Parket bij de Hoge Raad, 21-06-2019, ECLI:NL:PHR:2019:715, 18/01158
Parket bij de Hoge Raad, 21-06-2019, ECLI:NL:PHR:2019:715, 18/01158
Gegevens
- Instantie
- Parket bij de Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 21 juni 2019
- Datum publicatie
- 23 juli 2019
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2019:715
- Formele relaties
- Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:1844, Gevolgd
- Zaaknummer
- 18/01158
Inhoudsindicatie
Procesrecht. Particuliere belegger houdt effectenrekening aan bij bank. Is de bank tekortgeschoten in de nakoming van haar zorgplicht? Reconventionele vordering van de bank tot betaling van het debetsaldo. Grief in reconventie ten onrechte onbehandeld gelaten? Geen belang bij klacht tegen herstelarrest. Samenhang met ECLI:NL:HR:2019:1845.
Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 18/01158
Zitting 21 juni 2019
CONCLUSIE
M.H. Wissink
In de zaak
[eiser] ,
advocaten: mr. K. Teuben en M.H.K. Jansen
tegen
1. Insingergilissen Bankiers N.V. als rechtsopvolgster van Theodoor Gillissen Bankiers N.V.
2. KBL European Private Bankers S.A.,
advocaat: mr. B.T.M. van der Wiel
1 Inleiding
Partijen worden hierna aangeduid als [eiser] , TGB1 en KBL. [eiser] heeft met TGB (voor wie KBL een aansprakelijkheidsverklaring als bedoeld in art. 2:403 BW heeft afgelegd) in 2003 een beleggingsbemiddelingsovereenkomst gesloten. TGB heeft de effectenposities van [eiser] eind 2008 geliquideerd en [eiser] gesommeerd het na liquidatie resterende debetsaldo van € 4.548.390,47 aan TGB te voldoen, wat [eiser] niet heeft gedaan. [eiser] heeft vervolgens vorderingen ingesteld tegen TGB en KBL wegens onder meer schending van de bancaire zorgplicht. TGB heeft in reconventie betaling van het debetsaldo gevorderd. Het Gerechtshof Amsterdam heeft geoordeeld dat TGB haar zorgplicht jegens [eiser] heeft geschonden en aansprakelijk is voor de door [eiser] als gevolg daarvan geleden schade (en KBL daarom ook), nader op te maken bij staat. [eiser] (in zaak 18/01158) en TGB en KBL (in zaak 18/01201) hebben cassatieberoep ingesteld van het arrest van het hof.
In het principale cassatieberoep van [eiser] gaat het om kwesties van processuele aard, te weten de behandeling van twee grieven door het hof en de reikwijdte van art. 31 Rv. Voor een uitgebreide weergave van de feiten en van het inhoudelijke oordeel van het hof volsta ik daarom met een verwijzing naar mijn conclusie van heden in zaak 18/01201. Ik meen dat subonderdeel 2.2 van dit middel slaagt en dat het voorwaardelijke incidentele middel geen behandeling behoeft.
2 Procesverloop
[eiser] heeft, voor zover in cassatie nog van belang, TGB en KBL gedagvaard voor de Rechtbank Amsterdam en gevorderd (i) een verklaring voor recht dat TGB toerekenbaar jegens hem is tekort geschoten in haar verplichtingen, althans onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld, (ii) een verklaring voor recht dat [eiser] niet gehouden is het debetsaldo op de door hem bij TGB aangehouden rekening te voldoen, en (iii) TGB en KBL te veroordelen tot vergoeding van de schade die hij als gevolg van het toerekenbaar tekortschieten c.q. het onrechtmatig handelen van TGB en KBL heeft geleden, nader op te maken bij staat.2 TGB heeft in reconventie, voor zover in cassatie nog van belang, gevorderd dat [eiser] wordt veroordeeld tot betaling van het bedrag van het debetsaldo.
De Rechtbank Amsterdam heeft bij vonnis van 19 november 2014 de vorderingen van [eiser] afgewezen, kort gezegd omdat causaal verband ontbrak, en de reconventionele vordering van TGB tot betaling van het debetsaldo toegewezen. [eiser] is in hoger beroep gekomen van dit vonnis.
Het Gerechtshof Amsterdam heeft in zijn in cassatie bestreden arrest van 19 december 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:5279 (hierna: het eindarrest), het vonnis ten aanzien van TGB en KBL vernietigd, voor recht verklaard dat TGB tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen jegens [eiser] en voorts TGB en KBL hoofdelijk, met inachtneming van rov. 3.19,3 veroordeeld tot vergoeding van de schade, nader op te maken bij staat.
Het hof heeft bij arrest van 15 maart 2018 (hierna: het herstelarrest) in de eerste plaats geoordeeld dat het in zijn eindarrest heeft geoordeeld over de reconventionele vordering van TGB zodat er geen plaats is voor een aanvulling op de voet van art. 32 Rv. Voorts oordeelde het hof dat het in het eindarrest over het hoofd had gezien dat het bestreden vonnis dient te worden bekrachtigd wat betreft de reconventionele vordering van TGB. Het hof heeft in zijn herstelarrest het dictum van het eindarrest dienovereenkomstig op de voet van art. 31 Rv verbeterd, aldus dat de uitgesproken vernietiging van het vonnis van de rechtbank zich niet uitstrekt tot het geding in reconventie.
[eiser] heeft tegen het (verbeterde) eindarrest en tegen het herstelarrest bij procesinleiding van 19 maart 2018 tijdig cassatieberoep ingesteld. TBG en KBL hebben geconcludeerd tot verwerping daarvan en voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. [eiser] heeft geconcludeerd tot verwerping van het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep. Partijen hebben vervolgens hun standpunten schriftelijk toegelicht, waarna [eiser] nog heeft gereageerd op de toelichting van TGB en KBL.4
3 De ontvankelijkheid van het principale cassatieberoep
Het principale middel van [eiser] bestaat uit drie onderdelen. Onderdeel 1 betreft het oordeel over grief 3 in het eindarrest. Onderdeel 2 betreft het oordeel over grief 8 in het eindarrest (subonderdelen 2.1 en 2.2), de omschrijving van het appel in het eindarrest (subonderdeel 2.5) en overwegingen in het herstelarrest (subonderdelen 2.3 en 2.4). Onderdeel 3 klaagt over de toepassing van art. 31 Rv in het herstelarrest.
Het middel richt zich mede tegen het herstelarrest, dat zowel een weigering van een aanvulling van het eindarrest op de voet van art. 32 Rv bevat, als een verbetering van het eindarrest op de voet van art. 31 Rv.5
De subonderdelen 2.3 en 2.4 klagen over overwegingen die het hof in zijn herstelarrest ten grondslag heeft gelegd aan zijn oordeel dat er geen plaats is voor aanvulling van het eindarrest op de voet van art. 32 Rv. Uit art. 32 lid 3 Rv volgt dat tegen de weigering van de aanvulling geen voorziening openstaat. Nu het principale cassatiemiddel geen doorbrekingsgrond aanvoert die het oordeel over art. 32 Rv betreft, kan [eiser] in zoverre niet in het principale cassatieberoep worden ontvangen.
Uit art. 31 lid 4 Rv volgt dat tegen de verbetering van een kennelijke fout in een uitspraak geen voorziening openstaat. Toch kan de Hoge Raad de tegen het herstelarrest gerichte klacht van onderdeel 3 onderzoeken, nu dit onderdeel een ‘doorbrekingsgrond’ aanvoert, namelijk dat het hof buiten het toepassingsgebied van art. 31 Rv is getreden.6
Het voorgaande laat onverlet dat in cassatie kan worden geklaagd over het (verbeterde) eindarrest.7