Parket bij de Hoge Raad, 31-05-2024, ECLI:NL:PHR:2024:588, 23/01896
Parket bij de Hoge Raad, 31-05-2024, ECLI:NL:PHR:2024:588, 23/01896
Gegevens
- Instantie
- Parket bij de Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 31 mei 2024
- Datum publicatie
- 20 juni 2024
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2024:588
- Formele relaties
- Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:1709
- Zaaknummer
- 23/01896
Inhoudsindicatie
Overeenkomstenrecht. Opzegging duurovereenkomst (franchise); voldoet neutrale grond voor opzegging (wijziging distributiebeleid) aan voorbehouden reden dat in redelijkheid van franchisegever geen voortzetting kan worden verlangd?; additionele schadevergoeding ondanks inachtneming redelijke opzegtermijn? Proceskosten.
Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/01896
Zitting 31 mei 2024
CONCLUSIE
G.R.B. van Peursem
In de zaak
[de B.V.] ,
eiseres tot cassatie in het principaal cassatieberoep,
verweerster in cassatie in het deels voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep
tegen
Leen Bakker Nederland B.V.
verweerster in het principaal cassatieberoep,
eiseres tot cassatie in het deel voorwaardelijke incidenteel cassatieberoep
Partijen worden hierna verkort aangeduid als [de B.V.] of franchisenemer, respectievelijk Leen Bakker of franchisegever.
1 Inleiding en samenvatting
Deze zaak hangt samen met drie andere zaken over de beëindiging van franchiseovereenkomsten, waarin ik vandaag ook concludeer. Franchisegever heeft de franchiseovereenkomsten met haar vier franchisenemers opgezegd; zij stopt met de franchiseformule om bedrijfseconomische redenen1 – ook wel aangemerkt als opzegging op neutrale gronden, dus zonder dat daaraan ten grondslag ligt een verwijt aan het adres van de opgezegde partijen2. In de franchiseovereenkomsten was een opzeggingsbevoegdheid voor franchisegever voorbehouden met een opzegtermijn van 13 maanden en met als grond dat van haar in redelijkheid niet kon worden gevergd de franchiseovereenkomst te laten voortduren. Zowel kantonrechter als hof hebben geoordeeld dat de opzegging hier gerechtvaardigd is in verband met zwaarwegende bedrijfseconomische belangen. Het hof heeft, anders dan de kantonrechter, daarbij wel geoordeeld dat de eisen van redelijkheid en billijkheid in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst in de weg staan aan opzegging zonder betaling van een (schade)vergoeding en heeft franchisegever veroordeeld in de vorm van verwijzing naar de schadestaatprocedure. Tegen de opzeggingsoordelen worden in cassatie door de franchisenemers en franchisegever klachten gericht, die ik geen doel zie treffen. Ook richt franchisegever een klacht tegen het oordeel over het verband tussen de lengte van de in achtgenomen (verlengde) opzegtermijn en de (niettemin) aangenomen verplichting tot schadevergoeding, die ik evenmin doel zie treffen. Wel slaagt de klacht van de franchisenemers over de proceskostenveroordeling in eerste aanleg.
2. Feiten 3
Leen Bakker exploiteert in Nederland 109 eigen winkels en in België 56 eigen winkels. Daarnaast heeft Leen Bakker vier franchisewinkels die worden geëxploiteerd door Belfurn B.V., Bentja B.V., Dampie B.V. en [de B.V.] .
De vier franchisenemers hebben zich verenigd in een Franchise Vereniging Leen Bakker (hierna: de franchisevereniging) waarvan [betrokkene 1] , directeur van [de B.V.] , voorzitter is.
Vanaf 1 januari 1995 heeft franchisenemer met franchisegever een franchiseovereenkomst gesloten op grond waarvan zij een detailhandelszaak in woninginrichting en aanverwante artikelen exploiteert onder gebruikmaking van het Leen Bakker-concept. Het concept houdt in dat gebruik wordt gemaakt van de handelsnaam, styling, reclame-uitingen en know how van Leen Bakker.
De franchiseovereenkomst van 2 februari 1996 (waartoe ook een aanhangsel, een allonge en addendum horen) is gesloten voor de periode 1 januari 1995 tot en met 31 juli 2003 met aansluitend telkens verlenging van vijf jaar tenzij opzegging plaatsvindt.
In de franchiseovereenkomst is ten aanzien van opzegging (voor zover van belang) het volgende vermeld:
"10.1 Deze overeenkomst wordt aangegaan voor een periode ingaande op 01 januari 1995 en eindigende op 31 juli 2003, overeenkomstig einddatum huurperiode huidige locatie. De overeenkomst wordt vervolgens telkens met een tijdvak van vijf jaar verlengd, tenzij opzegging heeft plaatsgevonden.
Opzegging van de overeenkomst dient te geschieden per aangetekend schrijven of bij deurwaardersexploot met inachtneming van een termijn van zes maanden.
De franchisegever is slechts gerechtigd de overeenkomst op te zeggen, indien van hem in redelijkheid niet kan worden gevergd de onderhavige overeenkomst te laten voortduren. De opzegging dient op straffe van nietigheid schriftelijk met redenen te zijn omkleed.
De opzegtermijn wordt verlengd tot 13 maanden indien door de franchisegever bij wijze van verhuur of onderhuur bedrijfsruimte aan de franchisenemer ter beschikking is gesteld dan wel de franchisenemer met het oog op de exploitatie van de franchisezaak met derden daarvoor een huurovereenkomst heeft aangegaan waarvan de periode synchroon loopt met die van de franchiseovereenkomst. (…)”
Franchisenemer exploiteert de Leen Bakker winkel sinds 11 juli 2016 aan de [a-straat 1] te [plaats] en heeft daartoe een onderhuurovereenkomst gesloten met franchisegever (zijdens franchisenemer getekend op 31 januari 2017). In de onderhuurovereenkomst staat onder meer:
“(…)
Het gehuurde zal door of vanwege huurder uitsluitend worden bestemd om te worden gebruikt als winkelruimte conform de winkelformule van Leen Bakker.
Het is huurder niet toegestaan zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van verhuurder een andere bestemming aan het gehuurde te geven dan omschreven in 1.3.
(...)
Deze huurovereenkomst is aangegaan voor de duur van 10 (tien) jaar, ingaande op 11 juli 2016 (hierna: 'ingangsdatum ’) en lopende tot en met 10 juli 2026.
Deze huurovereenkomst wordt, na ommekomst van de in 3.1 genoemde periode, behoudens beëindiging van deze huurovereenkomst door opzegging door huurder of verhuurder in overeenstemming met 3.4 en 3.3 voortgezet door 4 (vier) aansluitende perioden van elk 5 (vijf) jaar.
Na ommekomst van de in 3.2 genoemde periode wordt deze huurovereenkomst, behoudens beëindiging van deze huurovereenkomst door opzegging door huurder of verhuurder in overeenstemming met 3.4 en 3.5 voortgezet voor onbepaalde tijd.
Beëindiging van deze huurovereenkomst door opzegging vindt plaats door huurder aan verhuurder of door verhuurder aan huurder tegen het einde van de lopende huurperiode of ingeval van een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd, tegen ieder tijdstip, een en ander met inachtneming van een opzegtermijn van tenminste 14 (veertien) maanden. Verhuurder neemt daarbij de wettelijke opzegginsgronden in acht.
Opzegging van deze huurovereenkomst dient te geschieden bij deurwaardersexploot of per aangetekend schrijven.
(...)
21. Bijzondere bepalingen
(...)
10. Dringend eigen gebruik
Verhuurder zal gedurende de looptijd van de huurovereenkomst deze niet kunnen beëindigen voor dringend eigen gebruik."
In de periode van 2018 tot begin februari 2020 hebben franchisegever en de franchisevereniging gesproken over een update van de bestaande franchiseovereenkomsten vanwege de toen aanstaande Wet franchise. In verband daarmee hebben partijen concepten met elkaar uitgewisseld.
Bij e-mailbericht van 5 februari 2020 heeft [betrokkene 1] namens de franchisenemers aan franchisegever medegedeeld:
"(...) Alleen door een vergelijking van beide documenten is zichtbaar dat de verschillen tussen beide versies enorm groot zijn. In hoofdlijnen zijn er nog veel verschillen en zullen wij wat punten hieronder samenvatten want het is onmogelijk dit uitputtend te doen. Zo is er ook nog niet gesproken over de individuele afspraken die naast de huidige afspraken gelden. (...)”
Als reactie daarop heeft franchisegever bij e-mailbericht van 17 februari 2020 medegedeeld dat zij zich eerst wil verdiepen in de nieuwe aanstaande wet, zij daarom meer tijd nodig heeft en een gesprek over aanpassing van de franchiseovereenkomsten later wil voortzetten.
Op 15 juli 2020 heeft franchisegever tijdens de franchisevergadering aan de franchisenemers medegedeeld te gaan stoppen met de franchise.
Bij brief van 28 juli 2020 heeft franchisegever de franchiseovereenkomst opgezegd met [de B.V.] tegen 31 juli 2023, waarbij als redenen het volgende is medegedeeld:
"Er is een belangrijk bedrijfseconomisch motief: eigen winkels genereren namelijk substantieel hogere filiaalbijdragen dan franchisewinkels. Vooropgesteld moet worden dat Leen Bakker in Nederland slechts vierfranchisenemers kent op een totaal van 114 winkels. Voor die vier franchisenemers dient Leen Bakker dus een volledige separate organisatie, administratie en systemen in de lucht te houden. Dat is natuurlijk al lange tijd zo, maar het laten voortduren daarvan is niet langer houdbaar. Leen Bakker is voornemens om aanzienlijke vernieuwingen in de IT-systemen door te voeren. De investeringen in separate systemen op het gebied van administratie en IT zijn niet rendabel voor vierfranchisewinkels. Bovendien zou de aangekondigde wetswijziging (die per 1 januari 2021 ook daadwerkelijk van kracht wordt) ook nog een aanzienlijke (administratieve) lastenverzwaring met zich meebrengen.
Verder passen de franchiseformule en de in dat kader gemaakte afspraken niet meer bij de huidige marktomstandigheden en de praktijk. Leen Bakker ziet dat de markt volop in beweging is naar een omnichannel klantbenadering dat gepaard gaat met grote investeringen. De verdere toename van de online verkopen en het voornemen van Leen Bakker om uit te breiden naar een online marktplaatsfunctionaliteit leggen druk op het huidige afrekenmodel en de afbakening van verzorgingsgebieden. Hierover hebben Leen Bakker en de franchisenemers geen dekkende afspraken gemaakt, wat sowieso lastig is (verdeling aandelen en overlap verzorgingsgebieden). De marketingmix is in de afgelopen jaren ook flink gewijzigd: van folders en televisie naar online marketing, radio en televisie. Het afrekenmodel van marketingkosten is daarmee moeilijk te onderbouwen in zowel kosten als effectiviteit. Het huidige systeem is immers gebaseerd op het aantal folders dat in het verzorgingsgebied wordt verspreid. Ook wil Leen Bakker streven naar uniformiteit in promoties en regelingen die naadloos aansluiten voor de klant. Franchisenemers zijn echter selectief in het toepassen van promoties. Afwegingen hierin zijn voornamelijk marge-gedreven. Dat geldt ook voor het actiefvoeren van het Stock kastenprogramma. Daarnaast komt het voor dat afwikkeling van webretouren moeizaam verlopen aangezien dit de franchisenemers geld kost. Dit sluit niet aan bij de uitgangspunten van het strategisch beleid van Leen Bakker.
Ook weegt voor Leen Bakker de eenheid naar buiten toe zwaar. Het beëindigen van de franchiseformule brengt mee dat die uniformiteit gewaarborgd kan worden, onder meer in het assortiment. Dat is nu niet het geval. In dit kader speelt ook een rol dat er tussen Leen Bakker en de franchisenemers onduidelijkheid/onenigheid bestaat over aankopen voor de zakelijke markt, die Leen Bakker exclusief wil voorbehouden aan de afdeling B2B.
Op basis van het voorgaande kan van Leen Bakker in redelijkheid niet worden gevergd dat zij de franchiseovereenkomst laat voortduren. Leen Bakker heeft daarom de strategische keuze gemaakt om te stoppen met de hele franchiseorganisatie. Zij is voornemens de vier franchisewinkels als eigen winkels te gaan exploiteren na het einde van de diverse contracten.
Middels deze brief zegt Leen Bakker dus de franchiseovereenkomst met [de B.V.] op tegen 1 augustus 2023. De franchiseovereenkomst eindigt dus op 31 juli 2023.
(…)
Leen Bakker is voornemens om, na het einde van de franchiseovereenkomsten, de exploitatie van de winkels op dezelfde locaties voort te zetten. Zij zal dan ook op korte termijn met alle franchisenemers afzonderlijk contact opnemen om te overleggen over de voorwaarden voor overname. Met [de B.V.] zal ook gesproken worden over de periode tussen het einde van de franchiseovereenkomst en het einde van de onderhuurovereenkomst (1 augustus 2023 en 10 juli 2026).
(...). ”
Daarnaast heeft in de brief van 28 juli 2020 de onderhuurovereenkomst met franchisenemer opgezegd tegen 10 juli 2026 en daarover het volgende medegedeeld:
“Aangezien de franchiseovereenkomst eindigt, heeft Leen Bakker ook het recht om de onderhuurovereenkomst te beëindigen. Gelet op de bepalingen uit de franchiseovereenkomst moet [de B.V.] de exploitatie van de winkel na 31 juli 2023 staken en staat het haar niet vrij om na deze datum op deze locatie een meubel- en interieurwinkel te exploiteren. Middels deze brief zegt Leen Bakker dan ook de onderhuurovereenkomst op tegen 10 juli 2026; op deze datum eindigt dus de onderhuurovereenkomst. De onderhuurovereenkomst wordt opgezegd op grond van de belangenafweging ex artikel 7:296 lid 3 BW. De belangen van Leen Bakker bij beëindiging van de onderhuurovereenkomst wegen zwaarder dan de belangen van [de B.V.] bij voortzetting van de onderhuurovereenkomst. (...)”
Franchisegever heeft op 28 juli 2020 ook de franchiseovereenkomsten met de andere franchisenemers opgezegd op dezelfde opzeggingsgronden, maar tegen andere data.
Bij brief van 17 september 2020 heeft [betrokkene 1] namens de franchisenemers gereageerd op de opzegging en medegedeeld dat franchisegever niet gerechtigd is om de franchiseovereenkomsten op te zeggen.
Partijen hebben vervolgens onderzocht of zij overeenstemming konden bereiken over beëindiging van de relatie in onderling overleg. Bij brief van 24 december 2020 heeft de gemachtigde van franchisegever aan franchisenemer een voorstel gedaan. Franchisegever heeft aan franchisenemer voorgesteld het filiaal over te nemen per 1 februari 2021 tegen een vergoeding van € 40.000,- voor goodwill, overname van inventaris tegen boekwaarde, overname van de handelsvoorraad tegen de kostprijs en boekwaarde alsmede een vergoeding op basis van de geprognotiseerde brutowinst over de periode tussen 1 februari 2021 en 31 juli 2023 met aftrek van reorganisatiekosten en behoud non-concurrentiebeding en geheimhoudingsbeding.
Per 1 januari 2021 is de Wet franchise in werking getreden.
3 Procesverloop
Franchisenemer heeft franchisegever gedagvaard en gevorderd dat door de rechtbank:
Primair voor recht wordt verklaard:
- dat de opzegging van de franchiseovereenkomst d.d. 28 juli 2020 zonder rechtsgevolg is geweest en dat de franchiseovereenkomst – tegen de thans geldende contractvoorwaarden en de toepasselijke wettelijke bepalingen – voortduurt tot het moment dat deze franchiseovereenkomst rechtsgeldig zal zijn geëindigd;
- dat franchisegever slechts gerechtigd is de franchiseovereenkomst op te zeggen indien van haar in redelijkheid niet gevergd kan worden dat zij de franchiseovereenkomst laat voortduren;
- dat de opzegging van de onderhuurovereenkomst d.d. 28 juli 2020 zonder rechtsgevolg is geweest en dat de onderhuurovereenkomst – tegen de thans geldende voorwaarden en de toepasselijke wettelijke bepalingen – voortduurt tot het moment dat deze onderhuurovereenkomst rechtsgeldig zal zijn geëindigd;
Subsidiair
- voor recht wordt verklaard dat, als de opzegging van de franchiseovereenkomst en/of de onderhuurovereenkomst rechtsgevolg heeft, franchisegever gehouden is tot betaling aan franchisenemer van een (schade)vergoeding;
- franchisegever alsdan wordt veroordeeld tot betaling van een (schade)vergoeding ter hoogte van een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag, welke (schade)vergoeding, zo nodig nader opgemaakt zal worden bij staat en vereffend dient te worden volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 juli 2020 dan wel vanaf de dag van de dagvaarding;
Primair en subsidiair
- franchisegever wordt veroordeeld tot betaling van een vergoeding wegens buitengerechtelijke kosten ad € 462,50 met veroordeling van franchisegever in de kosten van het geding, vermeerderd met de wettelijke rente.
Aan deze vordering heeft franchisenemer, kort samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. De door franchisegever gedane opzegging van de franchiseovereenkomst is niet rechtsgeldig, omdat zij geen (klemmende/dringende) reden heeft die maakt dat voortzetting van de franchiseovereenkomst in redelijkheid niet gevergd kan worden van haar. Indien de opzegging van de franchiseovereenkomst wel rechtsgeldig kan worden opgezegd, dan is de opzegging volgens franchisenemer in strijd met de redelijkheid en billijkheid en kan geen beroep op de opzegging worden gedaan. Ook het recht om de onderhuurovereenkomst met franchisenemer op te zeggen vervalt doordat de franchiseovereenkomst niet met franchisenemer kan worden beëindigd. Indien de franchiseovereenkomst en de onderhuurovereenkomst daadwerkelijk eindigen door opzegging, is bij de opzegging onvoldoende rekening gehouden met de belangen van franchisenemer en is een vergoeding (althans een redelijke goodwillvergoeding) op zijn plaats, aldus franchisenemer.
Franchisegever heeft gemotiveerd verweer gevoerd en in reconventie kort samengevat gevorderd dat door de rechtbank:
i. voor recht wordt verklaard dat zij de franchiseovereenkomst met franchisenemer per 31 juli 2023 rechtsgeldig heeft beëindigd en dat de franchiseovereenkomst dus per die datum eindigt;
ii. franchisenemer wordt geboden om vanaf 1 augustus 2023 het gebruik van de handelsnaam en de woord- en beeldmerken ‘LEEN BAKKER’ en de logo’s van franchisegever te staken en gestaakt te houden, zulks op straffe van een dwangsom van € 10.000,- voor iedere dag of dagdeel dat zij niet aan dit gebod houdt, met een maximum van € 1.000.000,-;
iii. franchisenemer wordt geboden om voor doch uiterlijk op 15 augustus 2023 alle schriftelijke, digitale en/of op andere wijze door franchisegever verstrekte informatie aan franchisegever te retourneren, zulks op straffe van een dwangsom van € 1.000,- voor iedere dag of dagdeel dat zij zich niet aan dit gebod houdt, met een maximum van € 100.000,-;
iv. de tussen partijen bestaande huurovereenkomst met betrekking tot de winkelruimte aan de [a-straat 1] te ( [postcode] ) [plaats] te beëindigen per 10 juli 2026, althans een door het de kantonrechter in goede justitie te bepalen datum;
v. franchisenemer wordt veroordeeld per de datum van beëindiging conform (iv) de winkelruimte, gelegen aan de [a-straat 1] te ( [postcode] ) [plaats] , met alle daarin van harentwege aanwezige personen en/of zaken te ontruimen en leeg, bezemschoon, overeenkomstig de toepasselijke contractuele en wettelijke bepalingen en onder afgifte van alle sleutels ter beschikking te stellen van franchisegever, zulks op straffe van een dwangsom van € 2.500,- voor iedere dag of dagdeel dat franchisenemer zich niet aan dit gebod houdt, met een maximum van € 100.000,- om, zo franchisenemer mocht nalaten aan deze veroordeling te voldoen, de tenuitvoerlegging daarvan zelf te bewerkstelligen, zo nodig met behulp van de sterke arm;
met veroordeling van franchisenemer in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente.
Franchisegever heeft aan haar vorderingen het volgende ten grondslag gelegd. De franchiseovereenkomst en de onderhuurovereenkomst met franchisenemer zijn rechtsgeldig opgezegd waardoor deze tegen de opgezegde data eindigen. Franchisegever stelt dat franchisenemer bij beëindiging van de franchiseovereenkomst gehouden is tot nakoming van contractuele verplichtingen, bestaande uit het niet langer voeren van de naam Leen Bakker en teruggave van informatie en goederen.
Franchisenemer heeft gemotiveerd verweer gevoerd.
Bij vonnis van 29 december 2021 heeft de kantonrechter in conventie de vorderingen van franchisenemer afgewezen en franchisenemer in de proceskosten veroordeeld. In reconventie heeft de kantonrechter, voor zover thans van belang, voor recht verklaard dat franchisegever de franchiseovereenkomst met franchisenemer rechtsgeldig heeft beëindigd per 31 juli 2023 en dat de franchiseovereenkomst per die datum eindigt, het tijdstip waarop de tussen franchisegever en franchisenemer bestaande huurovereenkomst eindigt vastgesteld op 10 juli 2026 en franchsienemer veroordeeld in de proceskosten.
Franchisenemer is in (principaal) hoger beroep gekomen onder aanvoering van vijf grieven. Franchsienemer heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis voor zover daarin de vorderingen in conventie zijn afgewezen en de vorderingen in reconventie zijn toegewezen. Franchisenemer heeft gevorderd dat het hof de in hoger beroep gewijzigde vorderingen in conventie alsnog toewijst, in die zin dat het hof:
primair:
- voor recht verklaart dat de opzegging van de franchiseovereenkomst d.d. 28 juli 2020 zonder rechtsgevolg is geweest en dat de franchiseovereenkomst – tegen de thans geldende contractvoorwaarden en de toepasselijke wettelijke bepalingen – voortduurt tot het moment dat deze franchiseovereenkomst rechtsgeldig zal zijn geëindigd;
- voor recht verklaart dat franchisegever slechts gerechtigd is de franchiseovereenkomst op te zeggen indien van haar in redelijkheid niet gevergd kan worden dat zij de franchiseovereenkomst laat voortduren;
- voor recht verklaart dat de opzegging van de onderhuurovereenkomst d.d. 28 juli 2020 zonder rechtsgevolg is geweest en dat de onderhuurovereenkomst – tegen de thans geldende voorwaarden en de toepasselijke wettelijke bepalingen – voortduurt tot het moment dat deze onderhuurovereenkomst rechtsgeldig zal zijn geëindigd;
- voor het geval de vordering in het incident is afgewezen, franchisegever is overgegaan tot executie van het vonnis waardoor franchisenemer genoodzaakt is geweest om haar bedrijfsvoering te stoppen en de hiervoor geformuleerde eerste verklaring voor recht wordt toegewezen: franchsiegever Bakker veroordeelt tot betaling van de door franchisenemer als gevolg van de voortijdige executie geleden schade welke schade zo nodig opgemaakt zal worden bij staat en vereffend dient te worden volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der verschuldigdheid van de schade;
subsidiair:
- voor recht verklaart dat, als de opzegging van de franchiseovereenkomst en/of de onderhuurovereenkomst rechtsgevolg heeft, franchisegever gehouden is tot betaling aan franchisenemer van een (schade)vergoeding;
- franchisegever alsdan veroordeelt tot betaling van een (schade)vergoeding ter hoogte van een door het hof in goede justitie te bepalen bedrag, welke (schade)vergoeding, zo nodig nader opgemaakt zal worden bij staat en vereffend dient te worden volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 juli 2020 dan wel vanaf de dag van de dagvaarding;
- voor het geval het hof oordeelt dat de opzegging van de franchiseovereenkomst rechtsgeldig is, voor recht verklaart dat franchisenemer niet aan het overeengekomen non-concurrentiebeding gehouden is en dat franchisegever geen beroep toekomt op art. 13.4 en 13.5 van de franchiseovereenkomst – al dan niet vanwege haar schadeplichtigheid jegens franchisenemer – althans dat een beroep van franchisegever op deze bedingen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is althans in strijd is met de redelijkheid en billijkheid;
- voor het geval het hof oordeelt dat de franchiseovereenkomst en de onderhuurovereenkomst per 31 juli 2023 eindigen, franchisegever veroordeelt tot betaling van de door franchisenemer geleden schade welke schade moet worden opgemaakt bij staat en worden vereffend volgens de wet te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 juli 2020 dan wel vanaf de dag der dagvaarding;
- voor het geval het hof oordeelt dat de opzegging van de franchiseovereenkomst per 31 juli 2023 rechtsgeldig is en de onderhuurovereenkomst daarna voortduurt, voor recht verklaart dat franchisegever gedurende de duur van de onderhuurovereenkomst geen rechtsgeldig beroep kan doen op de overeengekomen bestemmingsbepaling in de onderhuurovereenkomst (art. 1.3 en 1.4), althans dat een beroep van franchisegever daarop naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is althans in strijd met de redelijkheid en billijkheid zodat het franchisenemer geheel vrij staat om in het gehuurde iedere winkelformule naar keuze te exploiteren althans subsidiair dat franchisegever dient toe te staan dat franchisenemer in het gehuurde een niet met franchisegever concurrerende formule exploiteert;
- de vorderingen in reconventie alsnog volledig afwijst, althans in zoverre het arrest niet uitvoerbaar bij voorraad verklaart;
met veroordeling van franchisegever tot terugbetaling van alles wat franchisenemer ter uitvoering van het vonnis aan franchisegever heeft betaald, vermeerderd met de wettelijke rente, en
met veroordeling van franchisegever in de kosten van beide instanties, vermeerderd met de wettelijke rente.
Franchisegever heeft in incidenteel hoger beroep zeven grieven aangevoerd. Bij akte vermindering eis, heeft franchisegever gevorderd:
i) te verklaren voor recht dat franchisegever de franchiseovereenkomst met franchisenemer rechtsgeldig heeft beëindigd per 31 juli 2023 en dat de franchiseovereenkomst dus per deze datum eindigt;
ii) franchisenemer te gebieden om vanaf 1 augustus 2023 de exploitatie van een ‘Leen Bakker’ vestiging te staken en gestaakt te houden, zulks op straffe van een dwangsom van € 10.000,- voor iedere dag of dagdeel dat franchisenemer zich niet aan dit gebod houdt, met een maximum van € 1.000.000,-;
(iii) franchisenemer te gebieden om vanaf 1 augustus 2023 het gebruik van de handelsnaam en de woord- en beeldmerken ‘LEEN BAKKER’ en de logo’s van franchisegever te staken en gestaakte te houden, zulks op straffe van een dwangsom van € 10.000,- voor iedere dag of dagdeel dat franchisenemer zich niet aan dit gebod houdt, met een maximum van € 1.000.000,-;
(iv) franchisenemer te gebieden om voor doch uiterlijk op 15 augustus 2023 alle schriftelijke, digitale en/of op andere wijze door franchisegever verstrekte informatie, alsmede de ter beschikking gestelde printers aan franchisegever te retourneren, zulks op straffe van een dwangsom van € 10.000,- voor iedere dag of dagdeel dat franchisenemer zich niet aan dit gebod houdt, met een maximum van € 100.000,-;
(v) de tussen partijen bestaande huurovereenkomst (de Onderhuurovereenkomst franchisenemer) met betrekking tot de winkelruimte aan de [a-straat 1] te ( [postcode] ) [plaats] te beëindigen per 31 juli 2023, althans per 10 juli 2026, althans een door het hof in goede justitie te bepalen datum;
(vi) franchisenemer te veroordelen per de datum van beëindiging conform (iv) de winkelruimte, gelegen aan de [a-straat 1] te ( [postcode] ) [plaats] , met alle daarin van harentwege aanwezige personen en/of zaken te ontruimen en leeg, bezemschoon, overeenkomstig de toepasselijke contractuele en wettelijke bepalingen en onder afgifte van alle sleutels ter beschikking te stellen van franchisegever, zulks op straffe van een dwangsom van € 2.500,- voor iedere dag of dagdeel dat franchisenemer zich niet aan dit gebod houdt, met een maximum van € 100.000,- om, zo franchisenemer mocht nalaten aan deze veroordeling te voldoen, de tenuitvoerlegging daarvan zelf te bewerkstelligen, zo nodig met behulp van de sterke arm;
(vii) te verklaren voor recht dat franchisenemer aansprakelijk is voor de schade die franchisegever lijdt, heeft geleden en nog zal lijden als gevolg van de voortzetting van een Leen Bakker-filiaal na de door de kantonrechter bepaalde (en door het hof te bevestigen) einddatum conform (i) hiervoor en franchisenemer te veroordelen tot betaling van schadevergoeding, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, met veroordeling van franchisenemer in de proceskosten.
Het hof heeft, voor zover in cassatie van belang, het volgende geoordeeld:
“De opzeggingsgrond in de franchiseovereenkomst
(…)
De opzeggingsgrond in de franchiseovereenkomst zoals deze is vermeld in artikel 10.3 van de franchiseovereenkomst bepaalt dat de franchisegever slechts gerechtigd is de overeenkomst op te zeggen “indien van hem in redelijkheid niet kan worden gevergd de onderhavige overeenkomst te laten voortduren.” Het hof stelt voorop dat de vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding tussen partijen is geregeld, niet kan worden beantwoord op grond van uitsluitend een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van het contract. Voor de beantwoording van die vraag komt het immers aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158, Haviltex).
(…) [Het hof constateert in rov. 6.7 o.m. dat in confesso is dat over de opzegbepaling uit art. 10.3 niet voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst is gesproken of onderhandeld, A-G].
De belangrijkste reden voor Leen Bakker om op te zeggen is dat Leen Bakker in zijn geheel wil stoppen met de franchiseformule en zich uitsluitend nog wil focussen op het exploiteren van eigen winkels. Deze strategische keuze onderbouwt Leen Bakker met verschillende bedrijfseconomische argumenten.
Met de kantonrechter is het hof van oordeel dat Leen Bakker de franchiseovereenkomst met [de B.V.] rechtsgeldig heeft opgezegd per 31 juli 2023. De franchiseovereenkomst voorziet in de mogelijkheid van opzegging en bepaalt dat Leen Bakker mag opzeggen als voortzetting in redelijkheid niet van haar kan worden gevergd. Aan dit criterium is, zoals hierna zal blijken, voldaan. Een franchisegever heeft als ondernemer het recht om een strategische keuze op bedrijfseconomische gronden te maken. Partijen zijn het erover eens dat de opzegging dient te worden getoetst op basis van de feiten en omstandigheden ten tijde van de opzegging (ex tunc toetsing). Ook het hof zal hiervan uitgaan. In artikel 10.3 van de franchiseovereenkomst is bepaald dat de opzegging op straffe van nietigheid schriftelijk met redenen omkleed dient te zijn. Gezien de opzeggingsbrief (6.1.12) stelt het hof vast dat aan dit vereiste is voldaan. Voor zover [de B.V.] betoogt dat uitsluitend de argumenten genoemd in de opzeggingsbrief mogen worden meegewogen bij de beoordeling van de opzegging door de rechter indien de franchisenemer in rechte bestrijdt dat de opzegging rechtsgeldig is, volgt het hof [de B.V.] daarin niet. Aan de bepaling dat de opzegging schriftelijk met redenen omkleed dient te zijn, komt niet die verstrekkende betekenis toe. [de B.V.] heeft onvoldoende concreet onderbouwd dat een dergelijke uitleg aan artikel 10.3 van de franchiseovereenkomst moet worden gegeven. Ook andere argumenten zullen door het hof dus worden meegewogen bij de (uiteindelijke) beoordeling van de opzegging mits deze gebaseerd zijn op feiten en omstandigheden ten tijde van de opzegging.
Leen Bakker heeft haar keuze onder meer gemotiveerd door te stellen dat (i) er werkzaamheden voor de franchiseondernemers dienen te worden verricht die voor de eigen winkels niet nodig zijn, (ii) bij zelfexploitatie Leen Bakker meer inkomen zal genereren, (iii) een nieuw ICT- en ERP-systeem wordt ingevoerd, (iv) de Wet Franchise een lastenverzwaring voor Leen Bakker oplevert, (v) de marketingmix, en de (vii) zakelijke markt, (viii) de eenheid naar buiten toe voor Leen Bakker zwaar weegt.
Deze bedrijfseconomische en strategische argumenten zijn door Bentja gemotiveerd bestreden, maar hetgeen door Bentja in dit verband is aangevoerd, leidt er niet toe dat de opzegging niet rechtsgeldig is gedaan.
Het hof stelt hierbij voorop dat de rechter niet op de stoel van de ondernemer kan gaan zitten, in die zin dat de rechter dient te beoordelen of een andere keuze ook mogelijk was geweest. Aan de ondernemer komt immers een eigen beoordelingsruimte toe over hoe deze zijn organisatie wenst in te richten en welke strategie wordt gevoerd. De bedrijfseconomische en strategische argumenten van Leen Bakker voor opzegging dienen wel voldoende door haar aannemelijk te worden gemaakt. Het hof oordeelt dat dat het geval is op grond van het navolgende.
(…) [In rov. 6.1.10.2-6.1.10.6 bespreekt het hof vervolgens de argumentatie onder (i) t/m (vii), telkens oordelend dat dit argumenten kunnen zijn voor de strategische keuze van franchisegever om te stoppen met de franchiseformule, A-G.]
De slotsom is dat Leen Bakker de franchiseovereenkomst rechtsgeldig heeft opgezegd. Het voorgaande in onderling verband en samenhang bezien is voldaan aan het criterium dat van Leen Bakker in redelijkheid niet kan worden gevergd de franchiseovereenkomst met [de B.V.] te laten voortduren. In het bijzonder heeft Leen Bakker voldoende inzichtelijk gemaakt dat zij een zodanig zwaarwegend bedrijfseconomisch belang heeft bij beëindiging van de franchiserelatie met [de B.V.] dat opzegging van de overeenkomst gerechtvaardigd is, tegen de achtergrond dat zij in zijn geheel wil stoppen met de franchiseformule en zich uitsluitend nog wil focussen op het exploiteren van eigen winkels. Hiertegen weegt het belang van [de B.V.] bij voortzetting van de franchiserelatie niet op (het hof gaat hierna, bij de behandeling van grief 2 in principaal hoger beroep, in op het beroep op redelijkheid en billijkheid van [de B.V.] ). Grief 1 in principaal hoger beroep faalt. Bij bespreking van de incidentele grief 1 mist Leen Bakker belang nu het hof na een eigen beoordeling tot de conclusie komt dat sprake is van een rechtsgeldige opzegging door Leen Bakker.
Redelijkheid en billijkheid
Met grief 2 komt Bentja op tegen de verwerping van het beroep van Bentja op de beperkende respectievelijk de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid door de kantonrechter. Volgens Bentja is de uitoefening van de opzeggingsbevoegdheid door Leen Bakker zonder betaling van een toereikende compensatie naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar, dan wel vloeit uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voort dat de opzegging gepaard had moeten gaan met het aanbod om schadevergoeding te betalen.
De kantonrechter heeft bij de beoordeling of de door Leen Bakker gedane opzegging in strijd is met de redelijkheid en billijkheid de jurisprudentie van de Hoge Raad over opzegging van duurovereenkomsten van belang geacht, omdat de franchiseovereenkomst van Bentja daaraan gelijk gesteld kan worden. Volgens grief 2 in incidenteel hoger beroep van Leen Bakker mist de jurisprudentie van de Hoge Raad toepassing omdat partijen uitdrukkelijk afspraken hebben gemaakt over beëindiging van de franchiseovereenkomst. Deze grief kan niet slagen. De Hoge Raad overwoog in zijn arrest van 2 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:141 [Goglio/SMQ, A-G], onder meer het volgende:
"3.6.2 Of en, zo ja, onder welke voorwoorden een duurovereenkomst die voor onbepaalde tijd is aangegaan, opzegbaar is, wordt bepaald door de inhoud daarvan en door de van toepassing zijnde wettelijke bepalingen. Indien wet en overeenkomst niet voorzien in een regeling van de opzegging, geldt dat de overeenkomst in beginsel opzegbaar is. Op grond van art. 6:248 lid 1 BW kunnen de eisen van redelijkheid en billijkheid in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval meebrengen dat opzegging slechts mogelijk is indien daarvoor een voldoende zwaarwegende grond bestaat. Die eisen kunnen voorts in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval meebrengen dat een bepaalde opzegtermijn in acht moet worden genomen of dat de opzegging gepaard moet gaan met het aanbod tot betaling van een (schade)vergoeding. (Vgl. onder meer HR 28 oktober 2011, ECLl:NL:HR:2011:LJN BQ9854, NJ 2012/685 [De Ronde Venen/Stedin, A-G], rov. 3.6, HR 14 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ4I63, NJ 2013/341 [Auping/Beverslaap, A-G], rov. 3.5.1 en HR 10 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1134, NJ 2016/450 [Pensioenfonds/Alcatel-Lucent, A-G], rov. 4.4.2)
Ook als de wet of een duurovereenkomst wel voorziet in een regeling van de opzegging, kunnen, indien de wet en hetgeen tussen partijen is overeengekomen daarvoor ruimte laten, de eisen van redelijkheid en billijkheid in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval op grond van art. 6:248 lid 1 BW meebrengen dat aan de opzegging nadere eisen gesteld worden.
Een beroep op een uil de wet of een overeenkomst voortvloeiende bevoegdheid om de overeenkomst op te zeggen kan op grond van art. 6:248 lid2 BW onder omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn (vgl. HR 10 juni 2016, ECL:NL:HR:2016:1134, LJN NJ2016/450, [Pensioenfonds/Alcatel-Lucent, A-G], rov. 4.4.2). (…)”.
Het hof acht deze algemene overwegingen van de Hoge Raad van belang voor de onderhavige zaak, meer in het bijzonder hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen in 3.6.3- 3.6.4. Daarin worden immers die gevallen omschreven waarin een bevoegdheid tot opzegging van de overeenkomst bestaat, zoals ook ten aanzien van Bentja het geval is. Verder verwijst de Hoge Raad naar rov. 4.4.2 van zijn arrest van 10 juni 2016. In dat arrest is voor zover relevant opgenomen dat ook als een overeenkomst voorziet in een regeling van de opzegging, de eisen van redelijkheid en billijkheid in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst in de omstandigheden van het geval in de weg kunnen staan aan respectievelijk opzegging, opzegging zonder zwaarwegende grond, opzegging op een bepaald moment, of opzegging zonder aanbod tot betaling van een (schade)vergoeding. De hierna te noemen feiten en omstandigheden neemt het hof in aanmerking bij de beoordeling van het beroep van Bentja op de redelijkheid en billijkheid.
Aard en inhoud van de overeenkomst
Partijen hebben op 1 januari 1995 met elkaar een franchiseovereenkomst gesloten. De franchiseovereenkomst wordt (steeds) stilzwijgend verlengd en eindigt dus niet van rechtswege. In de overeenkomst is voorzien in een opzeggingsmogelijkheid voor de franchisegever. Ten tijde van de opzegging op 28 juli 2020 was sprake van een samenwerking tussen partijen van ruim 25 jaar.
(…) [Het hof vervolgt met uitgebreide overwegingen over gewekte verwachtingen over voortzetting van de franchiserelatie (rov. 6.13.3-6.13.5), dat de samenwerking en onderlinge verhoudingen goed waren en franchisenemer geen enkel verwijt valt te maken (rov. 6.13.6), er sprake is van een financiële afhankelijkheid van franchisenemer van de franchiseformule en zij gebonden is aan een (geografisch en in tijd beperkt) non concurrentiebeding (rov. 6.13.7, A-G].
Aanbod tot vergoeding
In de opzegging van 28 juli 2020 heeft Leen Bakker geen aanbod gedaan tot het betalen van enige vergoeding. (…) Bij brief van 24 december 2020 heeft de gemachtigde van Leen Bakker aan [de B.V.] een voorstel gedaan. (…).
Gelet op de jarenlange relatie tussen partijen, de verwachtingen bij [de B.V.] tot het moment van de mededeling op 15 juli 2020 dat de franchiseovereenkomst niet zou worden beëindigd, de investeringen die [de B.V.] heeft gedaan die nog niet (geheel) zijn afgeschreven, de omstandigheid dat [de B.V.] geen verwijt kan worden gemaakt van de opzegging en de afhankelijke relatie waarin [de B.V.] zich bevindt, acht het hof de opzegging zonder deze te vergezellen van een (passend) aanbod tot betaling van een (schade)vergoeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Leen Bakker heeft zich onvoldoende rekenschap gegeven van de belangen van [de B.V.] bij haar opzegging. De opzegging is geheel gebaseerd is op de eigen strategische keuze van Leen Bakker en de wens om hetgeen zij misloopt bij voortzetting van de franchiseformule, Leen Bakker rept over 1,9 miljoen euro per jaar, als extra omzet toe te voegen aan haar eigen onderneming. De omstandigheid dat Leen Bakker een opzegtermijn van 36 maanden in acht heeft genomen, leidt niet tot een ander oordeel, nu uit de opzegging van 28 juli 2020 van Leen Bakker volgt dat ook Leen Bakker meent dat de franchiseovereenkomst eerst opzegbaar was tegen 1 augustus 2023. Dat [de B.V.] nu 23 maanden eerder op de hoogte was dan zij op grond van de voorgeschreven opzegtermijn van 13 maanden zou zijn geweest van de opzegging, betreft geen compensatie voor [de B.V.] . Niet is gebleken dat Leen Bakker op enig moment een vergoeding heeft aangeboden. Het in gesprek gaan met de franchisenemer over overname van de vestiging en het doen van een daarop toegespitst aanbod kan niet als zodanig worden beschouwd. Dit oordeel betekent dat Leen Bakker in verband met de beëindiging van de franchiseovereenkomst is tekortgeschoten jegens [de B.V.] . Op basis van deze tekortkoming kan [de B.V.] jegens Leen Bakker aanspraak maken op een zekere (schade)vergoeding. Het hof zal de door [de B.V.] subsidiair gevorderde verklaring voor recht toewijzen en de zaak verwijzen naar de schadestaat. Al met al acht het hof het beroep van Leen Bakker op de opzeggingsbevoegdheid in de franchiseovereenkomst in de omstandigheden van dit geval niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. De door [de B.V.] gestelde belangen wegen niet op tegen het zwaarwegende bedrijfseconomische belang van Leen Bakker, zoals hiervoor vastgesteld, om de franchiserelatie te beëindigen. Dit betekent dat de primaire vordering van [de B.V.] (weergegeven hiervoor in rov. 6.3) niet toewijsbaar – voor zover opgenomen achter het eerste, tweede en vierde gedachtestreepje – is, bij de vordering achter het tweede gedachtestreepje heeft [de B.V.] geen (zelfstandig) belang. Wel dient dus in de schadestaatprocedure de [de B.V.] toekomende vergoeding te worden vastgesteld. In deze procedure zijn daarvoor onvoldoende gegevens voorhanden.
Onderhuurovereenkomst
Grief 3 is gericht tegen de beslissing van de kantonrechter met betrekking tot de beëindiging van de onderhuurovereenkomst per 10 juli 2026. Met grief 7 in het incidenteel hoger beroep beoogt Leen Bakker de beëindiging van de huurovereenkomst gelijktijdig aan de beëindiging van de franchiseovereenkomst op 31 juli 2023.
(…)
Het hof stelt vast dat [de B.V.] geen belang meer heeft bij het blijven huren van de winkelruimte na 31 juli 2023. [de B.V.] mag de ruimte immers enkel gebruiken om een Leen Bakker winkel te exploiteren, terwijl de opzegging van de franchiseovereenkomst ertoe leidt dat zulks niet meer mogelijk is. Dat partijen de grond ‘dringend eigen gebruik’ contractueel hebben uitgesloten, leidt er niet toe dat [de B.V.] om die reden wel een gerechtvaardigd belang heeft bij voortzetting van de onderhuurovereenkomst. Gelet op het voorgaande onderschrijft het hof het oordeel van de kantonrechter dat de in deze te verrichten belangenafweging op grond van artikel 7:296 lid 3 BW in het voordeel van Leen Bakker uitvalt. [de B.V.] heeft in hoger beroep niets (nieuws) aangevoerd dat tot een andere oordeel dient te leiden. Naar het oordeel van het hof brengt het voorgaande met zich mee dat het in de gegeven omstandigheden, waarin [de B.V.] geen belang heeft bij het blijven huren van de winkelruimte na 31 juli 2013 en Leen Bakker een groot belang heeft bij behoud van het gehuurde ter exploitatie van een eigen Leen Bakker filiaal, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [de B.V.] vasthoudt aan de einddatum van 10 juli 2026. Uit de eisen van redelijkheid en billijkheid vloeit voort dat de onderhuurovereenkomst, in het licht van de rechtsgeldige opzegging van de franchiseovereenkomst, ook op 31 juli 2023 zal eindigen. Leen Bakker heeft zich in hoger beroep voor het eerst op dit standpunt gesteld, maar dit staat aan toewijzing van de onderhavige vorderingen (zie hiervoor rov. 6.4 onder (v) en (vi)) niet in de weg gelet op de herkansingsfunctie van het hoger beroep; van rechtsverwerking en/of een gedekt verweer is geen sprake. Dit betekent dat grief 7 in het incidenteel hoger beroep slaagt en grief 3 faalt.
[de B.V.] heeft voorwaardelijk zijn eis vermeerderd, in die zin dat als het hof zou beslissen dat de onderhuurovereenkomst eerder eindigt, zij een verklaring voor recht vordert dat Leen Bakker dan gehouden is om een schadevergoeding aan [de B.V.] te betalen. [de B.V.] voert daartoe aan dat Leen Bakker alsdan het gehuurde drie jaar eerder tot haar beschikking krijgt en zij dus drie jaar eerder daarvan kan profiteren. Voorts bestaat de schade volgens [de B.V.] uit niet afgeschreven investeringen. De hier door het hof toe te passen maatstaf is of aannemelijk is dat [de B.V.] mogelijk schade lijdt of zal worden geleden door de eerdere beëindiging van de onderhuurovereenkomst (vgl. HR 30 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX6246). Het hof is van oordeel dat hieraan is voldaan. Dat mogelijk schade zowel een gevolg kan zijn van de opzegging van de franchiseovereenkomst als van de (eerdere) beëindiging van de onderhuurovereenkomst en die schade niet dubbel kan worden geclaimd, zoals Leen Bakker betoogt, betekent niet dat nu al kan worden vastgesteld dat [de B.V.] in het geheel geen schade leidt vanwege de eerdere beëindiging van de onderhuurovereenkomst. Een en ander heeft tot gevolg dat de zaak ook op dit punt zal worden verwezen naar de schadestaat. Hiervoor zal het hof geen afzonderlijke veroordeling opnemen in het dictum. De schade als gevolg van de eerdere beëindiging van de huurovereenkomst kan gelet op de samenhang met de beëindiging van de franchiseovereenkomst, bij de vaststelling van de [de B.V.] toekomende vergoeding worden meegenomen in de schadestaatprocedure.
Bij de bespreking van grief 4 heeft [de B.V.] geen belang meer. Van een gemengde overeenkomst is overigens naar het oordeel van het hof geen sprake.
(…)
Slotsom
De grieven 1 en 3 in het principaal hoger beroep falen. De grief 2 slaagt deels. De grieven 4 en 5 missen zelfstandige betekenis. De grieven in het incidenteel hoger beroep 1, 2, en 6 falen. De grieven 3, 4, 5 en 7 slagen deels. Zowel in het principaal hoger beroep als in het incidenteel hoger beroep zijn partijen deels in het gelijk, deels in het ongelijk gesteld. Daarin ziet het hof aanleiding om de proceskosten in hoger beroep (in hoofdzaak en in het incident) tussen partijen te compenseren. Aan bewijslevering komt het hof niet toe. Partijen hebben ook niet, althans niet voldoende, concreet feiten te bewijzen aangeboden die indien bewezen tot andere beslissingen leiden.
Nu het vonnis grotendeels in stand blijft, heeft de kantonrechter [de B.V.] terecht in de proceskosten van eerste aanleg (zowel in conventie als in reconventie) veroordeeld. De vordering van [de B.V.] tot veroordeling van Leen Bakker tot terugbetaling van alles wat [de B.V.] ter uitvoering van het vonnis aan Leen Bakker heeft betaald, vermeerderd met de wettelijke rente, is gelet op het voorgaande niet toewijsbaar. Het hof zal het vonnis om proceseconomische redenen vernietigen.
7 De uitspraak
Het hof:
op het principaal en incidenteel hoger beroep
vernietigt het vonnis van de kantonrechter van 29 december 2021, en opnieuw rechtdoende,
in conventie
verklaart voor recht dat Leen Bakker gehouden is tot betaling aan [de B.V.] van een (schade-)vergoeding;
veroordeelt Leen Bakker tot betaling van een (schade-)vergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 juli 2020 en bepaalt dat de schade in een procedure als bedoeld in artikel 612 Rv zal worden opgemaakt bij staat en vereffend volgens de wet;
bekrachtigt het vonnis voor het overige;
wijst het meer of anders gevorderde door [de B.V.] af;
(…)”
Franchisenemer heeft tijdig cassatie ingesteld. Franchisegever heeft geconcludeerd tot verwerping en deels onvoorwaardelijk, deels voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. [de B.V.] heeft geconcludeerd tot verwerping in het incidenteel cassatieberoep. Beide partijen hebben hun standpunten schriftelijk laten toelichten. In het principaal cassatieberoep heeft [de B.V.] gerepliceerd en heeft Leen Bakker gedupliceerd. In het incidenteel cassatieberoep heeft Leen Bakker afgezien van repliek en heeft [de B.V.] gedupliceerd.