Parket bij de Hoge Raad, 14-12-2021, ECLI:NL:PHR:2021:1180, 21/04311
Parket bij de Hoge Raad, 14-12-2021, ECLI:NL:PHR:2021:1180, 21/04311
Gegevens
- Instantie
- Parket bij de Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 14 december 2021
- Datum publicatie
- 14 december 2021
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2021:1180
- Formele relaties
- Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2022:477
- Zaaknummer
- 21/04311
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Vordering tot cassatie in het belang der wet naar aanleiding van het Prokuratuur-arrest van het HvJ EU. Betreft in het bijzonder de voorwaarde dat uit verkeersgegevens ‘precieze conclusies’ over de persoonlijke levenssfeer kunnen worden getrokken. Aan de Hoge Raad wordt in overweging gegeven een prejudiciële vraag te stellen.
Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer21/04311 CW
Zitting 14 december 2021
VORDERING TOT CASSATIE
IN HET BELANG DER WET
B.F. Keulen
In de zaak
[veroordeelde] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993,
hierna: de veroordeelde.
Inhoudsopgave
Inleiding
De beslissing waar deze vordering zich tegen richt en enkele andere beslissingen
Wat aan het arrest Prokuratuur vooraf ging
Het arrest Prokuratuur
Richtlijnconforme interpretatie
Bewaren en toegang verlenen
De beperking van de toegang tot ernstige strafbare feiten
Ernstige strafbare feiten
De kring van personen
Precieze conclusies over de persoonlijke levenssfeer
De inschakeling van de rechter-commissaris
Processuele sancties
Prejudiciële vragen en cassatie in het belang der wet
Gevolgen voor de praktijk van het stellen van prejudiciële vragen
Onderzoek aan smartphones
De vordering in de onderhavige zaak
Inleiding
-
Deze vordering tot cassatie in het belang der wet hangt samen met twee andere vorderingen tot cassatie in het belang der wet die ik vandaag neem. De drie vorderingen hebben betrekking op de normering van de vordering van (kort gezegd) verkeers- en locatiegegevens.
-
In de praktijk is onduidelijkheid ontstaan over de misdrijven bij verdenking waarvan verkeers- en locatiegegevens kunnen worden gevorderd en over de procedure die in dat geval dient te worden gevolgd. Die onduidelijkheid heeft zijn oorzaak in rechtspraak van het Hof van Justitie, in het bijzonder het arrest Prokuratuur.1
3. Deze vordering en één van de andere vorderingen betreffen de uitleg van rechtspraak van het Hof van Justitie. De derde vordering ziet op vragen van Nederlands strafprocesrecht.
De beslissing waar deze vordering zich tegen richt en enkele andere beslissingen
4. De beslissing waar de onderhavige vordering zich tegen richt houdt het volgende in:2
‘RECHTBANK DEN HAAG
rechter-commissaris in strafzaken
zittingsplaats 's-Gravenhage
parketnummer : 09.244386.21
datum : 14 september 2021
Beslissing op een vordering tot machtiging vordering tot verstrekking van historische gegevens
(artikel 126n lid 1 Wetboek van Strafvordering)
in de strafzaak tegen de verdachte:
[veroordeelde]
geboren op [geboortedatum] 1993 te [geboorteplaats]
Procedure
De officier van justitie heeft op 13 september 2021 schriftelijk gevorderd dat de rechter-commissaris de bovengenoemde machtiging verleent.
De officier van justitie heeft ter onderbouwing van de vordering een proces-verbaal overgelegd van Politie eenheid Den Haag met kenmerk 2021188818-13 van 12 september 2021.
De vordering heeft betrekking op gegevens over een gebruiker van een communicatiedienst en het communicatieverkeer met betrekking tot die gebruiker, welke gebruiker kan worden aangeduid met: [veroordeelde].
Het betreft gegevens ten aanzien van:
Nederlands telefoonnummer mobiel: [telefoonnummer]
over de periode van 30 juni 2021 tot en met 1 juli 2021.
Beoordeling
Uit de uitspraak van het Europees Hof van Justitie van de EU in de zaak H.K./Prokuratuur (C-746/18) volgt dat, anders dan in de wet voorzien, een voorafgaande machtiging van de rechter-commissaris vereist is voor een vordering van de officier van justitie op grond van artikel 126n lid 1 Wetboek van Strafvordering als daarmee een meer dan geringe inbreuk wordt gemaakt op de privacy van de gebruiker.
De verdenking betreft 30 auto-inbraken (dan wel een poging daartoe) in de nacht van 30 juni 2021 op 1 juli 2021 in Leidschendam-Voorburg, met name in de Verzetsheldenbuurt. De rechter-commissaris overweegt dat het onderzoeksbelang in het aanvraagproces-verbaal als volgt wordt verwoord: “Om te bekijken of de mobiele telefoon van de verdachte aanstraalt in de buurt waar de auto-inbraken hadden plaatsgevonden.” In het aanvraagproces-verbaal wordt de periode gespecificeerd: van 30 juni 2021 23:30 uur tot en met 1 juli 2021 07:00 uur. De vordering is dus in feite gericht op de historische verkeersgegevens over een aaneengesloten periode van 7,5 uur.
Naar het oordeel van de rechter-commissaris is de periode uit de vordering te kort om een zodanige reeks verkeers- of locatiegegevens te verkrijgen dat hieruit precieze conclusies over de persoonlijke levenssfeer van de gebruiker kunnen worden getrokken (vgl. par. 45 van genoemde uitspraak). De te verwachten inbreuk op de privacy van de gebruiker is hoogstens gering.
Dit oordeel is niet in tegenspraak met de overweging van het Hof “dat zelfs de toegang tot een beperkte hoeveelheid verkeers- of locatiegegevens of de toegang tot gegevens voor een korte periode nauwkeurige informatie over de persoonlijke levenssfeer van een gebruiker van een elektronische-communicatiemiddel [kan] verschaffen” (par. 40) of korter: “ongeacht de duur van de periode” of “de hoeveelheid en de aard van de gegevens” (par. 45). De toetsingsmaatstaf is de mate van inbreuk op de privacy van de gebruiker, of het gaat om een ernstige of niet-ernstige inmenging in de grondrechten (vgl. par. 33). De duur van de periode is op zichzelf genomen niet doorslaggevend; het gaat erom of met de te verstrekken gegevens nauwkeurige of precieze conclusies over de persoonlijke levenssfeer mogelijk zijn. In dit geval is dat redelijkerwijs niet te verwachten.
De rechter-commissaris zal de officier van justitie daarom niet-ontvankelijk in de vordering verklaren.
Beslissing
De rechter-commissaris:
verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering.’
5. Uit deze en andere beslissingen blijkt dat naar aanleiding van het arrest Prokuratuur in de praktijk twee kwesties spelen. De eerste betreft de strafbare feiten waarbij een vordering tot verstrekking van verkeers- en locatiegegevens mogelijk is. De tweede betreft de mogelijkheid van een machtiging door de rechter-commissaris.
6. De wet eist bij de vordering van gegevens ‘over een gebruiker van een communicatiedienst en het communicatieverkeer met betrekking tot die gebruiker’, verdenking van een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, Sv (zie art. 126n, eerste lid, Sv). Ook een vordering die betrekking heeft op andere gegevens dan die welke gevorderd kunnen worden door toepassing van art. 126n Sv kan bij een dergelijke verdenking worden gericht tot de aanbieder van een communicatiedienst in de zin van art. 138g Sv (zie art. 126ng, eerste lid, jo. art. 126nd, eerste lid, Sv). In Rechtbank Rotterdam 26 april 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:4092 wordt uit het arrest Prokuratuur, dat in verband met de toegang tot verkeers- en locatiegegevens spreekt over ‘zware criminaliteit’, afgeleid dat een vordering van deze gegevens slechts is toegestaan als het gaat om ‘een misdrijf als omschreven in artikel 67 lid 1 Sv, dat gezien zijn aard of de samenhang met andere door de verdachte begane misdrijven een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert’.3 In andere beslissingen wordt niet een ander dan het wettelijk criterium tot uitgangspunt genomen maar wordt uit de verdenking waar het in het betreffende geval om gaat, afgeleid dat een vordering tot het verstrekken van verkeers- en/of locatiegegevens kon worden gedaan. Zo wordt in Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 28 juni 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:6245 uit de omstandigheid dat het ‘gaat om de verdenking van meerdere woninginbraken met kostbare buit in een korte pleegperiode’ afgeleid dat deze zaak ‘een procedure ter bestrijding van zware criminaliteit’ betrof.4 Aldus blijkt van een verschil in benadering in lagere rechtspraak.
7. Uit het arrest Prokuratuur wordt in gepubliceerde rechtspraak van gerechtshoven afgeleid dat ‘een vordering tot gegevensverstrekking niet met toepassing van artikel 126n Sv’ mag worden gedaan door de officier van justitie.5 De gedachte lijkt dat een machtiging van de rechter-commissaris vereist is. Over de juridische basis op grond waarvan deze machtiging kan worden verstrekt biedt deze rechtspraak weinig duidelijkheid. De rechter-commissaris merkt de beslissing waar deze vordering zich tegen richt aan als een beslissing ‘op een vordering tot machtiging vordering tot verstrekking van historische gegevens (artikel 126n lid 1 Wetboek van Strafvordering)’. Daaruit lijkt te mogen worden afgeleid dat de rechter-commissaris meent dat een machtiging kan worden verstrekt in verband met een vordering op grond van art. 126n Sv.6
8. Uit de beslissing blijkt voorts dat de rechter-commissaris van oordeel is dat een machtiging niet vereist is indien uit de gegevens (kort gezegd) geen precieze conclusies kunnen worden getrokken over de persoonlijke levenssfeer van de betrokkene, en dat de officier van justitie niet-ontvankelijk is in de vordering indien een machtiging niet vereist is. Dat standpunt lijkt ook de rechter-commissaris in de Rechtbank Rotterdam te huldigen, in een beslissing van 8 september 2021 (parketnummer 10.233028.21, ongepubliceerd). Deze rechter-commissaris leidde uit het arrest Prokuratuur af dat ‘een voorafgaande machtiging van de rechter-commissaris vereist is voor een vordering van de officier van justitie op grond van artikel 126ng lid 1 juncto 126nd Wetboek van Strafvordering als daarmee een meer dan geringe inbreuk wordt gemaakt op de privacy van de gebruiker’. Gelet op de korte periode waarover de gegevens waren verzocht, zou geen sprake zijn van een meer dan geringe inbreuk op de privacy van de gebruiker. Daarom was een voorafgaande rechterlijke machtiging volgens de rechter-commissaris niet vereist. De vordering werd niet-ontvankelijk verklaard.
9. Niet alle vragen die in verband met het arrest Prokuratuur spelen en in het navolgende worden besproken worden via de middelen ter beantwoording aan Uw Raad voorgelegd. Uw Raad heeft eerder bij een vordering tot cassatie in het belang der wet wel overwegingen geformuleerd betreffende rechtsvragen die verband houden met de vordering, ook als het middel niet expliciet deze vragen betrof.7 Ik ben ervan uitgegaan dat Uw Raad de gelegenheid daartoe weer zal benutten als dat Uw Raad opportuun voorkomt.
10. Ik ga in het navolgende nog in op de vraag of tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie hoger beroep openstond. In verband met deze vordering tot cassatie in het belang der wet volstaat de vaststelling dat door het openbaar ministerie geen hoger beroep is ingesteld binnen de termijn die bij toepasselijkheid van artikel 446 Sv zou gelden. De beslissing van de rechter-commissaris is derhalve onherroepelijk geworden. Ingevolge art. 78, eerste lid, RO staat tegen de beslissing cassatie in het belang der wet open.
11. Ik merk nog op dat het oordeel van Uw Raad over de vorderingen tot cassatie in het belang der wet in een latere strafvervolging voor de zittingsrechter van belang kan zijn in verband met de vraag of zich in het voorbereidend onderzoek een vormverzuim heeft voorgedaan. Die vraag staat in deze vordering evenwel niet centraal. Wel besteed ik kort aandacht aan de vraag of het in de rede ligt aan (mogelijke) vormverzuimen als welke in deze vorderingen aan de orde zijn processuele sancties te verbinden.