezegd, stonden Velopa en Bast in de periode april – juli 2005 met elkaar in contact. Uit de hiervoor genoemde correspondentie tussen [eiseres] en Bast van april 2005 blijkt dat het aan [eiseres] bekend was dat Bast en Velopa met elkaar rechtstreeks contact hadden.
Derhalve heeft [eiseres] er rekening mee behoren te houden dat ook haar brief aan Velopa van 5 juli 2005 bij Bast bekend zou worden.
Onder deze omstandigheden mocht van [eiseres] , indien deze verlangde de relatie met Bast te behouden – ook indien de relatie met Velopa zou aflopen – redelijkerwijs worden verwacht dat zij een duidelijker standpunt ten opzichte van Bast zou hebben ingenomen dan zij heeft gedaan met haar brief aan Bast van 13 juli 2005. In die brief, immers, stelt [eiseres] weliswaar dat Bast wegens schadebrengende gevolgen dient op te houden met haar rechtstreekse levering aan Velopa, maar geeft [eiseres] in het geheel niet aan dat zij zonder meer met Bast (op basis van exclusiviteit) verder wil, ook indien de relatie tussen [eiseres] en Velopa ten einde zou (zijn ge-)komen.
Daarom komt de rechtbank tot de conclusie dat wegens de onduidelijkheid over de rechtsverhouding tussen Velopa en [eiseres] in juli 2005 en de toenmalige onduidelijke stellingname door [eiseres] ten opzichte van Bast, niet geoordeeld kan worden dat het Bast in juli 2005 niet vrijstond om rechtstreeks met Velopa zaken te gaan doen.
De rechtbank overweegt verder dat de stelling van [eiseres] dat Bast onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld, door in samenspanning met VelopA haar buiten spel te zetten dan wel te profiteren van de wanprestatie van VelopA jegens haar, geen bespreking behoeft. Geen van de aangedragen feiten en omstandigheden levert, los van de overeenkomsten, een onrechtmatige daad van Bast op (rov. 5.10).12
Bij akte na tussenvonnis heeft [eiseres] de rechtbank verzocht om terug te komen op het tussenvonnis. Daaraan heeft zij ten grondslag gelegd dat het hof Arnhem-Leeuwarden in de procedure tussen tegen VelopA bij arrest van 19 maart 2013 had geoordeeld dat het verweer van VelopA, dat [eiseres] had ingestemd met de beëindiging het Raamcontract NS, moet worden verworpen.
Bij eindvonnis van 24 december 2014 heeft de rechtbank beslist dat zij niet terugkomt op het tussenvonnis. De wanprestatie van Bast blijft daarom beperkt tot de directe leveringen aan VelopA in de periode april tot en met juni 2005. De daaruit voor [eiseres] voortvloeiende schade is door de rechtbank begroot op € 18.750,- (rov. 2.16). Bast is veroordeeld om dit bedrag aan [eiseres] te betalen. Het meer of anders gevorderde is afgewezen. De proceskosten zijn gecompenseerd.
Bij exploot van 23 maart 2015 is [eiseres] bij het hof Den Haag (hierna: het hof) in hoger beroep gekomen van genoemd tussenvonnis en eindvonnis. Bast heeft de grieven van [eiseres] bestreden en onder aanvoering van twee grieven incidenteel hoger beroep ingesteld. [eiseres] heeft de incidentele grieven bestreden.
Bij arrest van 7 maart 2017 heeft het hof in het principaal hoger beroep de tussen partijen gewezen vonnissen bekrachtigd en [eiseres] veroordeeld in de kosten. Het incidenteel hoger beroep heeft het hof verworpen onder veroordeling van Bast in de kosten van dat hoger beroep.13
Voor zover hier van belang heeft het hof het volgende overwogen:
In het principaal appel
“9. Grief II strekt tot betoog dat de rechtbank ten onrechte heeft geconcludeerd dat Bast de contractuele exclusiviteitsbepalingen jegens [eiseres] niet heeft geschonden en aldus niet toerekenbaar jegens [eiseres] tekort is geschoten.
10. Deze grief treft geen doel. Het hof overweegt daartoe als volgt. Bast heeft terecht aangevoerd dat de overeenkomst tussen Velopa en [eiseres] (Raamcontract NS) enerzijds en de overeenkomsten tussen [eiseres] en Bast anderzijds nauw met elkaar samenhangen en dat de beëindiging van het contract tussen Velopa en [eiseres] tevens het einde meebrengt van de overeenkomsten tussen [eiseres] en Bast.
11. Vast staat dat Velopa zich (naar aanleiding van de brief van [eiseres] van 5 juli 2005) op het standpunt heeft gesteld dat de jarenlange samenwerking tussen [eiseres] en Velopa is geëindigd. Verder staat vast dat Velopa (in elk geval) vanaf juli 2005 geen opdrachten tot levering van straatmeubilair meer aan [eiseres] heeft verstrekt en dat [eiseres] vanaf dat moment ook geen opdrachten tot levering meer heeft gegeven aan Bast.
12. Deze feitelijke situatie leidt tot de gevolgtrekking dat de tussen [eiseres] en Bast gesloten overeenkomsten in juli 2005 tot een einde zijn gekomen. Het was immers voor alle partijen duidelijk dat [eiseres] vanaf juli 2005 geen opdrachten tot levering meer aan Bast zou verstrekken (volgens [eiseres] ging het met name nog om de schadeafwikkeling (en dus niet om nakoming van de afnameverplichting door Velopa). Het hof verenigt zich met het oordeel van de rechtbank dat hiermede ook de exclusiviteitsbedingen zijn uitgewerkt. De exclusiviteitsbedingen beschermen [eiseres] gedurende de looptijd van de overeenkomsten tegen levering door Bast van het straatmeubilair aan derden (waaronder Velopa). Voor de stelling dat partijen in redelijkheid de bedoeling zouden hebben gehad om de exclusiviteitsbedingen ook na beëindiging van de overeenkomsten van kracht te laten zijn valt in de stukken onvoldoende steun te vinden. Ook (andere) omstandigheden, daarbij eveneens de Haviltex-maatstaf hanterende, op grond waarvan [eiseres] en Bast met de exclusiviteitsbedingen redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten dat deze ook na beëindiging van de overeenkomst (voor een in tijd onbeperkte duur) van kracht zouden blijven ontbreken in de stukken. Het hof volgt [eiseres] niet in haar standpunt dat hiermede de kern van de exclusiviteitsbedingen zou zijn miskend. Het stond Bast derhalve vrij om vanaf juli 2005 rechtstreeks aan Velopa te leveren.
13. De enkele omstandigheid dat het hof Arnhem-Leeuwarden (na verwijzing door de Hoge Raad) bij arrest van 19 maart 2013 Velopa in het ongelijk heeft gesteld leidt niet tot een ander oordeel. Dit arrest (waarbij Bast geen partij is) is gewezen ruim nadat de door het hof in die procedure vastgestelde afnameverplichting van Velopa jegens [eiseres] uit het raamcontract NS was geëindigd. De vordering van [eiseres] strekte niet tot nakoming maar tot schadevergoeding en deze uitspraak heeft in elk geval niet geleid tot hervatting van de opdrachten van [eiseres] aan Bast.
(...)
“20. In grief V wordt betoogd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat Bast niet onrechtmatig jegens [eiseres] heeft gehandeld.
21. In de toelichting op deze grief is (zoals ook is betoogd in de toelichting opgrief II) aangevoerd dat sinds januari/februari 2005 sprake is geweest van “samenspanning” tussen Velopa en Bast. Bast heeft volgens [eiseres] welbewust geprofiteerd van het feit dat Velopa ten onrechte en op onjuiste gronden de relatie met [eiseres] heeft verbroken en het straatmeubilair rechtstreeks bij Bast is gaan bestellen. Door rechtstreeks voor Velopa te gaan produceren heeft zij uitgelokt dat Velopa in staat was om te wanpresteren/onrechtmatig te handelen jegens [eiseres] . Voor de feitelijke onderbouwing van deze stelling verwijst [eiseres] naar de door haar opgestelde reconstructie van de gang van zaken in de eerste helft van 2005.
22. De rechtbank heeft (in hoger beroep onbestreden) geoordeeld dat Bast wanprestatie heeft gepleegd door in de periode april/mei 2005 in rechtstreekse opdracht van Velopa straatmeubilair aan haar te leveren en Bast aansprakelijk gehouden voor de daaruit voor [eiseres] voortgevloeide schade. Ten aanzien van de vraag of Bast (naast deze wanprestatie ook) onrechtmatig jegens [eiseres] heeft gehandeld neemt het hof het volgende in aanmerking. Uit de getuigenverklaringen blijkt dat het initiatief tot rechtstreekse levering van Velopa is uitgegaan. Er zijn geen concrete aanwijzingen gebleken dat Bast op dit punt met Velopa zou hebben samengespannen dan wel dat zij zou hebben uitgelokt dat Velopa wanprestatie zou plegen jegens [eiseres] . De enkele omstandigheid dat Bast desgevraagd bereid is geweest tot rechtstreekse levering van het staatmeubilair aan Velopa is daartoe in elk geval onvoldoende. Voor zover [eiseres] heeft willen betogen dat de onrechtmatigheid zijn grondslag vindt in het feit dat Bast haar eigen belang heeft laten prevaleren boven dat van [eiseres] gaat dit betoog niet op. De enkele omstandigheid dat Bast er voor heeft gekozen om desgevraagd rechtstreeks aan Velopa te leveren is in de geven omstandigheden (naast de reeds vastgestelde wanprestatie) niet onrechtmatig jegens [eiseres] . Voor zover [eiseres] Bast verwijt dat Bast de belangen van [eiseres] heeft verwaarloosd door niet van rechtstreekse levering aan Velopa af te zien, zijn geen omstandigheden aangevoerd noch gebleken om aansprakelijkheid van Bast op deze grond aan te nemen. Het enkele feit dat Bast de mogelijkheid had en kon benutten om in het vervolg rechtstreeks (en niet meer via [eiseres] ) aan Velopa te leveren is onvoldoende om aansprakelijkheid aan te nemen. Dit leidt tot de slotsom dat ook deze grief faalt.
(...)”
In het incidenteel appel
“26. De incidentele grief I strekt tot betoog dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat Bast in de periode april / mei 2005 tot juli 2005 verplicht was de exclusiviteitsbedingen van [eiseres] te respecteren. In de toelichting op deze grief is aangevoerd dat de exclusiviteitsbedingen waar [eiseres] zich op beroept in strijd zijn met artikel 6 lid 1 Mededingingswet (uitgelegd conform artikel 81 EG en artikel 5 sub a van de verordening (EG) Nr. 2790 / 1999 verticale overeenkomsten).
27. [eiseres] heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat Bast dit verweer had dienen te onderbouwen met de relevante (economische) feiten en omstandigheden, opdat een voldoende adequaat en gefundeerd (economisch) partijdebat en daarop volgend rechterlijk oordeel mogelijk wordt gemaakt, hetgeen hier niet is gebeurd. Deze grief treft derhalve geen doel.
28. Volgens de incidentele grief II heeft de rechtbank ten onrechte de schade begroot op € 18.750,-- vermeerderd met de wettelijke rente. Volgens Bast is er geen causaal verband tussen de haar verweten wanprestatie jegens [eiseres] in de periode april/mei 2005 en de door de rechtbank toegewezen schade. De door [eiseres] gepretendeerde schade is het gevolg van handelingen van Velopa en niet van Bast. De schade die is begroot is gebaseerd op het aantal bestellingen dat Velopa bij Bast heeft gedaan. De door [eiseres] geleden schade vloeit daarmee voort uit het niet nakomen van het Raamcontract NS door Velopa jegens [eiseres] . Daarnaast wijst Bast er nog op dat [eiseres] in de procedure tegen Velopa volledig wordt gecompenseerd voor de aantallen die Velopa (ten onrechte) niet bij [eiseres] heeft afgenomen.
29. Ook deze grief treft geen doel. De hier toegewezen schade is (mede) het gevolg van de door Bast in de periode april/mei 2005 gepleegde wanprestatie. Het hof gaat er in redelijkheid van uit dat indien Bast in die periode met een beroep op de toen nog geldende exclusiviteitsbedingen rechtstreekse levering aan Velopa had geweigerd, Velopa in die periode (waarin ook nog door [eiseres] werd geleverd) de bij Bast geplaatste bestellingen had ondergebracht bij [eiseres] . [eiseres] erkent dat zij geen recht heeft op dubbele vergoeding van de hier toegewezen schade. Voor zover dit bedrag wordt vergoed door Velopa kan dit niet (nogmaals) worden verhaald op Bast.”
Verder in het principaal en het incidenteel appel
“30. Het principaal appel faalt. Het hof zal het bestreden vonnis bekrachtigen en [eiseres] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de kosten van het principaal appel. Het hof ziet aanleiding om de proceskosten van het pleidooi toe te rekenen aan het principaal appel. Het incidenteel appel wordt verworpen. Bast zal als de in het incidenteel appel in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het incidenteel appel.”
Bij procesinleiding in cassatie van 7 juni 2017 is [eiseres] tijdig van voornoemd arrest in cassatie gekomen. Bast heeft geconcludeerd tot verwerping van het principale cassatieberoep en incidenteel cassatieberoep ingesteld. Namens [eiseres] is geconcludeerd tot verwerping van het incidenteel cassatieberoep. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk doen toelichten, [eiseres] mede door mr. R.R. Oudijk. Vervolgens is er gere- en dupliceerd.
3 Vooraf: betekenis oordeel hof Arnhem-Leeuwarden in de zaak [eiseres] /VelopA
Het hof Arnhem-Leeuwarden heeft bij arrest van 19 maart 2013 geoordeeld dat [eiseres] niet met de beëindiging van de samenwerking met VelopA heeft ingestemd en dat VelopA, door in 2005 de afname van de in het raamcontract tussen partijen vermelde producten te staken, toerekenbaar in haar verplichtingen jegens [eiseres] is tekortgeschoten. Die beslissing is inmiddels in zoverre onherroepelijk geworden dat [eiseres] daarvan in cassatie is gekomen met enkel klachten die de schadevaststelling betreffen. Ik verwijs naar de cassatieprocedure met zaaknummer 17/03120.
De rechtbank heeft in haar eindvonnis overwogen dat dit arrest van de appelrechter geen aanleiding geeft terug te komen op haar eerdere oordeel (i) dat de verplichting tot exclusiviteit in de relatie tussen [eiseres] en Bast beperkt is tot de duur van de relatie tussen [eiseres] en VelopA, (ii) dat de samenwerking met VelopA begin juli 2005 in ieder geval feitelijk is geëindigd, (iii) dat er sprake was van aan [eiseres] te wijten onduidelijkheid over de rechtsverhouding met VelopA en de rechtsverhouding tussen [eiseres] en Bast, en (iv) dat – zo begrijp ik de beslissing in eerste aanleg – Bast bij die stand van zaken gerechtvaardigd erop mocht vertrouwen dat het haar vrijstond om rechtstreeks met VelopA zaken te doen; zie de hiervoor geciteerde rov. 5.6 van het tussenvonnis van de rechtbank. Wat er van dat oordeel verder zij, het valt te begrijpen dat de rechtbank overweegt dat het Arnhemse arrest haar niet tot een ander oordeel noopt. De omstandigheid dat de samenwerking tussen [eiseres] en VelopA achteraf bezien in juli 2005 niet is beëindigd, doet immers niet af aan het oordeel van de rechtbank dat Bast zulks destijds wel mocht aannemen, mede in het licht van de door VelopA ingenomen positie.
Dat ook het Haagse hof in de onderhavige procedure overweegt dat de beslissing van het hof Arnhem-Leeuwarden aan zijn oordeel niet afdoet, vind ik daarentegen minder voor de hand liggen. Het hof heeft vooropgesteld dat de overeenkomsten van [eiseres] met VelopA respectievelijk Bast nauw met elkaar samenhangen: de beëindiging van de overeenkomst tussen VelopA en [eiseres] brengt tevens het einde mee van de overeenkomsten tussen [eiseres] en Bast. Ogenschijnlijk heeft het hof aangenomen dat de overeenkomst met VelopA in juli 2005 is beëindigd. Nu echter de beslissing van het hof Arnhem-Leeuwarden in dat geval het hof wèl tot een ander oordeel had moeten leiden, lijkt dit niet te zijn wat het hof heeft bedoeld. Kennelijk grondt het hof het einde van de overeenkomsten tussen [eiseres] en Bast niet op het einde van de overeenkomst tussen [eiseres] en VelopA, maar op de ontstane feitelijke situatie waarin (i) VelopA vanaf juli 2005 geen opdrachten meer aan [eiseres] heeft verstrekt, (ii) [eiseres] vanaf dat moment geen bestellingen bij Bast meer heeft geplaatst en (iii) voor de betrokken partijen op dat moment duidelijk was geworden dat bestellingen niet meer via [eiseres] liepen. Ik lees het bestreden arrest daarom zo dat deze feitelijke gang van zaken ten grondslag ligt aan het oordeel van het hof dat de overeenkomsten tussen [eiseres] en Bast waren beëindigd.
Hoe daaruit dan zou volgen dat de overeenkomsten tussen [eiseres] en Bast tot een einde zijn gekomen, laat het hof in het midden. Had het hof duidelijk aansluiting gezocht bij het vonnis van de rechtbank, dan had aan zijn oordeel ten grondslag kunnen liggen dat Bast gezien deze feitelijke situatie erop mocht vertrouwen dat de overeenkomst van [eiseres] met VelopA en – in het licht van de door het hof vooropgestelde samenhang tussen de overeenkomsten – daarmee ook haar overeenkomsten met [eiseres] waren beëindigd. Uit het bestreden arrest kan echter niet worden opgemaakt dat het hof heeft beoogd in die zin te oordelen. Wat de motivering dan wèl is blijft onduidelijk. M.i. klaagt [eiseres] in het principaal cassatieberoep dan ook terecht over de begrijpelijkheid van het bestreden arrest.