Home

Parket bij de Hoge Raad, 31-03-2023, ECLI:NL:PHR:2023:372, 22/02904

Parket bij de Hoge Raad, 31-03-2023, ECLI:NL:PHR:2023:372, 22/02904

Gegevens

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
31 maart 2023
Datum publicatie
25 april 2023
ECLI
ECLI:NL:PHR:2023:372
Formele relaties
Zaaknummer
22/02904

Inhoudsindicatie

Externe bestuurdersaansprakelijkheid (art. 6:162 BW en art. 2:11 BW). Wettelijke handelsrente (art. 6:119a BW).

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 22/02904

Zitting 31 maart 2023

CONCLUSIE

B.F. Assink

In de zaak

1. [eiseres 1] B.V. (hierna: [eiseres 1])

2. [eiseres 2] B.V. (hierna: [eiseres 2])

3. [eiser 3]

4. [eiser 3] in zijn hoedanigheid van enig erfgenaam van [erflaatster]

(hierna gezamenlijk: [eiseres], in vrouwelijk enkelvoud)

tegen

Kutterikuivike FLT OY (hierna: FLT)

Inleiding

Deze zaak, betreffende externe bestuurdersaansprakelijkheid (art. 6:162 BW en art. 2:11 BW), draait in cassatie enkel nog om de toegewezen wettelijke handelsrente (art. 6:119a BW). M.i. missen de cassatieklachten doel.

1 Feiten

1.1

In rov. 3.1-3.41 van het bestreden arrest van 3 mei 20221 (hierna: het arrest) heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (hierna: het hof) feiten vastgesteld, waarvan in cassatie kan worden uitgegaan en waarnaar ik kortheidshalve verwijs.

1.2

Daartoe behoort het volgende, ontleend aan rov. 3.2-3.3, 3.5-3.7, 3.19 en 3.38 van het arrest.

(i) [A] B.V. (hierna: [A]) houdt zich bezig met metaalbewerking, reparatie, onderhoud en handelsbemiddeling van machines in de geautomatiseerde verpakkingsindustrie.

(ii) Enig aandeelhouder en bestuurder van [A] is [eiseres 1] , waarvan [eiseres 2] op haar beurt enig aandeelhouder en bestuurder is. [eiser 3] en [erflaatster]2 zijn/waren bestuurders en ieder voor 50% aandeelhouder van [eiseres 2] .

(iii) In augustus 2014 heeft FLT een machine afgenomen bij [A] . Deze machine voldeed niet aan de verwachtingen van FLT, hetgeen in Finland heeft geleid tot een gerechtelijke procedure.

(iv) Op 17 maart 2017 heeft de rechtbank in Kuopio (Finland) vonnis gewezen in het geding tussen FLT en [A] (hierna: het Finse vonnis).3 In een Nederlandse vertaling van een deel van het Finse vonnis is onder meer het volgende opgenomen:

“Verrekening en rente

In het Verdrag wordt verrekening van vorderingen niet geregeld. Derhalve heeft de rechtbank ook met betrekking tot verrekening het Nederlands burgerlijk wetboek toegepast.

[A] wordt op grond van de door [FLT, A-G] ingestelde vordering veroordeeld om aan [FLT] een prijsverlaging van 369.250 euro en een schadevergoeding van 56.000 euro te betalen. [FLT] wordt op grond van de door [A] ingestelde vordering veroordeeld om aan [A] de resterende koopprijs van 109.000 euro te betalen, alsmede 5.155,90 euro van de leverings-, reis- en accomodatiekosten en 7.500 euro voor het vervangen van de perskamer. Tegenvorderingen worden verrekend in overeenstemming met hoofdstuk 6 artikel 127 van het Nederlands burgerlijk wetboek.

CISC artikel 78 bepaalt dat, indien een partij tekort schiet in de betaling van de prijs of van enig ander achterstallig bedrag, de andere partij recht op rente hierover heeft. (...) Op grond daarvan wordt voor de rente de door verzoeker gevorderde datum van ingang toegewezen. [A] is op 18-12-2015 gedagvaard.

(...)

Proceskosten

(...)

DICTUM

[A] B.V. wordt veroordeeld om als prijsverlaging voor de levering van de in de (...) op 18.8.2014 en (...) 25.8.2014 ondertekende overeenkomst bedoelde productielijn aan [FLT] 247.594,10 euro te voldoen met rente vanaf 18-12-2015, zoals voorzien in 6:119a van het Nederlands burgerlijk wetboek.

[A] B.V. wordt veroordeeld om als schadevergoeding vanwege schending van de voorgenoemde overeenkomst 56.000 euro aan [FLT] te voldoen met rente vanaf 21-10-2015, zoals voorzien in 6:119a van het Nederlands burgerlijk wetboek.

De rechtbank bevestigt dat [FLT] de eigenaar is van de in de voorgenomende overeenkomst bedoelde productielijn.

[A] B.V. wordt veroordeeld om aan [FLT] als vergoeding van proceskosten 21.225,57 euro (btw 0%) te voldoen en van de andere kosten van de partij 1.356,45 euro (btw 0%) te voldoen, beide bedragen met rente vanaf een maand na de datum van het vonnis, zoals voorzien in artikel 4, lid 1 van de Finse wet inzake rente.”

(v) [A] is tegen deze uitspraak niet in hoger beroep gegaan, zodat het Finse vonnis onherroepelijk is geworden.

(vi) Op 19 juli 2017 is het Finse vonnis bij exploot aan [A] betekend, met een gelijktijdig bevel om binnen een termijn van twee dagen aan de inhoud van dit vonnis te voldoen. [A] heeft aan dit bevel geen gehoor gegeven.

(vii) Bij brief van 29 augustus 2018 heeft FLT [eiseres] als (indirect) bestuurder van [A] aansprakelijk gesteld op grond van art. 6:162 BW en art. 2:11 BW voor de schade die FLT heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van [eiseres] in genoemde hoedanigheid, bestaande uit frustratie van verhaal, betalingsonwil en betaling aan groepsvennootschappen in plaats van aan FLT.

2. Procesverloop4

In eerste aanleg

2.1

Bij inleidende dagvaarding van 5 oktober 2018 heeft FLT [eiseres] in rechte betrokken voor de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de rechtbank). In eerste aanleg heeft FLT onder meer gevorderd dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. voor recht verklaart dat [eiseres] uit hoofde van art. 6:162 BW in verbinding met art. 2:11 BW jegens FLT onrechtmatig heeft gehandeld en hoofdelijk aansprakelijk is voor de schade die FLT als gevolg daarvan heeft geleden;

2. [eiseres] uit hoofde van art. 6:162 BW in verbinding met art. 2:11 BW hoofdelijk veroordeelt tot betaling aan FLT van:

i. een bedrag van € 247.594,10, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente op de voet van art. 6:119a BW vanaf 18 december 2015, althans de dag der dagvaarding, tot het moment van algehele voldoening;

ii. een bedrag van € 56.000,00, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente op de voet van art. 6:119a BW vanaf 21 oktober 2015, althans de dag der dagvaarding, tot het moment van algehele voldoening;

iii. een bedrag van € 22.582,02, te vermeerderen met de Finse rente op grond van afdeling 4 paragraaf 1 van de Interest Act of Finland, zijnde 7% op het moment van dagvaarden, vanaf 17 april 2017, althans vanaf de dag der dagvaarding, tot het moment van algehele voldoening.

2.2

[eiseres] heeft verweer gevoerd en een eis in reconventie ingesteld.5 Ook hebben diverse andere procedurele verwikkelingen plaatsgevonden, uiteindelijk gevolgd door het vonnis van de rechtbank van 1 juli 2020 (hierna: het vonnis).6 Daarin heeft de rechtbank in conventie onder meer als volgt geoordeeld:

4. De standpunten van partijen in conventie en de beoordeling daarvan

(...)Beoordeling

Het Finse vonnis

4.4.

Aan het onderhavige geschil ligt het Finse vonnis van 17 maart 2017 ten grondslag. Daarin is [A] [ [A] , A-G] veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 247.594,10 als prijsverlaging voor de levering van de productielijn aan FLT en een bedrag van € 56.000,00 als schadevergoeding, beide te vermeerderen met de wettelijke handelsrente, en tot betaling van een vergoeding voor (proces)kosten ten bedrage van € 22.582,02, te vermeerderen met rente ingevolge Fins recht. Vaststaat dat [A] daartegen geen hoger beroep heeft ingesteld en dat dit vonnis daarmee onherroepelijk is geworden. (...) Gelet op het voorgaande staat vast dat het vonnis in Nederland ten uitvoer kan worden gelegd. Ook staat vast dat [A] niet vrijwillig aan de veroordeling tot betaling van voornoemde geldsommen heeft voldaan en dat de door FLT gelegde executoriale beslagen (vrijwel) geen doel hebben getroffen.

(...)

Aansprakelijkheid [eiseres]

(...)

4.19.

Gelet op het voorgaande kan de rechtbank [eiseres] niet volgen in haar verweer dat zij niet anders heeft kunnen handelen dan zij heeft gedaan. Naar het oordeel van de rechtbank was [eiseres] (en [A] ) er alles aan gelegen om FLT verhaalsmogelijkheden op [A] te ontnemen. [eiseres] wist, althans diende redelijkerwijze te begrijpen dat [A] door deze handelwijze haar verplichtingen jegens FLT, zoals die voortvloeiden uit het veroordelende Finse vonnis niet meer zou kunnen nakomen en dat [A] ook geen verhaal meer zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade. De rechtbank acht het handelen van [eiseres] als (indirect) bestuurder ten opzichte van FLT zodanig onzorgvuldig dat haar daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt en acht [eiseres] als (indirect) bestuurder aansprakelijk voor de schade van FLT. Ten aanzien van [eiser 3] overweegt de rechtbank nog dat hij in persoon namens alle groepsvennootschappen heeft gehandeld, waarin hij zelf een belang had.

4.20.

Ten aanzien van [erflaatster] overweegt de rechtbank nog het volgende. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, ligt het op de weg van [erflaatster] om te stellen, en zonodig te bewijzen, dat haar als indirect bestuurder van [A] persoonlijk geen ernstig verwijt kan worden gemaakt. Naar het oordeel van de rechtbank is [erflaatster] daarin niet geslaagd. (...)

4.21.

Gelet op het voorgaande, zal de rechtbank de gevorderde verklaring voor recht en de uit hoofde van het Finse vonnis gevorderde bedragen toewijzen.(...)6. De beslissing

De rechtbank

in conventie

6.1.

verklaart voor recht dat [ [eiseres] ] uit hoofde van artikel 6:162 BW in samenhang met artikel 2:11 BW jegens FLT onrechtmatig hebben gehandeld en dat zij hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade die FLT als gevolg daarvan heeft geleden;

6.2.

veroordeelt [ [eiseres] ] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, om aan FLT te betalen een bedrag van € 247.594,10 (...), te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119a BW over dit bedrag met ingang van 18 december 2015 tot de dag van volledige betaling;

6.3.

veroordeelt [ [eiseres] ] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, om aan FLT te betalen een bedrag van € 56.000,00 (...), te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119a BW over dit bedrag met ingang van 21 oktober 2015 tot de dag van volledige betaling;

6.4.

veroordeelt [ [eiseres] ] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, om aan FLT te betalen een bedrag van € 22.582,02 (...), te vermeerderen met de Finse rente op grond van afdeling 4 paragraaf 1 van de Interest Act of Finland over dit bedrag met ingang van 17 april 2017 tot de dag van volledige betaling;

(...)

6.7

verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

6.8

wijst het meer of anders gevorderde af;

(...).”

In hoger beroep

2.3

Bij appeldagvaarding van 12 augustus 2020 is [eiseres] in hoger beroep gekomen van het vonnis. Bij memorie van grieven van 5 januari 2021 heeft [eiseres] zeven genummerde grieven tegen het vonnis geformuleerd. Haar vordering strekt ertoe dat de door de rechtbank toegewezen vorderingen alsnog worden afgewezen, met veroordeling van FLT in de kosten van het hoger beroep.

2.4

FLT heeft verweer gevoerd. Ook hebben diverse andere procedurele verwikkelingen plaatsgevonden, uiteindelijk gevolgd door het arrest. Daarbij heeft het hof, uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis bekrachtigd en [eiseres] in de proceskosten veroordeeld. Daartoe heeft het hof onder meer het volgende overwogen:

5. De beoordeling van de grieven en de vorderingen in hoger beroep

(...)Persoonlijke aansprakelijkheid [eiseres] ?(...)

5.13

Uit dit een en ander leidt het hof af dat [A] c.s er als (indirect) bestuurders van [A] [ [A] , A-G] (vgl. rov. 5.9 hiervoor) na het wijzen van het Finse vonnis bewust op hebben aangestuurd dat een enkele schuldeiser van [A] (FLT) met een onverhaalbare vordering zou blijven zitten en er, eveneens bewust, voor hebben gekozen om de andere schuldeisers van deze vennootschap juist wel te betalen. [eiseres] hebben aldus opzettelijk bewerkstelligd dat [A] haar verplichtingen jegens FLT niet zou (kunnen) nakomen. Een dergelijke handelwijze verdraagt zich niet met de in art. 6:162 BW neergelegde eis om jegens derden de zorgvuldigheid in acht te nemen die in het maatschappelijk verkeer betaamt. Van deze handelwijze kan [A] c.s ook persoonlijk een ernstig verwijt worden gemaakt, nu dit een handelwijze betreft waarvan - bij gebreke van acceptabele redenen daarvoor - duidelijk is dat geen redelijk handelend bestuurder daartoe in de gegeven omstandigheden zou zijn overgegaan. De rechtbank heeft, door [eiseres] in de gegeven omstandigheden persoonlijk aansprakelijk te achten, de maatstaf voor bestuurdersaansprakelijkheid niet miskend en de ‘lat gelegd’ waar deze hoort. Daarop stuiten de grieven 1, 3, 4, 5 en 7 af.

Hoogte schade 5.14 Grief 2 en 6 stellen de vraag aan de orde welke schade FLT heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van [eiseres] Zij betogen dat deze schade veel geringer is dan het door de rechtbank aan FLT toegewezen bedrag, omdat ook bij afwezigheid van de [eiseres] aangewreven normschending de vordering van FLT goeddeels onverhaalbaar zou zijn gebleken, omdat in dat geval [A] in staat van faillissement zou zijn geraakt. Het hof volgt [eiseres] ook in deze stellingen niet. Zoals FLT ter zitting terecht heeft opgemerkt, bestaat de normschending van [eiseres] uit een samenstel van (deel)handelingen, die tezamen een onrechtmatige daad opleveren. Dit samenstel van (deel)handelingen moet in zijn geheel worden weggedacht om te zien wat dan de hypothetische situatie zou zijn waarin partijen zouden hebben verkeerd. In het onderhavige geval betekent dit dat (onder meer) de verpanding, overheveling van bedrijfsactiviteiten en activa en het stopzetten van het ABN AMRO krediet geen van alle zouden hebben plaatsgevonden. Afgaande op de jaarcijfers die [A] in 2017 zelf - ter staving van haar gezonde financiële positie - in de faillissementsprocedure heeft overgelegd, gaat het hof er, in navolging van FLT, vanuit dat in dat geval FLT verhaal had kunnen vinden voor haar gehele vordering, zoals deze door de Finse rechter was toegewezen. Hierop duiden niet alleen de in die cijfers opgenomen posten voor de jaarwinst over 2016, de materiële en vlottende activa en het eigen vermogen, maar ook de in de faillissementsprocedure door [A] zelf uitgesproken verwachting dat er eind 2017 een liquiditeitsoverschot zou zijn van “meer dan € 400.000,-”. Tegen het licht van het voorgaande bestaat er geen reden om aan te nemen dat in de hypothetische situatie dat [eiseres] niet onrechtmatig zouden hebben gehandeld verhaal door FLT voor haar vordering niet of slechts beperkt mogelijk zou zijn geweest. Gelet daarop is de vordering van FLT voor het gehele door de Finse rechter toegewezen bedrag terecht door de rechtbank als schade aangemerkt, tot vergoeding waarvan [eiseres] zijn gehouden. De grieven 2 en 6 falen derhalve.

(...)

6 6. Slotsom

De slotsom is dat geen van de grieven van [eiseres] doel treft en het hoger beroep niet slaagt. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. [eiseres] zullen als de in hoger beroep in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten daarvan (...).

7 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep,

- bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

- veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding (...);

- verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af hetgeen anders of meer gevorderd is.”

In cassatie

2.5

Bij procesinleiding van 3 augustus 2022 heeft [eiseres] tijdig cassatieberoep ingesteld van het arrest. Vervolgens heeft FLT een verweerschrift ingediend, strekkende tot verwerping van het cassatieberoep. Daarna hebben beide partijen hun standpunten schriftelijk toegelicht. Ten slotte heeft [eiseres] nog gerepliceerd.

3 Bespreking van het cassatiemiddel

4 Conclusie