Parket bij de Hoge Raad, 27-02-2024, ECLI:NL:PHR:2024:214, 22/00487
Parket bij de Hoge Raad, 27-02-2024, ECLI:NL:PHR:2024:214, 22/00487
Gegevens
- Instantie
- Parket bij de Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 27 februari 2024
- Datum publicatie
- 29 februari 2024
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2024:214
- Formele relaties
- Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:887
- Zaaknummer
- 22/00487
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. ‘IJsberg’-zaak. (Schuld)witwassen van bitcoins en Opiumwetdelicten. OM-cassatie en cassatie verdachte. OM-middelen klagen over (1) dubbeltelling bitcoins en tegenwaarde in euro’s, (2) onjuiste uitleg van ‘verbergen en/of verhullen’, (3) het nalaten te responderen op een UOS, en (4) de toepassing van een kwalificatie-uitsluitingsgrond. De vier door het OM voorgestelde middelen falen. De namens de verdachte voorgestelde middelen klagen over (1) het nalaten te responderen op een UOS (2) de bewezen verklaarde periode van de onder 3 ten laste gelegde voorbereidings-/bevorderingshandelingen, en (3) overschrijding van de redelijke termijn. Op het derde middel na, falen de door de verdachte voorgestelde middelen. Ambtshalve opmerking over redelijke termijn in cassatie. Conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar alleen wat betreft de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van de beroepen voor het overige.
Samenhang met 22/00470, 22/00391, 22/00406, 22/00729 P, 22/00787 P, 22/00832 P, 22/00485, 22/00484, 22/00896 P, en 22/00488.
Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/00487
Zitting 27 februari 2024
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,
hierna: de verdachte
Inleiding
1. Het gerechtshof Den Haag heeft de verdachte bij arrest van 1 februari 2022 wegens 2. “opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod” en 3. “om een feit bedoeld in het vierde/vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te bereiden of te bevorderen, voorwerpen en stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit” veroordeeld tot 26 weken gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft het hof de teruggave gelast van een in beslag genomen telefoon (Blackberry). De verdachte is ter zake van het onder 1 aanhef en eerste cumulatief/alternatief bewezen verklaarde ontslagen van alle rechtsvervolging, en ter zake van het onder 1 tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde vrijgesproken.
2. Cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. J.E. Kötter, advocaat te Amsterdam, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld.
3. Ook de advocaat-generaal bij het gerechtshof Den Haag heeft cassatieberoep ingesteld. W.J.V. Spek, eveneens advocaat-generaal, heeft vier middelen van cassatie voorgesteld.
4. Deze strafzaak maakt – tezamen met de tien samenhangende zaken waarin ik vandaag ook concludeer1 – deel uit van het onderzoek met de naam ‘IJsberg’. Centraal in dit onderzoek staan de handel in en het contant maken van bitcoins, waarbij een verdenking van witwassen is gerezen. Terecht staan de (ver)kopers van bitcoins. Naast strafzaken zijn er tegen vier personen tevens vorderingen tot profijtontneming aanhangig.
De middelen van cassatie
5. De door het OM voorgestelde middelen houden verband met het onder 1 ten laste gelegde. Het eerste, tweede en derde door het OM voorgestelde middel vechten in cassatie verscheidene deelvrijspraken aan, te weten (1) de deelvrijspraak van het witwassen van de voorwerpen waarin de bitcoins zijn omgezet (de contante geldbedragen) op de grond dat anders sprake zou zijn van ‘dubbeltelling’, (2) de deelvrijspraak van het ‘verbergen’ en/of ‘verhullen’ van (onder meer) de herkomst van de bitcoins, en (3) de deelvrijspraak van het (opzettelijk) witwassen. Het vierde door het OM voorgestelde middel klaagt over ’s hofs oordeel dat de kwalificatie-uitsluitingsgrond van toepassing is en dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
6. Het eerste en het tweede door de verdachte voorgestelde middel richt zich tegen de bewezenverklaring van het onder 2, respectievelijk 3 ten laste gelegde. Het derde door de verdachte voorgestelde middel klaagt over de inzendtermijn.
7. Hieronder geef ik eerst – voor zover relevant – een weergave van de tenlastelegging, de bewezenverklaring en de motivering van (andere) beslissingen die zijn opgenomen in het (in deze zaak) bestreden arrest.
Vervolgens schets ik enkele (juridische) beoordelingskaders die van belang zijn voor de bespreking van de middelen. Voor het leesgemak heb ik ervoor gekozen in de zeven samenhangende strafzaken geheel identieke beoordelingskaders op te nemen. Vanwege verschillen in de bewijsvoering en verschillen tussen de middelen die in deze strafzaken door het OM en namens de verdachten zijn ingediend, bestaat de mogelijkheid dat deze kaders voor een afzonderlijke zaak niet steeds in volle omvang relevant zijn voor de bespreking van de in die strafzaak ingediende middelen. De beoordelingskaders betreffen (1) de ruimte voor de toetsing van (deel)vrijspraken in cassatie, (2) een bespreking van het delict witwassen, waarvan met name de delictsbestanddelen ‘voorwerp’ en ‘afkomstig uit enig misdrijf’, (3) het ‘stappenplan’ voor het bewijs van witwassen (in het bijzonder van de criminele herkomst van het voorwerp), alsook de rol van typologieën van witwassen daarin, en (4) de kwalificatie-uitsluitingsgrond bij witwassen. Daarna volgt een bespreking van de ingediende middelen, waarbij ik voor een onderbouwing van mijn opvattingen diverse malen verwijs naar de desbetreffende beoordelingskaders.
De tenlastelegging, bewezenverklaring, bewijsvoering, motivering van de partiële vrijspraken en motivering van het ontslag van alle rechtsvervolging
8. Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
“1. hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 6 februari 2015 tot en met 19 januari 2016 te Amsterdam en/of Rotterdam en/of Schiedam en/of Almere , althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
a.
(telkens) een of meer voorwerpen, te weten een hoeveelheid van 1.887,81 bitcoins, althans een (grote) hoeveelheid bitcoins en/of een of meer geldbedrag(en) van in totaal 464.028,06 euro, althans een of meer (grote) (girale en/of contante) geldbedrag(en), heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of omgezet, en/of van genoemde voorwerp(en) gebruik heeft gemaakt, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat bovenomschreven voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) van
het plegen van dat feit een gewoonte heeft/hebben gemaakt,
en/of
b.
(telkens) van voorwerpen, te weten een hoeveelheid van 1.887,81 bitcoins, althans een (grote) hoeveelheid bitcoins en/of een of meer geldbedrag(en) van in totaal 464.028,06 euro, althans een of meer (grote) (girale en/of contante) geldbedrag(en), de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding, de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, en/of heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op genoemde voorwerpen was/waren, en/of heeft verborgen en/of verhuld wie genoemde voorwerpen voorhanden heeft/hebben gehad, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat bovenomschreven voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) van het plegen van dat feit een gewoonte heeft/hebben gemaakt.
2. hij op of omstreeks 19 januari 2016 te Almere tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad
ongeveer vijftien (15) tabletten/pillen, althans één of meerdere tabletten/pillen (DOC-457a), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA (3,4 methyleendioxymethamfetamine) en/of MDA (tenamfetamine) en/of MBEA (3,4 methyleendioxyethylamfetamine, synoniem: N-ethyl-MDA) en/of amfetamine,
zijnde MDMA (3,4 methyleendioxymethamfetamine) en/of MDA (tenamfetamine) en/of MDEA (3,4 methyleendioxyethylamfetamine, synoniem: N-ethyl-MDA) en/of amfetamine (te weten zogeheten XTC-pillen), (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,
en/of
ongeveer 199,92 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne (4,5-epoxy-17-methylmorfinan-3,6-diyl-diacetaat) en/of amfetamine,
zijnde heroïne (4,5-epoxy17-methylmorfinan-3,6-diyl-diacetaat) en/of amfetamine (DOC-457a), (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
3. hij op een of meer tijdstippen in op of omstreeks de periode van 6 februari 2015 tot en met 19 januari 2016, althans op 19 januari 2016, te Almere , om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen en/of telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren van
een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDA en/of MDMA en/of MDEA en/of N-ethylMDA en/of amfetamine (te weten zogeheten XTC-pillen), zijnde MDA en MDMA en MDEA en N-ethylMDA en amfetamine,
en/of
een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne (4,5-epoxy-17-methylmorfinan-3,6-diyl-diacetaat) en/of amfetamine, zijnde heroïne (4,5-epoxy-17-methylmorfinan-3,6-diyl-diacetaat) en/of amfetamine, (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet, behorende lijst I en/of (een) ander(e) materia(a)1(en) bevattende (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I,
voor te bereiden en/of te bevorderen voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere betaalmiddelen, te weten:
- verpakkingsmateria(a)l(en) en/of enveloppen en/of
adressenbestanden en/of
- een weegschaal en/of
- een label-writer en/of een plastificeerapparaat en/of
- een of meerdere laptops en/of een of meerdere mobiele telefoons en/of een of meerdere (andere) gegevensdragers met een adressenbestand en/of een of meerdere desktops en/of
- bitcoins en/of/ ketamine en/of/althans andere voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte wist of ernstige redenen had te vermoeden dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit (en).”
9. Daarvan is bewezen verklaard dat:
“1. hij op tijdstippen in periode van 6 februari 2015 tot en met 10 december 2015 te Almere , althans in Nederland,
a. (telkens) voorwerpen, te weten een hoeveelheid van 1.887,81 bitcoins, heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of omgezet, en/of van genoemde voorwerp (en) gebruik heeft gemaakt, terwijl hij, verdachte, redelijkerwijs moest vermoeden, dat bovenomschreven voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.
2. hij op 19 januari 2016 te Almere opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer vijftien (15) tabletten/pillen, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA (3,4 methyleendioxymethamfetamine) en/of amfetamine, zijnde MDMA (3,4 methyleendioxymethamfetamine) en/of amfetamine, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,
en
ongeveer 199, 92 gram van een materiaal bevattende heroïne en/of amfetamine, zijnde heroïne en/of amfetamine, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
3. hij op tijdstippen in de periode van 9 september 2015 tot en met 19 januari 2016 te Almere , om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen en/of verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren van een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDA en/of MDMA en/of MDEA en/of N-ethylMDA en/of amfetamine
en
een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne (4,5-epoxy-17-methylmorfinan-3, 6-diyl-diacetaat) en/of amfetamine, zijnde MDA en MDMA en MDEA en N-ethylMDA en amfetamine en
heroïne (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet, behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen
voorwerpen en/of stoffen en/of gelden en/of andere betaalmiddelen, te weten:
- verpakkingsmaterialen en/of enveloppen en/of adressenbestanden en
- een weegschaal en
- een label-writer en een plastificeerapparaat en
- meerdere laptops en een of meerdere mobiele telefoons en een of meerdere (andere) gegevensdragers en een desktop en ketamine en/of andere voorwerpen en/of stoffen
voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte wist dat die bestemd waren tot het plegen van die feiten.”
10. In het bestreden arrest heeft het hof onder meer het volgende overwogen:
“1. Feit 1 (witwassen)
De verdachte wordt kort gezegd verweten dat hij tussen 6 februari 2015 tot en met 19 januari 2016 BTC 1887,81 en/of een of meer geldbedrag(en) van in totaal € 464.028,06 heeft witgewassen.
Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van artikel 420bis, eerste lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: ‘Sr’) opgenomen bestanddeel "afkomstig uit enig misdrijf", niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.
Dat een voorwerp "afkomstig is uit enig misdrijf" kan, indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.
Indien door het Openbaar Ministerie feiten en omstandigheden zijn aangedragen die een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij of zij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat zo een verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.
Zodra het door de verdachte geboden tegenwicht daartoe aanleiding geeft, ligt het vervolgens op de weg van het Openbaar Ministerie om nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaringen van de verdachte blijkende, alternatieve herkomst van het geld/de bitcoins. Uit de resultaten van een dergelijk onderzoek zal dienen te blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de bitcoins/geldbedragen waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst hebben en dat derhalve een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.
Mede op basis van de resultaten van dat onderzoek zal moeten worden beoordeeld of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Indien een dergelijke verklaring is uitgebleven, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn bewijsoverwegingen.
Nu de tenlastelegging onder feit 1 zowel spreekt over bitcoins als over geld in euro's, moet allereerst worden vastgesteld welk voorwerp subject van deze beoordeling is. Waar de stelling van het Openbaar Ministerie onmiskenbaar is dat de verdachte bitcoins heeft witgewassen, en het bedrag in euro's vervolgens logischerwijze als het resultaat van dat witwassen moet worden aangemerkt, zal het hof beoordelen of het niet anders kan zijn dan dat BTC 1.887,81 van enig misdrijf afkomstig is. Het hof stelt reeds nu vast dat, indien en voor zover het witwassen van enige hoeveelheid bitcoins bewezen zal worden verklaard, niet eveneens het witwassen van de tegenwaarde daarvan in euro's bewezen kan worden verklaard. Dan zou immers sprake zijn van een dubbeltelling.
Het hof leidt uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden af.
De verdachte heeft verklaard dat de bitcoinwallets (hierna: 'wallets') met de nummers 19a9b033427, 16dlc3fed6, 4239e32334 en c6ac4df58c van hem waren. Voorts heeft hij verklaard dat hij handelde in cryptomunten, dat hij bitcoins verkreeg door ermee te handelen en door adviezen omtrent backdoors en exploits te geven op forums op het darkweb. Dit laatste zou een bedrag van € 70.000,-- aan inkomsten hebben opgeleverd.
Ook heeft de verdachte verklaard dat hij regelmatig contact had met de medeverdachte [medeverdachte 1] (hierna: ' [medeverdachte 1] ') in verband met het verkopen van bitcoins. Omdat het niet mogelijk bleek om bitcoins op zijn bankrekening te storten, moest hij een andere weg zoeken om zijn bitcoins te verzilveren. Het hof begrijpt hieruit dat de verdachte de bitcoins die in deze wallets binnenkwamen tegen contant geld verkocht.
Bij arrest van heden heeft het hof ten aanzien van de medeverdachte [medeverdachte 1] onder meer bewezenverklaard dat deze in de periode van 17 november 2014 tot en met 9 november 2015 BTC 966,5899 van de verdachte heeft gekocht tegen betaling van contant geld.
Uit het dossier blijkt dat in genoemde wallets van de verdachte in de periode van 6 februari 2015 tot en met 10 december 2015 BTC 1.887,81 is ontvangen, met een waarde van € 463.990,24.
Opbrengst uit enig/eigen misdrijf?
Het hof acht bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk handelen in strijd met artikel 2 van de Opiumwet (feit 2) en artikel 10a van de Opiumwet (feit 3). Ten aanzien van feit 3 heeft het hof bewezenverklaard dat dit heeft plaatsgevonden in de periode van 9 september 2015 tot en met 19 januari 2016.
Het hof acht het derhalve aannemelijk dat de verdachte heeft gehandeld in verdovende middelen en dat betaling daarvan in bitcoins geschiedde. De verdachte heeft deze bitcoins verworven, voorhanden gehad en vervolgens omgezet.
De verklaring van de verdachte omtrent de herkomst van de bitcoins is slechts op één punt relatief concreet, namelijk waar het gaat om het verdienen van € 70.000,-- aan het verkopen van informatie omtrent backdoors en exploits. Het verdienen van geld aan het verstrekken van informatie over backdoors en exploits duidt volgens het hof niet op een niet-criminele herkomst van dat geld.
Het betreft immers informatie die bij uitstek geschikt is voor het plegen van strafbare feiten. Zo is het niet ondenkbaar dat een exploit kan worden aangemerkt als een technisch hulpmiddel als bedoeld in artikel 139d, tweede lid, onder a, Sr, waarvan het verspreiden strafbaar is. Voorts duidt het verkopen van deze informatie op het darkweb allerminst op een niet-crimineel karakter daarvan; het darkweb wordt juist gebruikt voor activiteiten die het daglicht niet kunnen velen. Voor legale activiteiten is het gewone internet veel aantrekkelijker gezien de grotere klantenkring die daarmee bereikt kan worden.
Het hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat de verkregen bitcoins onmiddellijk afkomstig zijn uit door de verdachte zelf begane misdrijven.
Het hof acht dus bewezen dat verdachte het onder 1 aanhef en eerste cumulatief/alternatief tenlastegelegde feit in de zin van schuldwitwassen heeft gepleegd.
Verbergen / verhullen
Naar het oordeel van het hof is er, anders dan de advocaten-generaal hebben aangevoerd, onvoldoende overtuigend bewijs dat de verdachte de herkomst of de vindplaats van de bitcoins heeft willen verhullen of verbergen. Het hof heeft niet kunnen vaststellen dat de verdachte één of meer handelingen heeft verricht die gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst of de vindplaats van de bitcoins, nu uit de uit de bewijsmiddelen blijkende feiten en omstandigheden enkel kan worden afgeleid dat de verdachte bitcoins heeft omgewisseld tegen contant geld. Het enkele omzetten van de bitcoins naar contant geld kan naar het oordeel van het hof niet beschouwd worden als het verbergen of verhullen van de herkomst of de vindplaats van de bitcoins.
Ten aanzien van het onder 1 tweede cumulatief/alternatief tenlastegelegde overweegt het hof dat dit op grond van het voorgaande niet wettig en overtuigend kan worden bewezen, zodat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.
Medeplegen
Ten aanzien van het tenlastegelegde medeplegen overweegt het hof het volgende.
Het hof stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard indien – kort gezegd – is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.
De strafzaak tegen de verdachte maakt onderdeel uit van een aantal zaken die bekend staan onder de naam IJsberg. De verdachte wordt ervan verdacht zich schuldig te hebben gemaakt aan - kort gezegd - het witwassen van bitcoins door deze bitcoins te verkopen aan een bitcoinhandelaar. Ook de bitcoinhandelaar is in deze zaak één van de medeverdachten. De verdachte heeft gedurende een bepaalde periode op verschillende momenten bitcoins verkocht aan deze medeverdachte.
Het hof is van oordeel dat de 'samenwerking' tussen de verdachte en de medeverdachte, bestaande uit het enkel verkopen respectievelijk kopen van bitcoins onvoldoende grondslag vormt voor de stelling dat er sprake was van medeplegen, nu de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachte hieruit niet is komen vast te staan.
Dit betekent dat het hof de verdachte zal vrijspreken van het tenlastegelegde medeplegen.
2. Feiten 2 en 3 (bezit van harddrugs en treffen van voorbereidingshandelingen
De advocaten-generaal hebben zich ten aanzien van het onder 2 en 3 tenlastegelegde op het standpunt gesteld dat deze feiten conform het oordeel van de rechtbank wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.
De verdediging heeft zich ten aanzien van het onder 2 en 3 tenlastegelegde primair op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken. De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat er geen objectief bewijs aanwezig is dat het verwijt jegens de verdachte onderbouwt. Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van medeplegen en dat de verdachte derhalve in ieder geval dient te worden vrijgesproken van dat onderdeel, nu uit het procesdossier niet blijkt dat de verdachte in nauwe en bewuste samenwerking zou hebben gehandeld. Eveneens heeft de verdediging bepleit dat - in het geval van een bewezenverklaring - de tenlastegelegde periode niet geheel bewezen kan worden verklaard en daarom dient te worden verkort.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Het hof stelt allereerst de volgende feiten en omstandigheden vast.
Omdat het vermoeden bestond dat de verdachte zich schuldig maakte aan het witwassen van opbrengsten uit criminele activiteiten die de verdachte verrichtte, te weten handel op het darkweb, heeft op 19 januari 2016 een doorzoeking ter inbeslagname plaatsgevonden op het adres [a-straat 1] te [plaats] . Uit onderzoek was gebleken dat dit het verblijfadres was van de verdachte (AMB-081, AMB-070).
Op de dag van de doorzoeking werd om 06:03 uur de woning binnengetreden en werd de verdachte als enige persoon in de woning aangetroffen. Op het moment dat de politie arriveerde bij de woning brandde er geen licht in de woning (AMB-187). De verdachte droeg op het moment dat hij de deur opendeed enkel een boxershort (PD-11-01).
In de woning zijn onder meer diverse laptops, een desktopcomputer, diverse gegevensdragers en meerdere mobiele telefoons in beslag genomen. Bij de doorzoeking is eveneens een kamer aangetroffen die de kenmerken had van een ruimte van waaruit post wordt verzonden. Er werden daar onder andere enveloppen, verpakkingsmaterialen, een weegschaal, een labelwriter en een plastificeerapparaat aangetroffen en inbeslaggenomen. Tevens zijn diverse verdovende middelen, waaronder diverse doosjes en zakjes met poeders c.q. pillen, bestemd voor de verzending aangetroffen. Naast dit alles zijn eveneens dichtgeplakte enveloppen aangetroffen, waarvan bij de politie het vermoeden is ontstaan dat hierin pillen zitten.
Voorts is een bedrag van € 3.550,-- in coupures van € 50,-- aangetroffen (AMB-070b, c en d en Z8). Tot slot zijn in de woning verzendbewijzen aangetroffen die zijn afgegeven in Nederland, België en Duitsland van poststukken die door verschillende afzenders zijn verzonden naar adressen in onder meer Rusland, Canada, Oostenrijk, Kroatië, het Verenigd Koninkrijk en Tsjechië en een USB-stick met daarop een adressenlijst. Onderzoek in het handelsregister en in de systemen van de belastingdienst naar een aantal afzenders wees uit dat deze afzenders niet ingeschreven stonden op de aangegeven adressen (Z8).
De aangetroffen drugs is door de FIOD onderzocht. Uit dit onderzoek kwam uit de kleur-reactietest een indicatie voor MDMA, amfetamine, heroïne en ketamine (DOC-457a).
Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de - deels in dichte enveloppen - aangetroffen drugs, de ingerichte werkruimte en de kennelijk verzonnen verzendgegevens er op duiden dat er voorbereidingen zijn getroffen om vanuit de woning aan de [a-straat 1] te [plaats] drugs te verzenden naar afnemers in het buitenland.
Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld wie verantwoordelijk is voor de aangetroffen drugs en de aangetroffen voorwerpen en stoffen ter voorbereiding van de uitvoer van drugs.
Op het moment van de doorzoeking stond [betrokkene 1] ingeschreven op het betreffende adres aan de [a-straat 1] . De verdachte stond ingeschreven op het adres van zijn moeder in Amsterdam. Uit onderzoek van de politie komen echter aanwijzingen naar voren dat de feitelijke verblijfplaats van de verdachte [a-straat 1] was. Ten eerste zijn er tapgesprekken waaruit kan worden afgeleid dat de verdachte in november 2015 al drie maandelijkse huurtermijnen van € 1.000,-- voor de woning had voldaan aan ene [betrokkene 2] en de huur voortaan aan [betrokkene 1] zou voldoen. Voorts is er een tapgesprek waarin [betrokkene 1] aan de verdachte aankondigt dat een kandidaat-huurder de woning wil komen bekijken. De verdachte geeft in dat gesprek aan dat de kandidaat-huurder eigenlijk niet in de werkkamer kan kijken. In een ander tapgesprek reageert de verdachte op de vraag van een onbekend gebleven manspersoon hoe de straat van de verdachte heet door te zeggen ‘ [a-straat] ’. Tot slot is de verdachte op de dag van de doorzoeking van de woning in de vroege ochtend in zijn boxershort als enige persoon in die woning aanwezig.
Met de rechtbank leidt het hof uit deze feiten en omstandigheden af dat de verdachte de huur voor de woning betaalde en daarmee het recht op gebruik van de woning had en dat de verdachte ook daadwerkelijk gedurende langere tijd van dat recht op die woning – inclusief de werkkamer – gebruik maakte. Het hof gaat er daarom van uit dat de verdachte gedurende de tenlastegelegde periode de woning tot zijn beschikking had.
Net als de rechtbank acht het hof het ondenkbaar dat een andere persoon dan de verdachte de voorbereidingen heeft getroffen voor de verzending van de aangetroffen harddrugs naar het buitenland - een feit waarvoor een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren kan worden opgelegd - en de daarmee verband houdende voorwerpen onbeheerd achterlaat in een woning. Aangenomen mag worden dat dit soort feiten zich in het verborgene afspelen en dat personen die daarmee niets te maken hebben niet worden toegelaten tot de plaats waar de illegale waar voor het grijpen ligt. De uitlating van de verdachte over toegang van een kandidaat-huurder tot de werkkamer past daarbij. Ten overvloede merkt het hof op dat van aanwezigheid of betrokkenheid van anderen ook niet is gebleken.
Met de rechtbank is het hof dan ook van oordeel dat het niet anders kan dan dat de verdachte de aangetroffen en inbeslaggenomen goederen en voorwerpen opzettelijk aanwezig en voorhanden heeft gehad en dat deze bestemd waren voor de uitvoer van de aangetroffen harddrugs buiten het grondgebied van Nederland. Het dossier bevat onvoldoende aanwijzingen dat de verdachte het bewezenverklaarde feit 2 tezamen en in vereniging met een ander heeft gepleegd.”
11. Voors heeft het hof ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde het volgende overwogen:
“ Strafbaarheid van het onder 1 bewezenverklaarde
Ten aanzien van het onder 1 aanhef en eerste cumulatief/alternatief tenlastegelegde overweegt het hof het volgende.
Ten aanzien van het verwerven of voorhanden hebben van voorwerpen die onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstig zijn, geldt dat die gedragingen niet zonder meer als (schuld)witwassen kunnen worden gekwalificeerd. Wanneer het gaat om (schuld)witwassen bestaande uit het verwerven of voorhanden hebben van een voorwerp dat onmiddellijk afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf, moet uit de motivering kunnen worden afgeleid dat de gedragingen van de verdachte ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het voorwerp.
Er moet dus sprake zijn van een gedraging die meer omvat dan het enkele verwerven of voorhanden hebben en die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat door eigen misdrijf verkregen voorwerp gericht karakter heeft (HR 26 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM4 440; HR 8 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX4449 en HR 17 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2001).
Ook in het bijzondere geval dat overdragen, gebruik maken of omzetten van een uit eigen misdrijf afkomstig voorwerp plaatsvindt onder omstandigheden die niet wezenlijk verschillen van de situatie waarin de verdachte een onmiddellijk uit eigen misdrijf verkregen voorwerp verwerft of voorhanden heeft, geldt dat, wil het handelen kunnen worden aangemerkt als witwassen, sprake dient te zijn van een gedraging die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp gericht karakter heeft (vgl. HR 25 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:716, HR 7 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2913 en HR 2 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:321).
Zoals hierboven al door het hof overwogen is er naar het oordeel van het hof, anders dan de advocaten-generaal hebben aangevoerd, onvoldoende overtuigend bewijs dat de verdachte de herkomst of de vindplaats van de bitcoins heeft willen verhullen of verbergen. Het hof heeft niet kunnen vaststellen dat de verdachte één of meer handelingen heeft verricht die gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst of de vindplaats van de bitcoins, nu uit de uit de bewijsmiddelen blijkende feiten en omstandigheden enkel kan worden afgeleid dat de verdachte bitcoins heeft omgewisseld tegen contant geld. Het enkele omzetten van de bitcoins naar contant geld kan naar het oordeel van het hof niet beschouwd worden als het verbergen of verhullen van de herkomst of de vindplaats van de bitcoins.
Het voorgaande betekent dat het bewezenverklaarde onder 1 aanhef en eerste cumulatief/alternatief niet kan worden gekwalificeerd als witwassen en daarom gelet op de destijds geldende wetgeving geen strafbaar feit oplevert. De verdachte dient derhalve in zoverre te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.”