Home

Parket bij de Hoge Raad, 09-12-2022, ECLI:NL:PHR:2022:1148, 22/00109

Parket bij de Hoge Raad, 09-12-2022, ECLI:NL:PHR:2022:1148, 22/00109

Gegevens

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
9 december 2022
Datum publicatie
3 januari 2023
ECLI
ECLI:NL:PHR:2022:1148
Formele relaties
Zaaknummer
22/00109

Inhoudsindicatie

Faillissementsrecht. Procesrecht. Subjectieve cumulatie en voortzetting geding ex art. 29 Fw door betwistende schuldeiser in faillissement van een van gedaagden. Buitengedingstelling gefailleerde i.s.m. art. 1 EP EVRM? Gevolg voortzetting voor procedure tussen de andere partijen. Verschoonbare termijnoverschrijding? Mogelijkheid van voeging in cassatie. Belang bij voeging. Art. 29 Fw ook van toepassing op echtgenote gefailleerde als vordering op huwelijksgoederengemeenschap i.v.m. art. 63 Fw? Betekenis uitspraak ex art. 29 Fw na faillissement.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 22/00109

Zitting 9 december 2022

CONCLUSIE

G. Snijders

In de zaak

1. [eiseres 1]

en

2. [eiser 2] ,

eisers tot cassatie,

advocaat: J. de Jong van Lier,

tegen

[verweerder]

verweerder in cassatie,

advocaat: T.T. van Zanten.

Partijen worden hierna aangeduid als enerzijds [eiseres 1] en [eiser 2] , gezamenlijk [eisers] , en anderzijds [verweerder] .

1 Inleiding

Deze procedure werd aanvankelijk gevoerd tussen [verweerder] enerzijds en [eisers] anderzijds en is wat betreft de zaak tussen [eiser 2] en [verweerder] geschorst ex art. 29 Fw na het faillissement van [eiser 2] . Het hof heeft arrest gewezen na een voortzetting en overname van het geding door een van de schuldeisers van [eiser 2] op de voet van art. 29 Fw. Het hof heeft niet alleen uitspraak gedaan tussen die schuldeiser en [verweerder] , maar ook tussen [verweerder] en [eiseres 1] . [eisers] klagen in cassatie, kort gezegd, dat het hof hun had moeten horen.

2 Feiten en procesverloop

2.1

In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan:1

(i) Op 27 april 2006 is een notariële akte verleden tussen enerzijds [eiser 2] , mede handelend in zijn hoedanigheid van bestuurder van Rath & Doodeheefver Group N.V., die daarbij op haar beurt heeft gehandeld voor zich en in haar hoedanigheid van bestuurder van De Markestee Beheer B.V. en tevens handelend als indirect bestuurder van Rath & Doodeheefver Vastgoed B.V., en anderzijds [verweerder] . In deze akte heeft [eiser 2] zich in privé borg gesteld voor de terugbetaling van een eveneens in die akte vastgelegde lening van [verweerder] aan de drie vennootschappen, tot een maximum bedrag van € 1 miljoen. Aan de akte is een door [eiseres 1] – de echtgenote van [eiser 2] –ondertekende toestemmingverklaring voor het aangaan van de borgtocht gehecht.

(ii) Bij arrest van 20 oktober 2015 heeft het hof Arnhem-Leeuwarden op grond van de hiervoor genoemde lening de drie hiervoor genoemde vennootschappen hoofdelijk veroordeeld om aan [verweerder] te betalen € 809.153,73, te vermeerderen met 12% rente op jaarbasis over € 629.643,05 per 1 februari 2012.

(iii) Op 2 oktober 2013 heeft [verweerder] zowel ten laste van [eiser 2] als ten laste van [eiseres 1] – met wie [eiser 2] in gemeenschap van goederen is gehuwd – diverse conservatoire (derden)beslagen gelegd.

2.2

Bij de deze procedure inleidende dagvaarding van 15 oktober 2013 heeft [verweerder] [eisers] gedagvaard voor de rechtbank Gelderland en gevorderd (i) [eiser 2] te veroordelen tot betaling van € 1 miljoen en (ii) [eiseres 1] te gebieden het verhaal door [verweerder] van zijn vordering op [eiser 2] op de tussen [eiser 2] en [eiseres 1] bestaande huwelijksgoederengemeenschap te gehengen en gedogen.2 Aan deze vorderingen heeft [verweerder] ten grondslag gelegd dat de vennootschappen zijn tekortgeschoten in de nakoming van hun verplichtingen jegens hem, dat hem geen (andere) zekerheden resteren voor zijn vordering op hen, en dat hij daarom bevoegd is om [eiser 2] uit hoofde van de borgtocht tot het maximumbedrag daarvan aan te spreken.3

2.3

[eisers] hebben diverse verweren tegen de vorderingen gevoerd en in reconventie vorderingen ingesteld die op diezelfde gronden zijn gebaseerd als die verweren.4

2.4

De rechtbank heeft de vorderingen bij vonnis van 25 juni 2014 in conventie toegewezen en in reconventie afgewezen.5

2.5

[eisers] hebben hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtsbank bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Nadat de zaak bij het hof was aangebracht en voordat [eisers] een memorie van grieven hadden genomen, heeft hun advocaat het hof mededeling gedaan van het feit dat [eiser 2] in staat van faillissement is verklaard. Hierna is de procedure op grond van art. 29 Fw geschorst en ter rolle doorgehaald.6 Naar blijkt uit de als productie 2 bij de procesinleiding in cassatie gevoegde rolkaart van het hof, betreft de schorsing de procedure tussen [verweerder] en [eiser 2] en is de zaak tussen [verweerder] en [eiseres 1] na overleg met partijen ambtshalve geroyeerd.

2.6

[verweerder] heeft zijn vordering op [eiser 2] bij de curator in diens faillissement ingediend ter verificatie. Op de verificatievergadering heeft, behalve [eiser 2] , ook [schuldeiser] , een schuldeiser van [eiser 2] , de vordering van [verweerder] betwist. Daarom is de onderhavige procedure overeenkomstig art. 29 Fw voortgezet door [schuldeiser] , waardoor deze, in de plaats van [eiser 2] , partij daarin is geworden. Er is hierna verder geprocedeerd tussen [schuldeiser] en [verweerder] .7

2.7

Het hof heeft bij arrest van 12 oktober 2021 ‘het hoger beroep van [eiseres 1] verworpen’ en verstaan dat de vordering van [verweerder] in het faillissement van [eiser 2] moet worden erkend voor een bedrag van € 1 miljoen.8 Het hof heeft, voor zover in cassatie van belang, overwogen dat [eiseres 1] geen grieven heeft aangevoerd (rov. 5.4).

2.8

[eiser 2] en [eiseres 1] hebben tijdig cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het hof.9 Volgens de procesinleiding (p. 1, eerste alinea) treedt [eiser 2] in dit cassatieberoep op als zowel eiser tot cassatie als partij die aan de zijde van [eiseres 1] is gevoegd.

[verweerder] heeft een verweerschrift tot verwerping tevens inhoudende exceptief verweer ingediend. [eisers] hebben een verweerschrift tegen het exceptief verweer ingediend. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk doen toelichten. [eisers] hebben gerepliceerd. [verweerder] heeft afgezien van dupliek.

3 Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen; beslissing over voeging

3.1

[eiseres 1] is ontvankelijk in haar cassatieberoep, nu uit het arrest van het hof blijkt dat het haar als procespartij in hoger beroep heeft aangemerkt, door haar op het voorblad van het arrest als zodanig te vermelden en haar hoger beroep in rov. 5.4 en het dictum van zijn arrest te behandelen en te beslissen. Aan het slot van hun verweerschrift tegen het exceptief verweer hebben [eisers] opgemerkt dat [verweerder] op p. 8 van zijn verweerschrift tot verwerping tevens inhoudende exceptief verweer verdedigt dat [eiseres 1] niet-ontvankelijk verklaard zou moeten worden in haar cassatieberoep. Dat staat echter daar noch elders in de gedingstukken van de zijde van [verweerder] te lezen.

Ontvankelijkheid van het cassatieberoep van [eiser 2] als eiser tot cassatie

3.2

Uit hetgeen hiervoor in 2.6 is vermeld, volgt dat [eiser 2] in hoger beroep geen partij meer was nadat [schuldeiser] op de voet van art. 29 Fw in zijn plaats het geding heeft voortgezet. [eiser 2] komt derhalve niet het recht van cassatieberoep toe tegen het arrest van het hof.10 Onderdeel 2 van het middel komt evenwel erop neer dat de regel van art. 29 Fw, dat de betwistende schuldeiser het geding voortzet in de plaats van de gefailleerde, in strijd komt met art. 1 EP EVRM en daarom buiten toepassing moet blijven. [eiser 2] klaagt dus in cassatie dat hij ten onrechte niet langer door het hof als procespartij is aangemerkt.11 Uiteraard dient hij deze kwestie in cassatie te kunnen voorleggen, nu de rechter een partij niet zonder grond zijn status van procespartij kan ontnemen. Partijen moeten daar dus met een rechtsmiddel tegen kunnen opkomen. Daarbij wijs ik volledigheidshalve nog erop dat een gefailleerde niet zijn procesbevoegdheid verliest. Hij kan dus nog steeds optreden als procespartij.12

3.3

[verweerder] heeft in zijn verweerschrift geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van [eiser 2] in zijn cassatieberoep wegens overschrijding van de cassatietermijn. [verweerder] voert aan dat [eiser 2] met de constatering van het hof op 2 december 2014 dat de procedure op grond van art. 29 Fw is geschorst, buiten het geding is geplaatst en dat dit oordeel jegens [eiser 2] heeft te gelden als een einduitspraak, waartegen hij binnen drie maanden een rechtsmiddel had moeten aanwenden, hetgeen hij heeft nagelaten. [verweerder] wijst ter onderbouwing van dit betoog op een arrest van de Hoge Raad van 13 maart 2020. In dat arrest heeft de Hoge Raad de beslissing van de rechter dat een curator het geding op grond van art. 27 Fw heeft overgenomen van de gefailleerde, waardoor laatstgenoemde buiten het geding is gesteld, als een einduitspraak jegens de gefailleerde aangemerkt, waartegen hij een rechtsmiddel moet aanwenden binnen de daarvoor geldende termijn.13

3.4

Het betoog namens [verweerder] is als zodanig ongegrond. Een schorsing van het geding maakt geen einde aan het geding en het uitspreken daarvan of het constateren van een schorsing van rechtswege, zoals bij art. 29 Fw aan de orde is, levert dus geen einduitspraak op, ook niet jegens de gefailleerde. In het door [verweerder] ingeroepen arrest werd ook niet de schorsing als einduitspraak aangemerkt, maar het buiten het geding plaatsen van de gefailleerde, door de overname van het geding door een ander, waardoor de gefailleerde niet langer partij is en het geding jegens hem dus eindigt. Het door [verweerder] opgeworpen niet-ontvankelijkheidsverweer faalt dus.

3.5

De ontvankelijkheid van [eiser 2] in zijn cassatieberoep dient echter ook ambtshalve te worden onderzocht, nu dit volgens vaste rechtspraak een punt van (processuele) openbare orde is.14 De voorzetting van het geding door [schuldeiser] in de plaats van [eiser 2] heeft laatstgenoemde buiten het geding geplaatst en het constateren van dit rechtsfeit door het hof is dus aan te merken als een einduitspraak jegens [eiser 2] , overeenkomstig hetgeen in het arrest van 13 maart 2020 is overwogen. Uit het arrest van het hof volgt dat het hof dit feit op 4 augustus 2020 heeft geconstateerd (rov. 2.1.4). [eiser 2] had dus in beginsel binnen drie maanden na die datum cassatieberoep moeten instellen. [eiser 2] voert echter aan dat hij niet met de voortzetting van de onderhavige procedure bekend was. Hij is daarvoor niet opgeroepen.15

3.6

Dat [eiser 2] niet met de voortzetting van de onderhavige procedure bekend was, lijkt me onaannemelijk. Blijkens de vaststelling van het hof in rov. 2.1.3 was hij aanwezig op de verificatievergadering en dus bekend met de verwijzing van [schuldeiser] naar de onderhavige procedure. Het ligt ook voor de hand om aan te nemen dat [schuldeiser] overleg met [eiser 2] heeft gehad over de betwisting van de vordering. Waarom zou [schuldeiser] anders de procedure op de voet van art. 29 Fw hebben overgenomen?

Dat [eiser 2] begrepen zal hebben dat een overname van het geding door [schuldeiser] een einduitspraak jegens hem zou opleveren, waartegen hij onmiddellijk diende op te komen, is echter onaannemelijk. Hij zal dat niet hebben onderkend. Niet blijkt en niet voor de hand ligt dat hij ten tijde van de verificatievergadering en de voortzetting van de procedure door [schuldeiser] nog werd bijgestaan door een advocaat. De zaak was bovendien geschorst en van de rol gehaald (zie hiervoor in 2.5). [eiser 2] is (uiteraard) niet opgeroepen voor de voortzetting en overname (vgl. 2.1.3-2.2 van het arrest van het hof). In het arrest van 13 maart 2020 was het feit dat de overname plaatsvond in een nog lopende procedure en de gefailleerde op dat moment werd bijgestaan door een advocaat, grond om te oordelen dat voor haar voldoende kenbaar was dat sprake was van een eindspraak jegens haar. Nu dit feit in deze zaak zich niet voordoet dan wel niet blijkt, lijkt me de klaarblijkelijke onbekendheid van [eiser 2] met het feit dat sprake was van een einduitspraak jegens hem, wél verschoonbaar.16 Het zou m.i. dan ook in strijd komen met het recht op toegang tot de rechter als beschermd in art. 6 EVRM om [eiser 2] niet-ontvankelijk te oordelen in zijn cassatieberoep wegens termijnoverschrijding.17

3.7

[eiser 2] is dus ontvankelijk in zijn cassatieberoep voor zover hij klaagt dat hij ten onrechte buiten het geding is gesteld door het hof, wat als gezegd gebeurt in onderdeel 2 van het middel. Als dat onderdeel gegrond is, dan kunnen eventueel ook de andere onderdelen van het middel in zijn zaak worden behandeld. Hierna kom ik tot de bevinding dat onderdeel 2 ongegrond is en dat [eiser 2] dus niet-ontvankelijk is in de andere, eveneens mede namens hem tegen het arrest van het hof aangevoerde klachten (zie hierna in 4.15-4.19). Daardoor rijst de vraag of hij in die klachten wel ontvankelijk is als gevoegde partij (zie voor het feit dat hij ook in die hoedanigheid in cassatie meent op te treden, hiervoor in 2.8).

Ontvankelijkheid van [eiser 2] als ‘gevoegde partij’

3.8

Van voeging is sprake als een derde zich in een geding mengt teneinde een van beide partijen bij te staan bij haar vordering tegen de ander dan wel bij haar verweer tegen de vordering van de ander. Art. 217 Rv bepaalt dat ieder die een belang heeft bij een tussen andere partijen aanhangig geding, kan vorderen zich daarin te mogen voegen. Deze vordering wordt volgens art. 218 Rv ingesteld bij incidentele conclusie. De regeling van voeging is in art. 418a Rv niet van overeenkomstig toepassing verklaard op de cassatieprocedure. Vaste rechtspraak is echter dat voeging ook in cassatie mogelijk is.18

3.9

Zoals uit het voorgaande volgt, moet de rechter, door middel van een incidentele vordering, om toestemming voor de voeging worden gevraagd en heeft wederpartij het recht zich daarover uit te laten. Dat is begrijpelijk omdat een voeging de procesvoering belast, doordat sprake is van een extra partij, die extra handelingen verricht. Voeging kan dan ook steeds worden geweigerd op grond van de goede procesorde.19 Anders dan de advocaat van [eiser 2] lijkt te menen, kan voeging dus niet zonder meer bij de procesinleiding van de desbetreffende instantie plaatsvinden, maar zal deze, in een incident, moeten worden gevorderd.

Ik zie echter weinig bezwaar tegen het combineren van de incidentele vordering tot voeging met de procesinleiding.20 Uiteraard zal dan wel onder de aandacht van de rechter en de wederpartij moeten worden gebracht dat sprake van een voegingsvordering opdat daarover vooraf en dus, in verband met een behoorlijke procesvoering, tijdig kan worden beslist. Een beslissing gelijk met de hoofdzaak lijkt me echter niet uitgesloten.21

Hoewel de manier waarop de voeging hier aan de orde wordt gesteld, niet de schoonheidsprijs verdient, kan ik me daarom voorstellen dat de procesinleiding in dit geval wordt opgevat als mede inhoudende een incidentele vordering tot voeging, waarop in dit stadium nog kan en moet worden beslist. Daarom ga ik hierna volledigheidshalve ervan uit dat sprake is van zo’n vordering en ga ik daarom eerst nader in op de mogelijkheid van voeging in cassatie.

3.10

De mogelijkheid van voeging lijkt in cassatie niet zo ver te gaan dat de gevoegde partij zelf cassatiemiddelen kan aanvoeren. In een arrest van HR 14 maart 2008 is dit laatste categorisch door de Hoge Raad ontkend met de volgende overweging:

“De aard van de cassatieprocedure verzet zich, zoals gezegd, niet tegen voeging, met dien verstande dat de derde die zich heeft mogen voegen gebonden is aan de rechtsstrijd zoals die door de middelen is bepaald. Hij kan niet zelf middelen tegen de bestreden uitspraak aanvoeren ook al mocht de cassatietermijn nog niet zijn verstreken.”22

3.11

In het niet lang daarna gewezen SGP-arrest heeft de Hoge Raad echter overwogen:

“Aan de gevoegde partij komt het recht toe zelfstandig en op zelfstandig aangevoerde gronden een rechtsmiddel tegen de uitspraak aan te wenden om te voorkomen dat de uitspraak jegens haar in kracht van gewijsde gaat en beslissingen daarin jegens haar gezag van gewijsde verkrijgen. Dat aldus mogelijk ten opzichte van de gevoegde partij een uitspraak wordt vernietigd die, bij gebreke van het aanwenden van een rechtsmiddel door de partij aan wier zijde zij zich heeft gevoegd, jegens deze laatste wèl in kracht van gewijsde gaat, is niet beslissend, aangezien een dergelijke situatie zich steeds kan voordoen in het geval van deelneming aan het geding door meer partijen aan dezelfde zijde (subjectieve cumulatie).”23

3.12

Beide beslissingen lijken op het eerste gezicht strijdig met elkaar. Dat is echter denk ik niet of slechts beperkt het geval. De beslissing in het SGP-arrest heeft alléén betrekking op het geval dat de voeging al in hoger beroep heeft plaatsgevonden, op welk geval de overweging van het arrest uit 2008 vermoedelijk juist niet ziet. De beslissing in het SGP-arrest betreft bovendien het nogal bijzondere geval dat de gevoegde partij gebonden wordt door het gezag van gewijsde van de uitspraak in hoger beroep, doordat zij mede partij is bij de rechtsbetrekking waarover in die uitspraak is beslist, zoals aan de orde was in de SGP-zaak; zie aldus met zoveel woorden HR 29 maart 2013, NJ 2013/203. In dat arrest werd overwogen dat de gevoegde partij in de daarin aan de orde zijnde zaak geen belang had bij haar cassatieberoep – zij was dus op zichzelf wel ontvankelijk in dat beroep –, nu de partij aan wier zijde zij zich in hoger beroep had gevoegd, geen cassatieberoep had ingesteld en zich niet het geval van het SGP-arrest voordeed. Overwogen werd:

“Anders dan aan de orde was in HR 9 april 2010, LJN BK4549, NJ 2010/388, rov. 3, doet zich hier (...) niet het geval voor dat de gevoegde partij zelfstandig een rechtsmiddel tegen de uitspraak moet kunnen aanwenden om te voorkomen dat deze jegens haar in kracht van gewijsde gaat en beslissingen daarin jegens haar gezag van gewijsde verkrijgen.”24

3.13

[eiser 2] was in dit geval geen gevoegde partij in hoger beroep. Omdat het hof hem niet heeft aangemerkt als partij, wordt hij in dit geval ook niet gebonden door zijn arrest (vgl. art. 236 Rv). De beslissing van het arrest uit 2008 lijkt me dan ook onverkort van toepassing. Ik zie geen aanleiding om van dat arrest terug te komen voor wat betreft de partij die zich voor het eerst in cassatie wil voegen aan de zijde van eiser tot cassatie. Dat de gevoegde partij ook zelf een middel kan aanvoeren, voegt in dat geval immers weinig toe.25

[eiser 2] is dus als gevoegde partij – gesteld dat hij als zodanig wordt toegelaten – niet-ontvankelijk in de namens hem aangevoerde cassatieklachten.

Toestaan voeging?

3.14

Is daarmee de kous al af wat betreft de voeging? Nee, want ook de andere processtukken in cassatie zijn mede namens [eiser 2] als gevoegde partij genomen, zodat nog steeds een beslissing over de voeging moet worden genomen. Het is vaste rechtspraak dat voor het aannemen van het vereiste belang bij die vordering het voldoende is dat de partij die voeging vordert, nadelige gevolgen kan ondervinden van een uitkomst van de procedure die ongunstig is voor de partij aan wier zijde zij zich voegt. Onder nadelige gevolgen zijn in dit verband te verstaan de feitelijke of juridische gevolgen die toe- dan wel afwijzing van de in die procedure ingestelde vordering of het gezag van gewijsde van in de uitspraak in die procedure gegeven eindbeslissingen zal kunnen hebben voor degene die de voeging vordert.26

3.15

In strijd met art. 219 lid 1, aanhef en onder b, Rv heeft [eiser 2] de vordering tot voeging (als hij die vordering inderdaad heeft willen instellen) niet gemotiveerd. Het ligt echter denk ik voor de hand om te veronderstellen dat hij meent het voor voeging vereiste belang te hebben omdat de vordering op [eiseres 1] ook hem regardeert. Dat lijkt me echter niet juist. In de zaak van [verweerder] tegen [eiseres 1] is slechts aan de orde dat zij als echtgenote die in gemeenschap van goederen is gehuwd met [eiser 2] , heeft te dulden dat verhaal op de goederen van de gemeenschap plaatsvindt, als [verweerder] inderdaad een vordering heeft op [eiser 2] . Of [verweerder] die vordering heeft op [eiser 2] , moest worden beslist in de zaak tussen hen beiden en is nu, met vervanging van [eiser 2] door [schuldeiser] , beslist in het arrest van het hof.27 Weliswaar kan ook [eiseres 1] die vordering in haar zaak met [verweerder] betwisten – hetgeen zij ook heeft gedaan en doet –, maar dat betekent niet dat [eiser 2] de voeging kan gebruiken om het bestaan van de vordering van [verweerder] op hem tot inzet te maken van de zaak tussen [verweerder] en [eiseres 1] . Daarvoor dient in een context zoals hier zijn eigen zaak met [verweerder] , zo zou ik menen. Als hij dat in die zaak niet meer kan doen, door de werking van art. 29 Fw, hoort hij dat niet alsnog te kunnen doen door middel van een voeging. Als art. 29 Fw niet tot gevolg behoort te hebben dat [eiser 2] zich in zijn zaak tegen [verweerder] niet meer tegen diens vordering te weer kan stellen, zoals [eiser 2] betoogt in onderdeel 2, dan dient art. 29 Fw buiten toepassing te worden gelaten, en daarvoor niet alsnog de mogelijkheid van voeging open te staan. Daarmee blijft over dat [eiser 2] na een voeging slechts kan betwisten wat niet voor betwisting vatbaar is – en hij blijkens de stukken dan ook niet betwist –, namelijk dat voor een vordering op hem verhaal mogelijk is op de goederen van de gemeenschap waarin hij met [eiseres 1] is gehuwd.

3.16

Kortom: de vordering tot voeging van [eiser 2] – zo [eiser 2] deze inderdaad heeft willen instellen en heeft ingesteld, en zo deze niet reeds afstuit op het feit dat deze niet overeenkomstig de eis der wet is gemotiveerd – dient te worden afgewezen.

3.17

Overigens merk ik nog op dat betwijfeld kan worden of [eiser 2] wel enig reëel belang heeft bij een voeging. Hij wordt immers bijgestaan dezelfde advocaat als [eiseres 1] en kan dus al langs die weg invloed uitoefenen op hetgeen in dit geding wordt aangevoerd. De standpunten die hij, als gevoegde partij, en [eiseres 1] aanvoeren zijn gelijkluidend en worden dan ook steeds gezamenlijk in één processtuk naar voren gebracht. Onduidelijk is dus wat een voeging in deze zaak toevoegt of, wellicht beter gezegd, hééft toegevoegd (want de cassatieprocedure is inmiddels afgeconcludeerd). Ook daarop gelet valt een vordering tot voeging af te wijzen.

4 Bespreking van het cassatiemiddel

5 Conclusie