Parket bij de Hoge Raad, 12-04-2019, ECLI:NL:PHR:2019:490, 18/01481
Parket bij de Hoge Raad, 12-04-2019, ECLI:NL:PHR:2019:490, 18/01481
Gegevens
- Instantie
- Parket bij de Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 12 april 2019
- Datum publicatie
- 10 mei 2019
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2019:490
- Formele relaties
- Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:1276, Gevolgd
- Zaaknummer
- 18/01481
Inhoudsindicatie
Procesrecht. Ondernemingsrecht. Aansprakelijkheid opvolgend bestuurder ingevolge art. 2:180 lid 2 (oud) BW op de grond dat niet is voldaan aan de stortingsplicht op de aandelen. Klachten over de niet op elkaar aansluitende motivering in het tussenarrest en het eindarrest.
Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 18/01481
Zitting 12 april 2019
CONCLUSIE
R.H. de Bock
In de zaak
1. Aabo Trading Drachten B.V.
2. Aabo Trading Almere B.V.
3. Aabo Trading Breda B.V.
4. Aabo Trading Eindhoven B.V.
tegen
[verweerder]
In deze zaak is de stortingsaansprakelijkheid van art. 2:180 BW (oud) aan de orde. Heeft het hof miskend dat sprake is van een gerechtelijke erkenning? Is de twee-conclusie-regel geschonden? Is het hof bij zijn beslissing dat geen sprake is van aansprakelijkheid uitgegaan van de juiste bewijslastverdeling en is die beslissing voldoende begrijpelijk gemotiveerd? Heeft het hof met het oordeel dat het gaat om feiten en omstandigheden waarvan voorstelbaar is dat betrokkene daar niet uit eigen wetenschap kennis van heeft (en van hem daarom geen verdergaande motivering van zijn betwisting kon worden gevergd), de grenzen van de rechtsstrijd overschreden c.q. is dat oordeel voldoende begrijpelijk?
1 Feiten
In deze zaak kan worden uitgegaan van de volgende feiten, ontleend aan rov. 2.1 t/m 2.10 van het tussenarrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 16 mei 2017.1
[verweerder] (hierna: [verweerder] ) is enig aandeelhouder en bestuurder van [A] B.V. (hierna: [A] ). [A] is enig aandeelhouder en bestuurder (geweest) van [B] B.V. (hierna: [B] ).
[B] is/was een bouwbedrijf. De onderneming is op 8 juli 2005 bij notariële akte opgericht door [D] B.V. (hierna: [D] ), daarbij vertegenwoordigd door haar enig directeur, [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1] ).
Voorafgaand aan die oprichting is op 1 juli 2005 op rekening van [B] B.V. in oprichting (hierna: [B] i.o.), door [C] B.V. (hierna: [C] ) een bedrag gestort van € 18.000,-- met als omschrijving “overboeking tegoed tbv oprichting [B] BV”.
In een “Bankverklaring B inzake oprichting van een vennootschap (inzake saldo op de rekening als bedoeld in artikel 93a lid 1 sub b respectievelijk artikel 203 lid 1 sub b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek)” van 1 juli 2005 heeft de Rabobank aan de notaris ten overstaan van wie de oprichting van [B] heeft plaatsgevonden, bericht dat op de rekening van [B] i.o. een creditsaldo staat van € 18.000,-- en “dat vermeld saldo volgens mededeling van de mede-ondergetekende(n), oprichters(s) van genoemde vennootschap, is ontstaan ten titel van storting op de bij de bij de oprichting van genoemde vennootschap te plaatsen aandelen”.
Op 5 juli 2005 is een bedrag van € 18.000,-- van de rekening van [B] overgeboekt naar [C] onder de vermelding “overboeking tegoed”.
Op 11 april 2006 heeft [D] haar aandelen in [B] (180 aandelen van elk nominaal € 100,-- tezamen het gehele geplaatste kapitaal) overgedragen aan [A] . De akte van aandelenoverdracht vermeldt dat blijkens het register van aandeelhouders al de aandelen zijn volgestort. In de akte (artikel 3 aanhef en sub a) is verder opgenomen dat de verkoper aan koper garandeert dat de aandelen zijn volgestort.
De koopsom voor de aandelen bedroeg € 35.065,--. Van die koopsom heeft [A] een bedrag van € 18.000,-- voldaan door een schuld in rekening courant van € 18.000,-- van [D] aan [B] over te nemen als haar schuld. Het restant van de koopsom is omgezet in een lening van [D] aan [A] .
Diverse Aabo -vennootschappen hebben in de zomer van 2009 aan [B] bouwmaterialen verkocht en geleverd. Voor die leveringen zijn aan [B] in de periode van 1 juli 2009 tot en met 2 september 2009 verschillende facturen gezonden tot een totaalbedrag van € 71.503,69. Het merendeel van de geleverde materialen was afkomstig van Aabo Trading Drachten B.V. (hierna: Aabo Drachten ). De andere materialen waren afkomstig van Aabo Trading Almere B.V. (hierna: Aabo Almere ), Aabo Trading Breda B.V. (hierna: Aabo Breda ) en Aabo Trading Eindhoven B.V. (hierna: Abo Eindhoven ) (de vier vennootschappen gezamenlijk hierna te noemen: Aabo ).
Op de overeenkomsten tussen Aabo en [B] waren telkens de algemene voorwaarden van Aabo van toepassing, op grond waarvan [B] bij niet-tijdige betaling gehouden was tot vergoeding van vertragingsrente en buitengerechtelijke incassokosten.
[B] is op 10 november 2009 in staat van faillissement verklaard.
De curator in het faillissement van [B] heeft in het tweede verslag van 5 maart 2010 onder 7.4 over de stortingsverplichting op aandelen het volgende vermeld:
“Aan de verplichting tot volstorting van de aandelen is niet voldaan. Op 1 juli 2005 is € 18.000,- op de rekening van de vennootschap i.o. gestort door de vorige aandeelhouder [C] B.V. Op 5 juli 2005 is dit bedrag echter weer teruggestort onder de vermelding “Overboeking tegoed”. In de boekhouding van de vennootschap is dit bedrag ook niet als lening aan [C] geboekt. Ten tijde van de oprichting d.d. 8 juli 2005 stond het startkapitaal derhalve niet werkelijk ter beschikking van de vennootschap. De curator zal de aandeelhouder aanspreken tot volstorting van het minimumkapitaal van 18.000,-. Het feit dat niet is voldaan aan de volstortingsverplichting betekent voorts dat de bestuurder van [B] hoofdelijk aansprakelijk is voor elke tijdens zijn bestuur verrichte rechtshandeling waarvoor de vennootschap is verbonden (artikel 2:180 lid 2 BW).”
In het eindverslag van 2 mei 2011 heeft de curator gemeld dat met de aandeelhouder een betalingsregeling is getroffen ter zake van haar volstortingsverplichting op het geplaatste kapitaal van [B] en dat inmiddels het bedrag van € 18.000,-- is voldaan. Verdere aanspraken heeft de curator niet jegens [verweerder] ingesteld.
Aabo Almere , Aabo Breda en Aabo Eindhoven hebben bij akte van cessie van 26 april 2010 (prod. A bij akte overlegging producties van 27 mei 2010) hun vorderingen op [B] , [verweerder] en [betrokkene 2] (de vader van [verweerder] , hierna te noemen: [betrokkene 2] .) uit hoofde van voormelde leveringen gecedeerd aan Aabo Drachten .
2 Procesverloop
Aabo heeft op 4 november 2009 conservatoir beslag gelegd op de woning van [verweerder] .2 Bij dagvaarding van 5 november 2009 heeft Aabo de rechtbank Groningen verzocht [verweerder] , uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen tot betaling van een bedrag van in hoofdsom € 71.503,69, te vermeerderen met buitengerechtelijke incassokosten en contractuele rente en met veroordeling van [verweerder] in de kosten van het geding. De hoofdsom is gebaseerd op de onbetaald gebleven facturen aan [B] . De vordering jegens [verweerder] als middellijk bestuurder van [B] is gebaseerd op onrechtmatig handelen in de zin van art. 6:162 BW. [verweerder] wordt verweten dat hij wist of behoorde te weten dat [B] haar verplichtingen niet zou kunnen nakomen en daarvoor ook geen verhaal zou bieden (de Beklamel-norm).
Bij verstekvonnis van 30 december 2009 heeft de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad, de vordering van Aabo toegewezen, met uitzondering van de incassokosten en met veroordeling van [verweerder] in de beslag- en proceskosten.
[verweerder] is bij dagvaarding van 4 februari 2010 in verzet gekomen tegen het verstekvonnis. Daarbij heeft hij tevens een incidentele vordering ex art. 223 Rv ingesteld, strekkende tot staking van de executie van het verstekvonnis.
Bij vonnis van 3 maart 2010 heeft de rechtbank een comparitie bevolen.
Voorafgaand aan de comparitie heeft Aabo op 27 april 2010 een akte genomen, waarbij zij producties in het geding heeft gebracht. In deze akte heeft zij tevens de grondslag van haar vordering aangevuld met een beroep op art. 2:180 lid 2 BW. Daarbij heeft zij gesteld dat inmiddels is gebleken dat [verweerder] als (middellijk) bestuurder van [B] niet heeft voldaan aan de stortingsplicht op de aandelen. Daarom is hij hoofdelijk aansprakelijk voor elke tijdens zijn bestuur verrichte rechtshandeling die de vennootschap heeft gebonden, waaronder begrepen de leveranties waarop de vorderingen van Aabo zijn gebaseerd.
De comparitie heeft plaatsgevonden op 27 mei 2010. De rechtbank heeft de zaak op die datum ambtshalve gevoegd met de zaak van Aabo tegen [betrokkene 2] . Aan die zaak is met een eindarrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden een einde gekomen.3 [betrokkene 2] is door het hof als feitelijk bestuurder hoofdelijk veroordeeld tot betaling van de vordering van Aabo Drachten . Het hof neemt de aansprakelijkheid van [betrokkene 2] aan op de grond dat hij als feitelijk bestuurder vanaf juli 2009 wist althans redelijkerwijs behoorde te weten dat [B] vanaf juli 2009 haar betalingsverplichtingen tegenover Aabo niet meer zou kunnen nakomen en geen verhaal zou bieden (de Beklamel-norm). De zaak tussen Aabo en [betrokkene 2] speelt in cassatie geen rol meer. Ik wijs echter op de getuigenverklaringen die [verweerder] in de zaak tussen Aabo en [betrokkene 2] heeft afgelegd. [verweerder] heeft verklaard dat hij in de periode 2008/2009 hal-chef was bij [B] en dat zijn vader in die periode leidinggevende was bij [B] : zijn vader stuurde het personeel aan, deed de calculatie, de planning en de financiën. [verweerder] heeft verder verklaard dat hij er sinds de ziekte van zijn vader in 2009 alleen voor stond en zich sindsdien als het ware “voor de leeuwen gegooid voelde”. Sinds het ongeval in 2008 werkte zijn vader weliswaar niet meer fulltime bij [B] , maar bij afwezigheid van zijn vader werd niet gecalculeerd. De bestellingen bij Aabo werden “steeds in overleg en in opdracht van mijn vader” gedaan. Tijdens vakantieverblijf van zijn ouders van begin juli tot eind augustus 2009 in Spanje had [verweerder] telefonisch contact over de bestellingen met zijn vader (rov. 2.10). Het hof leidt uit de getuigenverklaringen van onder andere [verweerder] af dat [betrokkene 2] in de maanden juli tot 2 september 2009 via zijn zoon opdracht heeft gegeven de bestellingen bij Aabo te plaatsen (rov. 2.12).
De onderhavige zaak is na de comparitie verwezen naar de rol voor onder meer het nemen van een incidentele conclusie tot vrijwaring door [verweerder] .
Bij vonnis van 16 juni 2010 heeft de rechtbank de incidentele vordering strekkende tot staking van de executie van het verstekvonnis toegewezen.
Bij incidentele conclusie van 28 juli 2010 heeft [verweerder] gevorderd [D] en [betrokkene 1] in vrijwaring te mogen oproepen.
Bij vonnis van 11 augustus 2010 heeft de rechtbank overwogen dat zij in het vrijwaringsincident geen grond ziet om afdoening van de hoofdzaak aan te houden (rov. 4.4.1). De rechtbank heeft de vordering van [verweerder] afgewezen en het verstekvonnis van 30 december 2009 bekrachtigd, met dien verstande dat de vorderingen van Aabo Almere , Aabo Breda en Aabo Eindhoven worden afgewezen vanwege de cessie van hun vorderingen aan Aabo Drachten .
In een aanvullend vonnis van 20 oktober 2010 heeft de rechtbank erkend dat abusievelijk geen beslissing is gegeven in het vrijwaringsincident (rov. 1.2). De rechtbank overweegt dat [verweerder] bij een beslissing daarover geen belang meer heeft. De vordering van [verweerder] om [D] en [betrokkene 1] in vrijwaring te mogen oproepen wordt afgewezen (rov. 1.4).
[verweerder] is op 10 november 2010 bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep gekomen tegen de vonnissen van 11 augustus 2010 en 20 oktober 2010.
[verweerder] is verder op 7 maart 2011 een bodemprocedure begonnen tegen [D] en [betrokkene 1] .4 In de procedure tegen [D] en [betrokkene 1] heeft [verweerder] zich op het standpunt gesteld dat nu de rechtbank heeft geoordeeld dat niet aan de volstortingsverplichting is voldaan terwijl [D] en [betrokkene 1] hadden gegarandeerd dat aan die verplichting was voldaan, zij jegens [verweerder] onrechtmatig hebben gehandeld en op grond van die onrechtmatige daad aansprakelijk zijn voor de daardoor door [verweerder] geleden schade.
Bij vonnis van 29 augustus 2012 heeft de rechtbank Groningen de vorderingen van [verweerder] tegen [D] en [betrokkene 1] afgewezen.5 De rechtbank heeft geoordeeld, kort gezegd, dat de overnameovereenkomst waarin die garantie is opgenomen alleen geldt tussen [B] en [A] (rov. 4.9). De aansprakelijkheid kan evenmin worden gebaseerd op onrechtmatige daad, omdat het vereiste causale verband tussen de verweten gedraging (het niet voldoen aan de volstortingsverplichting) en het ontstaan van de schuld van [B] aan Aabo ontbreekt (rov. 4.10).
[verweerder] heeft hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis, maar partijen zijn tijdens de in die zaak in hoger beroep gehouden comparitie overeengekomen de procedure door te halen.
De memorie van grieven in hoger beroep in de onderhavige zaak is pas genomen op 14 juli 2015, nadat de procedure tegen [D] en [betrokkene 1] was geëindigd. Vervolgens heeft Aabo een memorie van antwoord genomen.
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft in de onderhavige zaak bij arrest van 9 februari 2016 een comparitie gelast, die op 10 oktober 2016 heeft plaatsgevonden. Van de comparitie is proces-verbaal opgemaakt.
Op 16 mei 2017 heeft het hof een tussenarrest gewezen.6 Daarin stelt het hof voorop dat uit de op de grieven gegeven toelichtingen blijkt dat zij beogen aan het hof de vraag voor te leggen of is voldaan aan de volstortingsverplichting (rov. 4.5). Overwogen wordt dat als niet is voldaan aan de volstortingsverplichting, Aabo zich op [verweerder] kan verhalen (rov. 4.6). De vraag of aan de volstortingsverplichting is voldaan, spitst zich toe op de vraag of bij de oprichting van [B] was voldaan aan de volstortingsverplichting (rov. 4.8). Bij de beantwoording van de vraag of is voldaan aan de volstortingsverplichting, komt het erop aan of het op 1 juli 2005 weer teruggeboekte bedrag van € 18.000,-- daadwerkelijk (in rekening-courantverhouding) ter beschikking is blijven staan aan [B] (i.o.) en is ook van belang of deze lening zakelijk verantwoord was – onder zakelijke voorwaarden is aangegaan – en of [B] (i.o.) desgewenst over dit bedrag kon blijven beschikken (rov. 4.17). Het hof overweegt dat het alvorens die vraag te beantwoorden, behoefte heeft aan nadere inlichtingen van [verweerder] (rov. 4.18). Het hof formuleert een aantal vragen met betrekking tot de volstorting (rov. 4.18). Voor het geval mocht blijken dat niet is voldaan aan de volstortingsplicht, houdt het hof partijen een aantal punten voor waarover partijen in de gelegenheid worden gesteld zich uit te laten (rov. 4.24).
Verder is door het hof overwogen dat Aabo haar stelling dat [verweerder] ten tijde van het aangaan van de overeenkomsten wist of behoorde te weten dat [B] haar (betalings)verplichtingen uit de overeenkomsten met Aabo niet na zou komen en daar ook geen verhaal voor zou bieden, onvoldoende heeft uitgewerkt en onderbouwd. Schending van de Beklamel-norm door [verweerder] acht het hof dan ook niet toewijsbaar (rov. 4.23).
Hierna heeft [verweerder] een akte genomen en Aabo een antwoordakte.
Bij eindarrest van 16 januari 2018 heeft het hof het bestreden vonnis van 11 augustus 2010 en het verstekvonnis van 30 december 2009 vernietigd.7 Daarbij is overwogen, kort samengevat, dat niet is komen vast te staan dat niet aan de volstortingsverplichting is voldaan (rov. 2.6). Het verzet van [verweerder] tegen het verstekvonnis van 30 december 2009 is gegrond verklaard en het hof heeft [verweerder] ontheven van de in dat vonnis tegen hem uitgesproken veroordelingen. Het vonnis van 20 oktober 2010 is door het hof bekrachtigd.
Aabo heeft bij op 10 april 2018 bij de Hoge Raad ingekomen procesinleiding - derhalve tijdig8 - cassatieberoep ingesteld tegen zowel het tussenarrest van 16 mei 2017 als het eindarrest van 16 januari 2018. [verweerder] heeft verweer gevoerd en schriftelijke toelichting gegeven. Aabo heeft gerepliceerd.
3 Juridisch kader
Voordat ik de cassatieklachten bespreek, zal ik eerst ingaan op de volstortingsverplichting en stortingsaansprakelijkheid.
Art. 2:178 lid 2 BW (oud) bepaalde, tot de introductie van de Wet vereenvoudiging en flexibilisering bv-recht op 1 oktober 2012,9 dat bij oprichting van een BV het geplaatste kapitaal en het gestorte deel daarvan ten minste € 18.000,-- moest bedragen. De stortingsplicht voor aandeelhouders van een BV is geregeld in art. 2:191 BW. De volstortingsverplichting is de enige verplichting van aandeelhouders. Andere verplichtingen kunnen aan aandeelhouders niet tegen hun wil worden opgelegd (art. 2:175 lid 1, vierde zin BW en art. 2:192 BW).
Bij de oprichting kan in geld of in natura op de aandelen worden gestort. Bij een storting in geld was op grond van art. 2:203a BW (oud) een verklaring van de bank vereist die door de notaris aan de akte van oprichting werd gehecht. De bankverklaring bij storting in geld is in 1986 ingevoerd bij gelegenheid van de Nieuwe regeling voor het kapitaal van de BV.10 Er waren twee soorten bankverklaringen, de a-verklaring en de b-verklaring. In de praktijk werd de b-verklaring het meest gebruikt; deze is ook in de onderhavige zaak afgegeven (zie de feiten onder 1.4). Deze verklaring hield in dat op een zeker tijdstip – ten vroegste vijf maanden voor de oprichting – de gestorte bedragen op een afzonderlijke rekening stonden die na de oprichting uitsluitend ter beschikking van de vennootschap zou staan en dat de vennootschap de stortingen in de oprichtingsakte aanvaardde. De reden dat in de praktijk vaak gebruik werd gemaakt van de b-verklaring, is dat de op de rekening gestorte gelden al voor de oprichting door de BV konden worden aangewend.11 Door dergelijke onttrekkingen aan de bankrekening van de BV i.o. was het mogelijk dat het saldo van de bankrekening op het moment van de oprichting lager was dan het minimumkapitaal van € 18.000,--. Dat is in deze zaak ook het geval, nu op 5 juli 2005, vóór de oprichting van de vennootschap op 8 juli 2005, een bedrag van € 18.000,-- van de bankrekening van de BV i.o. werd overgeboekt naar [C] (zie de feiten onder 1.3 en 1.5).
De gedachte die aan het minimumkapitaalvoorschrift van € 18.000,-- ten grondslag lag, was dat dat bedrag werd gezien als “onderste” waarborg voor de degelijkheid en levensvatbaarheid van een BV.12 Om voor wat betreft het minimumkapitaal aan de volstortingsverplichting te voldoen, moest het bedrag daadwerkelijk aan de vennootschap ter beschikking zijn gesteld: “die eis geldt, omdat dat minimum aan extra zekerheid, hoe bescheiden dat ook is, aan crediteuren moet worden geboden, en bovendien, en los daarvan, omdat het niet als verantwoord werd beoordeeld om een vennootschap met een nóg geringere draagkracht aan het verkeer te laten deelnemen.”13 Het minimumkapitaalvoorschrift bood slechts een schijnzekerheid.14 Het daadwerkelijk storten op de aandelen kon plaatsvinden in een periode van vijf maanden voorafgaand aan de oprichting van de BV. Op het moment dat een crediteur jaren later, zoals in het onderhavige geval Aabo in 2009, betaling wenst van zijn vordering biedt het voorschrift geen garantie dat het bedrag nog aanwezig is in het vermogen van de vennootschap.15
De wetgever verbond voor bestuurders een zware sanctie van hoofdelijke aansprakelijkheid aan het niet voldoen aan de volstortingsverplichting ten aanzien van het minimumkapitaal. De tekst van art. 2:180 lid 2, aanhef en onder b, BW (oud) luidde tot 1 oktober 2012 als volgt:
“De bestuurders zijn naast de vennootschap hoofdelijk aansprakelijk voor elke tijdens hun bestuur verrichte rechtshandeling waardoor de vennootschap wordt verbonden in het tijdvak voordat: (...)
b. het gestorte deel van het kapitaal ten minste het bij de oprichting voorgeschreven minimumkapitaal bedraagt.”
Het systeem van kapitaalbescherming is in 2012 gewijzigd bij de Wet vereenvoudiging en flexibilisering bv-recht (zie onder 3.2). Het minimumkapitaalvoorschrift van art. 2:178 lid 2 BW (oud) is geschrapt.16 In verband met de afschaffing van het minimumkapitaalvoorschrift werd ook de bankverklaring van art. 2:203a BW17 en de hoofdelijke aansprakelijkheid van de bestuurder die was gekoppeld aan het niet tijdig naleven van de minimumstortingsplicht in de zin van art. 2:180 lid 2, aanhef en onder b, BW geschrapt.18 De achtergrond van deze wijzigingen was dat systeem van kapitaalbescherming niet effectief was en onnodig belemmerend werkte voor het krijgen van toegang tot de BV-vorm.19
Door het hof, in rov. 4.7 van het tussenarrest, is terecht onderkend dat de wetgeving inmiddels is gewijzigd, maar dat de aansprakelijkheid van bestuurders voor schending van de minimumvolstortingsplicht – kortweg aangeduid als de stortingsaansprakelijkheid – op grond van het overgangsrecht nog van toepassing is op het onderhavige geschil.20 In het NV-recht (art. 2:69 lid 2 BW) geldt overigens nog steeds een soortgelijke bepaling als art. 2:180 lid 2 BW (oud).21
De Hoge Raad heeft door de jaren heen enkele richtinggevende arresten gewezen over de volstortingsverplichting en de stortingsaansprakelijkheid. Ik noem in chronologische volgorde het arrest Van Aken/Savelbergh,22Biggles,23WTN24 en Bas-C25. Aan de hand van deze rechtspraak kunnen verschillende gevallen worden onderscheiden.26
In Van Aken/Savelbergh uit 1981 ging het bij de oprichting van de BV om een storting in natura. Er werd een eenmanszaak met een negatief saldo ingebracht. Daarmee was volgens het hof niet aan de volstortingsverplichting voldaan en was de stortingsaansprakelijkheid van art. 2:180 lid 2 BW (oud) van toepassing. De Hoge Raad overwoog: 27
“’s Hofs oordeel dat Van Aken voor 31 okt. 1980 op de desbetreffende aandelen in het geheel niets heeft gestort, geeft geen blijk van een onjuiste opvatting van het begrip 'storten' in art. 180 en is voor het overige van feitelijke aard, zodat het in zoverre in cassatie niet op zijn juistheid kan worden getoetst. Het is in het licht van wat het Hof heeft vastgesteld omtrent hetgeen Van Aken heeft erkend — waaronder vooral van belang is diens erkenning dat 'zijn eerder door hem gedreven eenmanszaak' bij de inbreng tot storting op meerbedoelde aandelen een negatief saldo van ƒ 142 530,70 opleverde — alsmede van de overgelegde bescheiden geenszins onbegrijpelijk. Dat oordeel behoefde ook geen nadere motivering, waarbij mede in aanmerking valt te nemen dat het onder de gegeven omstandigheden op de weg van Van Aken lag om te stellen wanneer en op welke wijze hij op zijn aandelen heeft gestort en uit de stukken niet blijkt dat hij in dit verband, behalve op de door het Hof in r.o. 4a en 4b vermelde akte van 31 okt. 1980 en de naar aanleiding daarvan opgemaakte 'gewijzigde inbrengbalans', op enig ander feit heeft gewezen dan op de door het Hof in r.o. 7 behandelde voorlopige koopakte van 3 febr. 1976; het subonderdeel voert ook niet aan dat Van Aken heeft gesteld dat voor 31 okt. 1980 op de aandelen, waarvoor hij in het geplaatst kapitaal van de besloten vennootschap heeft deelgenomen, enige storting in contanten heeft plaatsgevonden.”
Maeijer merkt in zijn noot onder het arrest op dat “[d]e door de wet in art. 180 lid 2 voor de b.v. (...) op straffe van hoofdelijke aansprakelijkheid voorziene storting, [ertoe] strekt, dat van meet af aan ook enige daadwerkelijke inbreng wordt ge[ë]ffectueerd [onderstreping A-G].”28 Ook uit latere rechtspraak van de Hoge Raad, de hierna te bespreken WTN- en Bas-C-arresten, volgt dat de inbreng daadwerkelijk ter beschikking van de vennootschap moet worden gesteld. Om aan de volstortingsverplichting te voldoen moeten daadwerkelijk van buiten activa, in geld of in natura, in het vermogen van de BV vloeien.29
Maeijer heeft in zijn noot onder het arrest verder de volgende bijzondere regel van bewijslastverdeling afgeleid:30
“Indien niet uit de oprichtingsakte of aangehechte overeenkomst betreffende inbreng in natura blijkt dat bij de oprichting de minimaal vereiste storting heeft plaats gehad, is het aan de betrokken bestuurder-groot aandeelhouder die aan zijn hoofdelijke aansprakelijkheid wil ontkomen, om te stellen wanneer en op welke wijze hij heeft gestort.”
De zaak Van Aken/Savelbergh speelde voor de invoering van het vereiste van een bankverklaring bij storting in geld (art 2:203a BW) in 1986 (zie onder 3.3). Volgens Nieuwe Weme & Van Solinge kan uit het arrest worden afgeleid dat indien niet uit de oprichtingsakte of de aangehechte stukken blijkt dat de minimaal vereiste storting heeft plaatsgevonden, degene bij wie de aandelen zijn geplaatst, zal moeten stellen en aantonen dat en hoeveel hij heeft gestort. Dat geldt volgens hen ook voor de bestuurder-grootaandeelhouder die aan zijn hoofdelijke aansprakelijkheid ex art. 2:69/180 lid 2 BW wil ontkomen.31
In het Biggles-arrest van de Hoge Raad uit 1988 deed zich een zogenoemd “kasrondje” voor. Met een kasrondje wordt het verschijnsel bedoeld dat de vennootschap in oprichting de gestorte gelden kort na de volstorting terugboekt aan degene die heeft gestort, waarbij de ontstane schuld in rekening-courant bij de vennootschap wordt geboekt.32 In het Biggles-arrest achtte de Hoge Raad een dergelijk kasrondje in beginsel niet ongeoorloofd:33
“De ten tijde van de oprichting van de vennootschap geldende wettelijke bepalingen stonden er niet aan in de weg dat volstorting van de aandelen van een op te richten besloten vennootschap plaatsvond voor de oprichting door middel van storting van het daartoe vereiste bedrag op een rekening van de BV in oprichting, noch dat het aldus ontvangen bedrag door de BV i.o. werd gebruikt en daartoe weer van de rekening werd opgenomen (alles op voorwaarde van bekrachtiging door de BV). Indien 's hofs arrest aldus moet worden gelezen dat het hof van oordeel is dat volstorting op deze wijze niet rechtsgeldig kan plaatsvinden, geeft het blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
Indien het hof niet op grond van vorenbedoelde onjuiste rechtsopvatting maar op grond van de omstandigheden van het geval heeft geoordeeld dat Jacobs niet aan zijn verplichting tot volstorting heeft voldaan, is 's hofs oordeel zonder nadere motivering niet begrijpelijk. De omstandigheid dat de vennootschap in oprichting juridisch te vereenzelvigen valt met ('staat voor') haar oprichter Jacobs of een vennootschap onder firma van de beide oprichters, Jacobs en zijn zoon, is daarvoor niet redengevend; die situatie is in geval van oprichting van een nieuwe BV allerminst ongebruikelijk en heeft geen aanleiding gegeven tot bijzondere, voor die situatie geldende eisen met betrekking tot de volstorting der aandelen. De omstandigheid dat het gestorte bedrag door de vennootschap in oprichting op de in het arrest van het hof vermelde voorwaarden is uitgeleend aan Jacobs BV en dat als resultaat daarvan de vennootschap ten tijde van de oprichting slechts een naar het oordeel van het Hof niet opeisbare vordering op Jacobs BV met een kredietfaciliteit had, is daarvoor — ook in de evenvermelde situatie — evenmin redengevend. Onduidelijk is immers zonder nadere motivering waarom deze wijze van gebruik van haar vermogen door de vennootschap in oprichting leidt tot de conclusie dat geen volstorting van de aandelen heeft plaatsgevonden.”
Bij deze – in de woorden van Maeijer in zijn noot onder het arrest – “tolerante” uitspraak van de Hoge Raad ten aanzien van de rechtsgeldigheid van een kasrondje speelt mee dat het hof zijn arrest “wel erg summier had gemotiveerd”.34 Evenals Van Aken/Savelbergh speelde deze zaak nog voordat het vereiste van de bankverklaring in de zin van art. 2:203a BW bij storting in geld in 1986 in werking was getreden (zie onder 3.3).
In het WTN-arrest van de Hoge Raad uit 2000 was sprake van een zogenoemde “vestzak-broekzakoperatie”,35 waarbij het te storten bedrag weliswaar op een afzonderlijke rekening ten name van de vennootschap in oprichting was bijgeschreven, maar de tegenwaarde daarvan tegelijkertijd was afgeschreven ten laste van een andere rekening die ook ten name van de BV i.o. stond. De Hoge Raad liet het oordeel van het hof dat met een dergelijke operatie het gestorte kapitaal niet daadwerkelijk door de oprichters aan de vennootschap ter beschikking is gesteld in stand. De Hoge Raad overwoog:36
“Blijkens haar ontstaansgeschiedenis heeft de in art. 2:203a neergelegde regeling ten doel zeker te stellen, dat geen oprichting van een vennootschap plaatsvindt zonder dat de oprichters het gehele volgens de akte van oprichting te storten kapitaal hetzij bij de oprichting hetzij op een eerder tijdstip (ten vroegste vijf maanden voor de oprichting gelegen) ter beschikking van de vennootschap hebben gesteld. Het zou niet met deze doelstelling stroken te aanvaarden dat de vennootschap (onderscheidenlijk, in geval van haar faillissement, haar curator) geen beroep kan doen op feiten en omstandigheden die meebrengen dat, alhoewel is voldaan aan de letter van art. 2:203a lid 1, aanhef en onder b, het gestorte kapitaal niet daadwerkelijk door de oprichters aan de vennootschap in oprichting ter beschikking is gesteld.”
De Hoge Raad geeft met dit oordeel volgens Maeijer in zijn noot onder het arrest aan “dat hij in voorkomende gevallen ernstig rekening wil houden met de strekking en doelstelling van wettelijke bepalingen betreffende het kapitaalbeschermingsrecht.”37
Deze woorden van Maeijer werden bevestigd in het Bas-C-arrest van de Hoge Raad uit 2003.38 In dat arrest ging het om een zogenoemde “sigaar uit eigen doos”.39 In die zaak had de ‘storting’ plaatsgevonden ten laste van een positief saldo op de rekening van de B.V. i.o., dat was ontstaan door haar werkzaamheden in het stadium voor de oprichting en alle rechtshandelingen in het stadium voor de oprichting waren bekrachtigd. De Hoge Raad overwoog dat:40
“3.5 (...) de volstorting van de aandelen heeft plaatsgevonden met gebruikmaking van middelen die tot het vermogen van de vennootschap moeten worden gerekend. Omdat het bedrag van de storting is verkregen door het eerst aan het (toekomstig) vermogen van Bas-C BV te onttrekken, is niet voldaan aan het bepaalde in art. 2:178 lid 2.
Het vorenstaande wordt niet anders indien de stelling van De Bont juist zou zijn dat hij in dier voege over het saldo van de bankrekening van Bas-C BV i.o. heeft beschikt dat hij daaraan als oprichter een bedrag heeft onttrokken, welk bedrag hij vervolgens in privé aan Bas-C BV verschuldigd werd ten titel van geldleen nadat Bas-C BV deze onttrekkingen had bekrachtigd. Ook in dat geval staat immers vast dat De Bont niet het bedrag van het kapitaal daadwerkelijk vóór de oprichting aan Bas-C BV ter beschikking heeft gesteld, maar slechts een vordering ter hoogte van dat bedrag op zichzelf heeft doen ontstaan. Ook dit kan niet als een rechtsgeldige volstorting worden aangemerkt.
(...)
Wat betreft de op art. 2:180 BW gebaseerde vordering van de curator geldt dat, zelfs indien na verwijzing komt vast te staan dat De Bont inmiddels heeft voldaan aan zijn stortingsplicht, hem dit niet kan baten omdat de afbetaling van de door hem gesloten lening dan heeft plaatsgevonden na het in art. 2:178 lid 2 BW genoemde tijdstip en mitsdien te laat om aan de in art. 2:180 BW bedoelde aansprakelijkheid te ontkomen.”
Huydecoper heeft in zijn conclusie voor het Bas-C-arrest gesteld dat het kasrondje in beginsel niet (meer) door de beugel kan.41 Hij ziet geen principieel verschil tussen het kasrondje en de “sigaar uit eigen doos” die in het Bas-C-arrest aan de orde was. Het kasrondje is volgens Huydecoper: 42
“een sigaar uit de doos van de ander misschien, maar dan wel een die, als alles zijn beslag heeft gekregen, gewoon weer in de oorspronkelijke doos blijkt te zijn teruggelegd.”
In zijn noot onder het arrest gaat Maeijer er echter vanuit dat een kasrondje onder omstandigheden nog geoorloofd is. Maeijer maakt bij het beoordelen van de vraag of met een kasrondje is voldaan aan de volstortingsverplichting het volgende onderscheid:43
“Ik zou thans willen onderscheiden al naar gelang het teruglenen plaats vindt vóór of na de oprichting van de BV. Vóór de oprichting ware ten aanzien van het teruglenen grote terughoudendheid te betrachten. In het licht van de onderhavige uitspraak zou al gauw kunnen worden geoordeeld dat het aldus bewerkstelligen van (slechts) een vordering ongeacht de daarbij bedongen voorwaarden de realiteit, het daadwerkelijke aan de storting heeft ontnomen. En dan geldt naast de alsnog na te komen stortingsplicht mogelijk ook de sanctie van de hoofdelijke aansprakelijkheid van de bestuurders aangeduid in lid 2 sub b van art. (169 en) 180 BW. (...).
Na de oprichting moet het eventuele teruglenen worden bezien vanuit een oogpunt van hetgeen behoorlijke bestuurlijke taakvervulling is vereist (art. 2:9 en 138 c.q. 248 BW). (...). Daarbij speelt mijns inziens nog steeds een belangrijke rol of het teruglenen op zakelijk verantwoorde en marktconforme wijze heeft plaats gevonden.”
Waar Maeijer nog schrijft dat bij teruglenen voor de oprichting “grote terughoudendheid” dient te worden betracht, trekken Van Solinge & Nieuwe Weme deze waarschuwing door tot een categorisch uitsluiten van teruglenen voor oprichting in alle gevallen, zelfs als de teruglening plaatsvindt op zakelijke en marktconforme voorwaarden.44
Assink plaatst vraagtekens bij de door Maijer voorgestelde cesuur tussen teruglenen voor en na oprichting.45 Volgens hem kan uit de rechtspraak niet worden afgeleid dat er een absoluut verbod is voor de vennootschap om gelden terug te lenen ten laste van haar vermogen, ook niet als dat voor de oprichting gebeurt. Assink ziet de verhouding tussen de vraag (i) of de storting reëel is en (ii) of de lening vanuit de vennootschap bezien zakelijk verantwoord is, als volgt:46
“Met het eerste (reële storting) is het tweede (zakelijk verantwoorde condities) niet automatisch gegeven; andersom zal van een niet-reële storting in beginsel geen sprake zijn, indien de geldlening vanuit de vennootschap bezien op objectief zakelijk verantwoorde condities heeft plaatsgevonden.”
In het onderhavige geval gaat het om de eerste vraag die Assink formuleert, namelijk of de storting reëel is. Als dat niet het geval is, kan dat leiden tot stortingsaansprakelijkheid op grond van art. 2:180 lid 2 BW (oud). De tweede vraag kan van belang zijn voor de eerste vraag. Als het teruglenen zakelijk verantwoord is, zal inderdaad in beginsel sprake zijn van een reële storting. Als het teruglenen niet zakelijk verantwoord is, hoeft dat echter niet noodzakelijk te betekenen dat géén sprake is van een reële storting. Het ontbreken van zakelijk verantwoorde condities bij het teruglenen van een gestort bedrag betekent niet dat geen sprake is van een reële storting, maar kan wel leiden tot onbehoorlijke taakvervulling van een bestuurder in de zin van art. 2:9 lid 2 BW (jegens de vennootschap) of art. 2:248 lid 1 BW (jegens de boedel). Onbehoorlijke taakvervulling is in het onderhavige geval, in een procedure van een bestuurder tegen een crediteur, niet aan de orde.
Naar mijn mening is er onvoldoende aanleiding om aan te nemen dat het teruglenen van het gestorte bedrag vóór oprichting van de vennootschap onder alle omstandigheden is uitgesloten. Beslissend zal zijn of de vennootschap daadwerkelijk kon blijven beschikken over het gestorte bedrag.47 Het gegeven dat het teruglenen heeft plaatsgevonden vóór de oprichting, is echter wel een omstandigheid die kan meewegen bij de vraag of daadwerkelijk aan de volstortingsverplichting is voldaan.
Ter illustratie noem ik enkele uitspraken van feitenrechters. In een uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 20 juni 2012 werd hoofdelijke aansprakelijkheid ex art. 2:180 lid 2 aanhef en sub b BW aangenomen, omdat niet duidelijk was geworden dat de vennootschap nog daadwerkelijk over het geld kon blijven beschikken:48
“4.23. De rechtbank stelt vast dat het gestorte bedrag nog vóór de oprichtingsdatum van de vennootschap volledig is teruggestort op de rekening van de enig aandeelhouder die het bedrag eerst enkele dagen daarvoor had gestort. Niet duidelijk is in hoeverre de op te richten vennootschap na de terugstorting nog over het geld kon beschikken. Uit de terugboeking “conform opdracht” blijkt niet dat het ging om een lening. Uit de door [betrokkene 3] overgelegde jaarstukken van de verschillende vennootschappen blijkt ook niet dat de terugboeking van het stortingsbedrag is gedaan ten titel van een op zakelijke voorwaarden overeengekomen lening. Wat die zakelijk voorwaarden inhielden is door [betrokkene 3] ook niet gesteld. Zo is niet bekend of renteafspraken zijn gemaakt en of rentebetalingen ook hebben plaatsgevonden. De rechtbank is gelet op dit alles van oordeel dat niet is voldaan aan de stortingsplicht en dat [E] daarom als bestuurder naast de failliet hoofdelijk aansprakelijk is ex artikel 2:180 lid 2 sub b BW.”
In een uitspraak van de rechtbank Almelo van 8 juni 2011 werd een ‘kasrondje’ wel aanvaard, omdat het teruggeboekte bedrag deel is blijven uitmaken van het vermogen van de vennootschap:49
“5.2Met betrekking tot de vraag of de aandelen van Servecare zijn volgestort, overweegt de rechtbank als volgt. Door [gedaagde sub 2] is €18.000,= overgemaakt op de bankrekening van Servecare BV i.o. en ING heeft vervolgens een bankverklaring afgegeven.
De omstandigheid dat (een gedeelte groot €15.690,= van) voornoemd bedrag vervolgens is betaald aan de Holding impliceert niet, dat er geen rechtsgeldige volstorting zou hebben plaatsgevonden. Servecare verkreeg immers een vordering op de Holding en die vordering is ook als zodanig opgenomen in het fiscaal rapport. Gesteld noch gebleken is, dat die vordering niet als een reëel vermogensbestanddeel van Servecare zou zijn aan te merken.
In HR 18 november 1988 (NJ 1989, 699) is – kort samengevat – geoordeeld dat een kasrondje waarbij het op de aandelen gestorte geld renteloos en zonder zekerheid is teruggeleend, de rechtsgeldigheid van de storting niet aantast.
De rechtbank concludeert dat de aandelen van Servecare zijn volgestort.”
En tenslotte een uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 3 april 2013, waarin een terugboeking ná de oprichting werd aanvaard, omdat het bedrag ter beschikking van de vennootschap was blijven staan:50
“4.5 (...). De kernvraag die moet worden beantwoord, is of [F] en/of gedaagde 2 hebben voldaan aan de volstortplicht als bedoeld in artikel 2:191 BW. Naar het oordeel van de rechtbank moet die vraag bevestigend worden beantwoord. Daartoe wordt het volgende overwogen. 4.6 Bij de oprichting op 7 november 2008 van Hi-Power is door [F] een bedrag van € 18.000 voor de aandelen gestort. Van deze storting is op 7 november 2008 een bankverklaring afgegeven door ING. Op 7 november 2008 stond genoemd bedrag dus ter beschikking aan Hi-Power. Op 11 november 2008 is vervolgens een bedrag groot € 17.800 betaald aan gedaagde 2 die op dat moment aandeelhouder was. Anders dan de curator betoogt, leidt dit niet zonder meer tot de conclusie dat het gestorte bedrag niet feitelijk ter beschikking van de opgerichte vennootschap heeft gestaan. Het aan gedaagde 2 doorgestorte bedrag is immers in de vorm van een vordering in rekening-courant op gedaagde 2 in privé opgevoerd op de balans van Hi-Power en heeft dus in de vorm van een vordering op gedaagde 2 ter beschikking gestaan van Hi-Power. 4.7 De omstandigheid dat aan de terugstorting geen schriftelijke overeenkomst van geldlening ten grondslag ligt - hetgeen door gedaagde 2 is erkend - rechtvaardigt niet zonder meer de conclusie dat er geen vordering uit hoofde van een lening kan zijn ontstaan. (...).”
Tegen deze achtergrond keer ik terug naar de onderhavige zaak. Uit de vaststaande feiten in de onderhavige zaak blijkt dat op 1 juli 2005 een storting op de aandelen in geld van € 18.000,-- heeft plaatsgevonden en dat dit geldbedrag vóór de oprichting van de vennootschap, die heeft plaatsgevonden bij notariële akte op 8 juli 2005, weer is teruggestort (zie de feiten onder 1.3-1.5). Het hof kent geen bijzondere betekenis toe aan het feit dat het geldbedrag reeds vóór de oprichting weer is teruggestort. Ik verwijs naar rov. 4.14-4.17 van het tussenarrest van 16 mei 2017. In rov. 4.14 merkt het hof op dat [verweerder] zich (kennelijk) beroept op het Biggles-arrest en geeft het hof een uiteenzetting van de feiten en het oordeel in die zaak. In rov. 4.15 concludeert het hof dat de gang van zaken in de onderhavige zaak naar het oordeel van het hof in essentie niet afwijkt van de Biggles-casus. Het hof overweegt verder in rov. 4.15 onder meer dat het bedrag weliswaar voor de oprichting weer is teruggeboekt naar [C] , maar volgens [verweerder] via de rekening-courantverhouding met [D] wel aan [B] i.o. en (na diens oprichting) aan [B] ter beschikking zou blijven staan. In rov. 4.16 houdt het hof het ervoor dat het Biggles-arrest zijn gelding heeft behouden voor zaken als de onderhavige, ook na de inwerkingtreding van art. 2:203a BW en na het Bas-C-arrest. Na een uiteenzetting over de Bas-C-zaak overweegt het hof in rov. 4.16 dat de situatie in het Bas-C-arrest verschilt van de onderhavige zaak in de zin dat in de onderhavige zaak wel een storting (in geld) namens de oprichter heeft plaatsgevonden en dat het gestorte kapitaal (via de rekening-courantverhouding met de oprichter) ter beschikking zou zijn blijven staan van de onderneming. In rov. 4.17 komt het hof vervolgens tot het oordeel dat het er bij de vraag of is voldaan aan de volstortingsverplichting op aankomt of het teruggeboekte bedrag daadwerkelijk ter beschikking is blijven staan aan [B] (i.o.) en dat daarbij ook van belang is of deze lening zakelijk verantwoord was en of [B] (i.o.) desgewenst over dit bedrag kon blijven beschikken.
Dit oordeel van het hof in rov. 4.14-4.17 van het tussenarrest staat in cassatie niet ter discussie. Tegen dit oordeel zijn door Aabo geen cassatieklachten gericht. Mijns inziens heeft het hof de juiste maatstaf aangelegd om te beoordelen of aan de volstortingsverplichting is voldaan. Het hof heeft de situatie van een kasrondje als in het Biggles-arrest terecht tot uitgangspunt genomen. Het hof heeft onder ogen gezien dat het bedrag weliswaar vóór de oprichting is teruggeboekt (rov. 4.15), maar oordeelt dat het aankomt op de vraag of het bedrag daadwerkelijk ter beschikking is blijven staan van [B] i.o. (rov. 4.17). De strenge opvatting waarin het Biggles-arrest zijn gelding heeft verloren en terugboeken vóór de oprichting in alle gevallen tot gevolg heeft dat van een reële storting geen sprake is, is mijns inziens terecht niet aanvaard door het hof.