Hoge Raad, 05-04-2022, ECLI:NL:HR:2022:475, 21/04869
Hoge Raad, 05-04-2022, ECLI:NL:HR:2022:475, 21/04869
Gegevens
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 5 april 2022
- Datum publicatie
- 5 april 2022
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2022:475
- Formele relaties
- Conclusie: ECLI:NL:PHR:2021:1181
- Zaaknummer
- 21/04869
Inhoudsindicatie
Cassatie in het belang van de wet n.a.v. uitspraken HvJ EU in zaken Tele2 Sverige en Watson, Ministerio Fiscal, La Quadrature du Net e.a. en Prokuratuur. Verlenen van toegang tot verkeers- en locatiegegevens (waaronder identificerende gegevens) a.b.i. art. 126n, 126na en 126ni Sv. Toepasselijkheid van Richtlijn 2002/58/EG en conformiteit nationale bepalingen met deze Richtlijn. 1. Betekenis van Prokuratuur-arrest van HvJ EU voor toepassing van bevoegdheden op grond waarvan OvJ verkeers- en locatiegegevens kan vorderen? 2. Kon Rb oordelen dat verlenen van schriftelijke machtiging tot vorderen van gegevens a.b.i. art. 126n Sv in overeenstemming is met eisen die Richtlijn 2002/58/EG stelt aan strafbaar feit in verband waarmee gegevens mogen worden gevorderd?
Ad 1. HR gaat in op betekenis en (mogelijke) gevolgen van voornoemde uitspraken van HvJ EU voor de toepassing van voornoemde strafvorderlijke bevoegdheden. Daarbij besteedt HR aandacht aan i) toepassingsbereik van Richtlijn 2002/58/EG, ii) voorwaarden m.b.t. verlenen van toegang tot verkeers- en locatiegegevens aan overheidsinstanties, iii) betekenis van (door HvJ EU in zijn rechtspraak gebruikte begrippen) “precieze conclusies over de persoonlijke levenssfeer”, “ernstige strafbare feiten” en “ernstige criminaliteit”, iv) kring van personen tot wier gegevens toegang kan worden verleend, v) toetsing voorafgaand aan toepassing van bevoegdheden uit WvSv en vi) (mogelijke) rechtsgevolgen van vormverzuimen die bij uitoefening van voornoemde bevoegdheden worden begaan. HR oordeelt dat huidige strafvorderlijke regeling niet in overeenstemming is met eisen die Richtlijn 2002/58/EG stelt, als toepassing van betreffende bevoegdheid met zich brengt dat sprake is van een ernstige inmenging in het recht op bescherming van privéleven en beslissing tot toepassing van die bevoegdheid wordt genomen door OvJ. HR bepaalt dat als OvJ verkeers- en locatiegegevens wil verkrijgen die meer omvatten dan uitsluitend identificerende gegevens, hij gehouden is schriftelijke machtiging van RC te vorderen voor het vorderen van die gegevens. Verder stelt HR prejudiciële vragen aan HvJ EU over toepasselijkheid van Richtlijn 2002/58/EG bij het verlenen van toegang tot gegevens die niet worden bewaard o.g.v. wettelijke maatregelen a.b.i. art. 15.1 Richtlijn 2002/58/EG, (al dan niet autonome) betekenis van begrippen “ernstige strafbare feiten” / “ernstige criminaliteit” / “zware criminaliteit” en mogelijkheid van het verlenen van toegang tot verkeers- en locatiegegevens (anders dan uitsluitend identificerende gegevens) als geen sprake is van ernstige strafbare feiten of ernstige criminaliteit, als in het concrete geval naar verwachting slechts een geringe inmenging wordt veroorzaakt in het recht op bescherming van privéleven van gebruiker.
Ad 2. Kennelijk oordeel Rb dat machtiging kan worden verleend tot vorderen van verkeers- en locatiegegevens, getuigt (gelet op eisen die wet en Unierecht stellen) niet van een onjuiste rechtsopvatting.
HR houdt iedere verdere beslissing aan totdat HvJ EU n.a.v. verzoek om prejudiciële beslissing uitspraak zal hebben gedaan over 3 prejudiciële vragen. Samenhang met 21/04309 CW en 21/04311 CW.
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 21/04869 CW
Datum 5 april 2022
ARREST
op het beroep in cassatie in het belang der wet van de advocaat-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden tegen een beschikking van het rechtbank Gelderland van 15 september 2021, nummer 05-218103-21 in de zaak
van
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976,
hierna: de verdachte.
1 De beschikking van de rechtbank
De rechtbank heeft de beschikking van de rechter-commissaris, waarbij de vordering van de officier van justitie dat de rechter-commissaris een machtiging verleent voor het vorderen van de verstrekking van historische verkeersgegevens is afgewezen, vernietigd en heeft deze vordering alsnog toegewezen.
2 Het cassatieberoep
De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft beroep in cassatie in het belang van de wet ingesteld. De voordracht tot cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De vordering strekt tot schorsing van de behandeling van het cassatieberoep teneinde prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie over de uitleg van artikel 15 lid 1 van Richtlijn 2002/58/EG, althans tot vernietiging van de beschikking van de rechtbank.
3 Waar het in deze zaak om gaat
De advocaat-generaal constateert in zijn vordering dat in de praktijk onduidelijkheid is ontstaan over, kort gezegd, de toepassingsvoorwaarden voor het doen van een vordering door de officier van justitie om verkeers- en locatiegegevens van een gebruiker van een communicatiedienst te verstrekken. Het gaat daarbij in het bijzonder om de vraag welke eisen voortvloeien uit Richtlijn 2002/58/EG betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de sector elektronische communicatie (richtlijn betreffende privacy en elektronische communicatie; hierna: Richtlijn 2002/58/EG),1 en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: Hof van Justitie) over deze richtlijn. In zijn vordering bespreekt de advocaat-generaal een aantal vragen over de consequenties van Richtlijn 2002/58/EG en de rechtspraak van het Hof van Justitie voor de toepassing van het Nederlandse strafprocesrecht, en legt die vragen voor aan de Hoge Raad aan de hand van de beschikking van de rechtbank en twee beschikkingen van een rechter-commissaris. Deze laatstgenoemde beschikkingen komen aan de orde in de zaken onder 21/04309 CW (ECLI:NL:HR:2022:476) en 21/04311 CW (ECLI:NL:HR:2022:477).
In dit arrest bespreekt de Hoge Raad de vragen die de advocaat-generaal aan de orde stelt, en zet de Hoge Raad uiteen op welke wijze naar zijn oordeel toepassing moet worden gegeven aan met name de bevoegdheden om verkeers- en locatiegegevens te vorderen en wat de mogelijke rechtsgevolgen zijn van vormverzuimen die zich in dat verband kunnen voordoen. Tevens zal aan de orde komen dat er naar aanleiding van de rechtspraak van het Hof van Justitie op onderdelen vragen rijzen over de wijze waarop Richtlijn 2002/58/EG moet worden uitgelegd. De Hoge Raad zal daarom enkele prejudiciële vragen stellen aan het Hof van Justitie. In lopende zaken kan – in afwachting van de beantwoording van deze vragen – worden uitgegaan van het in dit arrest uitgewerkte beslissingskader.