Home

Hoge Raad, 07-07-2023, ECLI:NL:HR:2023:1067, 22/00109

Hoge Raad, 07-07-2023, ECLI:NL:HR:2023:1067, 22/00109

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
7 juli 2023
Datum publicatie
7 juli 2023
ECLI
ECLI:NL:HR:2023:1067
Formele relaties
Zaaknummer
22/00109

Inhoudsindicatie

Borgtocht. Procesrecht. Faillissement. Hoger beroep tegen toewijzing vordering uit borgtocht. Veroordeling echtgenote van borg om verhaal op huwelijksgemeenschap te gehengen en gedogen. Als borg failleert voordat memorie van grieven is ingediend, is procedure ex art. 29 Fw geschorst en voor overige doorgehaald. Na voortzetting procedure tussen wederpartij borg en betwistende schuldeiser, beslist hof dat vordering in faillissement wordt erkend en dat hoger beroep echtgenote wordt afgewezen. Ontvankelijkheid borg in cassatie. Klacht over beslissing op hoger beroep echtgenote zonder dat procedure weer op rol was geplaatst. Voortzetting ex art. 29 Fw geschorste procedure zonder gefailleerde in strijd met art. 1 Eerste Protocol EVRM? Art. 122, 126, 197 Fw. Gezag van gewijsde tegen gefailleerde? Valt vordering tegen echtgenote onder art. 29 Fw?

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

CIVIELE KAMER

Nummer 22/00109

Datum 7 juli 2023

ARREST

In de zaak van

1. [eiseres 1],

wonende te [woonplaats],

hierna: [eiseres 1],

2. [eiser 2],

wonende te [woonplaats],

hierna: [eiser 2],

EISERS tot cassatie,

hierna gezamenlijk: [eisers],

advocaat: J. de Jong van Lier,

tegen

[verweerder],

wonende te [woonplaats], Zwitserland,

VERWEERDER in cassatie,

hierna: [verweerder],

advocaat: T.T. van Zanten.

1 Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:

a. de vonnissen in de zaak C/05/252864 / HZ ZA 13-247 van de rechtbank Gelderland van 29 januari 2014 en 25 juni 2014;

b. het arrest in de zaak 200.153.025/02 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 12 oktober 2021.

[eisers] hebben tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.

[verweerder] heeft een verweerschrift tot niet-ontvankelijkheid danwel verwerping ingediend.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten, en voor [verweerder] mede door L. van den Reek.

De conclusie van de Advocaat-Generaal G. Snijders strekt tot vernietiging van het arrest van het hof voor zover daarin het hoger beroep van [eiseres 1] is verworpen, met de in de conclusie onder 4.14 vermelde bepaling, tot verwerping van het cassatieberoep van [eiser 2] en, voor het geval [eiser 2] een vordering tot voeging heeft ingesteld, tot afwijzing daarvan.

De advocaat van [eisers] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2 Uitgangspunten en feiten

2.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) [eiser 2] is in gemeenschap van goederen gehuwd met [eiseres 1].

(ii) Bij akte van 27 april 2006 heeft [eiser 2] zich borg gesteld voor de terugbetaling van een lening van [verweerder] aan drie vennootschappen, tot een maximumbedrag van € 1 miljoen. [eiseres 1] heeft toestemming verleend voor deze borgstelling.

(iii) Op 2 oktober 2013 heeft [verweerder] zowel ten laste van [eiser 2] als ten laste van [eiseres 1] diverse conservatoire (derden)beslagen gelegd.

(iv) Bij arrest van 20 oktober 2015 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op grond van de hiervoor genoemde lening de vennootschappen hoofdelijk veroordeeld om aan [verweerder] te betalen € 809.153,73, te vermeerderen met 12% rente op jaarbasis over € 629.643,05 per 1 februari 2012.

2.2

In deze procedure vordert [verweerder] [eiser 2] te veroordelen tot betaling van € 1 miljoen en [eiseres 1] te gebieden het verhaal door [verweerder] van zijn vordering op [eiser 2] op de tussen [eiser 2] en [eiseres 1] bestaande huwelijksgoederengemeenschap te gehengen en gedogen. In reconventie vorderen [eisers], samengevat weergegeven, een verklaring voor recht dat [eiser 2] van zijn verplichtingen uit de akte van 27 april 2006 is bevrijd en dat [verweerder] niets meer van [eiser 2] te vorderen heeft, en veroordeling van [verweerder] tot schadevergoeding wegens onrechtmatige beslagleggingen, nader op te maken bij staat.

2.3

De rechtbank heeft de vorderingen van [verweerder] toegewezen en de vorderingen van [eisers] afgewezen.

2.4

Nadat de zaak in hoger beroep bij het hof was aangebracht en aan [eisers] uitstel was verleend voor het nemen van een memorie van grieven, is [eiser 2] in 2014 in staat van faillissement verklaard. Het hof heeft vervolgens in het roljournaal aangetekend dat de procedure ten aanzien van [eiser 2] is geschorst op grond van art. 29 Fw en dat de procedure ten aanzien van [eiseres 1] na overleg met partijen ter rolle is doorgehaald.

2.5

[verweerder] heeft zijn vordering op [eiser 2] ter verificatie ingediend in het faillissement. Op de verificatievergadering heeft behalve [eiser 2] ook [schuldeiser], een schuldeiser van [eiser 2], de vordering van [verweerder] betwist. Hierop heeft [verweerder] in 2020 [schuldeiser] gedagvaard om met het oog op de verificatie van de betwiste vordering de onderhavige procedure voort te zetten, waarna [schuldeiser] de plaats van [eiser 2] als wederpartij van [verweerder] heeft overgenomen.

2.6

Het hof1 heeft verstaan dat de vordering van [verweerder] in het faillissement van [eiser 2] moet worden erkend voor een bedrag van € 1 miljoen. Verder heeft het hof het hoger beroep van [eiseres 1] verworpen. Het hof heeft daartoe onder meer als volgt overwogen:

Hoger beroep [eiseres 1]

5.4.

Nu [eiseres 1] in de dagvaarding in hoger beroep geen gronden voor het hoger beroep heeft aangevoerd en evenmin een memorie van grieven heeft ingediend, is de vordering van [eiseres 1] in hoger beroep niet naar de eisen van de wet met redenen omkleed. Het hof zal het hoger beroep van [eiseres 1] verwerpen.”

3 Beoordeling van de ontvankelijkheid van [eiser 2]

3.1

[eisers] hebben in de procesinleiding in cassatie vermeld dat [eiseres 1] eiseres tot cassatie is, dat [eiser 2] zich voegt aan de zijde van [eiseres 1], doordat de cassatieklachten mede namens hem worden voorgedragen, en dat [eiser 2] ook eiser tot cassatie is.

3.2

Nadat [schuldeiser] de plaats van [eiser 2] in het hoger beroep had overgenomen om de betwisting van de vordering van [verweerder] voort te zetten, was [eiser 2] niet langer partij in de procedure voor zover deze die vordering van [verweerder] betrof. Het arrest van het hof van 12 oktober 2021 heeft, afgezien van de verwerping van het hoger beroep van [eiseres 1], uitsluitend betrekking op de vordering van [verweerder]. [eiser 2] is derhalve niet bevoegd tegen dat arrest beroep in cassatie in te stellen. [eiser 2] is daarom niet-ontvankelijk in zijn beroep tegen het arrest van 12 oktober 2021.

3.3

Voor zover het cassatieberoep van [eiser 2] erover klaagt dat het hof hem vanaf het moment dat [schuldeiser] zijn plaats in het geding had overgenomen, niet langer als partij in het geding heeft beschouwd, geldt het volgende. Het hof heeft in het roljournaal aangetekend dat op 4 augustus 2020 namens [schuldeiser] advocaat is gesteld. Daarmee heeft het hof vastgesteld dat [schuldeiser] de procedure tussen [eiser 2] en [verweerder] met betrekking tot de betwiste vordering van [verweerder] voortzette in de plaats van [eiser 2]. Dit oordeel is ten opzichte van [eiser 2] aan te merken als een einduitspraak, waartegen hij binnen drie maanden beroep in cassatie kon instellen.2 [eiser 2] heeft zijn cassatieberoep ingesteld op 12 januari 2022, derhalve buiten de zojuist bedoelde cassatietermijn.

3.4

Niet is gebleken dat [eiser 2] ten tijde van de verificatievergadering en nadat [verweerder] en [schuldeiser] zijn verwezen naar het hof voor voortzetting van de geschorste procedure, werd bijgestaan door een advocaat. Niet in geschil is tussen partijen dat [eiser 2] niet is opgeroepen voor de voortzetting van het geding. Indien voor [eiser 2] onder die omstandigheden, mede als gevolg van een processueel verzuim door het hof, redelijkerwijs niet kenbaar was dat het hof op 4 augustus 2020 besliste dat hij niet langer partij was in het hoger beroep voor zover dat de vordering van [verweerder] op [eiser 2] betrof, dient de termijn voor het instellen van beroep in cassatie tegen deze beslissing te worden verlengd, voor zover nodig, tot veertien dagen vanaf het moment dat zulks voor hem wel kenbaar was.3 [eisers] hebben in cassatie evenwel niets aangevoerd over het hiervoor bedoelde moment, hoewel dat op hun weg had gelegen. Dat betekent dat er geen grond is om ervan uit te gaan dat het beroep in cassatie tegen de beslissing van 4 augustus 2020 door [eiser 2] tijdig is ingesteld. [eiser 2] is dus ook niet-ontvankelijk in zijn beroep tegen de beslissing van 4 augustus 2020.

4 Beoordeling van de incidentele vordering tot voeging in cassatie

5 Beoordeling van het middel

6 Beslissing