Hoge Raad, 05-04-2022, ECLI:NL:HR:2022:477, 21/04311
Hoge Raad, 05-04-2022, ECLI:NL:HR:2022:477, 21/04311
Gegevens
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 5 april 2022
- Datum publicatie
- 6 april 2022
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2022:477
- Formele relaties
- Conclusie: ECLI:NL:PHR:2021:1180
- Zaaknummer
- 21/04311
Inhoudsindicatie
Cassatie in het belang van de wet n.a.v. uitspraken HvJ EU in zaken Tele2 Sverige en Watson, Ministerio Fiscal, La Quadrature du Net e.a. en Prokuratuur. Verlenen van toegang tot verkeers- en locatiegegevens (waaronder identificerende gegevens) a.b.i. o.m. de art. 126n, 126na, 126ni Sv. Toepasselijkheid van Richtlijn 2002/58/EG en conformiteit nationale bepalingen met deze Richtlijn. Kon RC OvJ n-o verklaren in vordering tot verlenen van schriftelijke machtiging tot vorderen van verkeers- en locatiegegevens op de grond dat vorderen van die gegevens slechts geringe inbreuk op persoonlijke levenssfeer van gebruiker als te verwachten gevolg heeft? HR verwijst naar samenhangende zaak (HR:2022:475) en oordeelt dat beslissing RC getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, nu RC inhoudelijk had moeten beslissen op vordering. Dit brengt met zich dat HR in deze zaak geen prejudiciële vraag aan HvJ EU zal stellen over voorwaarden waaronder aan overheidsinstanties toegang kan worden verleend tot verkeers- en locatiegegevens (anders dan uitsluitend identificerende gegevens), als in het concrete geval verlenen van toegang tot die gegevens slechts geringe inmenging veroorzaakt in recht op bescherming van privéleven van gebruiker.
Volgt vernietiging in belang van de wet van beschikking RC. Samenhang met 21/04309 CW en 21/04869 CW.
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 21/04311 CW
Datum 5 april 2022
ARREST
op het beroep in cassatie in het belang der wet van de advocaat-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden tegen een beschikking van de rechter-commissaris in de rechtbank Den Haag van 14 september 2021, nummer 09-244386-21
van
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993,
hierna: de verdachte.
1 De beschikking van de rechter-commissaris
Bij de beschikking van de rechter-commissaris is de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard in de vordering dat de rechter-commissaris een machtiging verleent voor het vorderen van de verstrekking van historische verkeersgegevens.
2 Het cassatieberoep
De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft beroep in cassatie in het belang van de wet ingesteld. De voordracht tot cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De vordering strekt tot schorsing van de behandeling van het cassatieberoep teneinde een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie over de uitleg van artikel 15 lid 1 van Richtlijn 2002/58/EG, althans tot vernietiging van de beschikking van de rechter-commissaris.
3 De overwegingen van de rechter-commissaris
De beslissing van de rechter-commissaris houdt het volgende in:
“Beslissing op een vordering tot machtiging vordering tot verstrekking van historische gegevens
in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte]
geboren op [geboortedatum] 1993 te [geboorteplaats]
Procedure
De officier van justitie heeft op 13 september 2021 schriftelijk gevorderd dat de rechter-commissaris de bovengenoemde machtiging verleent.
De officier van justitie heeft ter onderbouwing van de vordering een proces-verbaal overgelegd van Politie eenheid Den Haag met kenmerk 2021188818-13 van 12 september 2021.
De vordering heeft betrekking op gegevens over een gebruiker van een communicatiedienst en het communicatieverkeer met betrekking tot die gebruiker, welke gebruiker kan worden aangeduid met: [verdachte] .
Het betreft gegevens ten aanzien van:
Nederlands telefoonnummer mobiel: 316(...)
over de periode van 30 juni 2021 tot en met 1 juli 2021.
Beoordeling
Uit de uitspraak van het Europees Hof van Justitie van de EU in de zaak H.K./Prokuratuur (C-746/18) volgt dat, anders dan in de wet voorzien, een voorafgaande machtiging van de rechter-commissaris vereist is voor een vordering van de officier van justitie op grond van artikel 126n lid 1 Wetboek van Strafvordering als daarmee een meer dan geringe inbreuk wordt gemaakt op de privacy van de gebruiker.
De verdenking betreft 30 auto-inbraken (dan wel een poging daartoe) in de nacht van 30 juni 2021 op 1 juli 2021 in Leidschendam-Voorburg, met name in de Verzetsheldenbuurt. De rechter-commissaris overweegt dat het onderzoeksbelang in het aanvraagproces-verbaal als volgt wordt verwoord: “Om te bekijken of de mobiele telefoon van de verdachte aanstraalt in de buurt waar de auto-inbraken hadden plaatsgevonden.” In het aanvraagproces-verbaal wordt de periode gespecificeerd: van 30 juni 2021 23:30 uur tot en met 1 juli 2021 07:00 uur.
De vordering is dus in feite gericht op de historische verkeersgegevens over een aaneengesloten periode van 7,5 uur.
Naar het oordeel van de rechter-commissaris is de periode uit de vordering te kort om een zodanige reeks verkeers- of locatiegegevens te verkrijgen dat hieruit precieze conclusies over de persoonlijke levenssfeer van de gebruiker kunnen worden getrokken (vgl. par. 45 van genoemde uitspraak). De te verwachten inbreuk op de privacy van de gebruiker is hoogstens gering.
Dit oordeel is niet in tegenspraak met de overweging van het Hof “dat zelfs de toegang tot een beperkte hoeveelheid verkeers- of locatiegegevens of de toegang tot gegevens voor een korte periode nauwkeurige informatie over de persoonlijke levenssfeer van een gebruiker van een elektronische-communicatiemiddel [kan] verschaffen” (par. 40) of korter: “ongeacht de duur van de periode” of “de hoeveelheid en de aard van de gegevens” (par. 45). De toetsingsmaatstaf is de mate van inbreuk op de privacy van de gebruiker, of het gaat om een ernstige of niet-ernstige inmenging in de grondrechten (vgl. par. 33). De duur van de periode is op zichzelf genomen niet doorslaggevend; het gaat erom of met de te verstrekken
gegevens nauwkeurige of precieze conclusies over de persoonlijke levenssfeer mogelijk zijn. In dit geval is dat redelijkerwijs niet te verwachten.
De rechter-commissaris zal de officier van justitie daarom niet-ontvankelijk in de vordering verklaren.
Beslissing
De rechter-commissaris:
verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering.”