Home

Parket bij de Hoge Raad, 21-06-2022, ECLI:NL:PHR:2022:590, 21/00842

Parket bij de Hoge Raad, 21-06-2022, ECLI:NL:PHR:2022:590, 21/00842

Gegevens

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
21 juni 2022
Datum publicatie
20 september 2022
ECLI
ECLI:NL:PHR:2022:590
Formele relaties
Zaaknummer
21/00842

Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Art. 244 jo. 248 Sr. Bewijsminimum, art. 342.2 Sv (unus testis). Hof heeft mede in het licht van het voor het bewijs gebezigde Whatsappgesprek en de verklaring van de verdachte kunnen oordelen dat de door het slachtoffer naar voren gebrachte feiten en omstandigheden niet op zichzelf staan en voldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. Conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 21/00842

Zitting 21 juni 2022

CONCLUSIE

B.F. Keulen

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967,

hierna: de verdachte

  1. De verdachte is bij arrest van 25 februari 2021 door het gerechtshof Den Haag wegens ‘met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, terwijl het feit is begaan tegen een aan zijn zorg toevertrouwde minderjarige’, veroordeeld tot 12 maanden gevangenisstraf, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren en met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27, eerste lid, Sr.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. J.E. Kötter, advocaat te Amsterdam, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld.

  3. De eerste twee middelen betreffen de bewijsvoering. Het derde middel ziet op schending van de inzendtermijn in cassatie.

  4. Voorafgaand aan de bespreking van de middelen geef ik de bewezenverklaring, de bewijsmiddelen, delen van de pleitnota en de bewijsoverweging van het hof weer.

  5. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

‘hij in de periode van 7 mei 2016 tot en met 11 mei 2016 te ’s-Gravenhage, met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2006, die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten

- het wrijven over de kleding ter hoogte van de buik en het kruis van die [slachtoffer] en

- het brengen van zijn hand in de broek en onderbroek van die [slachtoffer] en- het wrijven over de vagina en schaamstreek van die [slachtoffer] en

- het brengen/duwen van één of meer vinger(s) tussen de schaamlippen en in de vagina van die [slachtoffer] ,

zulks terwijl die [slachtoffer] aan zijn, verdachtes, zorg en waakzaamheid was toevertrouwd’

6. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen (met weglating van verwijzingen):

‘1. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 18 oktober 2016 van de politie Eenheid Den Haag (...) inhoudende het verhoor met [slachtoffer] (...) - zakelijk weergegeven -:

Ik ben 10 jaar. Ik was bij [verdachte] omdat mijn moeder op vakantie ging en hij op mij ging passen. Hij was eerst gaan slapen en toen werd hij wakker en toen zag hij dat ik op die andere bank zat en toen zei hij dat ik bij hem moest zitten. Toen ging die niet meer slapen, ging die alleen maar zijn ogen dicht doen. Hij ging gewoon liggen en toen wou hij dat ik naast hem ging liggen. Toen ging ik bij hem liggen en de film kijken. Hij ging elke keer met zijn hand eerst over mijn buik aaien en toen ging hij elke keer iets lager. Toen duwde ik zijn hand weg en toen ging die in mijn broek en in mijn onderbroek. Eerst ging hij aaien over mijn geslachtsdeel en de binnenkant van mijn heup en dan gaat hij elke keer keihard met die vinger in mijn geslachtsdeel. Dat deed pijn onder mijn buik, omdat hij scherpe nagels had en erin ging. Zijn handpalm was waar ik pijn had. Hij ging elke keer mijn geslachtsdeel in en dan ging hij er keihard in duwen, met zijn nagels. Hij ging met twee vingers in mijn geslachtsdeel en die andere twee vingers waren op mijn benen. Elke keer als ik wegging duwde hij me terug en deed hij het weer. Hij ging elke keer met zijn hele lijf tegen mij aandrukken.

(...)

Ik vertelde het tegen mama toen hij allemaal berichtjes begon te sturen en toen had ik het gelijk aan mama gestuurd. Hij zei, wist je nog toen ik je ging kietelen. Toen deed ik alsof ik van niets wist. En toen zei ik 'nee' en toen vroeg hij het weer en toen zei ik de hele tijd 'nee'. Ik werd bang omdat hij dat elke keer zei en dat hij elke keer door zou vragen en dat ik dan elke keer 'nee' moest zeggen, dat ik van niets wist. Hij zei "Verwijder die berichten maar. Je moeder zal er wel iets raars bij denken". Ik had het niet eerder aan mijn moeder verteld, omdat ik dacht dat als ik het er niet meer over heb en hij ook niet, dat het dan is alsof het nooit gebeurd is. Ik wilde het er niet over hebben.

2. Het proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer] d.d. 2 juli 2018 bij de rechter-commissaris, inhoudende het verhoor met [slachtoffer] - zakelijk weergegeven -:

Ik heb screenshots naar mijn moeder gestuurd. Via whatsapp ging [verdachte] vragen hoe ik het vond toen hij dat had gedaan. Hij zei "weet je nog toen ik je ging kietelen". Ik zei "wanneer heb je gekieteld". Ik deed alsof ik van niets wist en toen zei hij "dan droomde ik het”. Toen raakte ik een beetje in paniek en toen had ik het zonder, enig idee naar mijn moeder gestuurd. Zij ging toen vragen stellen en toen moest ik het wel zeggen. Ik heb het niet gelijk aan mijn moeder verteld, omdat ik het stom vond wat hij had gedaan, ik wilde het gewoon vergeten. Ik raakte in paniek omdat ik het al een soort van vergeten was, maar toen hij opeens appte, herinnerde ik het me weer. Toen ik bij hem op de bank lag, ging hij eerst over mijn buik wrijven en toen ging hij steeds lager. Ik heb hem niet gekieteld. Ik ging me steeds omdraaien dat hij zijn hand weg ging halen. Ik weet niet of [verdachte] tegen kietelen kan. Hij had zijn vinger in mijn toenie gedaan en dat noemde hij kietelen op de app. Ik denk dat hij dat bedoelt met kietelen, omdat hij op de app zei "je vond het niet erg toch?" Na de speeltuin bij de tv had hij niet gekieteld, alleen dat. Ik kan niet tegen kietelen.

[verdachte] heeft me nooit gekieteld en ik heb niet gevraagd of hij mij wilde kietelen. Toen zijn hand steeds lager ging, draaide ik me steeds om, want ik dacht dat hij zijn hand dan ging weghalen. Hij ging gewoon door. Hij zat in mijn onderbroek. Hij ging met zijn hele hand in mijn onderbroek zitten, bij mijn toenie. Hij wreef op mijn toenie en toen ging hij met zijn vinger in mijn toenie. Toen ging hij eruit en toen had hij zijn hand weer op mijn buik en toen weer erin. Dat deed pijn.

3. Het proces-verbaal uitlezen mobiel toestel d.d. 7 december 2016 van de politie Eenheid Den Haag, Team Digitale Expertise, inhoudende een whatsappgesprek tussen de verdachte en het slachtoffer d.d. 12 augustus 2016 (...) - zakelijk weergeven -:

S = [verdachte]

[slachtoffer] = [slachtoffer]

13.47: [verdachte] : En jou kietelen hihi

13.47 [slachtoffer] : Huh waneer ging jij mij kietelen

13.48 [slachtoffer] : ?

13.48 [verdachte] : Soort van kietelen

13.48 [slachtoffer] : Waneer

...13.49 [slachtoffer] : Zeg dan wanneer

13.51 [verdachte] : Ben je gewoon thuis

...13.59 [verdachte] : Wis je app straks wel ok

13.59 [slachtoffer] : Hz

14.00 [verdachte] : Je moeder gebruikt je telefoon toch ook

14.00 [slachtoffer] : Nee

14.01 [verdachte] : Ok. Maar doe toch maar liever. Anders wordt er misschien teveel gekieteld

14.01 [slachtoffer] : Wat bedoel je nou je bent gekieteld toen ik bij je sliep

14.02 [verdachte] : Ja

14.02 [slachtoffer] : Wat bedoel je nou!?

14.03 [verdachte] : Ja als jij het niet weet dan weet ik het ook niet hoor

14.03 [slachtoffer] : Howww

14.04 [verdachte] : Toen we bij elkaar lagen op de bank. Tv aan

14.05 [slachtoffer] : Ging jij mij toch kietelen?

14.05 [verdachte] : Ja toch

14.05 [slachtoffer] : Oh ok

14.06 [verdachte] : Vond je toch niet erg

14.07 [slachtoffer] : Maak jij een grapje?

14.08 [slachtoffer] : Jij ging mij niet eens kietelen

14.08 [slachtoffer] : N

14.09 [verdachte] : Dan droomde ik

14.09 [slachtoffer] : Ja waarschijnlijk wel

...14.10 [verdachte] : Ok maar wis die app ja schat

4. De verklaring van de verdachte.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 11 februari 2021 verklaard - zakelijk weergegeven -:

Ik woon in [plaats] . [slachtoffer] heeft bij mij gelogeerd. Ze is op 8 mei 2016 afgezet. Ze heeft drie nachten bij mij geslapen. Toen ze naast mij op de bank lag zocht zij op een ongepaste manier toenadering. Zij deed een zoenpoging naar mij. Ik kan me voorstellen dat het kietelen bij haar lustgevoelens heeft opgewekt.’

7. Blijkens het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 11 februari 2021 heeft de raadsman van de verdachte het woord tot verdediging gevoerd overeenkomstig zijn overgelegde pleitnota. Deze pleitnota houdt, voor zover van belang, het volgende in (met weglating van verwijzingen):

‘II. Bewijsverweren

Verklaring cliënt

5. In het kader van de bespreking van het vermeende bewijs kom ik eerst toe aan de verklaringen van cliënt. Zoals zojuist inleidend opgemerkt, ontkent cliënt zeer uitdrukkelijk dat hij de ten laste gelegde handelingen heeft gepleegd. Cliënt schetst daarbij een alternatieve lezing, welke ik beknopt zal weergeven en waaraan ik de nodige conclusies zal verbinden.

6. Cliënt geeft aan dat dat hij in de genoemde periode, op verzoek van de moeder van [slachtoffer] tevens zijnde de ex-partner van cliënt, heeft opgepast op [slachtoffer] . Hierbij heeft [slachtoffer] bij cliënt geslapen. [slachtoffer] sliep in de computerkamer op het logeerbed. Bij dag twee is er TV gekeken. Cliënt lag op de bank. [slachtoffer] kwam erbij zitten. [slachtoffer] vroeg of cliënt tegen kietelen kon. Cliënt gaf aan daartegen te kunnen. Hierbij heeft [slachtoffer] cliënt gekieteld. [slachtoffer] vroeg op een plagerige manier om haar te kietelen, hetgeen cliënt heeft gedaan. Cliënt kreeg de indruk dat [slachtoffer] haar wilde zoenen. Cliënt heeft zijn gezicht afgewend. Omdat hij deze situatie opmerkelijk vond wenste hij DIT in het belang van [slachtoffer] te bespreken middels het bij ons allemaal bekende WhatsApp-gesprek. Dit is dan ook de reden dat cliënt het had over kietelen.

7. De rechtbank komt in haar vonnis tot het oordeel dat in de eigen verklaringen van cliënt belastend steunbewijs kan worden gevonden. De verdediging kan dit oordeel niet volgen en is, om de hierna te noemen redenen, van mening dat de verklaringen van cliënt niet kunnen bijdragen aan een bewijsconstructie.

8. Er zijn overeenkomsten tussen de verklaringen van cliënt en tussen de verklaringen van [slachtoffer] . Dit maakt nog niet dat de verklaringen van [slachtoffer] daarom op redengevende wijze steun vinden in de verklaringen van cliënt.

Het gegeven dat cliënt ook verklaart dat er sprake was van oppassen maakt nog niet dat de verklaringen van cliënt belastend steunbewijs vormen.

Het gegeven dat cliënt ook verklaart dat [slachtoffer] bij hem in de woning heeft geslapen maakt nog niet dat de verklaringen van cliënt belastend steunbewijs vormen.

Het gegeven dat cliënt ook heeft verklaard dat [slachtoffer] bij hem op de bank heeft gelegen maakt eveneens niet dat de verklaringen van cliënt belastend steunbewijs vormen.

Al deze gegevens waren al vaststaande feiten, welke vaststaande feiten niet de vergaande conclusie rechtvaardigen dat [slachtoffer] de waarheid zou hebben gesproken. In deze zaak is de vraag: Wat is er tijdens het oppassen gebeurd op de bank?

Dit is de zogeheten crux van de zaak. En juist bij de beantwoording van die essentiële vraag lopen de verklaringen van cliënt en [slachtoffer] uiteen. Al met al kan dan ook niet worden gesteld dat de verklaring van [slachtoffer] op essentiële en relevante wijze steun vindt in de verklaring van cliënt.

9. Tot slot wenst de verdediging, bij de bespreking van de verklaringen van cliënt, op te merken dat de verdediging niet is gestuit op onmogelijkheden of onjuistheden in de verklaringen van cliënt welke de conclusie zouden kunnen rechtvaardigen dat de verklaringen van cliënt als ongeloofwaardig terzijde dienen te worden geschoven.

Verklaringen [slachtoffer]

10. Reeds in eerste aanleg is er, zowel van de zijde van het OM als die van de verdediging, veelvuldig gesproken over de bruikbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer] . Ook ik ontkom er vandaag niet aan om dienaangaande, in het kader van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt, de nodige opmerkingen te maken.

11. De verdediging ziet in de verklaringen van [slachtoffer] onder andere de navolgende inconsistenties.

12. Uit het proces-verbaal van bevindingen ziende op de geluidsopname zegt [slachtoffer] dat cliënt bij haar komt liggen, tijdens haar verhoor verklaart zij dat zij bij cliënt kwam liggen.

13. Eerst zou het één keer hebben plaatsgevonden, tijdens het studioverhoor is verklaard dat het twee keer zou zijn gebeurd en bij de r-c gaat het weer (...) om één keer.

14. Ook over de duur van het vermeende misbruik wordt tegenstrijdig verklaard. Op 18 oktober 2016 verklaart [slachtoffer] dat het ongeveer een kwartier heeft geduurd. Op 2 juli 2018 verklaart [slachtoffer] dat het ongeveer tien minuten was maar dan maar een paar minuten aanraken.

15. Dan de gebruikte vingers.

Op 18 oktober 2016 verklaart [slachtoffer] desgevraagd uitdrukkelijk dat cliënt met twee vingers in haar geslachtsdeel heeft gezeten.

Op 2 juli 2018:

Verhoorder: met zijn rechterhand. En met hoeveel vingers ging hij in jouw toenie?

[slachtoffer] : Eén.'

16. De film die tijdens het vermeende misbruik opstond. Tijdens het eerste verhoor verklaart [slachtoffer] dat cliënt deze voor haar had opgezet. Tijdens het tweede verhoor, een kleine twee jaar later, was deze film gewoon op TV.

17. [slachtoffer] verklaart tegenstrijdig ten aanzien van haar eigen kleding alsook over de kleding van cliënt. Over zichzelf verklaart zij dat zij een broek droeg, waarna [slachtoffer] later verklaart dat ze een jurkje droeg. Ten aanzien van cliënt geeft ze eerst aan dat hij met de onderbroek op de bank lag en tijdens het verhoor op verzoek van de verdediging verklaart ze dat hij een broek droeg. Pas nadat zij wordt geconfronteerd met deze tegenstrijdigheid nuanceert zij dit.

18. Naast de voormelde inconsistenties stelt de verdediging vast dat verder elementen in het dossier opvallen die afbreuk doen aan de betrouwbaarheid van het door het OM geschetste scenario. Deze zal ik nu toelichten.

19. De moeder van [slachtoffer] heeft niets aan haar vernomen. Dit geldt voor de periode dat [slachtoffer] bij cliënt was als ook de periode erna.

20. [slachtoffer] heeft niets ondernomen om haar moeder te berichten in de dagen bij cliënt. Desgevraagd verklaart zij dienaangaande - kort gezegd - dat zij dan bang zou zijn omdat zij nog bij cliënt is. maar ook dit kan de verdediging niet rijmen, want zij had hier niet over hoeven te bellen. Zij had ook kunnen appen, waardoor cliënt niks zou merken.

21. [slachtoffer] gaat na het vermeende misbruik op de andere bank zitten, gaat vervolgens naar haar kamer en komt dan terug richting cliënt omdat zij zich verveelt. Ook dit vindt de verdediging – voorzichtig gezegd – zeer merkwaardig en ongeloofwaardig.

22. Het valt de verdediging op dat [slachtoffer] bij het versturen van de WhatsApp-berichten tussen haar en cliënt naar haar moeder, niet had verwacht dat ook de politie zou worden betrokken. Alsof ze het gevolg van haar eigen handelen niet had overzien.

23. Voorts valt het de verdediging op dat wanneer [slachtoffer] wordt gevraagd naar de reden voor het versturen van de berichten naar haar moeder zij verklaart:

‘Nou, ik werd bang omdat dat hij dat elke keer zei. En toen ik dat stuurde toen had ik er niet bij nagedacht dat ik het dan allemaal moest uitleggen, en toen ging mijn moeder gelijk naar de politie toe.' (p. 61)

Twee jaar later verklaart [slachtoffer] opvallend genoeg dat zij het 'als soort van vergeten' was toen cliënt haar appte. Dit verhoudt zich niet tot haar eerdere opmerking dat zij bang was dat cliënt ’dat elke keer zei'.

24. Voorts is reeds door de verdediging veelvuldig in eerste aanleg aangevoerd dat de wijze waarop cliënt en [slachtoffer] zouden hebben gelegen de handelingen vrijwel feitelijk onmogelijk maken.

[slachtoffer] zou zelf op haar zij hebben gelegen met opgetrokken benen tegen elkaar. Hierbij had zij ook nog eens een strakke broek/legging aan.

Cliënt zou tijdens de handelingen met zijn ene arm onder zijn hoofd hebben gelegen. Om vervolgens dan omslachtig met de andere arm, in de moeilijke houding van [slachtoffer] , in haar broekje te kunnen.

25. Verder is in eerste aanleg al benadrukt dat [slachtoffer] vervolgens nog wel contact blijft zoeken met cliënt, foto's stuurt en op zelfde gelegenheden is, zonder dat dan iets aan haar te merken is.

26. De officier van justitie heeft in eerste aanleg, blijkens het schriftelijke requisitoir, aangevoerd dat [slachtoffer] 'heel consequent' heeft verklaard en de enige discrepanties kunnen naar mening van de officier van justitie worden verklaard door het tijdsverloop. De officier van justitie wil zelfs ‘nog verder gaan’ en geeft aan dat je juist vraagtekens moet zetten op het moment dat [slachtoffer] het nog precies herinnert. Vorenstaande kan de verdediging niet volgen. Het gaat hier om een zedenzaak met slechts de verklaring van cliënt tegen dat van [slachtoffer] . Er is geen steunbewijs anders dan het WhatsApp-bericht waarover ik straks nog het nodige zal zeggen. Het is dan juist van belang om de verklaring van [slachtoffer] goed en kritisch te bekijken. Bij inconsistenties doet dat automatisch afbreuk aan de bruikbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer] . Immers bij het volgen van de beredenering van de officier van justitie zitten wij in een cirkelberedenering. Een consistente verklaring maakt de verklaring van [slachtoffer] betrouwbaar, maar een niet consistente verklaring maakt ook dat sprake is van een betrouwbare verklaring. Kort maar goed: er zal altijd sprake zijn van een betrouwbare verklaring van een aangeefster. Dit is natuurlijk pertinent onjuist.

27. Dan de vraag: Waarom zou [slachtoffer] in strijd met de waarheid hebben verklaard?

Deze vraag is voor cliënt zeer moeilijk te beantwoorden, daar hij in het hoofd zou moeten kijken van [slachtoffer] of met [slachtoffer] in gesprek zou moeten gaan teneinde het nodige te vragen. Cliënt kan slechts gissen naar het antwoord en dit heeft hij ook gedaan vanaf het eerste moment dat hij op de hoogte is geraakt met de verwijten aan zijn adres. Cliënt heeft dienaangaande reeds verklaard dat hij denkt dat [slachtoffer] erkenning wil. Zo heeft zij ook vaker gevraagd of cliënt meer van [slachtoffer] hield dan van zus Manisha.

28. In aanvulling op het vorenstaande wordt zijdens de verdediging opgemerkt dat zij de wijze waarop moeder in het begin het nodige bevraagt ook niet bevorderlijk vindt voor de waarheidsvinding.

Kort na het versturen van de berichten aan moeder en het contact van moeder met de politie heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen moeder en [slachtoffer] . Dit gesprek is opgenomen en uitgewerkt op de pagina's 035 en 036 van het dossier. Het valt de verdediging op dat de wijze waarop moeder destijds [slachtoffer] heeft benaderd het levensgrote risico op uitlatingen in strijd met de waarheid met zich mee heeft gebracht. Zoals aangegeven was [slachtoffer] geschrokken van het gegeven dat de politie was ingeschakeld. Vervolgens gaat moeder met dwingende vragen op zoek naar de vermeende waarheid. Voorbeeld:

V: moeder [betrokkene 1]

A: dochter [slachtoffer]

V: Oke vertel me alles wat er gebeurd is.

A: Kwam hij naast me liggen.

V: Ja ik wil het.... Nee even serieus [slachtoffer] ik wil het even gewoon even weten ja?

Mam vraagt het je één keer daarna vraag ik het je niet meer.

A: Toen ging hij in mijn broek

Vorenstaande maakt eveneens dat het zeer goed mogelijk is geweest dat [slachtoffer] zich genoodzaakt heeft gevoeld om, in strijd met de waarheid, te verklaren zoals zij heeft verklaard.

Tussenconclusie

29. De verdediging stelt zich, op grond van al het vorenstaande, op het standpunt dat de verklaringen van [slachtoffer] tegenstrijdigheden, ongeloofwaardigheden en onjuistheden bevatten. Reden dat de verdediging tot de conclusie komt dat deze verklaringen van [slachtoffer] niet kunnen worden gebezigd tot het bewijs. WhatsApp-gesprekken

30. Uit artikel 342 Sv volgt dat het bewijs dat een verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend kan worden aangenomen op de verklaring van één persoon. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing. in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door één getuige genoemde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal.

31. De Hoge Raad heeft reeds al zijn arresten van 30 juni 2009 het aangescherpt criterium aangelegd dat een aangifte in voldoende mate moet worden ondersteund door andere bewijsmiddelen.

32. Uit het vonnis volgt dat de rechtbank steunbewijs vindt in het WhatsApp-gesprek opgenomen op pagina 4 van het vonnis. De rechtbank geef in haar vonnis op pagina 5 aan dat het gaat om 'objectieve bewijsmiddelen'. De verdediging stelt zich uitdrukkelijk op het standpunt dat er geen steunbewijs kan worden gevonden in het WhatsApp-gesprek.

33. Ter onderbouwing acht de verdediging het allereerst van belang om te benadrukken dat de feitenrechter behoedzaam dient om te gaan met de beoordeling en interpretatie van dit soort (digitale) gesprekken. Iedere gesprekspartner heeft zijn/haar eigen wijze van communiceren. Een wijze van communiceren welke door een derde als omslachtig, vervelend, vreemd of zelfs onbegrijpelijk kan worden gezien, maar welke bij de zender wel daadwerkelijk het doel had om de door hem/haar bedoelde boodschap over te brengen. Het invullen van conclusies door een derde - in strafzaken: de feitenrechter - brengt het levensgrote risico met zich mee dat er sprake is van een misinterpretatie met zeer grote negatieve gevolgen.

34. In casu is daar sprake van. Cliënt geeft reeds tijdens diens verhoren bij de politie aan welk gesprek hij wenste aan te gaan met aangeefster. Voorts geeft cliënt aan wat hij heeft bedoeld met het veelbesproken 'kietelen'. De rechtbank oordeelt in haar vonnis dat dit terzijde dient te worden geschoven, omdat [slachtoffer] heeft verklaard dat er nooit sprake is geweest van een normale manier van kietelen. De verdediging kan deze motivering van de rechtbank niet volgen. Kort maar goed oordeelt de rechtbank: de verklaringen van [slachtoffer] vinden steun in de WhatsApp-berichten waarvan de uitleg van de inhoud van die gesprekken steun vindt in de verklaring van [slachtoffer] . Dit is wederom een cirkelberedenering welke de bewezenverklaring absoluut niet kan dragen.

35. Juist om dit soort miscommunicatie te voorkomen heeft cliënt destijds verzocht om het nodige te wissen. Ook dit maakt niet dat kan worden gesteld dat het scenario van cliënt niet klopt en dat kan worden gesteld dat er geen enkele twijfel is bij het scenario zoals geschetst door [slachtoffer] .

36. Bij een minder kritische lezing zou het vergelijk kunnen worden gemaakt met de zaak van de Hoge Raad van 6 maart 2012. In die zaak ging het om het misbruik van een kleindochter door opa. Dit misbruik was aan het licht gekomen door het vinden van de dagboekaantekeningen van de kleindochter door mama. Er is echter een zeer groot verschil met de zaak van cliënt. In de voormelde zaak vond de feitenrechter het juist van groot belang dat de dagboekaantekening van het minderjarige meisje niet door haarzelf naar voren is gebracht, maar bij toeval is gevonden door de moeder van het meisje. In de zaak van cliënt zijn de WhatsApp-berichten juist bewust door [slachtoffer] verspreid aan haar moeder. Het is niet zo geweest dat de moeder van [slachtoffer] deze berichten bij toeval heeft gevonden in de telefoon van [slachtoffer] .

37. Nee. [slachtoffer] heeft deze WhatsApp-berichten juist zelf verzonden.

Cliënt zegt: bewust om – kort gezegd – de aandacht te kunnen krijgen.

Het OM zegt – kort gezegd – dat [slachtoffer] dit deed om hulp te krijgen voor haar misbruik. Deze stelling van het OM, die niet verder kan worden onderbouwd, staat echter wel haaks op het gegeven dat [slachtoffer] tussen het logeren en het verzenden van het WhatsApp-bericht niet eerder te kennen heeft gegeven dat er iets is gebeurd, geen gedragsverandering heeft laten zien en met name juist vrolijk toenadering is blijven zoeken bij cliënt. Zelfs enkele dagen na het eerste bezoek aan het politiebureau van moeder was [slachtoffer] nog vrolijk met cliënt in de ouderlijke woning van cliënt aan de Leyweg 525-j in Den Haag (...).

Mijns inziens valt het simpelweg niet zonder twijfel vast te stellen.

Tussenconclusie

38. Vorenstaande reden dat de verdediging zich op het standpunt stelt dat de WhatsApp-gesprekken in combinatie met de verklaring van [slachtoffer] geen bewezenverklaring kunnen dragen.

Overige omstandigheden van het geval

39. De vraag die slechts overblijft is: Zijn er andere feiten of omstandigheden die kunnen worden gekwalificeerd als belastend bewijs? In de visie van de verdediging kan deze vraag kort en krachtig worden beantwoord: nee.

40. Zoals hiervoor reeds aangegeven, vindt de rechtbank, bij de beoordeling van de verklaring van [slachtoffer] , steunbewijs in de WhatsApp-berichten. Dit is zojuist door de verdediging weerlegd. 41. Voorts stelt de rechtbank dat de verklaring van [slachtoffer] in grote mate wordt ondersteund door de eigen verklaring van cliënt. In de visie van de verdediging is dit oordeel onjuist. Hiervoor is reeds uitgebreid ingegaan op de verklaringen van cliënt. Voorts is hiervoor uiteengezet waarom de eigen verklaring van cliënt geen steunbewijs vormt.

Ik verzoek Uw Hof, om herhaling te voorkomen, hetgeen onder randnummer 8 is opgemerkt hier als voorgedragen en ingelast te beschouwen.

41. In het dossier zitten verder nog de verklaringen van de moeder van [slachtoffer] . In de visie van de verdediging kunnen deze verklaringen eveneens niet worden gekwalificeerd als zijnde belastend bewijs. Zij neemt de verklaringen van [slachtoffer] over. Het is eerder zo dat de verklaring van moeder als ontlastend dient te worden gekwalificeerd, daar zij niets heeft vernomen aan [slachtoffer] .

44. De verdediging heeft verder gezien dat de verhorende verbalisanten het noodzakelijk vonden om in het proces-verbaal van het verhoor op te nemen dat cliënt lange nagels had. Vorenstaande daar [slachtoffer] heeft verklaard dat de handelingen onder andere pijnlijk zouden zijn geweest door de lange nagels van cliënt. Deze constatering zijdens de verbalisanten kan eveneens niet worden gezien als redengevende ondersteuning van de verklaring van aangeefster. Dit 'lichaamskenmerk' van cliënt was voor eenieder zichtbaar. Hiermee bedoel ik te zeggen, dat er geen misbruik hoeft te hebben plaatsgevonden om dit te kunnen vaststellen. Het is goed mogelijk dat een verdachte een 'lichaamskenmerk' heeft dat slechts zichtbaar is op het moment dat bijvoorbeeld kleding uitgaat. Op dat moment zou kunnen worden gesteld dat dit zeer kenmerkend is voor de verdachte en niet voor eenieder zichtbaar is. Denk hierbij aan details omtrent het geslacht van de verdachte. Bij nagels is hier natuurlijk helemaal geen sprake van.

Tussenconclusie

45. De verdediging stelt vast dat er derhalve ook geen andersoortig steunbewijs aanwezig is dat de verklaring van [slachtoffer] zou kunnen ondersteunen, laat staan in voldoende mate.

Conclusie: vrijspraak