Home

Parket bij de Hoge Raad, 25-08-2020, ECLI:NL:PHR:2020:725, 18/04416

Parket bij de Hoge Raad, 25-08-2020, ECLI:NL:PHR:2020:725, 18/04416

Gegevens

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
25 augustus 2020
Datum publicatie
25 augustus 2020
ECLI
ECLI:NL:PHR:2020:725
Formele relaties
Zaaknummer
18/04416

Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Hawala-bankieren. Witwassen, deelneming criminele organisatie en overtreding van artikel 2:3a, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht. Klachten o.m. over oordeel hof dat verdachte 1. wist dat de contante geldbedragen van misdrijf afkomstig waren en 2. opzettelijk het bedrijf van betaaldienstverlener in de zin van art. 2:3a, eerste lid, Wft heeft uitgeoefend. Is sprake geweest van een betalingsdienst in de zin van de Betalingsrichtlijn 2007/64/EG? Conclusie strekt tot verwerping. Samenhang met 19/02851 en 19/02853.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer18/04416

Zitting 25 augustus 2020

CONCLUSIE

F.W. Bleichrodt

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978,

hierna: de verdachte.

Het cassatieberoep

1. Het gerechtshof Amsterdam heeft de verdachte bij arrest van 5 juli 20181 wegens 1. “deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven”, 2. “medeplegen van het plegen van witwassen een gewoonte maken” en 3. “medeplegen van overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 2:3a, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht, terwijl dit feit opzettelijk wordt begaan, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden met aftrek als bedoeld in art 27(a) Sr.

2. De zaak hangt samen met de zaken tegen de medeverdachten [medeverdachte 1] (19/02851) en [medeverdachte 2] (19/02853). In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.

3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. R.J. Baumgardt en mr. P. van Dongen, beiden advocaat te Rotterdam, hebben drie middelen van cassatie voorgesteld.

De zaak

4. Het gaat in deze zaak om het volgende. De verdachte maakte deel uit van een groep personen die vanuit een wasserette in Amsterdam op grote schaal “ondergrondse” geldtransacties heeft uitgevoerd. De verdachte was als werknemer in dienst bij de wasserette. Naast de verdachte behoorden onder meer [medeverdachte 2] en [betrokkene 1] (de vennoten van de wasserette) en [medeverdachte 1] (die onder meer fungeerde als geldkoerier) tot deze groep. Bij de geldtransacties zijn zogenaamde “tokennummers” gebruikt als betalingsbewijzen. Deze wijze van geldlevering kan worden aangeduid als ‘hawala-bankieren’. Dit betreft een onder andere in de Pakistaanse gemeenschap gehanteerd systeem van ondergronds bankieren, dat wordt gebruikt voor het overdragen van geldbedragen tussen personen in Nederland en personen in het buitenland. Daarbij worden contante bedragen in een bepaalde valuta bij een buitenlandse ‘bankier’ ingeleverd teneinde in een andere valuta door een andere ‘bankier’ in een ander land aan de begunstigde te worden uitgekeerd. De inschuld die zodoende ontstaat bij de uitkerende ‘bankier’ wordt niet voldaan door fysiek transport van gelden, maar door onderlinge verrekening tussen de ‘bankiers’. De verdachte is veroordeeld voor het medeplegen van gewoontewitwassen (feit 2) en deelneming aan een criminele organisatie die zich onder meer bezighoudt met witwassen (feit 1). Ook heeft hij volgens het hof samen met een ander/anderen in strijd met de Wet op het financieel toezicht gehandeld door zonder vergunning het bedrijf van betaaldienstverlener uit te oefenen (feit 3).

De middelen