Home

Parket bij de Hoge Raad, 08-06-2023, ECLI:NL:PHR:2023:574, 22/03690

Parket bij de Hoge Raad, 08-06-2023, ECLI:NL:PHR:2023:574, 22/03690

Gegevens

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
8 juni 2023
Datum publicatie
8 juni 2023
ECLI
ECLI:NL:PHR:2023:574
Formele relaties
Zaaknummer
22/03690

Inhoudsindicatie

Prejudiciële vragen. Buitengerechtelijke afhandeling van medische aansprakelijkheidsclaims tegen ziekenhuis. Noodzaak van een ‘medische machtiging’ door de patiënt. Verhouding tussen enerzijds de verplichting voor het ziekenhuis om een inhoudelijk standpunt in te nemen en anderzijds (het ontbreken van) de (vereiste mate van) toestemming van de patiënt om medische gegevens te delen buiten de kring van (para)medisch behandelaars, in het bijzonder met een jurist (van het ziekenhuis of diens aansprakelijkheidsverzekeraar).

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 22/03690

Datum 8 juni 2023

CONCLUSIE

T. Hartlief

In de zaak

Stichting Albert Schweitzer Ziekenhuis (hierna: ‘het ASZ’)

tegen

[patiënte] (hierna: ‘patiënte’)

Inhoud

Pag.

Rnr.

1.

Inleiding

3

A. Feiten

3

1.1

B. Procesverloop

4

1.2

C. De relatie met een recente vordering tot cassatie in het belang der wet (de inzage-zaak)

6

1.10

D. Bevraging van de praktijk

9

1.16

E. Leeswijzer

10

1.17

2.

De buitengerechtelijke afhandeling van medische aansprakelijkheidskwesties

10

A. Een schets van medische aansprakelijkheid, in het bijzonder bij ziekenhuiszorg

10

2.1

B. Claimafhandeling door de aansprakelijkheidsverzekeraar

17

2.12

C. Claimafhandeling door het ziekenhuis

19

2.16

3.

Een nadere blik op de vraagstelling

24

4.

Het (para)medische beroepsgeheim

31

A. Inleiding

31

4.1

B. Art. 88 Wet BIG

32

4.5

C. Art. 7:457 lid 1 BW

33

4.8

D. De (afgeleide) geheimhoudingsplicht voor niet-behandelaars

34

4.11

E. Het object van geheimhouding

36

4.15

F. Expliciete toestemming van de patiënt

38

4.19

G. Uitzonderingen op de geheimhoudingsplicht

39

4.23

H. Bevindingen

44

4.30

5.

(Para)medische geheimhouding in het Europese recht

45

A. Inleiding

45

5.1

B. Art. 8 EVRM

45

5.2

C. De AVG

53

5.14

D. Bevindingen

58

5.23

6.

Beantwoording van de vragen

58

7.

Slotopmerkingen

63

8.

Conclusie

64

Bijlage 1: Bevraging van de praktijk

Bijlage 2: Modellen en voorbeelden van medische machtigingen

Deze prejudiciële procedure heeft betrekking op een kwestie die belangrijk is voor de buitengerechtelijke afwikkeling van medische aansprakelijkheidsclaims tegen ziekenhuizen. Het overgrote deel van die medische aansprakelijkheidsclaims wordt buitengerechtelijk afgewikkeld, ofwel door het ziekenhuis zelf, ofwel door de aansprakelijkheidsverzekeraar. In dat kader worden door de betrokken (para)medische behandelaars1 doorgaans medische gegevens gedeeld met een medicus (een ‘medisch adviseur’), die onder meer bepaalt of er naar de regelen der kunst (lege artis) is gehandeld, maar ook door één of meer juristen van het ziekenhuis en/of de aansprakelijkheidsverzekeraar, die naar juridische maatstaven beoordelen of de claim terecht is en welk bedrag aan schadevergoeding moet worden betaald. In het kader van deze ‘buitengerechtelijke praktijk’ speelt met regelmaat de vraag wie welke medische gegevens mag raadplegen en onder welke voorwaarden. Concreet gaat het dan veelal over de inhoud van de zogeheten ‘medische machtiging’, een document waarin de patiënt toestemming verleent voor het delen, door (para)medische behandelaars, van bepaalde medische gegevens met bepaalde anderen. Ook over de vraag of die toestemming eigenlijk wel altijd noodzakelijk is voor het delen van medische gegevens in het kader van de buitengerechtelijke afhandeling van medische aansprakelijkheidsclaims, bestaat discussie. En als die machtiging noodzakelijk is maar uitblijft, is het ziekenhuis (ook) dan gehouden een standpunt in te nemen over de aansprakelijkheidsclaim?

1 Inleiding

A. Feiten

1.1

De relevante feiten zijn de volgende:2

(i) Patiënte heeft in 2018 bij het ASZ een kijkoperatie ondergaan, uitgevoerd door een chirurg (hierna: ‘de chirurg’). Tijdens deze operatie is de darm van patiënte geperforeerd. Patiënte heeft het ASZ aansprakelijk gesteld wegens een medische fout.3

(ii) Het ASZ heeft patiënte op 17 december 2018 verzocht een (formulier voor een) ‘medische machtiging’ in te vullen en te ondertekenen.4 De daarin opgenomen verklaring strekte ertoe de medisch directeur en het (para)medisch personeel van het ASZ te machtigen de bij hen berustende medische gegevens die verband houden met de aansprakelijkstelling over te leggen aan de medisch adviseur van MediRisk, de aansprakelijkheidsverzekeraar van het ASZ.5 Door ondertekening van de machtiging zou patiënte tevens ermee instemmen, zo wordt in de medische machtiging geformuleerd, “dat de medisch adviseur aan de betrokken medewerkers, adviseurs, schaderegelaars en arbeidsdeskundigen die ten behoeve van MediRisk werkzaam zijn, de medische gegevens verstrekt die voor behandeling van de schadekwestie van belang kunnen zijn.6

(iii) Bij brief heeft de advocaat van patiënte onder meer aan MediRisk bericht dat patiënte alleen toestemming geeft om de medische informatie ter beschikking te stellen aan de medisch adviseur van MediRisk en dat indien MediRisk medische informatie wil “laten verwerken door andere personen (schaderegelaars en/of andersoortige artsen/experts)”, daarvoor eerst – via haar advocaat – toestemming moet worden gevraagd aan patiënte.7

B. Procesverloop

1.2

Op 6 december 2019 heeft het ASZ bij de rechtbank Rotterdam (hierna: ‘de rechtbank’) een verzoekschrift als bedoeld in art. 1019w Rv ingediend en daarmee een deelgeschil aanhangig gemaakt. Dit betreft een procedure die aan de onderhavige procedure voorafging. Het ASZ heeft de rechtbank verzocht, primair, te bepalen dat het het ASZ en/of de chirurg vrij staat zonder medische machtiging van patiënte de voor beoordeling van haar aansprakelijkheidstelling benodigde medische gegevens aan MediRisk te verstrekken en, subsidiair, te bepalen dat patiënte er geen gerechtvaardigd belang bij heeft om die verstrekking niet toe te staan en dat van patiënte mag worden verwacht dat zij de als productie overgelegde machtiging ondertekent. Patiënte heeft een tegenverzoek ingediend met als inhoud, primair, dat wordt bepaald dat het ASZ en/of MediRisk de zaak (lees: claim) zonder getekende machtiging in behandeling dient te nemen en een oordeel dient te geven over de door patiënte geuite verwijten en, subsidiair, dat een door patiënte aangedragen hoogleraar als deskundige wordt benoemd en wordt bevraagd.

1.3

Bij beschikking van 10 april 2020 heeft de rechtbank het verzoek van het ASZ afgewezen en het primaire onderdeel van het tegenverzoek van patiënte toegewezen door te bepalen dat het ASZ de zaak (lees: claim) (zonder getekende machtiging) in behandeling dient te nemen en dat zij zoveel als mogelijk een standpunt inneemt (lees: dient in te nemen) over de door patiënte geuite verwijten.8

1.4

Het ASZ en patiënte hebben allebei hoger beroep ingesteld tegen de beschikking. Bij arrest van 31 augustus 2021 heeft het hof Den Haag beide partijen niet-ontvankelijk verklaard in hun hoger beroep.9 Daaraan heeft het hof ten grondslag gelegd, kort gezegd, dat gelet op de rechtsmiddelenuitsluiting in art. 1019bb en het bepaalde in art. 1019cc lid 3 Rv geen hoger beroep openstond tegen de beschikking. Deze beschikking is, aldus het hof, niet uitgesproken in een “procedure ten principale” als bedoeld in de laatstgenoemde bepaling en daarin is bovendien niet uitdrukkelijk en zonder voorbehoud beslist op een of meer geschilpunten tussen partijen betreffende hun materiële rechtsverhouding, terwijl ook geen doorbrekingsgrond is ingeroepen. Deze procedurele verwikkelingen zijn in deze zaak niet meer van belang en laat ik dan ook rusten.

1.5

Het ASZ heeft op 9 juli 2020 bij de rechtbank de onderhavige procedure aanhangig gemaakt, waarin zij heeft gevorderd, primair, voor recht te verklaren dat het het ASZ en de chirurg is toegestaan zonder machtiging van patiënte en met inachtneming van de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit aan de hand van de relevante medische gegevens in samenspraak met uitsluitend de zaaksbehandelaar van MediRisk en diens medisch adviseur tot een medisch-juridische beoordeling van de aansprakelijkstelling te komen en, subsidiair, voor recht te verklaren, kort gezegd, dat het ASZ niet gehouden is met betrekking tot de aansprakelijkstelling van patiënte een standpunt in te nemen over de aansprakelijkheid zolang patiënte voor een dergelijk overleg met de dossierbehandelaar en medisch adviseur geen machtiging heeft verstrekt.

1.6

Op 21 september 2022 heeft de rechtbank een tussenvonnis (hierna: ‘het vonnis’) uitgesproken waarin zij Uw Raad prejudiciële vragen heeft gesteld.10 Zij luiden als volgt:

“1. Wanneer een medische hulpverlener door een patiënt aansprakelijk is gesteld voor een medische behandeling, mag in de buiten[ge]rechtelijke fase van de schadeafwikkeling een ten behoeve van de medische hulpverlener ingeschakelde juridisch adviseur inzage krijgen in het medisch dossier van de patiënt en overleg hebben over het medisch dossier met de medische hulpverlener zonder de uitdrukkelijke toestemming van de patiënt? In hoeverre spelen daarbij beginselen als die van proportionaliteit en subsidiariteit een rol?

2. Indien toestemming van de patiënt is vereist in de buitengerechtelijke fase, op basis van welke grondslag(en) dient die toestemming dan gegeven te worden? Op welke concrete door de medische adviseur en de juridische adviseur te verrichten handelingen dient die toestemming betrekking te hebben? Zijn er nog andere in aanmerking te nemen omstandigheden die van belang kunnen zijn voor (de reikwijdte van) die toestemming?

3. Kan van een medische hulpverlener, die door een patiënt aansprakelijk is gesteld voor een medische behandeling, worden verlangd dat hij in de buitengerechtelijke fase een standpunt inneemt omtrent aansprakelijkheid indien de patiënt zich ertegen verzet dat een door of ten behoeve van de medische hulpverlener ingeschakelde juridisch adviseur kennis neemt van relevante medische gegevens?”11

In paragraaf 3 ga ik in op de wijze waarop deze vragen mijns inziens moeten worden begrepen.

1.7

Het ASZ heeft in deze prejudiciële procedure schriftelijke opmerkingen ingediend. Patiënte heeft van het indienen van schriftelijke opmerkingen afgezien. Patiënte heeft wel gereageerd op de schriftelijke opmerkingen van het ASZ.

1.8

Het standpunt van het ASZ kan als volgt worden samengevat. Volgens het ASZ is het zonder kennisname van het medisch dossier door een jurist en overleg daarover met de betrokken arts niet mogelijk om op zorgvuldige wijze een inhoudelijk standpunt over een medische aansprakelijkheidsclaim in te nemen. Dat is volgens het ASZ ook niet in overeenstemming met het belang van voortvarendheid, volledigheid en transparantie bij de afdoening van medische aansprakelijkheidskwesties. Anders dan in andere letselschadegevallen (verkeersongevallen, arbeidsongevallen, beroepsziekten, geweldpleging etc.) is de gestelde verwijtbare gedraging immers gelegen in het medische (niet-)handelen en dat moet naar juridische maatstaven worden beoordeeld. Het volstaat niet dat een medisch adviseur toegang heeft tot medische gegevens, omdat deze geen juridische beoordeling kan maken, aldus het ASZ. Ook is het onvoldoende dat de betrokken jurist alleen kennisneemt van de bevindingen van de medisch adviseur (het ‘medisch advies’). Het ASZ wijst erop dat indien zonder de hiervoor bedoelde kennisname door een jurist en zonder overleg tussen de jurist en betrokken medici een inhoudelijk standpunt wordt ingenomen, het gevaar bestaat dat later van dat standpunt moet worden teruggekomen, wat volgens het ASZ niet zonder meer mogelijk is indien aansprakelijkheid is erkend en in ieder geval ook niet wenselijk is. Als een patiënt zich verzet tegen die kennisname en dat overleg, kan de patiënt ook niet van het ziekenhuis verlangen dat een inhoudelijk standpunt wordt ingenomen. Het ASZ merkt op dat de beantwoording van de hiervoor genoemde prejudiciële vragen van belang is voor de beslechting van vele geschillen in de buitengerechtelijke fase.

1.9

In haar (korte) reactie op het standpunt van het ASZ heeft patiënte samengevat het volgende naar voren gebracht. Patiënte is wel bereid een machtiging af te geven voor inzage in haar medische dossier. Haar bezwaar is dat de machtiging die het ASZ van haar verlangt, te ruim is omdat die machtiging ziet op te veel medische gegevens en omdat het ASZ verlangt dat een niet-medicus (een jurist) daarvan kennis mag nemen. Volgens patiënte is ‘staande praktijk’ dat alleen een medisch adviseur inzage mag hebben in het medisch dossier. De medisch adviseur kan zijn bevindingen vervolgens – zoals gebruikelijk is – delen met de jurist/schadebehandelaar van de aansprakelijkheidsverzekeraar van het ziekenhuis, aldus patiënte. Patiënte blokkeert met haar stellingname, zo stelt zij, dus niet de afhandeling van haar claim. Inzage in medische gegevens zonder toestemming van de patiënt is in een geval als dit niet toelaatbaar in het licht van art. 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: ‘EVRM’) en Verordening (EU) 2016/679, de Algemene Verordening Gegevensbescherming (hierna: ‘AVG’), zo betoogt zij.

C. De relatie met een recente vordering tot cassatie in het belang der wet (de inzagezaak)

1.10

Deze zaak vertoont verwantschap met een vordering tot cassatie in het belang der wet die op 26 augustus 2022 door mij werd ingesteld en waarover Uw Raad, mede in verband met deze zaak, nog niet heeft beslist (zaaknummer 22/01253).12 Die zaak ziet ook op buitengerechtelijke afwikkeling van een claim van een patiënt, maar betreft niet het vereiste van toestemming. Zij betreft de vraag of de patiënt een recht geldend kan maken om inzage te krijgen in de rapportage van een extern arts die in opdracht van de aansprakelijkheidsverzekeraar van het ziekenhuis, aan de hand van het dossier van de patiënt maar zonder de patiënt te zien, is nagegaan of de behandeling volgens de regelen der kunst (lege artis) is verlopen. Omdat ik hierna nog verschillende malen naar deze zaak zal verwijzen, zal ik kortheidshalve spreken over ‘de inzagezaak’.

1.11

In de inzagezaak worden thema’s aan de orde gesteld die ook in deze zaak van belang zijn, maar ik wijs hier wel op belangrijke verschillen. In de inzagezaak stond niet, zoals hier, de gegevensstroom van de (para)medisch behandelaars naar anderen ter discussie. Het ging daar om de grondslagen voor het inzagerecht van de patiënt uit hoofde van afd. 7.7.5 BW, art. 8 EVRM en/of de AVG. Ik ben in dat kader niet ingegaan op de hier centraal gestelde problematiek rondom ‘medische machtigingen’. Mijn beoordeling in de inzagezaak is dan ook niet richtinggevend voor de beantwoording van de prejudiciële vragen in deze zaak.

1.12

Ik maak hier niettemin gebruik van de gelegenheid om de vordering tot cassatie in het belang der wet in de inzagezaak op één punt te verduidelijken. Een belangrijk onderdeel van de slotsom die ik in de inzagezaak heb bereikt, is dat in een geval als daar aan de orde is – te weten dat een extern arts in opdracht van het ziekenhuis en/of diens aansprakelijkheidsverzekeraar een medisch dossier heeft beoordeeld13 zonder de patiënt te zien – de patiënt in beginsel géén inzagerecht uit hoofde van de AVG kan inroepen ten aanzien van het daaruit voortvloeiende medisch advies van de extern arts aan de aansprakelijkheidsverzekeraar. Een belangrijke rol daarbij speelt het recht van het ziekenhuis en/of diens aansprakelijkheidsverzekeraar op standpuntbepaling en voorbereiding van de verdediging in vrijheid en beslotenheid, dat moet worden afgewogen tegen het inzagerecht van de patiënt. Ik heb in de inzagezaak opgemerkt dat het eerste doorgaans zwaarder zal wegen, wat strookt met het beeld uit de lagere rechtspraak.14 Deze bevindingen berusten niet op een wenselijkheidsoordeel mijnerzijds, maar op een onderzoek naar hoe het objectieve recht luidt.

1.13

Dit brengt niet mee dat het ziekenhuis en/of diens aansprakelijkheidsverzekeraar er zonder meer goed aan doen om het recht op standpuntbepaling en voorbereiding van de verdediging in vrijheid en beslotenheid in te roepen. In toenemende mate wordt belang gehecht aan openheid (ook wel ‘transparantie’) rondom (vermeende) medische fouten.15 Door de betrokkenen bij De Letselschade Raad – waaronder het Verbond van Verzekeraars – is in het kader van de GOMA 202216 onderschreven dat moet wordt gestreefd “naar een klimaat van wederzijds vertrouwen, transparantie en samenwerking.”17 Aanbeveling 19 van de GOMA 2022 luidt onder meer: “In het geval van een verzoek om schadevergoeding wisselen partijen onderling alle relevante feitelijke en medische gegevens uit.” Openheid is volgens GOMA 2022 dus inderdaad een belangrijke waarde.18 Hoewel de GOMA 2022 geen recht is, ligt voor de hand dat partijen die zich daaraan hebben gecommitteerd in lijn met de daarin opgenomen principes handelen.19 Overigens kan het ook in het belang van het ziekenhuis en/of diens aansprakelijkheidsverzekeraar zijn om een medisch advies zoals bedoeld in randnummer 1.12 met de patiënt te delen, omdat het de buitengerechtelijke afhandeling kan bespoedigen en een kostbare civiele procedure kan voorkomen, te meer indien er een serieuze kans is dat uiteindelijk zal komen vast te staan dat er een medische fout is gemaakt waarvoor het ziekenhuis aansprakelijk is. Dit brengt echter nog niet mee dat zo’n medisch advies met de patiënt moet worden gedeeld.

1.14

Ook in de onderhavige zaak moet een onderscheid worden gemaakt tussen enerzijds het bestaan en de inroepbaarheid van rechten en bevoegdheden (in dit geval van de patiënt) en anderzijds de vraag of het vanuit praktisch oogpunt verstandig en wenselijk is dat zij worden ingeroepen. Deze aspecten vallen niet samen. Wat praktisch wenselijk wordt geacht, is relevant maar bepaalt niet zonder meer of een patiënt bepaalde rechten en bevoegdheden heeft die verband houden met de omgang met medische gegevens. Het gaat dan vooral om rechten en bevoegdheden uit hoofde van art. 8 EVRM en de AVG, op grond waarvan een patiënt in de regel – met, zo zal blijken, beperkte uitzonderingen – kan voorkomen dat medische gegevens worden gedeeld. Deze zeggenschap van de patiënt kan de buitengerechtelijke afhandeling van medische aansprakelijkheidsclaims frustreren – sommigen spreken over “excessief gebruik van privacyregels20 – maar daaruit volgt nog niet dat de rechten en bevoegdheden van de patiënt (zonder wettelijke grondslag) kunnen worden beperkt. Er kunnen – naast emoties – goede redenen zijn waarom de patiënt en/of zijn belangenbehartiger desondanks bezwaren heeft/hebben tegen de verstrekking van een medische machtiging of, meer in het algemeen, de informatiestromen in het kader van de buitengerechtelijke afhandeling van de claim. Zoals duidelijk zal worden, hoeven deze redenen niet zonder meer in de privacysfeer te liggen. Er lijkt meer aan de hand te zijn, in het bijzonder ook de vrees voor de verstrekking door het ziekenhuis van onvolledige en/onbetrouwbare informatie. Dat de zeggenschap van de patiënt over zijn medische gegevens in bepaalde gevallen tot vertraging of zelfs een impasse kan leiden, waarvan vooral de patiënt de gevolgen voelt, is op zichzelf nog geen reden om de patiënt die zeggenschap te ontnemen. Deze thematiek zal in het navolgende uitgebreider aan de orde komen.

1.15

Tot slot wijs ik Uw Raad volledigheidshalve nog op een arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: ‘HvJ’) van 4 mei 2023 over het inzagerecht uit de AVG.21 Daarin wordt meer duidelijkheid gegeven over de vraag wat een ‘kopie’ als bedoeld in art. 15 lid 3 AVG is. In de inzagezaak merkte ik mede op basis van richtlijnen van de European Data Protection Board op dat die bepaling vereist dat kopieën van persoonsgegevens worden verstrekt en niet zonder meer – maar in bepaalde gevallen wel – vereist dat kopieën van documenten worden verstrekt.22 Waar het om gaat, zo schreef ik, is dat “de betrokkene kennis kan nemen van alle persoonsgegevens in ‘ruwe vorm’ (...).”23 Ik meen dat mijn opmerkingen overeenstemmen met wat het HvJ in het arrest van 4 mei 2023 heeft geoordeeld, te weten dat “het recht om van de verwerkingsverantwoordelijke een kopie te verkrijgen van de persoonsgegevens die worden verwerkt, inhoudt dat aan de betrokkene een getrouwe en begrijpelijke reproductie van al deze gegevens moet worden gegeven. Dit recht omvat het recht om een kopie te verkrijgen van uittreksels van documenten of zelfs van volledige documenten of databankuittreksels die onder meer die gegevens bevatten, indien de verstrekking van een dergelijke kopie onontbeerlijk is om de betrokkene in staat te stellen de hem bij deze verordening verleende rechten daadwerkelijk uit te oefenen, waarbij moet worden benadrukt dat daarbij ook rekening moet worden gehouden met de rechten en vrijheden van anderen.”24 Dit oordeel brengt mee dat de verwerkingsverantwoordelijke zal moeten nagaan of de effectieve uitoefening van het inzagerecht door de betrokkene verlangt dat kopieën van (delen van) documenten – in de inzagezaak gaat het om een medisch advies – worden verstrekt.

D. Bevraging van de praktijk

1.16

Ik richt mij nu weer op de onderhavige zaak. Bij de voorbereiding van deze conclusie heb ik getracht een beter beeld te krijgen van de praktijk rondom ‘medische machtigingen’ in medische aansprakelijkheidszaken.25 Per brief heb ik een aantal organisaties benaderd.26 Aan deze organisaties heb ik een situatieschets en vragen voorgelegd. Zij zijn opgenomen in bijlage 1, paragraaf III respectievelijk IV, bij deze conclusie. Via de website van de Hoge Raad is ook aan het publiek in het algemeen de gelegenheid gegeven diezelfde vragen te beantwoorden. Daarop is de nodige respons gekomen. Van de hiervoor vermelde organisaties heeft een groot deel gereageerd, althans hebben leden van die organisaties (in bepaalde gevallen gezamenlijk) gereageerd. Daarnaast zijn er via de website 30 individuele inzendingen geweest, voornamelijk van advocaten en andere juristen (werkzaam bij zorginstellingen, verzekeraars en expertisebureaus), alsook enkele artsen. De ‘ruwe data’ die hiermee is verzameld, is niet ter beschikking gekomen van partijen, anders dan door weergaven daarvan in deze conclusie, en wordt evenmin aan Uw Raad ter beschikking gesteld.27 Bijlage 1, paragraaf IV, bij deze conclusie bevat per vraag een samenvatting van de antwoorden, in bepaalde gevallen met citaten. Alleen de organisaties die ik heb aangeschreven worden daarbij in bepaalde gevallen met naam en toenaam genoemd, behalve wanneer zij daartegen bij voorbaat bezwaar hebben gemaakt. In deze conclusie zal ik op verschillende plaatsen verwijzen naar de antwoorden die ik heb mogen ontvangen.

E. Leeswijzer

1.17

In paragraaf 2 zal ik eerst algemener ingaan op buitengerechtelijke afhandeling van medische aansprakelijkheidskwesties. Vervolgens probeer ik in paragraaf 3 de vraagstelling scherper te krijgen en na te gaan wat naar aanleiding daarvan nog nader onderzocht moet worden. In paragrafen 4 en 5 zet ik het recht met betrekking tot de beperkingen aan het delen van medische gegevens uiteen. Paragraaf 4 is gewijd aan, kort gezegd, het (para)medisch beroepsgeheim en paragraaf 5 aan de rol van het Europese recht, in het bijzonder art. 8 EVRM en de AVG. In paragraaf 6 zal ik uiteenzetten hoe de door de rechtbank geformuleerde vragen mijns inziens moeten worden beantwoord, mede in het licht van de informatie die ik vanuit de praktijk heb ontvangen. In paragraaf 7 volgen enkele slotopmerkingen.

2 De buitengerechtelijke afhandeling van medische aansprakelijkheidskwesties

A. Een schets van medische aansprakelijkheid, in het bijzonder bij ziekenhuiszorg

2.1

Doorgaans ligt het voor de hand dat de patiënt die meent dat hij schade heeft geleden als gevolg van een medische fout zijn contractuele wederpartij bij de geneeskundige behandelingsovereenkomst, de ‘hulpverlener’ als bedoeld in art. 7:446 lid 1 BW, aanspreekt op grond van wanprestatie.28 Het niet goed (doen) uitvoeren van een behandeling is immers een tekortkoming in de nakoming van de geneeskundige behandelingsovereenkomst, een species van de opdrachtovereenkomst die is geregeld in afd. 7.7.5 BW.29

2.2

Het (para)medische handelen zal moeten worden getoetst aan de norm die is verwoord in art. 7:453 lid 1 BW. Kort gezegd gaat het erom of de zorg van een goed hulpverlener in acht is genomen en of is gehandeld in overeenstemming met de professionele standaard en kwaliteitsstandaarden als bedoeld in art.1 lid 1 Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (hierna: ‘Wkkgz’).30 Dat kan gaan om de vraag of lege artis is gehandeld, maar ook om andere aspecten, zoals de vraag of sprake is van informed consent aan de zijde van de patiënt.31 Daarover hoef ik in deze zaak niet verder uit te weiden. Wel is van belang dat de beoordeling van medische aansprakelijkheidskwesties als relatief complex wordt beschouwd.32 Dat houdt verband met het gegeven dat op (para)medische behandelaars in veel contexten een inspanningsverplichting rust en zeker niet altijd eenvoudig kan worden vastgesteld of zij zich voldoende hebben ingespannen,33 met dien verstande dat (para)medische behandelaars zich in beginsel wel aan protocollen moeten houden en daaraan wel kan worden getoetst.34 (Para)medische behandelaars moeten – niet zelden onder moeilijke omstandigheden, waartoe ik ook de alledaagse werkdruk reken – inschattingen en afwegingen maken die verkeerd kunnen uitpakken maar daarmee nog niet zonder meer ‘fout’ zijn.35 Diagnostiek is in de eerste plaats niet altijd eenvoudig; het vaststellen van diagnostische fouten evenmin.36 Behandelingen zijn uiteraard ook niet altijd eenvoudig. Er is dan ook een verschil tussen ‘fout gegaan’ (gesproken wordt over een ‘complicatie’) en ‘fout gedaan’ (een medische fout).37 Tot slot is er in veel gevallen de moeilijkheid van het vaststellen van condicio-sine-qua-non-verband en schade, mede gelet op het feit dat de patiënt ten tijde van een behandeling vaak al gezondheidsklachten had.38 Er lijkt in medische aansprakelijkheidskwesties dan ook met regelmaat veel ruimte te zijn voor discussie die gepaard kan gaan met de betrokkenheid van experts (en uiteenlopende bevindingen van dezen), waarmee het traject tijd en geld kost en kan leiden tot (emotionele) belasting voor de betrokkenen. Dat is een belangrijk onderdeel van de context waarin de problematiek van deze zaak moet worden geanalyseerd.

2.3

Een niet onbelangrijke vraag bij de bespreking van medische aansprakelijkheid is wie als ‘hulpverlener’ als bedoeld in art. 7:446 lid 1 BW moet worden aangemerkt. Afd. 7.7.5 BW bevat een regeling van, primair, contractenrechtelijke aard39 en het doet er daarom toe wie, als ‘hulpverlener’, de contractspartij is van de patiënt.40 Voor de toepassing van afd. 7.7.5 BW is dat relevant, onder meer op het vlak van de ‘informatiehuishouding’ die in deze zaak centraal staat, zo zal blijken. Het gaat dan onder meer om de vraag wat de bepalingen over geheimhouding in art. 7:457 BW, die verplichtingen opleggen aan de ‘hulpverlener’, nu precies betekenen: wie moet welke gegevens nu precies geheim houden ten opzichte van wie? Nauwkeurigheid is op dat punt dus wel geboden. Daarom merk ik het volgende op.

2.4

De contractspartij van de patiënt kan een individuele (para)medische behandelaar zijn, maar dat hoeft helemaal niet zo te zijn. Het kan ook, en zal vaak, gaan om een rechtspersoon.41 Met dit gegeven wordt naar mijn indruk regelmatig wat slordig omgesprongen, in die zin dat te gemakkelijk wordt aangenomen dat de ‘hulpverlener’ een individuele (para)medische behandelaar is, terwijl dat vaak juist niet zo is. Ook de wettekst is op dit punt niet helemaal ‘op maat’, zo blijkt uit de redactie van bijvoorbeeld art. 7:453 lid 1 BW, die ervan uitgaat dat de hulpverlener een individuele (para)medisch behandelaar is voor wie een professionele standaard geldt. Waar de ‘hulpverlener’ een rechtspersoon is, zal bij de toepassing van sommige bepalingen van afd. 7.7.5 BW rekening moeten worden gehouden met het gegeven dat een rechtspersoon als zodanig niet is onderworpen aan verplichtingen die voor (para)medisch behandelaars gelden, maar wel zal moeten zorgdragen voor de naleving daarvan in verhouding tot de patiënt.

2.5

Juist waar het gaat om ziekenhuiszorg, die in deze zaak aan de orde is, bestaat geen volkomen duidelijkheid over de vraag wie nu ‘hulpverlener’ in de zin van art. 7:446 lid 1 BW is/zijn.42 Mijns inziens zal doorgaans alleen het ziekenhuis, de rechtspersoon,43 in aanmerking komen.44 Dat de patiënt een overeenkomst aangaat met het ziekenhuis wordt, zo is althans mijn ervaring, zelden geëxpliciteerd en gedocumenteerd,45 maar alternatieven voor het ziekenhuis liggen doorgaans niet voor de hand. De arts die in het ziekenhuis werkzaam is en – niet zelden samen met andere (para)medische behandelaars – een patiënt in behandeling heeft, zal doorgaans géén ‘hulpverlener’ in de zin van art. 7:446 lid 1 BW zijn. Voor de volledigheid licht ik dat laatste toe. Artsen in loondienst, onder wie alle specialisten in een universitair medisch centrum (hierna: ‘umc’),46 zijn in ieder geval geen ‘hulpverlener’ in de zin van art. 7:446 lid 1 BW. Dat staat buiten kijf.47 Het ligt niet voor de hand dat dat doorgaans anders zou zijn voor artsen buiten loondienst, zoals een deel van de specialisten in perifere ziekenhuizen.48 Dat een patiënt zowel met dezen als met het ziekenhuis een geneeskundige behandelingsovereenkomst zou sluiten, zoals wel wordt aangenomen,49 is mijns inziens niet aannemelijk. Ik meen dat dat niet strookt met de praktische gang van zaken en de percepties van de meeste patiënten. In het typische geval van niet-acute zorg adviseert de huisarts de patiënt zich tot de relevante afdeling van een (al dan niet nader bepaald) ziekenhuis te wenden en geeft hij of zij een (fysieke of digitale) verwijsbrief af. Als de patiënt vervolgens een afspraak maakt, zal hij doorgaans aan een bepaalde arts worden toegewezen, vermoedelijk, althans in eerste instantie, vooral op basis van beschikbaarheid. Deze arts zal de patiënt vervolgens zien. Deze reeks aan interacties zal niet als het sluiten van een overeenkomst met een specifieke arts kunnen worden begrepen. Een daarop gerichte verklaring van patiënt en arts zal niet aan de orde zijn, noch valt in te zien waarom hun wil daarop gericht zou zijn. Gevallen waarin de patiënt hulpverlening door een specifieke arts binnen een ziekenhuis op het oog heeft, komen ongetwijfeld voor, maar zijn naar mijn perceptie schaars.50 Ik wijs er nog op dat ziekenhuizen sinds 1 januari 2015 geen toelatingsovereenkomsten meer sluiten met individuele artsen (maar alleen nog met medisch-specialistische bedrijven)51 en dat zorgverzekeraars als ‘inkopers’ van zorgcontracten aangaan met ziekenhuizen (en niet met artsen binnen ziekenhuizen).52 Ook deze aspecten wijzen mijns inziens erop dat de patiënt alleen met het ziekenhuis contracteert: het ziekenhuis wordt in het typische geval door de zorgverzekeraar betaald om zorg te leveren aan de patiënt en schakelt daarvoor zonder dat de patiënt dat zal weten (geheel of gedeeltelijk) een medisch-specialistisch bedrijf in, zodat het voor de hand ligt dat de patiënt in contractueel opzicht moet aankloppen bij het ziekenhuis indien de zorg niet naar behoren is. Voor de patiënt is dat ook overzichtelijk.53

2.6

Overigens geldt dat indien ter uitvoering van een behandelingsovereenkomst verrichtingen plaatsvinden in een ziekenhuis dat bij die overeenkomst in afwijking van het voorgaande géén partij is, het ziekenhuis voor een tekortkoming daarbij mede aansprakelijk is, als ware het zelf bij de overeenkomst partij (art. 7:462 lid 1 BW). Deze ‘centrale ziekenhuisaansprakelijkheid’, die in de praktijk dus minder belangrijk is dan zij lijkt,54 kan eraan bijdragen dat patiënten eerder geneigd zijn een ziekenhuis aan te spreken dan een individuele (para)medische behandelaar.

2.7

Het is nuttig om ook nog kort in te gaan op het thema ‘verzekering’. Voor (para)medisch behandelaars en/of ziekenhuizen geldt geen wettelijke verplichting tot het afsluiten van een verzekering tegen medische aansprakelijkheid. De verzekeringsgraad is in de praktijk echter zeer hoog; de meeste (para)medisch behandelaars en ziekenhuizen zijn verzekerd bij een beperkt aantal aanbieders.55 Voor ziekenhuiszorg geldt vrijwel altijd dat individuele (para)medisch behandelaars voor beroepsaansprakelijkheid zijn verzekerd op grond van ‘paraplupolissen’ die door het ziekenhuis worden afgesloten.56 Individuele beroepsaansprakelijkheidspolissen komen echter ook voor, zowel binnen als buiten de ziekenhuiszorg.57 Zoals ik hierna uiteenzet, spelen verzekeraars een grote rol bij de buitengerechtelijke afhandeling van medische aansprakelijkheidsclaims.

2.8

Volgens de informatie die ik heb ontvangen, wordt het overgrote deel (ongeveer 95%) van de medische aansprakelijkheidskwesties buitengerechtelijk afgehandeld.58 Gelet op de complexiteit van medische aansprakelijkheidsclaims, die zich doorgaans kenmerken door een veelheid van aanknopingspunten voor discussie (zie randnummer 2.2 hiervoor), is er geen reden om ontevreden te zijn over dit percentage. De rechtspraak wordt niet (over)belast door een grote hoeveelheid medische aansprakelijkheidszaken.59 Of dat wezenlijk anders wordt door de problematiek die in deze zaak aan de orde is – te weten de moeilijkheden rondom medische machtigingen, die de buitengerechtelijke afhandeling minder soepel kunnen doen verlopen – betwijfel ik.60 Die problematiek is namelijk zeker niet nieuw en desondanks geldt nog steeds dat het overgrote deel van de claims de rechter niet bereikt.

2.9

De buitengerechtelijke afwikkeling van medische aansprakelijkheidsclaims wordt van oudsher door de individuele (para)medisch behandelaar of het ziekenhuis uit handen gegeven aan de aansprakelijkheidsverzekeraar.61 Dat gebeurt mede op grond van contractuele verplichtingen ten opzichte van de aansprakelijkheidsverzekeraar, zo kan worden aangenomen.62 Inmiddels komt het, zoals ik verderop zal bespreken, vaker voor dat ziekenhuizen claims in bepaalde gevallen geheel zelf afhandelen.63 Met de in randnummer 2.2 genoemde complexiteit van de beoordeling van medische aansprakelijkheid correspondeert dat de tijd die is gemoeid met de afhandeling van claims niet kort is. Gemiddeld neemt die afhandeling ongeveer tweeënhalf jaar in beslag, maar niet zelden duurt het ook veel langer.64 Met medische aansprakelijkheidskwesties is, zo lijkt het, over het algemeen meer tijd gemoeid dan met de afhandeling van andere soorten letselschadeclaims (claims ter zake van beroepsziekten daargelaten).65

2.10

Welke ‘omvang’ heeft de medische aansprakelijkheid in Nederland? De totale schadelast is met enkele tientallen miljoenen euro’s per jaar (zie hierna) vrij beperkt in vergelijking met de schadelast in verband met andere soorten aansprakelijkheid, zoals op grond van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen, waarbij geldt dat de totale schadelast per jaar in de miljarden loopt.66 In de loop van de jaren is er wel steeds meer geld gemoeid met medische aansprakelijkheidsclaims. Op basis van de gegevens van twee verzekeraars met samen een hoog marktaandeel,67 signaleerden Klemann, Mertens en Van Merode in 201868 en in 201969 en Klemann, Ten Hoopen en Mertens in 201970 een forse toename van de schadelast met betrekking tot de Nederlandse ziekenhuiszorg in de periode van 2007 tot en met 2016 te weten van ongeveer € 9,5 miljoen naar ongeveer € 43 miljoen. Op basis van een later artikel van Klemann, Mertens en Van Merode uit 2022 aan de hand van actuelere gegevens lijkt deze groei afgevlakt (ongeveer € 41 miljoen in 2021).71 Klemann, Ten Hoopen en Mertens merken op dat “[n]adere analyse van de gesloten dossiers laat zien dat de stijging van de totale en gemiddelde schadelast wordt veroorzaakt door enkele dossiers met een exponentieel hoge schadelast.72 Omdat de totale schadelast vrij gering is, zullen enkele uitzonderlijk hoge claims73 een sterke invloed kunnen hebben op de totaalcijfers. Het aantal ingediende schadeclaims met betrekking tot ziekenhuiszorg liet volgens de beschikbare cijfers in de periode van 2007 tot en met 2016 geen sterke stijging zien en bleef in de buurt van 1.500 à 1.600, terwijl de afgelopen jaren zelfs een belangrijke daling is te zien.74 Die daling is wellicht toe te rekenen aan COVID-19, die onder meer de hoeveelheid electieve zorg aanzienlijk heeft doen verminderen.75 Het is overigens mogelijk dat het totaal aantal claims in werkelijkheid een ander verloop kent omdat meer claims door ziekenhuizen zelf worden afgedaan, mede in het licht van de Wkkgz.76 Voor de opkomst van een ‘claimcultuur’, die overigens niet zonder meer negatief moet worden gewaardeerd,77 bestaat al met al onvoldoende bewijs.78

2.11

Ik ga nu eerst in op de afhandeling van medische aansprakelijkheidsclaims door de aansprakelijkheidsverzekeraar (paragraaf 2.B) en daarna op claimafhandeling door ziekenhuizen zelf (paragraaf 2.C).

B. Claimafhandeling door de aansprakelijkheidsverzekeraar

2.12

De rol van de aansprakelijkheidsverzekeraar (hierna ook: ‘de verzekeraar’) bij de (juridische kant van de) afhandeling van claims op grond van vermeende medische fouten is van oudsher groot en die van de behandelaar of instelling navenant klein.79 In paragraaf 2.C zal aan de orde komen dat het inmiddels genuanceerder ligt, maar traditioneel wordt de afhandeling van claims als gezegd overgelaten aan de verzekeraar. Deze benut zijn kennis en ervaring om te bepalen of er een fout is gemaakt, of er schade is en of er een causaal verband is tussen de fout en schade. De claim zal bij een verzekeraar behandeld worden door een schadebehandelaar/jurist. Deze correspondeert en, indien dat aan de orde is, onderhandelt met de patiënt en/of de belangenbehartiger.80

2.13

Een gangbaar onderdeel van de ‘klassieke’ gang van zaken is een ‘medisch traject’, dat wil zeggen onderzoek door een medisch adviseur in opdracht van de verzekeraar.81 Een medisch adviseur is een (niet-praktiserend) BIG-geregistreerd arts die beoordeelt of bij de behandeling naar de regelen der kunst (lege artis) is gehandeld en, zo niet, of de patiënt schade heeft geleden als gevolg daarvan.82 Ook patiënten en hun belangenbehartigers schakelen soms medisch adviseurs in om het medische dossier te laten beoordelen.83

2.14

Medisch adviseurs “beoordelen welke medische informatie relevant is voor het kunnen vaststellen van eventuele aansprakelijkheid, causaal verband en schade. Vervolgens dienen zij op basis van de verkregen medische informatie het handelen van de hulpverlener naar maatstaven van de professionele standaard te beoordelen evenals de gezondheidstoestand van de patiënt.84 Zij nemen daartoe kennis van medische stukken en winnen medische inlichtingen in. Ziekenhuizen en/of verzekeraars vragen patiënten standaard om het invullen van een ‘medische machtiging’ op grond waarvan (in ieder geval) de medisch adviseur van de verzekeraar medische gegevens mag inzien.85 De medische adviseur is onderworpen aan de Wet BIG en daarop gebaseerde regelgeving en is dus ook gebonden aan het beroepsgeheim van art. 88 Wet BIG. Bovendien is er een professionele standaard voor medisch adviseurs.86 Van zijn of haar bevindingen maakt de medisch adviseur een rapport op, een ‘medisch advies’.87

2.15

In deze zaak gaat het niet zozeer om de medisch adviseur als wel om de schadebehandelaar/jurist van de verzekeraar. Over welke informatie mag deze bij de buitengerechtelijke afhandeling van een claim komen te beschikken en onder welke voorwaarden? De schadebehandelaar/jurist zal bij de uitoefening van zijn of haar functie noodzakelijkerwijs over (enige) medische gegevens komen te beschikken. Ook indien de schadebehandelaar/jurist geen inzage heeft in medische stukken, zal de schadebehandelaar/jurist van de verzekeraar toch onvermijdelijk kennis krijgen van wat er volgens de patiënt en de (para)medische behandelaar is voorgevallen en van de bevindingen van de medisch adviseur, neergelegd in het medisch advies (zie hiervoor). Het is praktisch ondenkbaar (indien niet ronduit onmogelijk) en ook bepaald onwenselijk dat de schadebehandelaar/jurist van de verzekeraar een claim voor wat betreft de medische kant van de zaak geheel ‘blanco’ behandelt. Dat is dan ook, als ik het goed zie, nauwelijks onderwerp van discussie. Wel onderwerp van discussie – getuige deze zaak – is of het voor een effectieve buitengerechtelijke afhandeling van een medische aansprakelijkheidsclaim (doorgaans) nodig is dat de schadebehandelaar/jurist van de verzekeraar (op grond van een afdoende medische machtiging) kennis kan nemen van medische stukken. Dit thema bewaar ik voor later (zie randnummers 3.8 tot en met 3.10).

C. Claimafhandeling door het ziekenhuis

2.16

Ziekenhuizen handelen ook zelf schadeclaims af. Van oudsher kan dit onder meer aan de orde zijn indien de claim onder het eigen risico van de aansprakelijkheidsverzekering valt. Wijne schrijft: “Voor zover de omvang van de verzochte schadevergoeding binnen het eigen risico van de arts of het ziekenhuis valt, zal de arts of het ziekenhuis het onderzoek naar de aansprakelijkheid echter zelf verrichten, waarbij een beoordeling plaatsvindt door een (‘ziekenhuis’)jurist.88 Overigens bieden verzekeraars in dit verband soms wel assistentie.89 Ziekenhuizen die zelf (een deel van de) claims afhandelen, worden ‘zelfregelend’ genoemd.

2.17

Hoewel het dus al langer voorkomt dat ziekenhuizen zelf claims afhandelen, lijkt de Wkkgz daarbij sinds 201790 een rol te spelen. De wet strekt er niet uitdrukkelijk toe de afhandeling van medische aansprakelijkheidskwesties te reguleren, maar zij heeft er niettemin wel invloed op.91 Bij een evaluatie van de Wkkgz in 2021 is overigens geconstateerd dat het aantal claims dat bij medische aansprakelijkheidsverzekeraars is ingediend niet is afgenomen, al lijkt bij ten minste één van hen wel een daling te zien voor wat betreft de kleinere claims en bovendien geldt in het algemeen dat de hoogte van de schadeclaims die de verzekeraars afhandelen, stijgt.92

2.18

Ik zal nu uiteenzetten hoe de Wkkgz de claimafhandeling beïnvloedt. Met de wet is onder meer beoogd het indienen van een klacht door een ‘cliënt’93 bij een ‘zorgaanbieder’94 te vergemakkelijken en effectiever te maken.95 In hoofdstuk 3 (art. 13 en verder) van de Wkkgz zijn bepalingen te vinden over “effectieve en laagdrempelige klachten- en geschillenbehandeling”. Art. 13 tot en met 17 Wkkgz hebben betrekking op ‘klachten’, art. 18 tot en met 22 Wkkgz op ‘geschillen’, een onderscheid dat verderop zal worden besproken. Voor klachten geldt dat de zorgaanbieder in overeenstemming met cliëntenvertegenwoordigers een schriftelijke regeling voor de afhandeling van klachten moet vaststellen, waaraan bij algemene maatregel van bestuur nadere eisen kunnen worden gesteld (art. 13 Wkkgz).

2.19

Op grond van art. 14 lid 1 Wkkgz kan over een gedraging jegens een cliënt in het kader van de zorgverlening schriftelijk een klacht worden ingediend door de cliënt.96 De zorgaanbieder moet een klachtenfunctionaris aanwijzen, die een klager op diens verzoek gratis van advies dient met betrekking tot de indiening van een klacht en de klager bijstaat bij het formuleren van de klacht en het onderzoeken van de mogelijkheden om tot een oplossing voor de klacht te komen (art. 15 lid 1 Wkkgz). Art. 16 Wkkgz bevat enkele nadere bepalingen: een klacht wordt zorgvuldig onderzocht (art. 16 lid 1 Wkkgz), de behandeling van een klacht is gericht op het bereiken van een voor de klager en de zorgaanbieder bevredigende oplossing (art. 16 lid 2 Wkkgz) en de klager wordt op de hoogte gehouden van de voortgang van de behandeling van de klacht (art. 16 lid 3 Wkkgz). Belangrijk is dat in art. 17 lid 1 Wkkgz wordt bepaald dat de klager zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen zes weken na indiening van de klacht, een schriftelijke mededeling van de zorgaanbieder ontvangt waarin met redenen omkleed is aangegeven tot welk oordeel het onderzoek van de klacht heeft geleid, welke beslissingen de zorgaanbieder over en naar aanleiding van de klacht heeft genomen en binnen welke termijn maatregelen waartoe is besloten, zullen zijn gerealiseerd. Dat betekent dat de zorgaanbieder voortvarend aan de slag moet met de klacht om zich tijdig daarover te kunnen uitlaten.97 Deze termijn van zes weken kan eventueel met ten hoogste vier weken worden verlengd (art. 17 lid 2 Wkkgz). Het begrip ‘oordeel’ moet niet beperkt worden opgevat: boven alles heeft de voorkeur dat tussen patiënt en ziekenhuis een gezamenlijke oplossing wordt bereikt, ook als deze niet een definitieve uitspraak over de gegrondheid van de klacht omvat.98 Zolang patiënt en ziekenhuis tevreden zijn, hoeft aan art. 17 lid 1 Wkkgz dus niet zwaar te worden getild.

2.20

Ziekenhuizen maken bij de naleving van de Wkkgz met regelmaat gebruik van een zogenoemde ‘klachtencommissie’,99 die moet worden onderscheiden van de hierna te bespreken verplicht gestelde ‘geschillencommissie’. Een klachtencommissie beoordeelt binnengekomen klachten. Zij is vaak samengesteld uit (para)medisch behandelaars en een ondersteunend medewerker (zoals een jurist).100 Doorgaans is er gelegenheid voor de patiënt om de klacht mondeling of schriftelijk toe te lichten en wordt/worden degene(n) op wie de klacht betrekking heeft, gehoord.101

2.21

Wordt naar aanleiding van de klacht geen voor de klager en de zorgaanbieder bevredigende oplossing bereikt, dan kan er een ‘geschilleninstantie’ aan te pas komen, waar de zorgaanbieder verplicht bij is aangesloten (art. 18 lid 1 Wkkgz). Op dit moment bestaan er ongeveer 50 geschilleninstanties.102 De meeste ziekenhuizen zijn aangesloten bij de Geschillencommissie Ziekenhuizen.103 Een geschil met een zorgaanbieder kan door de klager schriftelijk ter beslechting aan de geschilleninstantie worden voorgelegd indien (a) is gehandeld in strijd met de bepalingen over de afhandeling van klachten (art. 13 tot en met 17 Wkkgz) en (b) de mededeling, bedoeld in art. 17 lid 1 Wkkgz (zie hiervoor in randnummer 2.19) diens klacht naar zijn oordeel in onvoldoende mate wegneemt. Soms kan de ‘klachtfase’ worden overgeslagen, te weten indien van de patiënt “in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij onder de gegeven omstandigheden zijn klacht over een hem betreffende gedraging van de zorgaanbieder in het kader van de zorgverlening bij de zorgaanbieder indient.104

2.22

Geschilleninstanties beoordelen het geschil naar Nederlands recht105 en doen uitspraak op basis van bindend advies (art. 20 Wkkgz). Art. 20 Wkkgz geeft de geschilleninstantie uitdrukkelijk de bevoegdheid om schadevergoeding toe te kennen “tot in ieder geval € 25.000,–”. Daarmee wordt bedoeld dat zorgaanbieders verplicht zijn “om aangesloten te zijn bij een door de sector zelf op te richten geschilleninstantie, die bindende uitspraken kan doen en een schadevergoeding kan toekennen van maximaal € 25.000,”106 wat onverlet laat “dat het zorgaanbieders en cliëntenorganisaties vrij staat desgewenst een hoger maximum bedrag met elkaar af te spreken.107 Bij een evaluatie van de Wkkgz in 2021 is dit aspect aan de orde gekomen en is geconstateerd dat de geschilleninstanties in hun reglementen hebben bepaald dat de vergoeding maximaal € 25.000 bedraagt.108 De geschilleninstantie is niet exclusief bevoegd: het staat de klager vrij zich tot de gewone rechter in plaats van de geschilleninstantie te wenden.109 Het benaderen van een geschilleninstantie is dus een optie die de klager moet worden geboden. Wordt die optie benut en komt de geschilleninstantie tot een uitspraak, dus een bindend advies, dan is de ruimte voor de gewone rechter om tot een ander oordeel te komen (zeer) beperkt.110

2.23

Waarom heb ik het voorgaande over de Wkkgz uiteengezet? De reden is dat deze wet van belang is voor de afhandeling van medische aansprakelijkheidsclaims en implicaties heeft voor wat in deze zaak aan de orde is. Geklaagd kan worden, zo bleek hiervoor, over gedragingen jegens een cliënt in het kader van de zorgverlening, waaronder dus een medische behandeling en een vermeende fout in dat verband. Indien een klacht van een cliënt een verzoek om schadevergoeding omvat, dan impliceert dat dat de aansprakelijkheidskwestie een onderdeel vormt van de door de Wkkgz gereguleerde klachtenprocedure, zo is af te leiden uit de wetsgeschiedenis.111 Het ziekenhuis zal dan daarover een oordeel moeten vormen en dat aan de patiënt moeten communiceren. Dit geldt ongeacht de omvang van de verlangde schadevergoeding: de grens van € 25.000 voor de bevoegdheid van de geschilleninstantie (zie het voorgaande randnummer) bepaalt niet of een klacht moet worden behandeld.112

2.24

De Wkkgz heeft dus wezenlijke praktische implicaties voor de afhandeling van medische aansprakelijkheidsclaims tegen ziekenhuizen. Indien een klacht (mede) een aansprakelijkheidskwestie omvat, geldt dat “de zorgaanbieder de patiënt niet zonder daarover een standpunt in te nemen naar de schadeverzekeraar [kan] doorverwijzen”,113 wat raakt aan de derde prejudiciële vraag. Dat betekent echter nog niet dat dat standpunt altijd al een definitief oordeel over de aansprakelijkheid en de hoogte van de schadevergoeding moet omvatten, nog los van de vraag of dat in veel gevallen haalbaar zou zijn (vermoedelijk niet). Ik verwijs in dit verband naar randnummer 2.19, waar ik vermeldde dat het begrip ‘oordeel’ niet beperkt moet worden opgevat: een definitieve uitspraak over de gegrondheid van de klacht is niet zonder meer nodig, te minder indien tussen het ziekenhuis en de patiënt een gezamenlijke oplossing wordt bereikt. Een voor de klager en de zorgaanbieder bevredigende oplossing kán het betalen van schadevergoeding zijn, maar kan ook behelzen de “gezamenlijke conclusie dat er meer tijd nodig is” en de afspraak dat de claim wordt afgehandeld door verzekeraar.114 In complexe gevallen waarin de patiënt stelt een omvangrijke schade te hebben geleden, zal mijns inziens niet kunnen worden verlangd dat de zorgaanbieder binnen een bestek van ten hoogste tien weken (zie art. 17 Wkkgz) tot een definitief oordeel over de claim komt.115 Dat lijkt gelet op de wetsgeschiedenis ook niet de strekking van de Wkkgz.116 Duidelijk is wel dat de Wkkgz niet toelaat dat de zorgaanbieder zich in stilzwijgen hult na ontvangst van een klacht.117 Volgens mij kan van de zorgaanbieder dan ook in beginsel worden verlangd dat hij binnen de hiervoor vermelde termijn zo goed en zo kwaad als dat kan een inhoudelijk standpunt inneemt over de vraag of het gemaakte verwijt (geheel of gedeeltelijk) gegrond is, waarmee dan nog niet de claim in zijn geheel zal zijn afgehandeld.

2.25

Wat betekent het voorgaande precies voor de thematiek van deze zaak, dus de uitwisseling van medische gegevens? De zorgaanbieder (dus het ziekenhuis) is op grond van het genoemde art. 17 lid 1 Wkkgz ertoe gehouden – met de nuanceringen die ik in het voorgaande aanbracht – een schriftelijke mededeling aan de klager te sturen waarin met redenen omkleed is aangegeven tot welk oordeel het onderzoek van de klacht heeft geleid, welke beslissingen de zorgaanbieder over en naar aanleiding van de klacht heeft genomen en binnen welke termijn maatregelen waartoe is besloten, zullen zijn gerealiseerd. In het geval van een ziekenhuis betekent dit formeel dat de raad van bestuur een oordeel moet geven.118 Die beschikt echter niet zonder meer over de benodigde gegevens (een ziekenhuis is geen informationele eenheid119) en zal vermoedelijk ook zelf weinig tijd hebben voor klachtafhandeling. (Para)medische behandelaars zullen de klachtafhandeling echter ook niet volledig op zich kunnen nemen. Zij kunnen zich uitlaten over de klacht, maar zullen niet altijd voldoende distantie en onafhankelijkheid in acht kunnen nemen om deze daadwerkelijk af te handelen en bovendien zullen zij daarvoor naast hun dagelijkse werkzaamheden veelal nog maar weinig tijd over hebben.

2.26

De betrokkenheid van andere functionarissen is dus onvermijdelijk. Dat kan bijvoorbeeld een patiëntencontactpersoon, een interne schadebehandelaar of een ziekenhuisjurist zijn. Welke functionaris het ook is, deze zal in ieder geval over enige gegevens moeten beschikken om de klacht te kunnen beoordelen althans die beoordeling te begeleiden. Belangrijk is dat art. 23 Wkkgz een bijzondere geheimhoudingsbepaling bevat voor iedereen die bij de afhandeling van klachten en geschillen betrokken is.120 Anders dan bij de in paragraaf 2.B geschetste ‘klassieke’ gang van zaken (waarbij de claim wordt afgehandeld door de verzekeraar), wordt door ‘zelfregelende’ ziekenhuizen niet altijd gevraagd om toestemming van de patiënt alvorens in het kader van de klachtafhandeling/claimafhandeling medische gegevens door (para)medische behandelaars worden gedeeld met anderen binnen het ziekenhuis; volstaan wordt met een mededeling aan de patiënt en de mogelijkheid om bezwaar te maken.121 De vraag is natuurlijk of een inhoudelijk standpunt zoals bedoeld aan het slot van randnummer 2.24 zonder meer van de zorgaanbieder kan worden verlangd als de patiënt bezwaren heeft tegen het delen van medische gegevens buiten de kring van (para)medische behandelaars. Die vraag, die belangrijk is in deze zaak, komt in het navolgende vanzelfsprekend nog aan de orde.

3 Een nadere blik op de vraagstelling

3.1

In het voorgaande heb ik de context van de vraagstelling door de rechtbank geschetst. Het is nuttig om in het licht daarvan een nadere blik te werpen op die vraagstelling om scherp te krijgen welke rechtsvragen moeten worden besproken en om eventuele voorvragen al zo veel mogelijk te beantwoorden. Daarmee kan helder worden gekregen wat nu precies de kwesties zijn die voorliggen, mede gelet op de informatie die ik heb ontvangen (zie paragraaf 1.D) en de uitlatingen van partijen. Uit het oogpunt van leesgemak herhaal ik hier de vragen en pas ik ze enigszins aan.

3.2

Vraag 1: “Wanneer een medische hulpverlener door een patiënt aansprakelijk is gesteld voor [lees: in verband met, A-G] een medische behandeling, mag [dan] in de buiten[ge]rechtelijke fase van de schadeafwikkeling een ten behoeve van de medische hulpverlener ingeschakelde juridisch adviseur inzage krijgen in het medisch dossier van de patiënt en overleg hebben over het medisch dossier met de medische hulpverlener zonder de uitdrukkelijke toestemming van de patiënt? In hoeverre spelen daarbij beginselen als die van proportionaliteit en subsidiariteit een rol?

Duiding van enkele begrippen

3.3

Deze vraag is niet eenduidig geformuleerd waar het gaat om de term ‘medisch hulpverlener’. In dat verband geldt dat de zorgaanbieder, hier: het ziekenhuis, moet worden onderscheiden van de individuele (para)medisch behandelaar. Gelet op wat in deze zaak aan de orde is (de patiënte heeft het ASZ aangesproken) en wat ik in randnummers 2.3 tot en met 2.5 heb uiteengezet over wie de contractspartij is van de patiënt, zal in deze zaak voor ‘medisch hulpverlener’ moeten worden gelezen ‘het ziekenhuis’. Ik beperk mijn onderzoek daarom tot de gevallen waarin een ziekenhuis aansprakelijk wordt gesteld en laat andere zorgaanbieders buiten beschouwing.

3.4

Op het eerste oog is ook niet geheel duidelijk wat de rechtbank bedoelt met een “ten behoeve van de medische hulpverlener [lees: het ziekenhuis, A-G] ingeschakelde juridisch adviseur”. Uit het vonnis blijkt dat het in dit geval gaat om de schadebehandelaar/jurist van de verzekeraar van het ziekenhuis (zie vooral randnummers 1.1 tot en met 1.5 hiervoor). De term ‘juridisch adviseur’ is daarvoor mijns inziens niet helemaal passend. De werkzaamheid van de schadebehandelaar/jurist van de verzekeraar is niet primair gericht op het adviseren van het ziekenhuis, maar op de beoordeling of een beroep kan worden gedaan op de dekking van de aansprakelijkheidsverzekering, een beoordeling die raakt aan een zelfstandig belang van de verzekeraar. Tegelijkertijd is het zo dat het ziekenhuis niet zelden vaart op de (juridische) expertise van de schadebehandelaar/jurist van de verzekeraar,122 wat overigens niet anders is dan bij andere soorten aansprakelijkheidsclaims (denk bijvoorbeeld aan WAM-claims). Wel geldt, als vermeld, dat er zelfregelende ziekenhuizen zijn die de claim zelf beoordelen. Wellicht moet de vraagstelling in dat licht ruimer worden begrepen en bedoelt de rechtbank met een “ten behoeve van de medische hulpverlener ingeschakelde juridisch adviseur” mede een jurist die binnen het ziekenhuis werkzaam is. Zo lijkt het ASZ de vraag ook op te vatten, gelet op de inhoud van zijn schriftelijke opmerkingen.123 Ik zal dit volgen. In dit verband is van belang dat patiënte in het onderhavige geval bezwaren heeft tegen toegang tot haar medische gegevens voor zowel de schadebehandelaar/jurist van de verzekeraar als de ziekenhuisjurist.124

Afbakening van de vraagstelling

3.5

De vraagstelling moet nader worden afgebakend, omdat deze in potentie meerdere aspecten en daaraan gerelateerde discussiepunten omvat en deze niet zonder meer allemaal aan de orde kunnen (en hoeven te) komen.

3.6

Ten eerste zijn er verschillende potentiële barrières voor de uitwisseling van medische gegevens. Het gaat dan om enerzijds het medisch beroepsgeheim en anderzijds het verbod op de verwerking van gegevens over gezondheid in art. 9 lid 1 AVG, die beide (mede) in het verlengde liggen van de bescherming van het privéleven die wordt verlangd door art. 8 EVRM. Het medisch beroepsgeheim en de AVG hebben echter niet noodzakelijkerwijs dezelfde normadressaten, functioneren niet op dezelfde wijze en hebben ook niet zonder meer dezelfde uitwerking. Het medisch beroepsgeheim en de AVG zullen hierna allebei aan de orde moeten komen.

3.7

Ten tweede moet waar het gaat om de zinsnede “zonder de uitdrukkelijke toestemming van de patiënt” een onderscheid worden gemaakt tussen de situaties (a) waarin de patiënt niet om toestemming is gevraagd, (b) waarin de patiënt om toestemming is gevraagd maar deze niet heeft gereageerd en (c) waarin de patiënt om toestemming is gevraagd en deze bezwaren heeft geuit tegen de uitwisseling van medische gegevens. In deze zaak gaat het om het geval onder (c): patiënte heeft via haar advocaat duidelijk kenbaar gemaakt welke grenzen zij wenst te stellen aan de verspreiding van haar medische gegevens en uitdrukkelijk bezwaar gemaakt tegen het delen van medische gegevens met anderen dan zij heeft aangewezen. De nadruk zal in het navolgende liggen op dergelijke gevallen. De analyse die ik in het vervolg maak, raakt echter ook aan de gevallen onder (a) en (b).

Voorvraag: inzage in medische stukken door een jurist?

3.8

Een voorvraag is of een medische aansprakelijkheidsclaim zinvol kan worden beoordeeld zonder dat een jurist toegang heeft tot het medisch dossier en overleg mag voeren met de betrokken (para)medisch behandelaars. Het ASZ125 en ook verschillende inzenders126 beantwoorden deze vraag ontkennend, omdat volgens hen in een medische aansprakelijkheidskwestie een medische én juridische beoordeling van de medische gegevens nodig is. Anders dan in andere gevallen van letselschade waarin de oorzaak niet in een eventuele medische fout is gelegen127 (zoals bijvoorbeeld bij een verkeersongeval of arbeidsongeval) ziet de beoordeling van de medische gegevens niet alleen op de vraag of er schade en causaal verband is, maar in de eerste plaats ook op de vraag of er een fout is gemaakt, zo wordt naar voren gebracht.

3.9

Het lijkt mij nuttig om alvast op deze plaats in te gaan op deze voorvraag (dus of het voor de afhandeling van een medische aansprakelijkheidsclaim nodig is dat een jurist het medisch dossier mag inzien en overleg mag voeren met de betrokken (para)medisch behandelaars). Volgens mij kan dat eigenlijk niet in het algemeen worden bepaald: in bepaalde gevallen zal dat wellicht feitelijk niet nodig zijn, zal althans een kennisname van medische gegevens door een jurist praktisch weinig meerwaarde hebben, maar er is geen indicatie dat het daarbij om veel gevallen gaat. Bovendien is het een gegeven dat wie (als (para)medisch behandelaar of als zorgaanbieder) wordt geconfronteerd met een aansprakelijkheidsclaim wegens een medische fout, een jurist zal moeten kunnen consulteren, al was het maar ter controle, alvorens een standpunt in te nemen. De vraag of naar de regelen der kunst (lege artis) is gehandeld, zal het beste kunnen worden beantwoord door medici; tegelijkertijd is het logisch dat bij de beoordeling van een aansprakelijkheidsclaim een jurist wordt betrokken. Op basis van medische gegevens moet worden beoordeeld of een medische fout is gemaakt en dat is uiteindelijk een juridisch vraagstuk, nog los van het vaststellen van schade en causaal verband. De GOMA 2022 gaat daar ook van uit. Aanbeveling 19 GOMA 2022 zegt het volgende: “In het geval van een verzoek om schadevergoeding wisselen partijen onderling alle relevante feitelijke en medische gegevens uit. Ten behoeve van de medische en juridische beoordeling zijn de medisch adviseur, de schadebehandelaar/jurist van de aansprakelijkheidsverzekeraar of het zelfregelend ziekenhuis bevoegd om de medische gegevens in te zien met toestemming van de patiënt.” Het argument dat juristen niet in staat zijn om medische gegevens te beoordelen, zoals wel wordt gehoord, is mijns inziens te stellig en ook niet erg relevant. Een jurist met ervaring op het vlak van medische aansprakelijkheid zal medische gegevens misschien niet (altijd) ten volle kunnen begrijpen en beoordelen, maar zal naar aanleiding daarvan doorgaans wel kritische vragen kunnen stellen. Dat er in ieder geval een reële behoefte, ik vermijd zo de term noodzaak, is om in een medische aansprakelijkheidskwestie medische gegevens te delen met een jurist moet mijns inziens dus tot uitgangspunt worden genomen.

3.10

Maar mag dat dan zonder meer worden doorgetrokken naar de schadebehandelaar/jurist van de verzekeraar van het ziekenhuis? Hiervoor in randnummer 3.4 merkte ik al op dat het mijns inziens niet helemaal passend is om de schadebehandelaar/jurist van de verzekeraar aan te merken als een ‘juridisch adviseur’ van het ziekenhuis, nu de verzekeraar een eigen belang heeft bij de beoordeling of de dekking van de aansprakelijkheidsverzekering kan worden ingeroepen. Tegelijkertijd is de praktijk zo gegroeid (zie randnummer 2.9 en paragraaf 2.B) dat ziekenhuizen claims vaak uit handen geven aan hun verzekeraar – waartoe zij zichzelf jegens de verzekeraar ook contractueel zullen hebben verplicht128 – en zo gebruikmaken van de juridische expertise die bij de verzekeraar aanwezig is. Daarbij wordt het van de zijde van ziekenhuizen en verzekeraars vanzelfsprekend gevonden dat de schadebehandelaar/jurist zelf kennisneemt van medische gegevens. De belangrijkste medische aansprakelijkheidsverzekeraars, Centramed, MediRisk en VvAA, gaan daar ook van uit en schetsen in hun inzending het volgende ‘werkproces’:

“Het overleg tussen de jurist [van de verzekeraar, A-G] en de medisch adviseur start bij de beoordeling van de aansprakelijkstelling: de jurist maakt aan de hand van de verwijten uit die aansprakelijkstelling, van het medisch dossier en het commentaar van de aangesproken zorgverlener een analyse. Daarna formuleert de jurist specifieke vragen die hij aan de medisch adviseur wenst voor te leggen en aan de hand van die vragen stelt de medisch adviseur zijn medisch advies op. Vaak is daarna nog nader overleg tussen jurist, medisch adviseur en aangesproken zorgverlener nodig. Dat kan niet altijd met aanvullende vragen op papier, dat vereist bespreking en bestudering van het medisch dossier, ook door de jurist. Op grond van de analyse, het medisch advies en het eventueel aanvullend overleg kan antwoord gegeven worden op vragen als: Is aan de verzwaarde stelplicht voldaan of is een aanvullende verklaring van de aangesproken arts nodig? Is de vordering tot schadevergoeding van patiënt verjaard? Op wie rust de stelplicht en bewijslast bij het verwijt dat het informed consent van patiënt door de behandelend zorgverlener zou zijn geschonden? En zijn er voldoende aanknopingspunten in het medisch dossier om de stellingen over deze onderwerpen te onderbouwen?”129

Bij deze werkwijze is de schadebehandelaar/jurist dus zelfs de eerste aan verzekeraarszijde die van de medische stukken zal kennisnemen. De schadebehandelaar/jurist formuleert mede op basis van die stukken de vragen aan de medisch adviseur. De schadebehandelaar/jurist en de medisch adviseur komen in beginsel over dezelfde medische gegevens te beschikken, hoewel het bij deze werkwijze mogelijk zal zijn dat de medische adviseur de patiënt ziet en/of de (para)medische behandelaar bevraagt en de daaruit voortvloeiende bevindingen niet volledig met de schadebehandelaar/jurist deelt. Of deze manier van werken, waarbij de schadebehandelaar/jurist aan de zijde van de verzekeraar zelfs als eerste de medische stukken analyseert wenselijk is, is een separaat thema, dat ik in het bestek van deze conclusie kan laten rusten. Waar het hier om gaat, is dat het realiteit is dat de schadebehandelaar/jurist van de verzekeraar in ieder geval een belangrijke rol vervult bij de buitengerechtelijke afhandeling van medische aansprakelijkheidsclaims en in dat verband veelal (met toestemming van de patiënt) kennis neemt van relevante medische stukken. Dat daartoe een behoefte wordt gevoeld, is mijns inziens gelet op het voorgaande niet verrassend: aan de hand van het juridische raamwerk voert de schadebehandelaar/jurist de regie bij de afhandeling van de claim. Door de schadebehandelaar toegang te geven tot relevante medische gegevens wordt het ziekenhuis in staat gesteld om art. 7:941 lid 2 BW alsook de (gebruikelijke) schaderegelingsclausule130 na te leven. Dat de schadebehandelaar/jurist niet bij het ziekenhuis werkzaam is, is een factor die van onvoldoende belang is, mits er in het kader van de informatie-uitwisseling tussen ziekenhuis en verzekeraar goede waarborgen zijn tegen ongeoorloofde verspreiding van medische gegevens.

Resterende vraagpunten

3.11

De behoefte om in een medische aansprakelijkheidskwestie medische gegevens te delen met een jurist, daaronder begrepen een schadebehandelaar/jurist van de verzekeraar, is er, maar daarmee is de eerste prejudiciële vraag nog niet beantwoord. Die vraag houdt namelijk in essentie in of een ziekenhuisjurist en/of schadebehandelaar/jurist van de verzekeraar in het kader van de buitengerechtelijke afhandeling van een claim zonder toestemming van de patiënt en zelfs ondanks de kenbare bezwaren van de patiënt kennis mag nemen van medische gegevens. Volgens het ASZ131 en volgens verschillende inzenders132 luidt het antwoord bevestigend. De huidige praktijk is toch een andere, zo wordt in den brede onderkend: in randnummers 2.14 en 2.15 werd duidelijk dat een dergelijke kennisname doorgaans niet plaatsvindt zolang de patiënt daarvoor geen toestemming heeft gegeven, laat staan indien de patiënt daartegen bezwaren heeft. De ‘spanning’ tussen wat in de praktijk gebeurt en de standpunten die worden ingenomen, karakteriseert een deel van de informatie die ik heb ontvangen. Centramed, MediRisk en VvAA stellen zich in hun inzending bijvoorbeeld op het standpunt “dat een zorgverlener helemaal geen machtiging van de patiënt nodig heeft om een jurist (van zijn verzekeraar) in te schakelen nadat de hulpverlener buiten rechte aansprakelijk is gesteld (...).” Zij merken echter meteen ook het volgende op: “Wij kiezen er bewust voor om in weerwil van die mening, toch het zekere voor het onzekere te nemen en een machtiging van de claimant te vragen. Wij zijn dan ook erg benieuwd naar uw mening en die van de Hoge Raad op dit punt.” Kennelijk zijn de meeste betrokkenen het toch erover eens dat het riskant is om zonder toestemming van de patiënt medische gegevens te delen, ook al is van ziekenhuis- en verzekeraarszijde het geluid te horen dat die toestemming strikt genomen niet nodig is in de onderhavige context.

3.12

De vraag die gelet op het voorgaande moet worden beantwoord is of, indien een ziekenhuis door een patiënt aansprakelijk is gesteld in verband met een medische behandeling, een jurist van het ziekenhuis of jurist/schadebehandelaar van de verzekeraar bij de buitengerechtelijke claimafhandeling zonder de uitdrukkelijke toestemming van de patiënt en ondanks de kenbare bezwaren van de patiënt inzage mag krijgen in het medisch dossier van de patiënt en daarover overleg mag hebben met de (para)medische behandelaars. Mogelijke obstakels voor dergelijke inzage en dergelijk overleg – en daarmee ook grondslagen voor een toestemmingsvereiste – zijn gelegen in het medisch beroepsgeheim, art. 8 EVRM en de AVG. Naar deze thema’s is dus nader onderzoek nodig.

3.13

Uit de informatie die ik heb ontvangen, blijkt overigens dat ‘privacy’, die natuurlijk een belangrijke rol speelt bij het medisch beroepsgeheim, art. 8 EVRM en de AVG, niet het enige thema is (zie ook randnummer 1.14 hiervoor). Patiënten en hun belangenbehartigers vrezen soms dat de informatie die is opgenomen in de medische stukken die ter beschikking worden gesteld aan de beoordelaars bij de verzekeraar niet volledig en/of niet (geheel) juist is.133 Er lijkt in bepaalde gevallen weinig vertrouwen te zijn. Dit aspect zal in de analyse moeten worden betrokken, al is het de vraag of de beantwoording van de prejudiciële vragen in deze zaak een oplossing voor dergelijke vertrouwensproblemen dichterbij kan brengen. Mogelijk is het hoogst haalbare dat dergelijke vertrouwensproblemen niet verergeren en/of een oplossing daarvoor niet wordt gefrustreerd.

3.14

Vraag 2: “Indien toestemming van de patiënt is vereist in de buitengerechtelijke fase, op basis van welke grondslag(en) dient die toestemming dan gegeven te worden? Op welke concrete door de medische adviseur en de juridische adviseur te verrichten handelingen dient die toestemming betrekking te hebben? Zijn er nog andere in aanmerking te nemen omstandigheden die van belang kunnen zijn voor (de reikwijdte van) die toestemming?

3.15

Vraag 2 is in wezen een verzameling van drie subvragen in vervolg op vraag 1.

3.16

Ik begrijp de eerste subvraag zo dat de rechtbank wenst te vernemen op welke grondslagen toestemming van de patiënt is vereist. In het onderzoek dat naar aanleiding van de eerste prejudiciële vraag moet worden verricht, ligt de beantwoording van deze eerste subvraag (is toestemming nodig en zo ja op welke grondslag?) besloten. Zij behoeft dus geen separaat onderzoek. De derde subvraag leent zich gelet op het onbepaalde karakter daarvan mijns inziens niet voor beantwoording in een prejudiciële procedure, nu het niet goed mogelijk (en gelet op de problematiek die hier aan de orde is: niet nodig) is om in algemene zin na te gaan welke omstandigheden van belang kunnen zijn voor (de reikwijdte van) de toestemming.

3.17

Wel zal ik ingaan op de tweede subvraag. Zij heeft betrekking op de vereiste mate van specificiteit van de toestemming, verondersteld dat deze noodzakelijk is. Hier zijn wederom het medisch beroepsgeheim, art. 8 EVRM en de AVG van belang. Ik zal daaraan enige aandacht besteden, al merk ik op dat deze subvraag niet aan de kern van de zaak raakt – want die heeft géén betrekking op de vraag of een gegeven toestemming aan de eisen voldoet, maar op de vraag wat rechtens is indien toestemming ontbreekt – en overigens voor zover ik heb kunnen nagaan ook niet raakt aan een discussie die in de praktijk ‘leeft’. Het accent zal daarop dan ook niet liggen. Let wel: te onderscheiden van de eisen die aan de toestemming van de patiënt moeten worden gesteld, is de vraag wanneer, gelet op de inhoud van de medische machtiging die het van de patiënt verlangt, het ziekenhuis is ontheven van de verplichting om een inhoudelijk standpunt in te nemen. Dan gaat het om de vraag of de medische machtiging ‘afdoende’ is voor de medisch-juridische beoordeling die moet leiden tot een inhoudelijk standpunt. Dat is het onderwerp van de derde prejudiciële vraag, waar ik nu aan toekom.

3.18

Vraag 3: “Kan van een medische hulpverlener, die door een patiënt aansprakelijk is gesteld voor [lees: in verband met, A-G] een medische behandeling, worden verlangd dat hij in de buitengerechtelijke fase een standpunt inneemt omtrent aansprakelijkheid indien de patiënt zich ertegen verzet dat een door of ten behoeve van de medische hulpverlener ingeschakelde juridisch adviseur kennis neemt van relevante medische gegevens?

3.19

Voor wat betreft de begrippen ‘medisch hulpverlener’ en ‘ingeschakelde juridisch adviseur’ verwijs ik naar wat ik hiervoor naar aanleiding van de eerste prejudiciële vraag heb opgemerkt. Ik ga er dus ook hier van uit dat met de eerste het ziekenhuis wordt bedoeld en met de tweede de schadebehandelaar/jurist van de verzekeraar en/of een ziekenhuisjurist.

3.20

In de vraag wordt verondersteld dat – als uitgangspunt – van een ziekenhuis kan worden verlangd dat het in de buitengerechtelijke fase een standpunt inneemt omtrent zijn aansprakelijkheid. Ik vermoed dat deze veronderstelling is ingegeven door art. 17 lid 1 Wkkgz, dat ik in randnummers 2.19, 2.24 en 2.25 besprak. Ik meen dat art. 17 lid 1 Wkkgz inderdaad meebrengt dat van een ziekenhuis in beginsel kan worden verlangd dat het in de buitengerechtelijke fase een inhoudelijk standpunt inneemt omtrent het gemaakte verwijt en (uiteindelijk) de claim. Daarbij geldt wel dat – zoals ik in randnummer 2.24 opmerkte – niet altijd een definitief oordeel over de aansprakelijkheid en de hoogte van de schadevergoeding zal kunnen worden gegeven en het oordeel in dat verband ook kan behelzen dat de claim wordt afgehandeld door verzekeraar, zeker in complexe gevallen waarin de patiënt stelt een omvangrijke schade te hebben geleden. Ook anders dan op grond van de Wkkgz – voor die gevallen waarin de patiënt niet een klacht maar een ‘zuivere claim’ indient – heeft het ziekenhuis mijns inziens een verplichting om in de buitengerechtelijke fase een inhoudelijk standpunt in te nemen over het gemaakte verwijt en (uiteindelijk) de claim. Dat is, zo blijkt uit de informatie die ik heb ontvangen, geen onderwerp van discussie. Ook het ASZ gaat daar in deze prejudiciële procedure van uit.134 Over de grondslag van een verplichting daartoe hoef ik niet uit te weiden aangezien daarover bij mijn weten geen discussie bestaat, maar het is mijns inziens verdedigbaar dat deze verplichting waar het gaat om een geneeskundige behandelingsovereenkomst voortvloeit uit de zorg die van een goed opdrachtnemer (hier: hulpverlener) als bedoeld in art. 7:401 BW en, specifieker, art. 7:453 lid 1 BW, wordt verlangd en de daarmee verband houdende verantwoordingsplicht.135 Ik laat dit verder rusten.

3.21

De derde prejudiciële vraag houdt tegen deze achtergrond in essentie het volgende in: moet het ziekenhuis óók een inhoudelijk standpunt over het gemaakte verwijt en (uiteindelijk) de claim aan de patiënt kenbaar maken indien de patiënt zich ertegen verzet dat een schadebehandelaar/jurist van de verzekeraar en/of een ziekenhuisjurist kennis neemt van relevante medische gegevens? Het voorgaande suggereert al enigszins dat het antwoord niet onvoorwaardelijk bevestigend is: er is in beginsel een verplichting om een inhoudelijk standpunt in te nemen, maar die verplichting kan onder omstandigheden worden ‘uitgeschakeld’ als de patiënt toegang door bepaalde personen tot bepaalde informatie blokkeert. Waar het bij de beantwoording van de derde vraag volgens mij om gaat, is dat dit laatste zoveel mogelijk concreet en daarmee praktisch bruikbaar wordt gemaakt. Uw Raad kan daar mijns inziens aan bijdragen.

3.22

Ik zal in het navolgende het (para)medisch beroepsgeheim en aanverwante geheimhoudingsverplichtingen (zoals van ziekenhuisjuristen) bespreken (paragraaf 4). Vervolgens ga ik in op het Europeesrechtelijke perspectief (zoals dat tot uitdrukking komt in voornamelijk het EVRM en de AVG en de rechtspraak daarover) op medische geheimhouding (paragraaf 5). Daarna kom ik toe aan waar het uiteindelijk om draait: de beantwoording van de prejudiciële vragen (paragraaf 6).

4 Het (para)medische beroepsgeheim

5 (Para)medische geheimhouding in het Europese recht

6 Beantwoording van de vragen

7 Slotopmerkingen

8 Conclusie