Home

Parket bij de Hoge Raad, 04-10-2024, ECLI:NL:PHR:2024:1024, 24/01051

Parket bij de Hoge Raad, 04-10-2024, ECLI:NL:PHR:2024:1024, 24/01051

Gegevens

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
4 oktober 2024
Datum publicatie
24 oktober 2024
ECLI
ECLI:NL:PHR:2024:1024
Formele relaties
Zaaknummer
24/01051

Inhoudsindicatie

Huwelijksvermogensrecht. Waardering echtelijke woning. Voorkeursrecht tot koop. Toestemming andere echtgenoot krachtens art. 1:88 BW.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 24/01051

Zitting 4 oktober 2024

CONCLUSIE

L.M. Coenraad

In de zaak

[de vrouw] verzoekster tot cassatie,hierna: de vrouw,advocaat: mr. H.J.W. Alt

tegen

[de man] verweerder in cassatie,hierna: de man,advocaat: mr. A.H.M. van den Steenhoven.

1 Inleiding en samenvatting

In deze echtscheidingsprocedure twisten partijen over de vraag hoe de echtelijke woning gewaardeerd moet worden. Niet in geschil is dat de woning aan de vrouw wordt toegedeeld, waarbij de vrouw de helft van de overwaarde aan de man moet voldoen. Volgens de vrouw dient bij de waardebepaling van de echtelijke woning rekening te worden gehouden met een voorkeursrecht tot koop op de grond waarop de woning is gebouwd, zodat de woning gewaardeerd moet worden op € 490.000,-. De man stelt zich op het standpunt dat geen rekening gehouden moet worden met het voorkeursrecht, omdat hij daarvan niet op de hoogte was en niet heeft ingestemd met de verlening ervan, waardoor de woning gewaardeerd moet worden op € 1.050.000,-. Rechtbank en hof hebben geoordeeld dat bij de verdeling moet worden uitgegaan van een waarde van € 1.050.000,-. De vrouw komt met diverse rechts- en motiveringsklachten op tegen dit oordeel. Naar ik meen zijn de klachten tevergeefs voorgesteld.

2 Feiten

2.1

Partijen zijn gehuwd op 19 juni 2003 te Leidschendam-Voorburg. Ze zijn in gemeenschap van goederen gehuwd.1

2.2

Op 6 september 2017 is bij notariële leveringsakte2 door de ouders van de vrouw een perceel grond (hierna: de grond) geleverd aan de vrouw. De leveringsakte vermeldt alleen de vrouw en niet ook de man. De grond is in de gemeenschap van goederen van partijen gevallen, waardoor de man mede-eigenaar daarvan is geworden. Op de grond is de echtelijke woning van partijen gebouwd. De bouw van de woning is in 2020 voltooid.3

2.3

Op 6 april 2020 is bij notariële akte4 door de vrouw ten behoeve van haar ouders een voorkeursrecht tot koop op de grond verleend.5

2.4

In het taxatierapport van 5 oktober 2020 zijn per waardepeildatum van 5 oktober 2020 twee marktwaardes voor de echtelijke woning vermeld: een marktwaarde van € 490.000,- waarbij wel rekening is gehouden met het voorkeursrecht tot koop en een marktwaarde van € 1.050.000,- waarbij geen rekening is gehouden met het voorkeursrecht tot koop.6

3 Procesverloop

3.1

De vrouw heeft bij verzoekschrift, ingekomen op 18 februari 2021 bij de rechtbank Den Haag (hierna: de rechtbank), verzocht de echtscheiding uit te spreken met een aantal nevenvoorzieningen, waaronder − voor zover in cassatie van belang − de vaststelling van de verdeling van de huwelijksgemeenschap, waartoe de echtelijke woning behoorde.

3.2

De man heeft een verweerschrift tevens zelfstandig verzoekschrift ingediend, waarbij hij heeft verzocht de echtscheiding uit te spreken met een aantal nevenvoorzieningen, waaronder − voor zover in cassatie van belang − de vaststelling van de verdeling van de huwelijksgemeenschap, waaronder de grond en de echtelijke woning.

3.3

De mondelinge behandeling bij de rechtbank heeft plaatsgevonden op 12 mei 2022. Daarbij zijn partijen en hun advocaten verschenen. Van de mondelinge behandeling is een proces-verbaal is opgemaakt.

3.4

De rechtbank heeft bij beschikking van 9 juni 20227 de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en – voor zover in cassatie van belang − de verdeling van de huwelijksgemeenschap vastgesteld. In dat kader is de echtelijke woning aan de vrouw toegedeeld onder de voorwaarde dat zij kan aantonen dat zij in staat is de aan de woning verbonden hypothecaire lening voor haar rekening te nemen onder ontslag van de man uit zijn hoofdelijke aansprakelijkheid voor die lening, waarbij de vrouw de helft van de overwaarde van de echtelijke woning – zijnde de taxatiewaarde van € 1.050.000,- minus de schuld van de hypothecaire geldlening – aan de man moet voldoen.

3.5

Daartoe heeft de rechtbank overwogen, voor zover in cassatie van belang:8

ad a) de echtelijke woning gelegen te [adres] en de bijbehorende hypothecaire geldlening

(...)

De rechtbank stelt voorop dat een voorkeursrecht op een onroerend goed slechts kan worden gevestigd wanneer alle eigenaren de notariële akte daartoe, al dan niet bij volmacht, ondertekenen. Alle eigenaren moeten immers akkoord zijn met bezwaring van hun eigendom. Vast staat dat in de notariële akte waarbij het voorkeursrecht is gevestigd slechts de vrouw als eigenaar staat vermeld, terwijl ook vaststaat dat partijen samen eigenaar zijn. Wat er verder ook zij van de juridische status van dat voorkeursrecht − partijen zullen zich daarvoor zo nodig tot de handelsrechter kunnen wenden − de rechtbank zal in het kader van de verdeling van de huwelijksgemeenschap geen rekening houden met dat voorkeursrecht. De vrouw heeft onvoldoende onderbouwd dat de man daarmee akkoord was en het komt de rechtbank voor dat als dat zo zou zijn, de man de notariële akte mee had kunnen en moeten tekenen. Niet gebleken is dat de notaris de man heeft betrokken in het tot stand komen van de akte. Reeds om die reden gaat de rechtbank aan het standpunt van de vrouw voorbij.

(...)

Gelet hierop acht de rechtbank het redelijk dat bij de verdeling van de echtelijke woning uitgegaan wordt van de waarde van € 1.050.000,-, zijnde de taxatiewaarde zonder rekening te houden met het voorkeursrecht.”

3.6

De vrouw is op 22 augustus 2022 bij het gerechtshof Den Haag (hierna: het hof) in hoger beroep gekomen van de beschikking van de rechtbank van 9 juni 2022. Zij heeft het hof verzocht de beschikking (gedeeltelijk) te vernietigen, en opnieuw rechtdoende te bepalen dat – kort gezegd – bij de verdeling van de echtelijke woning rekening dient te worden gehouden met het daarop gevestigde voorkeursrecht tot koop, zodat zij, bij toedeling van de echtelijke woning aan haar, de helft van de overwaarde, te weten de taxatiewaarde van € 490.000,- minus de schuld van de hypothecaire geldlening, aan de man moet voldoen.

3.7

De man heeft een verweerschrift ingediend. Hij heeft het hof verzocht bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoeken, althans de verzoeken van de vrouw af te wijzen.

3.8

De mondelinge behandeling bij het hof heeft plaatsgevonden op 12 oktober 2023. Daarbij zijn partijen en hun advocaten verschenen. Van de mondelinge behandeling is een proces-verbaal is opgemaakt.

3.9

Bij beschikking van 20 december 20239 (hierna: de bestreden beschikking) heeft het hof de beschikking van de rechtbank bekrachtigd. Daartoe overwoog het hof, voor zover in cassatie van belang, als volgt:

“5.4 Het hof is van oordeel dat de rechtbank juist heeft beslist door bij de waardering van de echtelijke woning geen rekening te houden met het voorkeursrecht tot koop en dat derhalve terecht is uitgegaan van een marktwaarde van € 1.050.000,-. Het hof overweegt daartoe als volgt.

(...)

5.8

Het hof is van oordeel dat de vrouw voor het vestigen van een voorkeursrecht op de grond ingevolge artikel 1:88 lid 1 sub a BW de toestemming van de man (als niet handelende echtgenoot) nodig had. Hiermee gaat het hof voorbij aan de stelling van de vrouw ter zitting dat in dit geval geen sprake is van het bezwaren van de echtelijke woning in de zin van voormeld artikel omdat het voorkeursrecht enkel betrekking heeft op de grond. Het hof overweegt dat nu op de grond de echtelijke woning is gebouwd en het voorkeursrecht na de bouw van de woning is gevestigd, de grond een onlosmakelijk onderdeel was van de echtelijke woning ten tijde van het bezwaren zodat daarvoor toestemming van de man vereist was.

5.9

De toestemming in de zin van voormeld artikel is in beginsel vormvrij, maar moet gelet op het derde lid van dat artikel schriftelijk of langs elektronische weg worden verleend indien de wet voor het verrichten van de rechtshandeling een vorm voorschrijft.

5.10

Het is het hof op basis van de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting duidelijk geworden dat partijen samen, met de ouders van de vrouw, een lang traject (van enkele jaren) hebben doorlopen om de bouw van de echtelijke woning op de van de ouders van de vrouw gekochte grond te kunnen realiseren, waarbij ook jarenlange onderhandelingen met de gemeente zijn gevoerd over de bestemmingswijziging van de grond voordat er überhaupt gebouwd zou mogen worden. De man erkent dat ook volmondig.

5.11

Het hof is echter van oordeel dat de vrouw, in het licht van de gemotiveerde betwisting door de man, niet aannemelijk heeft gemaakt dat in het traject dat partijen samen hebben doorlopen in het bijzonder ook het vestigen van een voorkeursrecht op de grond is besproken en dat de man daarvan op de hoogte was, laat staan dat hij daarvoor expliciet toestemming heeft gegeven. Het hof heeft daarbij het volgende in aanmerking genomen.

5.12

In de conceptakte van levering van de grond van 1 september 2017 zijn de vrouw én de man gezamenlijk als ‘koper’ opgenomen, terwijl in de definitieve akte de man niet langer als koper is opgenomen. De vrouw heeft, desgevraagd, geen deugdelijke onderbouwing kunnen geven voor de wijziging van de partijnamen in de akte. Het antwoord van de vrouw ‘dat daarvoor geen reden is geweest’, is voor het hof niet bevredigend, gelet op de aard van de wijziging en de inhoud van de notariële akte. De man is hoogstwaarschijnlijk mede daardoor evenmin partij geweest bij de akte voorkeursrecht tot koop, die door de notaris is verleden op 6 april 2020. Uit de door de vrouw overgelegde correspondentie blijkt niet dat de man door de notaris op enigerlei wijze zelf is betrokken bij de totstandkoming van die akte. De door de vrouw overgelegde correspondentie met het notariskantoor over het vestigen van het voorkeursrecht acht het hof niet bepalend omdat die correspondentie de man niet rechtstreeks aangaat.

5.13

Het hof heeft het voorgaande mede bezien tegen de achtergrond van de toelichting van de man ter zitting, waarin hij heeft verklaard dat hij wel op de hoogte was van de aankoop van de grond, maar zich met de juridische implicaties daarvan niet bezig heeft gehouden. Dit betrof een zaak tussen de vrouw en haar ouders, derhalve binnen de familiesfeer, waarbij de verhouding tussen de man en de ouders van de vrouw op dat moment nog heel goed was. De man was ook nauw betrokken bij de gezamenlijke wens van partijen om op de grond een nieuwe woning te kunnen realiseren, maar zijn focus lag al die tijd op de technische aspecten die daarbij kwamen kijken, vanwege de technische achtergrond die hij heeft. De omstandigheid dat de man in 2018 is getroffen door een hersenbloeding, waardoor zijn energie vanaf dat moment beperkt was, heeft daarbij ook een rol gespeeld.

5.14

Het hof zal gelet op het voorgaande de bestreden beschikking bekrachtigen, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.

5.15

Het hof passeert het bewijsaanbod van de vrouw, nu dat enkel betrekking heeft op de stelling van de vrouw dat de man van meet af aan op de hoogte was van de voorwaarden waaronder de grond is verkocht en derhalve niet op de vraag waar het in deze zaak om draait, namelijk of de man toestemming heeft gegeven voor het vestigen van een voorkeursrecht op de grond.

5.16

Hetgeen partijen ieder voor zich voorts nog naar voren hebben gebracht vergt, gelet op het vorenstaande, naar het oordeel van het hof geen bespreking meer, omdat dat niet tot een ander oordeel kan leiden.”

3.10

Bij procesinleiding van 20 maart 2024 heeft de vrouw – tijdig – cassatieberoep ingesteld tegen de beschikking van het hof. De man heeft een verweerschrift ingediend.

4 Bespreking van het cassatiemiddel

5 Conclusie