Home

Parket bij de Hoge Raad, 04-06-2024, ECLI:NL:PHR:2024:577, 22/04019

Parket bij de Hoge Raad, 04-06-2024, ECLI:NL:PHR:2024:577, 22/04019

Gegevens

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
4 juni 2024
Datum publicatie
17 september 2024
ECLI
ECLI:NL:PHR:2024:577
Formele relaties
Zaaknummer
22/04019

Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Jaddoe. Art. 249 Sr. Ontucht met minderjarige ondergeschikte of bediende. Falende bewijsklachten. Strekt tot verwerping.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer22/04019

Zitting 4 juni 2024

CONCLUSIE

D.J.M.W. Paridaens

In de zaak

[verdachte],

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1946,

hierna: de verdachte.

Inleiding

1. De verdachte is bij arrest van 21 oktober 2022 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden wegens onder 1 primair en onder 2 primair telkens “ontucht plegen met zijn minderjarige bediende of ondergeschikte” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden. Het hof heeft daarnaast beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen en in verband daarmee aan de verdachte schadevergoedingsmaatregelen opgelegd, zoals nader in het arrest omschreven.1

2. Namens de verdachte heeft M.W. Stoet, advocaat in Den Haag, drie middelen van cassatie voorgesteld.

Het eerste middel

3. Het eerste middel bevat twee klachten over de bewezenverklaring onder 1 primair. Ik geef eerst de bewezenverklaring en een deel van de bewijsvoering weer.

4. Ten laste van de verdachte is onder 1 primair bewezenverklaard dat:

“hij op verschillende tijdstippen, in de periode van 1 januari 2009 tot en met 31 december 2011 te [plaats], telkens ontucht heeft gepleegd met zijn minderjarige bediende of ondergeschikte [slachtoffer 1], geboren op [geboortedatum] 1997, hierin bestaande dat verdachte die [slachtoffer 1], die werkzaamheden voor hem verrichtte en/of had verricht,

- heeft geknuffeld en

- op haar mond heeft gekust en

- een tongzoen heeft gegeven en

- haar borsten heeft betast.”

5. Het hof heeft over deze bewezenverklaring overwogen:

Betrouwbaarheid [slachtoffer 1]

heeft op 26 april 2018 aangifte gedaan van aanranding door verdachte. Dit zou zijn gebeurd tijdens haar werk in verdachtes viswinkel en bij hem thuis waar zij verdachtes duivenhokken schoonmaakte. Verdachte zou haar meermalen hebben gekust en ge(tong)zoend en haar borsten hebben betast. Dit zou hebben plaatsgevonden toen aangeefster 11 of 12 jaar oud was, vanaf het jaar 2009. Voorafgaand aan de aangifte hebben aangeefster [slachtoffer 1] en aangeefster [slachtoffer 2] (feit 2) op 23 maart 2018 melding gedaan van de ontucht op het politiebureau in [plaats] en heeft er op 6 april 2018 een informatief gesprek met hen plaatsgevonden.

Voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van aangeefster heeft het hof gelet op de mate van consistentie, accuraatheid en volledigheid van haar verklaringen. Daarbij gaat het om de totale indruk die de verklaringen maken en de wijze waarop deze zijn afgelegd. Het enkele feit dat in verklaringen op onderdelen tegenstrijdigheden of onduidelijkheden voorkomen, zoals de raadsman heeft aangevoerd, maakt deze verklaringen op zichzelf nog niet onbetrouwbaar. Verschillen tussen verklaringen kunnen immers veroorzaakt zijn door de feilbaarheid van het menselijk geheugen, teweeggebracht onder invloed van emoties, ontstaan door het delict of door het tijdsverloop.

Het hof stelt vast dat de verklaring van aangeefster concreet en gedetailleerd is en in de kern consistent. Wat betreft de aard van de ontuchtige handelingen acht het hof relevant dat zij in zowel het informatieve gesprek als later bij de aangifte heeft verklaard dat er sprake was van (tong)zoenen en het betasten van haar borsten en dat dit gebeurde vóórdat zij haar geld kreeg. Het vond plaats in de winkel, in het duivenhok en het achterkamertje (in de woning van verdachte). Deze locaties komen ook in de verschillende verklaringen terug. Hetzelfde geldt voor bepaalde details zoals dat verdachte haar de weg versperde en dat zij afwijzend op de handtastelijkheden reageerde, door bijvoorbeeld haar schouders naar achteren te bewegen. Voorts acht het hof van belang dat aangeefster heeft beschreven welk gevoel de handelingen van verdachte haar gaven: “Ik ging aan mijzelf twijfelen. Ik werd er warm en misselijk van. Het was mij nog nooit overkomen ik wist niet wat ik er mee aan moest.” Later verklaart ze dat ze zich op zo’n moment ongemakkelijk, onzeker en bang voelde.

Het hof stelt verder vast dat aangeefster consequent is in haar verklaring over hoe ze uiteindelijk met het verhaal naar buiten is gekomen: ze had een vriendin meegenomen naar verdachtes huis, die vriendin mocht niet mee in het kamertje en vroeg haar later wat er was gebeurd. Aangeefster wilde dit in eerste instantie niet vertellen, deed dat later toch, en heeft het vervolgens op aandringen van haar vriendin ook aan haar moeder verteld. Deze vriendin, [getuige 1], en haar moeder bevestigen een en ander, zoals hierna verder aan de orde zal komen.

Ten slotte acht het hof voor de geloofwaardigheid van belang dat aangeefster niet ‘opeens’ met dit verhaal is gekomen, maar dat zij een proces doorgemaakt lijkt te hebben waarbij zij stapsgewijs, over een periode van meerdere jaren, mensen heeft ingelicht en uiteindelijk met haar volledige verklaring naar buiten is getreden. Uit zowel haar eigen verklaring als die van haar moeder en informatie van de GGZ volgt dat ze na de gestelde gebeurtenissen niet goed in haar vel zat en dat ze verdachte na die keer met [getuige 1], ontweek. Uiteindelijk is aangeefster in 2017 bij de GGZ terecht gekomen en heeft ze daar gesprekken gevoerd en EMDR therapie gehad. Uit de stukken in het dossier blijkt dat tijdens de gesprekken met de GGZ gesproken is over het misbruik en dat daarin details terugkomen die ook later door aangeefster tegenover de politie zijn benoemd (“Hij vroeg pte mee naar de achterkamer, om af te rekenen, haar vriendin bleef voor. daar gaf hij pt een zoen op de mond en verhinderde dat zij weg kon lopen door voor de deur te gaan staan, terwijl ze duidelijk aangaf weg te willen. Pas later liet hij haar erdoor. Mw. was erg van slag, ze heeft het wel aan haar vriendin verteld, die erop aandrong dat ze haar moeder zou inlichten. Dat heeft ze gedaan. M was erg boos en vader wilde verhaal gaan halen. Dat heeft pte weten te voorkomen. Ze wilde toen geen aangifte doen, nu staat ze daar anders in. Targetbeeld is dat ze in die achterkamer staat en hij zich breed maakt, zodat ze er niet door kan.”). Hieruit blijkt dat zij op bepaalde onderdelen over meerdere jaren consistent heeft verklaard.

Anders dan de verdediging heeft betoogd, geeft het tijdsverloop en het contact dat voor de aangifte tussen aangeefster [slachtoffer 1] en aangeefster [slachtoffer 2] heeft plaatsgevonden, geen aanleiding tot twijfel over de geloofwaardigheid en accuraatheid van hun verklaringen. Dat er onderlinge afstemming of negatieve beïnvloeding is geweest, blijkt nergens uit. Hoewel er zeker overeenkomsten zijn, zoals hierna zal worden overwogen, zijn er ook verschillen die afstemming juist tegenspreken. Zo gaat het bij aangeefster [slachtoffer 1] om ontucht dat meermalen, met een zekere regelmaat over een lange periode heeft plaatsgevonden en gaat het bij [slachtoffer 2] om één gebeurtenis. Dat in de gesprekken met de GGZ door [slachtoffer 1] in 2017 reeds details zijn genoemd die overeenkomen met haar latere aangifte, wijzen er ook op dat van afstemming of beïnvloeding geen sprake is geweest. Ten slotte geeft [slachtoffer 2] een plausibele verklaring voor het feit dat het contact met [slachtoffer 1] haar tot het doen van aangifte heeft gebracht, namelijk dat zij daardoor het gevoel kreeg sterker te staan.

Al met al ziet het hof geen reden aan de juistheid van de verklaring van [slachtoffer 1] te twijfelen. Het hof acht de verklaring aldus geloofwaardig en betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs. Het verweer strekkende tot bewijsuitsluiting wordt verworpen.

Vervolgens ziet het hof zich voor de vraag gesteld of het dossier voldoende steunbewijs bevat.

Steunbewijs

Op grond van het bepaalde in artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat het de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de feiten en omstandigheden die door die aangever/getuige worden genoemd op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. Ingevolge vaste jurisprudentie van de Hoge Raad staat hier echter tegenover dat, met name in zedenzaken, een geringe mate aan steunbewijs in combinatie met geloofwaardige verklaringen van het slachtoffer toch het volgens de wet vereiste minimum aan bewijs kan opleveren.

De vraag of voldoende steunbewijs aanwezig is, is afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval. Wel zijn hiervoor in de jurisprudentie enige regels geformuleerd. Zo moet het steunbewijs ‘voldoende steun’ geven aan de verklaring van de getuige. Dit betekent dat het steunbewijs op relevante wijze in verband moet staan met de inhoud van de verklaring van de getuige. Het steunbewijs mag in beginsel niet afkomstig zijn van dezelfde bron, in die zin dat als steunbewijs zou kunnen worden gebruikt de verklaring van een ander aan wie de getuige heeft verteld wat hem of haar is overkomen. Een dergelijke de auditu-verklaring levert op zichzelf niet voldoende steunbewijs op. Wel kunnen bepaalde waarnemingen die de de auditu-getuige persoonlijk heeft gedaan voldoende steunbewijs opleveren. Ook kunnen eigen waarnemingen van getuigen, die weliswaar niet het kernverwijt, bijvoorbeeld de verweten seksuele handelingen, bevestigen, binnen de context van de gebeurtenissen voldoende zelfstandig onderscheidend zijn om als objectief gegeven in combinatie met andere omstandigheden een rol van betekenis kunnen spelen als steunbewijs naast de verklaring van het slachtoffer. Niet is vereist dat het steunbewijs betrekking dient te hebben op de ten laste gelegde gedragingen. Eveneens is niet vereist dat het steunbewijs rechtstreeks de betrokkenheid van de verdachte bij het ten laste gelegde feit bevestigt.

Met betrekking tot de vraag naar de aanwezigheid van steunbewijs slaat het hof als eerste acht op de verklaring van [getuige 1]. Zij bevestigt in belangrijke mate de verklaring van aangeefster [slachtoffer 1] over de keer dat zij haar vergezelde bij het schoonmaken van de duivenhokken. [getuige 1] verklaart dat zij zag dat verdachte aangeefster meenam naar achteren en dat zij dat raar vond. [getuige 1]: “Toen ze weer bij mij kwam zag ze er beteuterd uit. Ik vroeg haar wat er aan de hand was. Ze zei tegen mij dat er niets aan de hand was. Later vroeg ik het haar nog een keer en toen vertelde ze mij dat die man een kus van haar wilde. Ik vroeg haar of dat vaker was gebeurd en ze vertelde dat dat zo was. Ze vertelde mij dat ze bang voor de man was en dat ze mij daarom had meegevraagd, omdat hij het dan misschien niet zou doen. Ze vertelde dat ze nachtmerries had en dat ze het haar ouders niet durfde te vertellen.”

De verklaring van [getuige 1] ondersteunt de verklaring van aangeefster over de plaats waar de ontuchtige handelingen plaatsvonden, de gang van zaken en de context: dat verdachte een kus van [slachtoffer 1] wilde omdat ze anders haar geld niet zou krijgen. Ook heeft [getuige 1] van aangeefster gehoord dat het meermalen gebeurd was. Dat aangeefster het op aandringen van [getuige 1] aan haar moeder heeft verteld, komt eveneens overeen met de andere bewijsmiddelen.

Voorts blijkt uit de verklaring van [getuige 1] dat zij een belangrijke waarneming heeft gedaan, namelijk dat zij zag dat aangeefster er ‘beteuterd’ uitzag toen ze terugkwam uit het kamertje. Bij doorvragen van de verbalisant heeft [getuige 1] volhard in die waarneming: aangeefster was van slag en [getuige 1] zag angst in haar ogen. Deze waarneming vormt (direct) steunbewijs voor de verklaring van aangeefster.

Het hof ziet geen aanleiding om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de verklaring van [getuige 1] te twijfelen, ook niet nu is gebleken dat zij voorafgaand aan haar verklaring met aangeefster [slachtoffer 1] heeft gesproken. Het enkele feit dat er contact is geweest, is onvoldoende om aan te nemen dat van negatieve beïnvloeding sprake is geweest. Dat daarvan sprake is geweest, blijkt nergens uit. Uit de verklaring van [getuige 1] blijkt weliswaar dat zij ten tijde van het ten laste gelegde vriendinnen waren, maar ook dat dat al lange tijd niet meer het geval is. Ze hebben ruzie gehad en hun vriendschap is verbroken. Verder is de beschrijving van de waarneming door [getuige 1] zo specifiek, dat dit bij het een hof een bijzonder authentieke indruk wekt.

Naast de verklaring van [getuige 1] is ook de verklaring van de moeder van aangeefster, [getuige 2], van belang. Zij bevestigt de gang van zaken rondom de door aangeefster geschetste ‘disclosure’ en heeft waargenomen dat aangeefster op dat moment geëmotioneerd was. Ook heeft zij gemerkt dat aangeefster verdachte niet meer wilde zien en noemt daarbij ook een specifieke situatie: “Toen ze haar rijbewijs had gehaald was ze net 18. Hij had inmiddels de vishandel niet meer maar een kar bij de oprit van de snelweg. We gingen een stukje rijden en ze mocht in de auto rijden en ik vroeg haar waarom ze die oprit niet nam. Ze zei toen dat daar de visboer stond. Ik merkte toen dat ze er toch nog wel last van had. Ze vertelde er verder niet over.” Voorts valt op dat aangeefster aan [getuige 2] heeft verteld dat ze klem had gestaan toen het gebeurde en dat verdachte voor de deur stond. Dit is een detail dat terugkomt in andere bewijsmiddelen en sterkt het hof in de overtuiging dat aangeefster en de getuigen naar waarheid hebben verklaard.

Ten slotte stelt het hof vast dat de ten laste gelegde pleegperiode en arbeidsverhouding (in de zin dat aangeefster als bijbaantje in de viswinkel van verdachte heeft gewerkt en later bij verdachte thuis tegen betaling duivenhokken ging schoonmaken) door de verdediging niet zijn betwist en kunnen worden bewezen op grond van de nog nader uit te werken bewijsmiddelen.

Conclusie met betrekking tot feit 1

Op grond van het voorgaande komt het hof tot de conclusie dat er voldoende bewijs is dat de geloofwaardige verklaring van aangeefster [slachtoffer 1] ondersteunt. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld is derhalve aan het bewijsminimum voldaan.

Het hof acht het wettige bewijs ook overtuigend en komt op grond daarvan tot een bewezenverklaring van het onder 1 primair ten laste gelegde feit, zoals hierna vermeld. De verweren van de verdediging worden verworpen.”

De eerste klacht

6. De eerste klacht houdt in dat het hof ten aanzien van feit 1 primair ontoereikend gemotiveerd is afgeweken van het bewijsverweer dat de verklaringen van de aangeefster [slachtoffer 1] onbetrouwbaar zijn vanwege de discrepanties genoemd in de pleitnota in hoger beroep onder 5-10.

7. De betreffende onderdelen van de aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep gehechte pleitnota houden het volgende in:

“Aangifte [slachtoffer 1]

Het tweede middel

“Aangifte [slachtoffer 2]

Moeder [slachtoffer 2]

Het derde middel

Slotsom