Home

Parket bij de Hoge Raad, 22-05-2024, ECLI:NL:PHR:2024:562, 23/05009

Parket bij de Hoge Raad, 22-05-2024, ECLI:NL:PHR:2024:562, 23/05009

Gegevens

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
22 mei 2024
Datum publicatie
22 mei 2024
ECLI
ECLI:NL:PHR:2024:562
Formele relaties
Zaaknummer
23/05009

Inhoudsindicatie

Prejudiciële vragen art. 392 Rv (ECLI:NL:GHDHA:2023:2606). Wsnp. Uitleg art. 349a lid 1 Fw, dat het sinds 1 juli 2023 mogelijk maakt dat de wettelijke schuldsanering eerder aanvangt dan met het toelatingsvonnis. Moet de rechter bij de toepassing van deze bepaling als voorwaarde stellen dat in het minnelijk traject is voldaan aan de inspanningsplicht; dat in het minnelijk traject ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers is afgelost (gespaard) boven het vrij te laten bedrag waardoor aflossingen onder beslag niet meetellen, dat die aflossing maximaal is geweest en dat de gespaarde bedragen daadwerkelijk aan de boedel worden afgedragen?

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 23/05009

Zitting 22 mei 2024

CONCLUSIE

R.H. de Bock

In de zaak

1. [verzoeker 1]

2. [verzoekster 2]

hierna gezamenlijk: [verzoekers]

advocaat: mr. R.R. Verkerk

1 Inleiding en samenvatting

1.1

Op [verzoeker 1] en [verzoekster 2] (hierna gezamenlijk: de schuldenaren) is de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp) van toepassing verklaard, met als ingangsdatum 1 juli 2023. De schuldenaren zijn het niet eens met deze ingangsdatum en hebben daartegen hoger beroep ingesteld. Het hof heeft vervolgens prejudiciële vragen gesteld over de uitleg van de sinds 1 juli 2023 in art. 349a lid 1 Faillissementswet (Fw) opgenomen zinsnede, dat de termijn van de schuldsaneringsregeling anderhalf jaar bedraagt, te rekenen van de dag van de uitspraak tot de toepassing van de schuldsaneringsregeling, dan wel van “de dag waarop de eerste aflossing is gedaan in het kader van de buitengerechtelijke schuldregeling als bedoeld in artikel 285, eerste lid, onder f, indien die dag eerder is gelegen.”

1.2

Met deze nieuwe zinsnede is het mogelijk geworden dat de rechter bij het vonnis tot toelating tot de Wsnp beslist dat de wettelijke schuldsanering al vóór het vonnis is gaan lopen. Gelijktijdig met deze wetswijziging is ook de looptijd van de Wsnp tot anderhalf jaar verkort (die was voorheen drie jaar).

1.3

Het vaststellen van een eerdere aanvangsdatum van de schuldsaneringsregeling betekent dat het aanvangsmoment van de Wsnp, achteraf bezien, op een eerder moment komt te liggen, namelijk in het buitengerechtelijke voortraject (het minnelijk traject). Het minnelijk traject verschiet dus van kleur; het verandert in het wettelijke traject. Omdat verder niets is gewijzigd in de verplichtingen die de Wsnp aan de schuldenaar oplegt, moet worden aangenomen dat de schone lei (nog steeds) alleen kan worden verkregen als aan alle Wsnp-verplichtingen is voldaan. Het gevolg is dat een eerder aanvangsmoment alleen mogelijk is indien de schuldenaar tijdens het minnelijk traject zoveel mogelijk heeft voldaan aan de eisen die gelden tijdens het wettelijke traject. Het minnelijk traject zal dan ook zoveel mogelijk moeten worden afgestemd op het wettelijke traject.

1.4

Een belangrijke consequentie daarvan is dat aflossingen (sparen) in het minnelijk traject alleen kunnen meetellen voor het verkrijgen van een eerdere ingangsdatum indien die ten gunste van de gezamenlijke schuldeisers zijn gekomen. Alleen dan is sprake van een ‘eerste aflossing’ als bedoeld in art. 349a lid 1 Fw. Ook onder het wettelijke schuldsaneringstraject wordt immers uitgegaan van afdracht ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers. Aflossingen die zijn gedaan onder beslag, kunnen dus niet meetellen voor de toepassing van de nieuwe regeling.

1.5

Om in aanmerking te komen voor een eerdere ingangsdatum zal de schuldenaar in het minnelijk traject zoveel mogelijk de inspanningsplicht moeten hebben nageleefd die geldt onder de Wsnp. Dat wil zeggen dat ook in het minnelijk traject de sollicitatieplicht moet worden nageleefd, op zo’n manier dat is voldaan aan de eisen die daaraan in het wettelijke traject worden gesteld.

1.6

Als de rechter de schuldenaar toelaat tot de Wsnp en een eerdere ingangsdatum vaststelt (dat zal maximaal 18 maanden eerder kunnen zijn, waarmee dan de gehele looptijd is vervuld), moet er wel voldoende tijd overblijven voor de Wsnp-bewindvoerder om zijn of haar wettelijke taken uit te voeren. De Wsnp-bewindvoerder wordt immers pas benoemd als de rechter de schuldenaar toelaat tot de Wsnp. Ook moet er tijd zijn om de schuldsaneringsregeling volgens de wettelijke regels tot een formeel einde te brengen, zodat de schone lei kan worden verleend. M.i. dient daarom bij toelating steeds een termijn van in beginsel zes maanden te resteren. Om dit te bewerkstelligen zal in voorkomende gevallen de termijn van de schuldsaneringsregeling moeten worden verlengd (art. 349a lid 2 Fw). De schuldenaar is gedurende die verlengde periode ontheven van de verplichting tot afdracht aan de boedel en van zijn inspanningsverplichting; de medewerkings- en informatieverplichtingen gelden echter nog wel.

1.7

In gevallen waarin de schuldenaar niet geheel volgens de regels van de Wsnp heeft afgelost (bijvoorbeeld omdat het vtlb in het minnelijk traject niet juist is vastgesteld, althans afwijkend van de vaststelling in de Wsnp), dient een pro rata benadering te worden gevolgd. Berekend moet worden hoeveel had moeten worden afgelost, en hoeveel in werkelijkheid is afgelost. Vervolgens wordt bepaald hoeveel maanden aflossing nodig is om het verschil tussen beide bedragen in te lopen. Die maanden worden afgetrokken van de periode waarin de ingangsdatum van de schuldsaneringsregeling ‘naar voren’ kan worden gehaald. Wel is steeds vereist dat aan de gezamenlijke schuldeisers is afgelost.

1.8

Ook wanneer de schuldenaar in het minnelijk traject niets heeft afgelost, kan er m.i. grond zijn om een eerdere ingangsdatum vast te stellen, namelijk wanneer de schuldenaar geen enkele aflossingscapaciteit heeft (aangenomen dat wel aan de inspanningsplicht is voldaan). In dat geval geldt als “de dag waarop de eerste aflossing is gedaan”, het moment waarop in het minnelijk traject een zogenoemd nulaanbod aan de schuldeisers is gedaan.

Inhoudsopgave:

1. Inleiding en samenvatting

2. Feiten en procesverloop

3. Inleiding juridisch kader

4. Het stelsel van schuldhulpregelingen

5. Wijziging in de Wsnp per 1 juli 2023

6. Algemene beschouwing over de wijzigingen per 1 juli 2023

7. Gevolgen van een eerdere aanvang voor het einde van de schuldsaneringsregeling

8. Het begrip “buitengerechtelijke schuldregeling”

9. De begrippen “eerste aflossing” en “in het kader van”

(i) Sparen in het kader van de buitengerechtelijke schuldregeling (9.2. e.v.)

(ii) Aflossingen niet ten goede van de gezamenlijke schuldeisers (9.10 e.v.)

(iii) Aflossingen boven het vtlb (9.28 e.v.)

(iv) Niet maximaal afgelost (9.40 e.v.)

(v) Ontbreken aflossingscapaciteit (9.53 e.v.)

(vi) Geen nadere vervolgaflossingen na “eerste” aflossing (9.71 e.v.)

(vii) Het begrip “in het kader van” (9.75)

10. De inspanningsplicht als voorwaarde in het minnelijk traject

11. Beantwoording van de prejudiciële vragen

2 Feiten en procesverloop

In deze procedure kan van de volgende feiten worden uitgegaan.1

2.1

In de zomer van 2019 hebben de schuldenaren voor schuldhulpverlening contact gehad met de gemeente Westland. Begin augustus 2019 hebben zij in dit kader een aanvraag tot begeleiding ingediend. Bij beschikking van 2 oktober 2019 heeft de gemeente een aanbod tot schuldhulpverlening gedaan, uit te voeren door [schuldhulpverlener] . De beschikking verwijst naar een aangehecht plan van aanpak. Een op 26 en 30 september 2019 gedateerd plan van aanpak van [schuldhulpverlener] beschrijft het aanbod en de inhoud van de schuldhulpverlening samengevat als volgt:

A. Stabilisatie. Er mogen geen nieuwe achterstanden meer ontstaan.

B. Schuldregeling. Zodra duidelijk is dat de situatie stabiel is en de vaste lasten stipt op tijd worden betaald, kan de stabilisatiefase worden afgesloten. Hierna kan de mogelijkheid van een (minnelijk) schuldregeling onderzocht worden. Er geldt een inspanningsverplichting om een zo hoog mogelijk inkomen te verwerven en, voor zover van toepassing, een sollicitatieplicht. Alle inkomsten boven het bedrag dat nodig is voor vaste lasten en noodzakelijke uitgaven worden gedurende drie jaar ingezet voor aflossing van de schulden. Bij aanvang van deze periode wordt een prognose gemaakt van het bedrag dat gedurende drie jaar kan worden ingezet voor aflossing. Wanneer niet alle schulden in drie jaar kunnen worden afgelost, wordt aan de crediteuren een percentage van de vordering aangeboden, onder voorwaarde dat zij kwijtschelding verlenen voor het gedeelte dat na drie jaar niet is afgelost.

C. WSNP. Wanneer een minnelijke regeling met de crediteuren niet mogelijk blijkt, dan kan aan de rechtbank om een gedwongen schuldregeling dan wel toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling worden gevraagd.

2.2

In een op 27 september 2019 gedateerde en ondertekende overeenkomst schuldhulpverlening tussen de schuldenaren en [schuldhulpverlener] is vermeld dat [schuldhulpverlener] zich zal inspannen om een minnelijke schuldregeling tussen de schuldenaren en hun (gezamenlijke) schuldeisers tot stand te brengen.

2.3

Met ingang van 31 mei 2021 hebben de schuldenaren zich onder beschermingsbewind laten stellen.

2.4

Per 9 april 2022 is de dienstverlening door [schuldhulpverlener] gestaakt.

2.5

Bij besluit van 3 oktober 2022 heeft de gemeente een aangepast plan van aanpak voor schuldhulpverlening vastgesteld. Volgens dit plan van aanpak zou de gemeente direct na ontvangst van de in het besluit genoemde stukken (ondertekende stabilisatieovereenkomsten en overeenkomsten schuldregeling, en een schuldenoverzicht inclusief ontstaansdata) starten met een traject met de volgende stappen:

- de gemeente vraagt de schuldeisers naar de hoogte van de schulden;

- de schuldenaren controleren het schuldenoverzicht;

- de gemeente stuurt de schuldeisers een voorstel voor een regeling.

De voor de schuldenaren opgestelde stabilisatieovereenkomst bepaalt, kort gezegd, dat de schuldenaren zich inspannen om inkomsten en uitgaven in evenwicht te brengen, en te houden. De opgestelde overeenkomsten schuldbemiddeling beschrijven, samengevat, dat de schuldenaren verplicht zijn om zich in te spannen maximaal inkomen te verwerven, en de gemeente om zich in te spannen met alle schuldeisers afspraken te maken over de schulden. Alle inkomsten boven het vrij te laten bedrag worden, volgens de overeenkomsten, door de gemeente behouden voor de schuldeisers.

2.6

Bij beschikkingen van 9 maart 2023 heeft de rechtbank Den Haag de toenmalige beschermingsbewindvoerder van de schuldenaren op eigen verzoek ontslagen, en een nieuwe beschermingsbewindvoerder benoemd.

2.7

Volgens een schrijven van de gemeente van 19 april 2023 aan de nieuwe beschermingsbewindvoerder was er tot dat moment nog geen spaarverplichting van toepassing, omdat het krediet afhankelijk was van het akkoord dat bereikt moest worden.

2.8

Uit een schrijven van de gemeente van 5 juli 2023 aan de beschermingsbewindvoerder blijkt dat de gemeente in september 2022 de schuldregeling heeft gestart, waarna ook de schuldregelingsovereenkomst is ondertekend. Door de vele aanpassingen in de berekeningen van het vrij te laten bedrag (de vtlb’s) zijn er diverse voorstellen uitgebracht met wisselende aanbiedingspercentages, aldus de gemeente.

2.9

Uit een overzicht dat is opgesteld door de (huidige) beschermingsbewindvoerder blijkt dat in de periode september 2019-juni 2023 (onder beslag op de maandelijkse inkomsten van de schuldenaren) een bedrag van in totaal € 78.795,13 is afgedragen aan de aannemer. Verder blijkt dat het totaalsaldo inkomsten van de schuldenaren, na aftrek van de afdrachten beslag en na aftrek van het vtlb negatief is, met dien verstande dat op maandbasis in enkele maanden wel een positief saldo voor de post ‘te ontvangen boedel’ wordt berekend. Gesaldeerd met posten niet-kwijtgescholden decentrale belastingen, komt de totaalpost ‘te ontvangen boedel’ uit op afgerond € 3.596,-. Dit bedrag is beschikbaar voor de boedel.

2.10

Als de afdrachten onder het beslag niet worden meegerekend, is het saldo van de inkomsten van de schuldenaren minus het vtlb (€ 151.834,34 + € 18.166,21 + € 32.285,67 - € 1.116,67 - € 143.455,55) € 57.714,00. Dat positieve saldo was, op het hiervoor bedoelde bedrag van afgerond € 3.596,- na, niet beschikbaar voor de boedel.

2.11

Bij verzoekschrift van 7 juli 2023 hebben de schuldenaren om toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling verzocht, met daarbij het verzoek om de looptijd met 18 maanden te verkorten.

2.12

Op 25 juli 2023 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden.

2.13

Bij vonnis van 1 augustus 2023 heeft de rechtbank het verzoek om toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling toegewezen. Het verzoek om de looptijd te verkorten vatte de rechtbank op als verzoek om de ingangsdatum te bepalen op de datum die gelegen is op 18 maanden voorafgaand aan de datum van het te wijzen toelatingsvonnis (art. 349a lid 1 Fw). Dit verzoek heeft de rechtbank slechts gedeeltelijk toegewezen; de ingangsdatum is bepaald op één maand voor die van het vonnis, dus op 1 juli 2023. De reden daarvoor was dat het door de schuldenaren in het voortraject gespaarde bedrag van afgerond € 3.596,- slechts voldoende was voor aflossing conform de aflossingsplicht van een volledige maand (voorafgaand aan de uitspraak). Afdrachten die onder beslag zijn gedaan, heeft de rechtbank niet als aflossingen in de zin van art. 349a Fw meegerekend.

2.14

De schuldenaren hebben hoger beroep ingesteld, waarbij zij verzoeken om het verzoek tot vaststelling van een eerdere ingangsdatum alsnog volledig toe te wijzen. In het beroepschrift is opgemerkt dat schuldenaren openstaan voor het stellen van prejudiciële vragen aan de Hoge Raad over de toepassing van art. 349a lid 1 Fw.2

2.15

De beschermingsbewindvoerder onderschrijft het verzoek van de schuldenaren om eerder toegelaten te worden tot de schuldsaneringsregeling. De Wsnp-bewindvoerder kan zich daarentegen vinden in het oordeel van de rechtbank.

2.16

Het hof overweegt dat de schuldenaren ontvankelijk zijn in het hoger beroep (art. 293 lid 2 Fw, rov. 5.1).

2.17

Het hof heeft in de voorliggende zaak aanleiding gezien om prejudiciële vragen te stellen over de uitleg van art. 349a Fw. Bij arrest van 22 december 20233 heeft het gerechtshof Den Haag op de voet van art. 392 Rv de volgende prejudiciële vragen aan de Hoge Raad voorgelegd:

“1. Wat dient te worden verstaan onder ‘eerste aflossing’, ‘in het kader van’ en ‘buitengerechtelijke schuldregeling’ als bedoeld in artikel 285, eerste lid, onder f' in artikel 349a lid 1 Fw?

2. Is de rechter bevoegd om, bij de toepassing van artikel 349a lid 1 Fw, voor de termijn van de schuldsaneringsregeling in beginsel slechts die periode voorafgaand aan zijn uitspraak in aanmerking te nemen waarin de schuldenaar:

i) heeft voldaan aan een inspanningsplicht om ten behoeve van de boedel zoveel mogelijk baten te verwerven (alsof de wettelijke schuldsaneringsregeling die periode al van toepassing was), en

ii) uit zijn inkomen heeft afgelost aan, dan wel heeft gespaard ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers: alles wat niet diende of zou plegen te worden vrijgelaten als de wettelijke schuldsaneringsregeling in die periode al van toepassing was geweest, en daarbij de voorwaarde te stellen dat het gespaarde daadwerkelijk aan de boedel wordt afgedragen?”

2.18

De Hoge Raad heeft de prejudiciële vragen in behandeling genomen en partijen een termijn van zes weken verleend om schriftelijke opmerkingen in te dienen. Op 27 februari 2024 zijn namens de schuldenaren schriftelijke opmerkingen ingediend. De bewindvoerder heeft geen schriftelijke opmerkingen ingediend.

2.19

De bewindvoerder is in de gelegenheid gesteld om te reageren op de schriftelijke opmerkingen aan de zijde van de schuldenaren. De bewindvoerder heeft geen gebruik gemaakt van die mogelijkheid.

3 Inleiding juridisch kader

3.1

De prejudiciële vragen van het hof gaan over de uitleg van de sinds 1 juli 2023 in art. 349a lid 1 Fw opgenomen bepaling, dat de termijn van de schuldsaneringsregeling anderhalf jaar bedraagt, te rekenen van de dag van de uitspraak tot de toepassing van de schuldsaneringsregeling, “dan wel van de dag waarop de eerste aflossing is gedaan in het kader van de buitengerechtelijke schuldregeling als bedoeld in artikel 285, eerste lid, onder f, indien die dag eerder is gelegen”’.

3.2

De eerste vraag richt zich op de uitleg van de begrippen “eerste aflossing”, “in het kader van” en “buitengerechtelijke schuldregeling” in de hiervoor geciteerde zinsnede. De tweede vraag ziet op de voorwaarden die de rechter mag of moet stellen voor het intreden van de eerdere start van de termijn van de schuldsaneringsregeling (als bedoeld in de hiervoor aangehaalde zinsnede), voor wat betreft de inspanningen en afdrachten van (dan wel het sparen door) de schuldenaar in de periode voorafgaand aan de datum waarop de wettelijke schuldsaneringsregeling op hem van toepassing is geworden.

3.3

Ter bespreking van de prejudiciële vragen zal eerst worden stilgestaan bij het wettelijk kader van de schuldhulpregelingen in brede zin, waarbij aandacht wordt besteed aan de gemeentelijke schuldhulpverlening, het dwangakkoord, de Wsnp en het schuldenbewind (hoofdstuk 4). Vervolgens komen de wijzigingen in de Wsnp per 1 juli 2023 aan bod, met een focus op de wijziging van art. 349a lid 1 Fw (hoofdstuk 5). Aansluitend volgen enkele algemene beschouwingen over de wetswijzigingen (hoofdstuk 6), en wordt besproken wat de gevolgen zijn van een eerdere aanvang van de termijn van de schuldsaneringsregeling (hoofdstuk 7). Hierna wordt achtereenvolgens stilgestaan bij het begrip “buitengerechtelijke schuldregeling” (hoofdstuk 8), de begrippen “eerste aflossing” en “in het kader van” (hoofdstuk 9) en bij de inspanningsplicht (hoofdstuk 10). Bij deze bespreking wordt ook feitenrechtspraak van de afgelopen maanden betrokken, waarin toepassing is gegeven aan de nieuwe bepaling in art. 349a lid 1 Fw. Voor een nadere toelichting op dit rechtspraakonderzoek wordt verwezen naar de aan deze conclusie gehechte bijlage. Afsluitend volgt de beantwoording van de prejudiciële vragen (hoofdstuk 11).

4 Het stelsel van schuldhulpregelingen

5 Wijzigingen in de Wsnp per 1 juli 2023

6 Algemene beschouwing over de wetswijzigingen van 1 juli 2023

7 Gevolgen van een eerdere aanvang voor het einde van de schuldsaneringsregeling

8 Het begrip “buitengerechtelijke schuldregeling”

9 De begrippen “eerste aflossing” en “in het kader van”

10 De inspanningsplicht als voorwaarde in het minnelijk traject

11 Beantwoording van de prejudiciële vragen

12 Conclusie