Home

Parket bij de Hoge Raad, 10-05-2022, ECLI:NL:PHR:2022:433, 20/03966

Parket bij de Hoge Raad, 10-05-2022, ECLI:NL:PHR:2022:433, 20/03966

Gegevens

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
10 mei 2022
Datum publicatie
11 mei 2022
ECLI
ECLI:NL:PHR:2022:433
Formele relaties
Zaaknummer
20/03966

Inhoudsindicatie

Aanvullende conclusie AG. Veroordeling vrouw tot twintig jaar gevangenisstraf voor het medeplegen van de moord op haar echtgenoot. Naast het eerdere oordeel van de AG (ECLI:NL:PHR:2022:224) dat het door het hof bewezenverklaarde medeplegen van moord niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid (vierde middel), slaagt volgens de AG ook het tweede middel over het gebruik door het hof van drie als kennelijk leugenachtig aangemerkte verklaringen van de verdachte voor het bewijs. De overige middelen van de verdachte en het middel met betrekking tot de toewijzing van de vordering tot vergoeding van shockschade van de benadeelde partijen slagen niet. Het middel van de benadeelde partijen over de hoogte van de toegewezen vergoeding voor shockschade slaagt evenmin. Verwijzing naar de beschouwingen in de conclusie van de AG's Spronken en Lindenbergh (ECLI:NL:PHR:2022:166) over toekenning van schadevergoeding wegens shockschade in het strafproces. De conclusie strekt tot vernietiging van het arrest.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 20/03966

Zitting 10 mei 2022

AANVULLENDE CONCLUSIE

T.N.B.M. Spronken

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,

hierna: de verdachte.

1 Nadere conclusie

1.1.

In deze zaak heb ik op 8 maart 20221 geconcludeerd dat het vierde namens de verdachte voorgestelde middel slaagt en tot vernietiging van het bestreden arrest dient te leiden. De overige middelen heb ik daarom onbesproken gelaten. De Hoge Raad heeft mij gevraagd over deze middelen aanvullend te concluderen, aan welk verzoek ik hierbij gevolg geef. Daarbij betrek ik eveneens het namens de verdachte op 10 maart 2022 ingekomen schriftelijk commentaar zoals bedoeld in art. 439 lid 5 Sv.

1.2.

Voor de leesbaarheid van deze aanvullende conclusie zal ik hierna eerst herhalen waartegen het cassatieberoep is gericht en nogmaals de feiten samenvatten die voor de bespreking van de middelen van belang zijn.

2 Het cassatieberoep

2.1.

De verdachte is bij arrest van 1 december 2020 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, wegens “medeplegen van moord” op haar echtgenoot veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 jaren, met aftrek van de tijd doorgebracht in voorarrest. Voorts zijn door het hof beslissingen genomen ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen, te weten de vader, de moeder en twee zussen van het slachtoffer en heeft het hof de namens hen gevorderde vergoeding voor materiële en immateriële ‘shockschade’ toegewezen, alsmede schadevergoedingsmaatregelen opgelegd, een en ander zoals omschreven in het bestreden arrest.

2.2.

Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. N. van Schaik, advocaat te Utrecht, heeft vijf middelen van cassatie voorgesteld, waarvan de eerste vier opkomen tegen de bewijsconstructie die het hof heeft gehanteerd en tegen de bewezenverklaring van het medeplegen van de moord door de verdachte. Het vijfde middel richt zich tegen de door het hof toegewezen schadevergoedingen aan de benadeelde partijen.

2.3.

Namens de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] , [benadeelde 3] en [benadeelde 4] hebben mr. C.H. Dijkstra en mr. R.E.H. Jager, advocaten te Amersfoort, in verband met het vijfde middel een verweerschrift ingediend. Bovendien is namens deze benadeelde partijen en door de genoemde advocaten bij schriftuur één middel van cassatie voorgesteld ten aanzien van de beslissingen van het hof over de ingestelde vorderingen tot schadevergoeding. Daarin wordt geklaagd over de gedeeltelijke afwijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen. Mr. N. van Schaik heeft hierop bij verweerschrift gereageerd.

3 Waarover het in deze zaak gaat

3.1.

Op 8 juli 2017 heeft [slachtoffer] (hierna: het slachtoffer) het festival FreezeForze in de Westereen bezocht. De volgende ochtend op 9 juli 2017 omstreeks 10:25 uur werd in het weiland gelegen aan de Bûterwei, in de buurt van het festivalterrein, zijn levenloze lichaam aangetroffen. De telefoon van het slachtoffer werd een meter voor hem in het gras gevonden. Aan de hand van de locatiegegevens van het Google account van het slachtoffer die zijn aangetroffen op zijn telefoon en getuigenverklaringen is gebleken dat het slachtoffer op 9 juli 2017 omstreeks 00:27 uur het festivalterrein lopend heeft verlaten. Daarna bevond hij zich vanaf in ieder geval 00:40:09 uur in het weiland ter hoogte van de Bûterwei waar zijn stoffelijk overschot later die dag is aangetroffen. Daar is ook het dodelijk geweld op het slachtoffer toegepast. Het slachtoffer is door herhaald slaan met een voorwerp op/tegen zijn hoofd en lichaam om het leven gebracht en had zowel uitwendig als inwendig zware letsels aan en in het hoofd, het aangezicht, de hals, heup, ledematen, geslachtsdelen en de romp. Het is niet waarschijnlijk dat het slachtoffer na zijn dood is verplaatst of dat het slachtoffer met de toegebrachte letsels zelf nog een grote afstand kon afleggen. Het slagwapen is niet gevonden.

3.2.

De vrouw van het slachtoffer is als verdachte aangemerkt. Zij heeft van begin af aan ontkend bij zijn dood betrokken te zijn geweest. Zij heeft verklaard die nacht op de Bûterwei aanwezig te zijn geweest, om het slachtoffer op te halen van het festival zoals tussen haar en het slachtoffer was afgesproken. Uit haar telefoongegevens en camerabeelden van een tankstation kan worden afgeleid dat dit omstreeks de tijd is geweest dat het slachtoffer om het leven is gebracht. Naar haar zeggen heeft zij het slachtoffer bij de Bûterwei niet aangetroffen, waarop zij weer naar huis is gereden.

3.3.

De rechtbank heeft haar in eerste aanleg veroordeeld wegens moord en is er daarbij van uitgegaan dat zij de moord alleen heeft gepleegd. Het hof is eveneens tot een veroordeling van de verdachte gekomen en heeft aangenomen dat zij de moord heeft medegepleegd. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“zij op 9 juli 2017 te De Westereen, in de gemeente Dantumadiel, tezamen en in vereniging met ander opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte en een mededader met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, die [slachtoffer] meermalen, met een hard en/of stevig voorwerp op het hoofd geslagen, ten gevolge waarvan die [slachtoffer] is overleden.”

3.4.

Het bijzondere in deze zaak is dat er geen direct bewijs is dat de verdachte de moord heeft medegepleegd. Het hof heeft de betrokkenheid van de verdachte uitsluitend uit indirect bewijs afgeleid en daarbij tevens gebruik gemaakt van kennelijk leugenachtige verklaringen die volgens het hof door de verdachte zijn afgelegd om de waarheid te bemantelen.

4 Samenvatting van de bewijsvoering van het hof

5 Het eerste middel

6 Het tweede middel

7 Het derde middel

8 Het vijfde middel

9 Middel van de benadeelde partijen

10 Redelijke termijn