Parket bij de Hoge Raad, 19-09-2025, ECLI:NL:PHR:2025:1009, 24/03982
Parket bij de Hoge Raad, 19-09-2025, ECLI:NL:PHR:2025:1009, 24/03982
Gegevens
- Instantie
- Parket bij de Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 19 september 2025
- Datum publicatie
- 25 september 2025
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2025:1009
- Zaaknummer
- 24/03982
Inhoudsindicatie
Herstel van kennelijke fout in vonnis, art. 31 Rv. Hof vernietigt herstelvonnis van rechtbank. Klachten daartegen in cassatie.
Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/03982
Zitting 19 september 2025
CONCLUSIE
W.L. Valk
In de zaak
[eiser]
tegen
[verweerder]
Partijen worden hierna verkort aangeduid als [eiser] respectievelijk [verweerder].
1 Inleiding en samenvatting
Deze zaak betreft het relatief bijzondere geval waarin cassatieberoep is ingesteld, niet tegen een herstelarrest waarin het hof een eigen eerder arrest op de voet van art. 31 lid 1 Rv heeft hersteld, maar tegen een arrest waarin het hof in hoger beroep heeft beoordeeld of de rechtbank terecht op de voet van art. 31 lid 1 Rv een eerder vonnis heeft hersteld. Het hof heeft in afwijking van de rechtbank geoordeeld dat geen sprake is van een kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent, in verband met het rechtsmiddelenverbod van art. 31 lid 4 Rv geoordeeld dat zich dus een doorbrekingsgrond voordoet, het herstelvonnis van de rechtbank vernietigd, en de vordering tot herstel alsnog afgewezen.
Mijns inziens slagen diverse van de tegen het arrest van het hof gerichte cassatieklachten.
2 Feiten en procesverloop
In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan:1
(i) [eiser] is eigenaar van de woning aan de [a-straat 1] te [plaats]. [verweerder] is eigenaar van de woning aan de [a-straat 2] te [plaats]. De woningen van partijen bevinden zich in een voormalige marechausseekazerne met monumentale status, die is opgedeeld in vier wooneenheden/appartementen in totaal. Daarnaast zijn [eiser] en [verweerder] ieder voor een deel rechthebbende op een naastgelegen zaak die bestemd is tot gemeenschappelijk nut van de verschillende eigenaren (het terrein rond de kazerne).
(ii) Tussen partijen zijn vanaf 2013 burengeschillen ontstaan. Zij hebben diverse gerechtelijke procedures gevoerd en daarbij over en weer vorderingen ingesteld.
Bij inleidende dagvaarding in zaak C/02/353444 / HA ZA 18-9052 heeft [eiser] onder andere gevorderd [verweerder] te veroordelen tot medewerking aan kadastrale inschrijving3 van de eigendomsovergang van een strook grond aan [eiser] (vordering I), te bepalen dat onder bepaalde voorwaarden het vonnis in de plaats zal treden van de voor de hiervoor bedoelde inschrijving te verlijden akte of een deel daarvan (vordering II), [verweerder] te veroordelen over te gaan tot plaatsing van een heg (vordering VI), en [verweerder] te gebieden de mandelige zaak enkel (door derden) te (laten) gebruiken in overeenstemming met het in de leveringsakte van 24 oktober 2012 bepaalde (vordering VIII). Verder heeft [eiser] in verband met onder meer vorderingen I, VI en VIII gevorderd [verweerder] te veroordelen tot betaling van een dwangsom met een maximumbedrag (vordering IX). [verweerder] heeft vorderingen in reconventie ingesteld.
Bij tussenvonnis van 25 maart 2020 (hierna: het tussenvonnis) heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant met betrekking tot vorderingen I en II geoordeeld dat zij (nog) niet toewijsbaar zijn, omdat de vorderingen veronderstellen dat eigendomsoverdracht al heeft plaatsgevonden, maar dit nog niet heeft plaatsgevonden (rechtsoverweging 5.4). Over vordering VI heeft de rechtbank overwogen dat partijen tijdens de descente nadere afspraken hebben gemaakt over het plaatsen van een heg, en dat vordering VI na de uitvoering van die afspraak wordt ingetrokken (rechtsoverweging 5.1). Over de vorderingen VIII en IX heeft de rechtbank in het tussenvonnis als volgt geoordeeld:4
‘Vordering sub VIII gebruik mandelige zaak
[eiser] vordert sub VIII om [verweerder] te verbieden de mandelige zaak enkel (door derden) te (laten) gebruiken in overeenstemming met het in de leveringsakte van 24 oktober 2012 bepaalde. Ter gelegenheid van de descente en comparitie heeft [eiser] verklaard dat in plaats van een verbod een gebod bedoeld wordt. [eiser] heeft aan deze vordering ten grondslag gelegd dat [verweerder] in strijd met de bestemming gebruik maakt van de mandelige zaak voor parkeerdoeleinden dan wel anderszins de doorgang van het terrein belemmert.
[verweerder] betwist dat hij gebruik maakt van het mandelig terrein in strijd met de leveringsakte en het normale gebruik. [verweerder] betwist ook dat parkeren op het mandelig terrein niet toegestaan zou zijn. [verweerder] stelt dat de bewoners/eigenaren sinds jaar en dag op dat mandelige terrein parkeren en dat [eiser] dit zelf ook incidenteel doet. Ook de bewoners van de [a-straat 3] en [a-straat 4] (die hun woning van [eiser] huren) parkeren structureel op het mandelige terrein, aldus [verweerder].
De inhoud van een erfdienstbaarheid en de wijze van uitoefening worden ingevolge het bepaalde in artikel 5:73 lid 1 BW bepaald door de akte van vestiging en, voor zover in die akte regelen daaromtrent ontbreken, door de plaatselijke gewoonte. Bij de uitleg van de akte van vestiging komt het dan ook in beginsel aan op de in de notariële akte tot uitdrukking gebrachte partijbedoeling die moet worden afgeleid uit de in de akte gebezigde bewoordingen, uit te leggen naar objectieve maatstaven in het licht van de gehele inhoud van de akte (HR 13 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AH9168).
Op grond van artikel 2 van de akten van levering van partijen heeft iedere mede-eigenaar een zodanig recht van gebruik van de mandelige zaak als in overeenstemming is met de bestemming en is het bedoelde toegangs- en manoeuvreerterrein bestemd om door de deelgenoten te voet, dan wel met alle soorten voertuigen, te gaan naar, dan wel te komen van de openbare weg. Parkeren op het terrein valt niet onder voornoemd gebruik van een erfdienstbaarheid van weg. Nu uit het verweer van [verweerder] kan worden afgeleid dat hij wel op dit terrein parkeert, heeft [eiser] recht en belang bij het gevorderde gebod om dat niet te doen. Deze vordering kan dan ook worden toegewezen. De sub IX gevorderde dwangsom zal worden bepaald op € 50,– per overtreding met een maximum van €500,–.’
De rechtbank heeft vastgesteld dat [verweerder] na de comparatie bij akte zijn eis heeft vermeerderd en achtte de eisvermeerdering toelaatbaar. Omdat [eiser] nog geen gelegenheid had gehad om op de eisvermeerdering te reageren, heeft de rechtbank hem in de gelegenheid gesteld dat alsnog te doen bij nadere conclusie:
‘5.18. (...) Nu [eiser] echter nog geen gelegenheid heeft gehad op deze eisvermeerdering te reageren, zal hij daartoe bij nadere conclusie in de gelegenheid worden gesteld, waarbij voor de duidelijkheid wordt vermeld dat [eiser] bij die gelegenheid alleen op de eisvermeerdering mag reageren. De zaak zal daarvoor naar de rol worden verwezen.’
In afwachting van de door [eiser] te nemen nadere conclusie heeft de rechtbank iedere nadere beslissing aangehouden (zie rechtsoverweging 5.19 en het dictum).
In het eindvonnis van 15 juli 2020 (hierna: het eindvonnis) heeft de rechtbank beoordeeld of het bij eisvermeerdering door [verweerder] in reconventie gevorderde toewijsbaar is. In verband met de toewijzing van een van deze vorderingen, overweegt de rechtbank in rechtsoverweging 2.8 dat de door [eiser] in conventie gevorderde veroordeling tot medewerking van [verweerder] aan kadastrale inschrijving van de eigendomsovergang (vordering I) ‘daarmee thans ook toewijsbaar’ is. Volgens rechtsoverweging 2.8, slot, zag de rechtbank echter geen aanleiding voor de door [eiser] gevorderde dwangsom (vordering IX). Voorts heeft de rechtbank in rechtsoverweging 2.12 vastgesteld dat [eiser] geen belang heeft bij zijn vordering VI, omdat uit de stellingen van [verweerder] volgt dat hij de gemaakte afspraken over het plaatsen van een heg zal nakomen. Vervolgens overwoog de rechtbank:5
‘Conclusie
Resumerend heeft naar aanleiding van het voorgaande en het tussenvonnis van 25 maart 2020 ten aanzien van de vorderingen van [eiser] in conventie het volgende te gelden:
– De vordering van [eiser] sub I tot het meewerken van [verweerder] aan inschrijving van de eigendomsovergang wordt toegewezen als hierna te melden.
– De vordering sub II wordt afgewezen.
– De vorderingen sub III, IV en V zijn op grond van het bepaalde in 5.2 van het tussenvonnis van 25 maart 2020 reeds als ingetrokken beschouwd.
– De vordering sub VI, VII, VIII en IX worden afgewezen.
– De aanvulling van eis wordt afgewezen.’
In het dictum van het eindvonnis, onder 3.1-3.3 zijn de vorderingen VIII en IX niet toegewezen. In dat dictum, onder 3.4 heeft de rechtbank in conventie het meer of anders gevorderde afgewezen.
Bij inleidende dagvaarding van 31 maart 2022 in zaak C/02/397049 / HA ZA 22-208 heeft [eiser], voor zover in cassatie van belang, de rechtbank op de voet van art. 31 Rv verzocht om het eindvonnis te herstellen door de vorderingen VIII en IX alsnog toe te wijzen, met nevenvorderingen. Aan [verweerder] is verstek verleend. Bij verstekvonnis van 1 juni 2022 heeft de rechtbank het eindvonnis hersteld, kort gezegd, door de vorderingen VIII en IX alsnog toe te wijzen op de wijze zoals verwoord in het tussenvonnis, onder 5.11.6 Bij verzetdagvaarding heeft [verweerder] gevorderd dat de rechtbank [eiser] in zijn vordering niet-ontvankelijk zal verklaren, althans deze vordering zal afwijzen, met nevenvorderingen. Bij mondeling vonnis van 7 maart 2023 (hierna: het herstelvonnis) heeft de rechtbank het verstekvonnis vernietigd, en vervolgens overwogen:7
‘De vordering ex artikel 31 Rv
[eiser] stelt zich allereerst op het standpunt dat in het vonnis van 15 juli 2020 (en onder verwijzing naar het tussenvonnis van 25 maart 2020) sprake is van een kennelijke fout en dat deze fout op grond van artikel 31 Rv zou moeten worden verbeterd.
Partijen hebben allebei hun standpunten kenbaar gemaakt.
De rechtbank kan te allen tijde op verzoek van een partij of ambtshalve een kennelijke rekenfout, schrijffout of andere kennelijke fout verbeteren die zich voor eenvoudig herstel leent. In het vonnis van 25 maart 2020 onder overweging 5.13 is overwogen dat [eiser] recht en belang heeft bij zijn vordering zoals die is geformuleerd onder 3.1 onder VIII, en de rechtbank de vordering daarom toewijsbaar acht. Ook de dwangsom die is gevorderd is toewijsbaar met een maximum van € 500,=. In haar vonnis van 15 juli 2020 onder 2.13 is vervolgens, zonder nadere toelichting, overwogen dat de vorderingen VIII en IX worden afgewezen. De rechtbank is van oordeel dat die ongemotiveerde conclusie een kennelijke fout betreft, die zich eenvoudig leent voor herstel. De overweging in het tussenvonnis 5.13 was wel degelijk een bindende eindbeslissing en uit het vonnis van 15 juli 2020 volgt op geen enkele wijze dat de rechter op deze bindende beslissing terug heeft willen komen.
Het vonnis zal worden aangepast zoals hierna onder de beslissing is vermeld.’
In het dictum van het herstelvonnis heeft de rechtbank onder meer geoordeeld:
‘De rechtbank
vernietigt het door deze rechtbank op 1 juni 2022 onder zaaknummer / rolnummer C/02/397049 / HA ZA 22-208 gewezen verstekvonnis,
en opnieuw beslissend
bepaalt dat in het op 15 juli 2020 tussen [eiser] en [verweerder] gewezen vonnis, waar onder rechtsoverweging 2.13. staat
"- De vordering sub VI, VII, VIII en IX worden afgewezen,”
wordt gewijzigd in
"- De vordering sub VI en VII worden afgewezen,”
en daaronder wordt toegevoegd
"- De vordering van [eiser] sub VIII tot het gebieden de mandelige zaak enkel (door derden) te (laten) gebruiken in overeenstemming met het in de leveringsakte van 24 oktober 2012 bepaalde wordt toegewezen als hierna te melden,
- De vordering sub IX wordt toegewezen als hierna te melden,”
bepaalt dat na rechtsoverweging 3.1. van het op 15 juli 2020 tussen [eiser] en [verweerder] gewezen vonnis dient te worden toegevoegd
“3.2. gebiedt [verweerder] de mandelige zaak enkel (door derden) te (laten) gebruiken in overeenstemming met het in de leveringsakte van 24 oktober 2012 bepaalde,”
en
"3.3. veroordeelt [verweerder] om aan [eiser] een dwangsom te betalen van €50,00 per overtreding dat hij niet aan de in 3.2. uitgesproken hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 500,00 is bereikt,”
bepaalt dat deze verbetering onder de vermelding van de datum van 7 maart 2023 wordt vermeld op de minuut van het vonnis van 15 juli 2020,
gelast [eiser], voor zover hij dit nog niet heeft gedaan, de ontvangen grosse van het vonnis van 15 juli 2020 na ontvangst van deze aanvullende beslissing aan de griffie van de rechtbank te retourneren,
compenseert de kosten van de verzet- en verstekprocedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
wijst het meer of anders gevorderde af.’
[verweerder] heeft hoger beroep ingesteld tegen het herstelvonnis. Bij arrest van 30 juli 2024 heeft het hof het herstelvonnis van 7 maart 2023 en het verstekvonnis vernietigd, voor zover de rechtbank daarin het eindvonnis heeft hersteld, en de vordering van [eiser] tot herstel van het eindvonnis alsnog afgewezen. De dragende overwegingen van het hof laten zich als volgt samenvatten:
a. De inleidende dagvaarding in eerste aanleg van [eiser] had betrekking op twee kwesties, waaronder het verzoek om herstel van een kennelijke fout in het vonnis van 15 juli 2020. [verweerder] richt het hoger beroep alleen tegen de beslissing van de rechtbank over de herstelkwestie. (onder 6.6)
b. Tegen de verbetering van een kennelijke verschrijving in een rechterlijke uitspraak staat op grond van art. 31 lid 4 Rv geen hogere voorziening open. Het rechtsmiddelenverbod kan echter worden doorbroken als de rechter buiten het toepassingsgebied van art. 31 Rv is getreden of als de rechter essentiële vormen heeft verzuimd. (onder 6.7)
c. Naar het oordeel van het hof bevat het vonnis van 15 juli 2020 geen kennelijke fout die zich leent voor eenvoudig herstel in de zin van art. 31 Rv. (onder 6.8-6.9)
d. De rechtbank is daarom buiten het toepassingsgebied van art. 31 Rv getreden door ten onrechte aan te nemen dat sprake was van een kennelijke fout en door tot herstel van die fout over te gaan. [verweerder] is daarom ontvankelijk in het hoger beroep. (onder 6.10)
e. Voor het geval ervan zou worden uitgegaan dat wel sprake is van een kennelijke fout in de zin van art. 31 Rv oordeelt het hof dat het in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [eiser] pas bijna twee jaar na het vonnis van 15 juli 2020 alsnog verbetering van dat vonnis vraagt. Het is ook de vraag in hoeverre [eiser] nog belang heeft bij toewijzing van de vordering met dwangsom. [verweerder] hoefde met een verzoek om verbetering redelijkerwijs geen rekening meer te houden. (onder 6.11)
f. Het hof zal het bestreden vonnis en het verstekvonnis van 1 juni 2022 vernietigen voor zover de rechtbank daarin het vonnis van 15 juli 2020 heeft hersteld. (onder 6.12)
Bij procesinleiding van 29 oktober 2024 heeft [eiser] tijdig cassatieberoep ingesteld. [verweerder] heeft verweer gevoerd. Beide partijen hebben hun standpunt schriftelijk doen toelichten. Vervolgens heeft [eiser] gerepliceerd en [verweerder] gedupliceerd.
3 De ontvankelijkheid van het cassatieberoep
[eiser] heeft ondanks het rechtsmiddelenverbod van art. 31 lid 4 Rv hoger beroep ingesteld. Hij heeft daartoe een doorbrekingsgrond aangevoerd, en het hof heeft over het bestaan van die grond een oordeel gegeven. Vaste rechtspraak is dat van een dergelijke beslissing beroep in cassatie kan worden ingesteld en dat het rechtsmiddelenverbod niet aan de ontvankelijkheid van het cassatieberoep in de weg staat.8 [eiser] heeft bij het door hem ingestelde cassatieberoep ook belang.