Hoge Raad, 20-09-2022, ECLI:NL:HR:2022:1249, 21/00842
Hoge Raad, 20-09-2022, ECLI:NL:HR:2022:1249, 21/00842
Gegevens
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 20 september 2022
- Datum publicatie
- 20 september 2022
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2022:1249
- Formele relaties
- Conclusie: ECLI:NL:PHR:2022:590
- In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2021:315
- Zaaknummer
- 21/00842
Inhoudsindicatie
Zedenzaak. Ontucht met 10-jarige dochter van ex-partner door 48-jarige verdachte tijdens een logeerpartij, art. 244 jo. 248.2 Sr. 1. Betrouwbaarheid van (de verklaringen van) aangeefster. 2. Bewijsminimum, art. 342.2 Sv (unus testis). Vindt verklaring van aangeefster voldoende steun in Whatsapp-gesprek en de verklaring van verdachte?
HR: art. 81.1 RO.
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 21/00842
Datum 20 september 2022
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 25 februari 2021, nummer 22-003282-18, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967,
hierna: de verdachte.
1 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J.E. Kötter, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2 Beoordeling van het eerste en het tweede cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3 Beoordeling van het derde cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
Het cassatiemiddel is gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren.