Home

Hoge Raad, 05-04-2022, ECLI:NL:HR:2022:476, 21/04309

Hoge Raad, 05-04-2022, ECLI:NL:HR:2022:476, 21/04309

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
5 april 2022
Datum publicatie
6 april 2022
ECLI
ECLI:NL:HR:2022:476
Formele relaties
Zaaknummer
21/04309

Inhoudsindicatie

Cassatie in het belang van de wet n.a.v. uitspraken HvJ EU in zaken Tele2 Sverige en Watson, Ministerio Fiscal, La Quadrature du Net e.a. en Prokuratuur. Verlenen van toegang tot verkeers- en locatiegegevens (waaronder identificerende gegevens) a.b.i. o.m. de art. 126n, 126na, 126ni Sv. Toepasselijkheid van Richtlijn 2002/58/EG en conformiteit nationale bepalingen met deze Richtlijn. Kon RC OvJ n-o verklaren in vordering tot verlenen van schriftelijke machtiging tot vorderen van verkeersgegevens op de grond dat vorderen van die gegevens slechts geringe inbreuk op persoonlijke levenssfeer van gebruiker oplevert? HR verwijst naar samenhangende zaak (HR:2022:475) en oordeelt dat beslissing RC getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, nu RC inhoudelijk had moeten beslissen op vordering.

Volgt vernietiging in belang van de wet.

Samenhang met 21/04311 CW en 21/04869 CW.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 21/04309 CW

Datum 5 april 2022

ARREST

op het beroep in cassatie in het belang van de wet van de advocaat-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden tegen een beschikking van de rechter-commissaris in de rechtbank Den Haag van 27 augustus 2021, nummer 09-226106-21, in de zaak

van

NN

1 De beschikking van de rechter-commissaris

Bij de beschikking van de rechter-commissaris is de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard in de vordering dat de rechter-commissaris een machtiging verleent voor het vorderen van de verstrekking van historische verkeersgegevens.

2 Het cassatieberoep

De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft beroep in cassatie in het belang van de wet ingesteld. De voordracht tot cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De vordering strekt tot vernietiging van de beschikking van de rechter-commissaris.

3 De overwegingen van de rechter-commissaris

De beslissing van de rechter-commissaris houdt het volgende in:

“Beslissing op een vordering tot machtiging vordering tot verstrekking van historische verkeersgegevens (artikel 126n lid 1 Wetboek van Strafvordering)

in de strafzaak tegen de verdachte:

NN

Procedure

De officier van justitie heeft op 24 augustus 2021 schriftelijk gevorderd dat de rechter-commissaris de bovengenoemde machtiging verleent.

De officier van justitie heeft ter onderbouwing van de vordering een proces-verbaal overgelegd van Politie eenheid Den Haag met kenmerk 2021217889-8 van 23 augustus 2021.

De vordering heeft betrekking op gegevens over een gebruiker van een communicatiedienst en het communicatieverkeer met betrekking tot die gebruiker, welke gebruiker kan worden aangeduid met: ProGuards.

Het betreft gegevens ten aanzien van:

Nederlands telefoonnummer mobiel: (...)

over de periode van één (1) dag, te weten 11 augustus 2021 tussen 16.30 uur en 17.00 uur.

Beoordeling

De vordering heeft betrekking op de diefstal van een motor.

Toelichting officier van justitie

De officier van justitie heeft in een mail d.d. 26 augustus 2021 toegelicht dat het openbaar ministerie zich op het standpunt stelt dat alle feiten waarvoor in Nederland voorlopige hechtenis is toegelaten, met andere woorden de feiten genoemd in artikel 67 van het Wetboek van Strafvordering, “serious crimes” zoals genoemd in de uitspraak van het Europees Hof van Justitie van de EU in de zaak H.K./Prokuratuur (C-746-18) betreffen.

Deze opvatting past volgens de officier van justitie in de systematiek van het Wetboek van Strafvordering, dat toelaat dat in onderzoeken naar VH-feiten impactvolle opsporingsbevoegdheden worden toegepast. Deze misdrijven worden door de Nederlandse wetgever dus kennelijk aangemerkt als zonder meer “ernstig”. Ter vergelijking heeft de officier van justitie gewezen op de stelselmatige observatie van artikel 126g van het Wetboek van Strafvordering, een zeer impactvol bob-middel dat in beginsel voor elk VH-feit kan worden ingezet.

Volgens de officier van justitie is, met verwijzing naar het arrest van het Hof Arnhem-Leeuwarden van 28 juni jl. (ECLI:NL:GHARL:2021:6245), het oordeel van enkele rechtbanken dat “serious crime” impliceert dat sprake moet zijn van een ernstige inbreuk op de rechtsorde (bijv. Rechtbank Rotterdam in ECLI:NL:RBROT:2021:4092) onjuist. Deze eis is, anders dan bijvoorbeeld in de artikelen 126m en 126nf van het Wetboek van Strafvordering, expliciet niet gesteld in art. 126n van het Wetboek van Strafvordering. Ook zou dit betekenen dat delicten als langdurige belaging en forse telefonische/digitale bedreigingen, waarbij zelden sprake is van een ernstige inbreuk op de rechtsorde, categorisch van toepassing van art. 126n van het Wetboek van Strafvordering worden uitgesloten.

Ontvankelijkheid

De rechter-commissaris overweegt dat de vordering betrekking heeft op een periode van een half uur en niet ziet op gegevens van een telefoon van de verdachte.

Uit de uitspraak van het Europees Hof van Justitie van de EU in de zaak H.K./Prokuratuur (C-746/18) volgt dat, anders dan in de wet voorzien, een voorafgaande machtiging van de rechter-commissaris vereist is voor een vordering van de officier van justitie op grond van artikel 126n lid 1 Wetboek van Strafvordering als daarmee een meer dan geringe inbreuk wordt gemaakt op de privacy van de gebruiker. Het voormelde arrest beoogt te voorkomen dat zonder rechterlijke toets met het oog op het voorkomen, onderzoeken, opsporen en vervolgen van strafbare feiten toegang wordt verleend tot een reeks (“a set”) verkeers- of locatiegegevens die informatie kunnen verschaffen over de communicaties van een gebruiker van een elektronische-communicatiemiddel of over de locatie van de door hem gebruikte eindapparatuur en waaruit precieze conclusies kunnen worden getrokken over zijn persoonlijke levenssfeer.

Naar het oordeel van de rechter-commissaris levert het vorderen van de gegevens slechts een geringe inbreuk op de privacy van de gebruiker op, zodat geen voorafgaande machtiging van de rechter-commissaris vereist is.

De rechter-commissaris zal de officier van justitie daarom niet-ontvankelijk in de vordering verklaren.

Beslissing

De rechter-commissaris:

verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering.”

4 Beoordeling van het cassatiemiddel

5 Beslissing