Home

Parket bij de Hoge Raad, 02-09-2025, ECLI:NL:PHR:2025:924, 23/02367

Parket bij de Hoge Raad, 02-09-2025, ECLI:NL:PHR:2025:924, 23/02367

Gegevens

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
2 september 2025
Datum publicatie
14 oktober 2025
ECLI
ECLI:NL:PHR:2025:924
Formele relaties
Zaaknummer
23/02367

Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Belaging, art. 285b.1 Sr. Eerste middel betreft de bewijsvoering. Tweede middel betreft de opgelegde vrijheidsbeperkende maatregelen. De AG meent dat het oordeel dat sprake was van een stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer in de zin van art. 285b Sr niet zonder meer begrijpelijk is. Conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer23/02367

Zitting 2 september 2025

CONCLUSIE

B.F. Keulen

In de zaak

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,

hierna: de verdachte

  1. De verdachte is bij arrest van 7 juni 2023 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens ‘belaging’ veroordeeld tot 1 maand gevangenisstraf, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, alsmede 60 uren taakstraf, subsidiair 30 dagen hechtenis. Het hof heeft daarnaast een vrijheidsbeperkende maatregel bestaande in een gebiedsverbod en een vrijheidsbeperkende maatregel bestaande in een contactverbod opgelegd. Ten slotte heeft het hof een vordering van een benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, hebben twee middelen van cassatie voorgesteld.

  3. Het eerste middel betreft de bewijsvoering, het tweede middel betreft de opgelegde vrijheidsbeperkende maatregelen. Voordat ik het eerste middel bespreek, geef ik de bewezenverklaring en de bewijsvoering weer, alsmede passages uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep en de pleitnota.

Bewezenverklaring en bewijsvoering

4. Het hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:

‘hij op tijdstippen in de periode van 26 maart 2021 tot en met 19 april 2021 te [plaats] , althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [aangeefster] , door

- meerdere malen Whatsapp berichten te sturen en

- een brief en kaart te sturen aan die [aangeefster] en af te leveren aan het huisadres van die [aangeefster] en (vervolgens) eenmaal naar het huisadres van die [aangeefster] te bellen met de kennelijke bedoeling om te verifiëren of een door verdachte aan die [aangeefster] verstuurde en/of afgegeven kaart is ontvangen en

- eenmaal een bericht op zijn, verdachtes, social media account (Instagram) te plaatsen waarin hij, verdachte, die [aangeefster] vermeldt en/of informatie over (zijn relatie met) die [aangeefster] deelt en

- meerdere malen de (toenmalige) vriend van die [aangeefster] (te weten [betrokkene 1] ) te benaderen en/of berichten te sturen over die [aangeefster] ,

met het oogmerk die [aangeefster] te dwingen iets te doen en te dulden.’

5. De bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen (met weglating van verwijzingen):

1. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 3 mei 2021 (...), voor zover inhoudende als verklaring van [aangeefster] :

Op dinsdag 24 december 2019 ben ik [verdachte] tegengekomen. Wij hebben op een vriendschappelijke manier contact gehad. Ik merkte dat [verdachte] meer wilde, maar ik had een relatie. [verdachte] wilde graag met mij verder in een relatie. Ik gaf het een kans en was benieuwd of wij bij elkaar konden passen. Uiteindelijk heeft hij (het hof begrijpt (telkens): [verdachte]) mij begin december verkering gevraagd. Ik heb toen gezegd dat ik dat niet wilde, omdat ik vond dat wij niet bij elkaar pasten. Ik heb aangegeven alleen nog als vrienden contact te willen houden. Dit kon hij echter niet accepteren. Hij bleef mij berichten sturen en bellen. Uiteindelijk heb ik [betrokkene 1] ontmoet. Ik werd verliefd en kreeg begin februari een relatie met hem. Sindsdien word ik gebeld. Mijn telefoonnummer is [telefoonnummer 1] . Naast telefoontjes stuurde hij mij daarop verschillende brieven, enkele kaarten en meerdere sms’jes. Hij weet niet van ophouden.

Hij is ook bij mijn huis langs geweest om brieven te posten. Vervolgens heeft hij naar mijn huistelefoon gebeld, waarna mijn moeder opnam. Hij wilde mij helpen herinneren dat er post voor me was. Ik was op dat moment niet thuis. Op deze brief stond mijn naam, dus het was in één opslag duidelijk dat deze brief voor mij bestemd was, maar toch belde hij op om het te bevestigen, hopend dat ik de telefoon op nam in plaats van mijn moeder. Dit is op 26 maart 2021 geweest.

Ook plaatst [verdachte] (het hof begrijpt telkens: [verdachte]) ‘posts’ op zijn verhaallijn die betrekking hebben op mij. Op deze berichten op Facebook en Instagram word ik met naam en toenaam genoemd. Hier heb ik enorm veel verdriet van, omdat ik hier geen controle over heb. Daarnaast voel ik me heel erg aangekeken. Ik durf niet meer in het dorp op het terras te gaan zitten. Ook benadert [verdachte] op Instagram (...) mijn vriend [betrokkene 1] (...). Mijn vriend [heeft] ontzettend veel last van [verdachte] , omdat hij niet wil stoppen. Hij blijft maar berichten plaatsen, vriendschapsverzoeken sturen en andere manieren vinden om contact te zoeken met mij en naasten.

Ik heb er zoveel last van, het beheerst mijn hele leven. Ik besef dat ik continu bezig ben met de situatie waarin ik verkeer en [dat ik] angstig ben. Ik kijk altijd om mij heen, voordat ik van huis vertrek. Ik heb al enkele keren bij [verdachte] aangegeven dat ik met rust wil worden gelaten, via Whatsapp en telefonisch. Ik heb [verdachte] geblokkeerd op alle ‘social media’ en via mijn telefoon. Het telefoonnummer van [verdachte] was [telefoonnummer 2] . Nu is zijn nummer [telefoonnummer 3] . Niks lijkt hem te stoppen. Ik ben bang waar dit gaat eindigen. Ik wil dat bij hiervoor vervolgd wordt, zodat dit niet ongestraft zich blijft vervolgen. Het stalken moet stoppen. Ik wil mijn leven weer vervolgen zonder gevoelens van angst, paniek en stress door [verdachte] .

In de bijlage bij de aangifte heb ik zoveel mogelijk bewijs verzameld zodat te zien is wat [verdachte] allemaal stuurt in mijn richting en andere[n].

Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.

2. Het proces-verbaal ontvangst klacht door hulpofficier van justitie d.d. 3 mei 2021 (...), voor zover inhoudende als relaas van [verbalisant 1] :

Op maandag 3 mei 2021 heb ik, als hulpofficier van justitie van (het hof begrijpt: de politie-eenheid) Oost-Brabant te [plaats] een mondelinge klacht ontvangen terzake van stalking.

De klacht werd gedaan door:

Achternaam: [aangeefster]

Voornamen: [aangeefster]

Geboren: [geboortedatum] 1995

Geboorteplaats: [geboorteplaats] Nederland

Geslacht: Vrouw

Nationaliteit: Nederlandse

Adres: [a-straat 1]

Postcode plaats: [plaats]

De klaagster verzocht uitdrukkelijk om tot vervolging van de mogelijke dader(s) over te gaan.

3. Het proces-verbaal van verhoor aangeefster d.d. 4 juni 2021 (...), voor zover inhoudende als verklaring van [aangeefster] :

V: Wat kun je vertellen over de brieven die je hebt ontvangen?

Ik kreeg er nog twee op 26 maart (het hof begrijpt: 2021). Dat was een brief en een kaart. Daarvoor belde [verdachte] ook naar mij op en toen sprak mijn moeder met hem.

V: Je hebt ook berichten ontvangen via de Whatsapp?

A: Dat klopt. Ik heb een nummer geblokkeerd van [verdachte] (het hof begrijpt: de [verdachte]).

A: Mijn eigen account is [accountnaam] (...) bij Instagram.

4. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 30 juni 2021 (...), met bijlagen (...) voor zover inhoudende als relaas van [verbalisant 2] :

Op maandag 3 mei 2021 werd door [aangeefster] aangifte gedaan ter zake van stalking. Door de aangeefster werd bewijs aangeleverd, zijnde schermafdrukken vanaf haar telefoon.

Bijlage 1: betreffende: Schermafdrukken van social media accounts (...)

(...)

[verdachte]

Berichten

Je hield het tegen mij zelfs nog vol, samen hand in hand,

Nu blijkt, tegelijk ook bij anderen aan de hand..

Zet je mensen zo grof aan de kant?

Toen ineens niet meer bestaan en ‘vergeten’

Niemand anders mag iets weten

Weet de ander van dit spel of niet?

Waarom verberg, ontken en verwijder je veel van ons,

zodat niemand het gelooft, hoort of ziet?

Het maakt niet uit,

Het doet alleen pijn en verdriet

Ongeloof. Waarom ? is dit de manier?

Ik geloofde niet dat jij dit was/zo kan zijn

Ik geloofde in wat jij mij beloofde..

Totaal niet verwacht na al het goede wat we elkaar

hebben gebracht..

Eén open en eerlijk gesprek is/was genoeg

Is dat teveel, wat ik van je vroeg?

Of durf je de confrontatie niet aan, na wat je hebt

gedaan?

De manier waarop... die heb je zelf gekozen..

Jammer dat het zo moet, het doet niemand goed

Ik heb niks te verbergen, niks was schijn en ik kom

ervoor uit omdat het, na alles, mij wat doet.

Ik ben in deze altijd open eerlijk en oprecht

En ik denk dat je daar nu tegen- en met jezelf vecht..

Dank [aangeefster] , voor de mooie tijd! Ik werd er foxwild van.

@ [accountnaam]

(...)

Bijlage 2: betreffende vriendschap verzoeken (...)

(...)

[verdachte]

Instagram

(...)

15 april (...)

[betrokkene 1] kerel,

Hoe is het?

Haha wellicht een rare en directe

vraag voor mijn beeldvorming. Maar

ik vraag dat liever gewoon bij de

bron. Hoelang ga je al met [aangeefster] ?

17 april (...)

Wellicht gevoelige vraag en wellicht

iets van meegekregen mja kijk maar

altijd goed

(...)

Bijlage 8.2: betreffende brieven en kaarten (...)

De brief zit in een enveloppe welke is geadresseerd [aangeefster] en op de andere zijde staat [b-straat 1] . Ik zie dat op de brief aan de linkerzijde bovenaan “ [plaats] , maart 2021” staat geschreven. Ik zie dat het handschrift ogenschijnlijk overeenkomt met het handschrift van de hierboven omschreven kaart. De brief omvat drie A4-tjes. Een passage uit de brief betreft:

“De wijze waarop je nu met me omgaat begrijp ik echt niet. Al helemaal niet als ik je dat dat ik enorm gekwetst ben. Zo gaan volwassenen toch niet met elkaar om? Dit negeren, ontlopen, blokkeren elkaar toch niet? Ik ben absoluut niet perfect, maar deze manier is echt niet correct."”

Ik zie dat de brief is ondertekend met de woorden “Groetjes, [verdachte] ”.

Bijlage 8.3: kaart

De kaart is geadresseerd [aangeefster] en ondertekend met Groetjes, [verdachte] . De kaart hoort bij de brief en dat maak ik op uit de tekst die erbij is geschreven “Vandaar bijgevoegde brief”.

Bijlage 6: betreffende whatsappberichten (...)

De aangeefster verklaarde dat ze meerdere Whatsapp berichten had ontvangen van [verdachte] . Ik zie dat de berichten worden verzonden vanaf het [telefoonnummer 3] .

[27-03-2021 18:36:42] [telefoonnummer 3] : joe joe.

Hierbij mijn nieuwe nummer.

Hoop dat het oke met je gaat. Heb wat in de bus gedaan bij je thuis.

Groetjes,

[verdachte]

[27-03-2021 19:29:24] [telefoonnummer 3] : Jullie mam weet ervan want ik wist niet of ik je naam erop had gezet.

[02-04-2021 07:48:37] [telefoonnummer 3] : Joee goedemorgen, ik ga en wil je verder niet lastigvallen ofzo maar vroeg me alleen even af of je mijn brief hebt ontvangen...

Deze heb ik met zorg samengesteld en het zou fijn zijn als je iets laat weten...

Het is verder ook aan jou wat je er mee wil doen/wil op reageren.

[05-04-2021 00:48:57] [telefoonnummer 3] : Als je zin hebt in een after of paaswandeling morgen let me know

[08-04-2021 19:35:32] [telefoonnummer 3] : [aangeefster] ,

Bericht op insta heb ik al aangepast.

Hoe dan ook, hoeveel we ook verschillen of elkaar niet begrijpen praten is en blijft het beste. Dat kunnen we beiden denk ik niet ontkennen. Ik merk ook dat je in de negatieve dingen blijft hangen en vind het jammer dat je me van alles noemt en selchte dingen ziet terwijl je er niet eerst naar vraagt.

Ik hoop dat je nu beetje begrijpt dat ik alles uit liefde heb gedaan. En dat meen ik oprecht. Het is erg jammer dat je zegt dat de brief je niks doet. Dat gaat oa nl over mijn gevoelens voor jou. Het enige wat ik gezegd heb tegen anderen is dat we altijd van elkaar hielden/leuk vonden (dat hadden we tegen elkaar uitgesproken) en dat we leuke dingen aan het doen waren en dat ik er enorm kapot van was dat het zo abrupt eindigt. Daarom en omdat ik om je geef heb ik die brief gestuurd. Niks meer niks anders. Had je dat niet zelf enigsinds niet kunnen verwachten als je zelf ineens alles afkapt verwijderd etc zonder gesprek, dat de ander vragen kan hebben....? Enkele van die vragen zijn oa..heb je ooit wel gevoelens gehad voor mij en heb je van mij gehouden zoals je had gezegd? Waren we 'zomaar’ over de toekomst/onze moeders/ons/evt. huis aan het praten en al die intieme leuke dingen aan het doen? Enfin het eea staat ook in de brief.

Zoals in de brief wil ik je wel nogmaals vragen om derhalve er een keer open over te praten. Dat hoeft niet nu of morgen maar wanneer het jou schikt. Dat is het enige wat ik vraag. En het zou fijn zijn als je iig even aangeeft of je dat aub een keer zou willen doen?

Ik wil ook je rust respecteren maar zonder tegenbericht van jou, zal ik eind april eens opnieuw berichten.

[08-04-2021 20:44:41] [aangeefster] : [verdachte] ik wil geen contact. Ik wil dat jij me met rust laat. Ik heb je net aan de telefoon verteld dat ik niks van je wil en de reden is dat ik ons niet bij elkaar vind passen. Deze reden heb ik je wel al tien keer verteld. Ik heb jou al meerdere keren uitgelegd waarom ik dat vind. Voor mij valt er niks meer uit te leggen en wil ik echt dat je stopt met me lastig vallen. Ik wil niet meer praten. Hopelijk heb je respect voor mij en kun je dit tonen. Ik hoop dat je het los kan laten.

[10-04-2021 19:50:20] [telefoonnummer 3] : [aangeefster] ,

Jij vraagt respect aan mij? Na alles wat je hebt gezegd en gedaan de laatste tijd tegen mij? Heb je jezelf horen praten aan de telefoon? Moet dat zo op die toon en waarom? En wat is nou het probleem om dat face to face persoonlijk te zeggen? Vind je dan niet dat je eerst zelf ook respect moet geven? Als je zegt van mij gehouden te hebben al helemaal. Notabene je eigen woorden aan de tel maar waarom doe je dat dan niet...

Ik wil heel graag dat jij dan stopt met mij veroordelen voor het eea zonder dingen te vragen/verhelderen bij mij. Je gelooft slechts roddels of dingen die je hoort. Ook dat je stopt met mij proberen de schuld te geven van jou angst in vertrouwen en alleen zijn. En van mijn open en eerlijkheid.

Er zijn nog genoeg vragen [aangeefster] (oa zie boven), jij beantwoord deze niet, je legt deze niet uit, ontwijkt alles, speelt met mijn gevoelens, doet alsof ik ineens niet besta en hebt tegen me gelogen en enorm gekwetst. Dat je zelfs daar niet op ingaat is ook al erg jammer en pijnlijk. Waarom? Heb jij al eens nagedacht wat dat met iemand kan doen? Heb je wat te verbergen?

En ik weet allang meer dan je denkt. Jij zei tegen mij dat je naast mij destijds ook iemand anders zag/mee bezig was (net zoals je zei dat je al vreemdging met mij destijds), dus dat dubbelspel heb je zelf aangegeven en intitieel nog over gelogen toen ik het direct vroeg en doe je nu weer. Via via hoorde ik al dat je regelmatig vertoeft in de [wijk] . 1+1=2. Dus ook daaruit blijkt helaas dat jij degene bent die niet open en eerlijk is geweest. Zo jammer dat ik dat niet van jou hoor.

Je durft nu zelfs mij en andere mensen die ik ken niet onder ogen te komen of ontwijk je (oa onze [naam] in de winkel en in [plaats] )

En als je mij blokkeert, ontloopt, ontkent en ontwijkt heb je dan wat te verbergen? En voor wie? Die andere kerel? Ik kan vast zeggen dat je daar nu heel vaak zit. Toen al en nu alweer meteen. Je patroon waar je het over het had herhaal je nu zelf.

[aangeefster] , je weet heeel goed wat je hebt gedaan tegen mij en dat ik het doorhad en die open en eerlijkheid komt jou nu slecht uit, vanwege je ’ander belang'.

Je houdt niet alleen mij maar ook die ander voor de gek. Weet hij überhaupt van ons? Of is het daarom dat je zo reageert?

Daarom betreur ik het ten zeerste dat je hier zo mee omgaat en al helemaal dat je schijnbaar vind dat dit een fatsoenlijke nette manier vindt om uit elkaar te gaan.

[aangeefster] , ik wilde niet geloven dat jij zoiets kunt doen/zeggen na alles. Ik wilde niet geloven dat jij dit bent. Vandaar ook zoveel vragen. Maar als dit jij wel bent, je ware gezicht is, dan heb ik me helaas enorm vergist. Sorry.

Ik zal het hierbij laten, maar als je het nog eens wilt heroverwegen om erover te praten hoor ik het graag.

[10-04-2021 20:32:03] [telefoonnummer 3] : U hebt dit contact geblokkeerd.

5. Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 9 juni 2021 (...), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [getuige] :

Het begon eigenlijk vanaf het moment dat [aangeefster] zei dat ze geen verkering met hem (het hof begrijpt telkens: de verdachte [verdachte]) wilde. Daarna werden er allemaal berichten gestuurd en ook post. Het heftigste vond ik toen [aangeefster] een andere jongen had leren kennen en toen kwam de social media erbij. Ik hoorde later van [aangeefster] dat zij duidelijk tegen hem had gezegd dat ze geen relatie met hem wilde. Ik hoorde van [aangeefster] dat hij zei dat dit het lot was en dat ze bij elkaar hoorden. Ik las het ook op een kaart die naar ons was gestuurd. Ik las het ook in een brief die hij bij ons in de brievenbus heeft gedaan. Hij belde daar later ook over op. Ik kwam thuis van het werk en ik hoorde dat mijn huistelefoon ging. Ik hoorde dat het [verdachte] was en dat hij aangaf dat er een brief in de bus was gedaan en dat deze voor [aangeefster] bedoeld was. Ik hoorde dat hij zei dat hij niet meer wist of hij de naam van [aangeefster] er op had gezet. Ik ging kijken in de brievenbus en ik zag dat er een kaart en een brief in de brievenbus lag. Ik zag dat op beide de naam van [aangeefster] stond. Ik kreeg de indruk dat hij mij had gebeld om er zeker van te zijn dat ik het zou lezen. Ik merk aan mijn dochter dat ze heel onrustig is. Zij durft niet naar een terras te gaan of zich vrij te bewegen zoals altijd. Wij sluiten de poort en [aangeefster] sluit haar auto als ze weg gaat met de auto. [aangeefster] is altijd op haar hoede en is bang dat [verdachte] ergens in de buurt is als ze weg gaat.

6. Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 28 september 2016 (...), voor zover inhoudende als verklaring van getuige [betrokkene 1] :

V: Waar ken jij [aangeefster] van?

A: [aangeefster] is mijn vriendin.

V: Wanneer kregen jullie een relatie?

A: Wij kregen een officiële relatie rond december of januari, volgens mij januari (het hof begrijpt: 2021).

V: Wanneer hoorde jij dat er wat speelde tussen [verdachte] en [aangeefster] ?

A: Ik merkte een maand nadat wij een relatie hadden dat [aangeefster] overstuur was. Zij vertelde mij dat zij nog steeds appjes kreeg van [verdachte] . [verdachte] zocht ook contact met mij op. [aangeefster] wil nog steeds dat alle deuren op slot gedaan worden. Zij kijkt steeds over haar schouder, bang dat hij haar volgt.

7. Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 1 september 2021 (...), voor zover inhoudende als verklaring van [verdachte] :

V: Op welk adres woont en verblijft u?

A: Op [b-straat 1] te [plaats] .

V: Van welke social media maakt u gebruikt?

A: Instagram en Whatsapp, dat is eigenlijk wel het voornaamste.

V: Wat is de accountnaam van uw Instagram account?

A: [Instagram naam] .

V: Door [aangeefster] en haar moeder wordt verklaard dat je een brief in de brievenbus hebt gedaan bij hun woning. Wat kun je daarover verklaren?

A: Zou goed kunnen, want ik heb haar een brief gestuurd.

V: Wanneer was dat?

V: Op de brief staat maart 2021 geschreven. Klopt dat, was het in maart?

A: Dat kan.

V: Er zijn nog meer poststukken bezorgd en het handschrift op deze post komt overeen met jouw handschrift. Hoe kun je dat verklaren?

A: Ik heb een keer een kaartje gestuurd (...).

V: Heb je toen nog op een andere manier geprobeerd contact met [aangeefster] te krijgen?

A: Misschien telefonisch.

V: [aangeefster] verklaarde dat je haar ook meerdere malen hebt gebeld. Klopt dat?

A: We hebben diverse keren wederzijds contact gehad ja.

V: Vanaf welk telefoonnummers belde je haar?

A: Met mijn eigen telefoonnummer. Dat is het telefoonnummer wat bij jullie bekend is en mijn vorige telefoonnummer. Dat weet ik niet meer welke dat geweest is.

V: En hoe zocht je nog meer contact?

A: Via de Whatsapp. Daarmee hebben wij normaal altijd contact gehad.

V: Klopt het dat [aangeefster] je blokkeerde op de Whatsapp?

A:Ja.’

6. Het hof heeft inzake het bewezenverklaarde voorts het volgende overwogen:

‘De raadsman van de verdachte heeft vrijspraak bepleit, met dien verstande dat de verdediging de door de rechtbank bewezenverklaarde handelingen van de verdachte in de periode van 26 maart 2021 tot en met 19 april 2021 (in de kern) niet heeft betwist, doch ten aanzien daarvan heeft betoogd dat die handelingen een wederrechtelijk karakter ontberen, zodat het bewijs tekortschiet dat de verdachte wederrechtelijk en stelselmatig inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster. Ter nadere adstructie van dit verweer heeft de raadsman aangevoerd dat de door de verdachte verrichte handelingen bedoeld waren om een antwoord te verkrijgen op de vragen van de verdachte omtrent de redenen van het – in de ogen van de verdachte plotseling en onverklaarbaar – verbreken van de relatie door aangeefster, hetgeen in de visie van de verdediging niet onbegrijpelijk is wanneer sprake is geweest van een affectieve relatie.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Voor belaging in de tenlastegelegde periode van 14 februari 2021 tot en met 25 maart 2021 en in de periode van 20 april 2021 tot en met 4 mei 2021, acht het hof onvoldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig, zodat de verdachte ter zake daarvan partieel zal worden vrijgesproken. Naar het oordeel van het hof kan met betrekking tot de periode van 14 februari 2021 tot en met 25 maart 2021 op grond van het dossier niet met een voor een bewezenverklaring vereiste mate van zekerheid worden vastgesteld dat aangeefster geen contact wenste met de verdachte, zodat bijgevolg het wederrechtelijk karakter van de handelingen van de verdachte niet kan worden vastgesteld. Voorts heeft het hof in dat verband in aanmerking genomen dat onvoldoende uit het procesdossier is gebleken op welke data de in de tenlastelegging vermelde gedragingen betrekking hebben, waarbij voorts het bewijs tekortschiet om alle in de tenlastelegging vermelde gedragingen (waaronder de anonieme telefoontjes of telefoonnummers) aan de verdachte toe te schrijven.

Gelijk de rechtbank heeft overwogen en geoordeeld, stelt het hof op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen vast, dat de verdachte in de periode van 26 maart 2021 tot en met 19 april 2021 – direct dan wel indirect – contact heeft gezocht, gehad en onderhouden met [aangeefster] , middels navolgende handelingen:

- het meermalen verzenden van Whatsappberichten naar aangeefster op 27 maart 2021 en 2, 5, 8 en 10 april 2021;

- het op 26 april 2021 verzenden en/of afleveren van een brief en een kaart aan het woonadres van aangeefster en het bellen naar (het huisadres van) aangeefster, teneinde te verifiëren of de door de verdachte afgegeven kaart is ontvangen;

- het op 15 en 17 april 2021 de (toenmalige) vriend van aangeefster, [betrokkene 1] te benaderen en berichten te sturen over aangeefster via zijn account op Instagram, en

- op 19 april een bericht op zijn Instagramaccount te plaatsen waarin hij aangeefster vermeldt en informatie over zijn (relatie met) die [aangeefster] deelt.

Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de verdachte met voormelde gedragingen wederrechtelijk stelselmatig inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [aangeefster] en zich mitsdien schuldig heeft gemaakt aan de belaging van die [aangeefster] .

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Ter beoordeling van de vraag of sprake is van belaging als bedoeld in artikel 285b, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, stelt het hof voorop dat betekenis toekomt aan verschillende factoren, waaronder: de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer. Deze in aanmerking te nemen beoordelingsfactoren zijn daarbij in zekere mate communicerende vaten. Het gaat in dat verband niet zozeer om een weging van elke factor op zichzelf, maar om de waardering van het gehele handelen van de verdachte en de vraag of dat handelen in zijn totaliteit bezien voldoet aan de eisen die aan belaging in art. 285b, eerste lid, Wetboek van Strafrecht worden gesteld. In dat verband geldt bijvoorbeeld dat een eventuele korte duur en een geringe frequentie van de gedragingen van verdachte kunnen worden gecompenseerd door de andere criteria, zoals de indringendheid en de aard van de gedragingen en de invloed van die gedragingen op het persoonlijke leven van de getroffene.

Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting blijkt dat de verdachte in de periode van 26 maart 2021 tot en met 19 april 2021, op indringende en intensieve wijze contact heeft gezocht met aangeefster. Daartoe zijn door de verdachte meerdere Whatsappberichten aan aangeefster verstuurd, alsmede een brief en een kaart naar haar woonadres gestuurd en afgeleverd. Tevens heeft de verdachte naar (het woonadres van) aangeefster gebeld en naar haar geïnformeerd, alsmede een bericht betreffende aangeefster (en hun vermeende relatie) op zijn sociale media account geplaatst. Ten slotte heeft de verdachte meermalen via zijn sociale media account contact opgenomen met de toenmalig vriend van aangeefster.

De inhoud van de door verdachte aan aangeefster geschreven brief, die zij op 26 maart 2021 heeft ontvangen, voert het hof tot de conclusie dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte – in ieder geval – met ingang van 26 maart 2021 moet hebben geweten dat aangeefster niet gediend was zijn toenaderingen en dat zij op geen enkele wijze contact met hem wenste. Immers heeft verdachte in deze brief geschreven: "zo gaan volwassenen toch niet met elkaar om? Dit negeren, ontlopen, blokkeren elkaar toch niet?”. Met deze passage acht het hof het wederrechtelijk karakter van de handelingen van de verdachte per 26 maart 2021,en bijgevolg de daaropvolgende data tot en met 19 april 2021, gegeven.

Niettegenstaande dat de bewezenverklaarde handelingen van de verdachte zijn gepleegd in een betrekkelijk korte periode van 4 weken, is het hof – gelet het vorenstaande en zulks bezien in het licht van de hiervoor bedoelde vooropstelling – van oordeel dat sprake is van een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster. Hiertoe heeft het hof in het bijzonder de stelselmatigheid, de (persoonlijke) aard van de inhoud en de verscheidenheid van de handelingen van de verdachte – in hun totaliteit en samenhang beschouwd – in aanmerking genomen. Aangeefster heeft meermalen, ook na 26 maart 2021, aan de verdachte te kennen gegeven en duidelijk gemaakt dat zij niet gediend was van zijn toenaderingen. Zij heeft hiervan aangifte en klacht gedaan. De verdachte heeft aangeefster meerdere Whatsappberichten verstuurd, alsmede een brief en kaart op haar woonadres bezorgd en afgegeven en aldus in haar privé-omgeving gebracht. Voorts is ook de (toenmalig) partner van aangeefster door de verdachte benaderd. Aangeefster heeft zich aan dit alles niet kunnen onttrekken en heeft deze inbreuk op haar levenssfeer moeten dulden.

Het hof heeft ten slotte gelet op de invloed van het handelen van verdachte op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van aangeefster, in die zin dat zij heeft aangegeven dat zij gedurende de tenlastegelegde periode en – gelet op de schriftelijke onderbouwing van haar vordering tot schadevergoeding, alsmede de mondelinge toelichting daarop van haar advocaat ter terechtzitting – op dit moment nog steeds bang is voor verdachte en zich niet veilig voelt, waarbij het handelen van de verdachte een enorme impact heeft (gehad) op het leven en psychisch welbevinden van aangeefster.

Het verweer van de verdediging, inhoudende dat de verdachte niet het oogmerk had om aangeefster te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden of haar vrees aan te jagen, omdat hij als gewezen partner het recht heeft om te weten wat de reden is voor de verbreking van de affectieve relatie door de ander, wordt door het hof verworpen. Het hof leidt verdachtes oogmerk af uit het samenstel van de inhoud van de Whatsapp-berichten, alsmede de overige uitingen en handelingen van de verdachte, welke er onmiskenbaar op waren gericht aangeefster er toe te bewegen met hem, verdachte, het gesprek aan te gaan over de verbreking c.q. het herstellen van de – in de ogen van de verdachte tussen hen bestaande – relatie en verdachtes pogingen daartoe te dulden.

Het hof merkt aanvullend nog op dat in het geheel niet aannemelijk is geworden dat aangeefster spullen van de verdachte in haar bezit had, zoals nog ten verwere is aangevoerd, nu in het strafdossier noch het verhandelde ter terechtzitting daar ook maar een begin van een aanknopingspunt voor is te vinden.

Mitsdien verwerpt het hof de verweren van de verdediging in al hun onderdelen.

Resumerend acht het hof, op grond van het vorenoverwogene en de gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de belaging van [aangeefster] op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld.’

7. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep, gehouden op 24 mei 2023, houdt onder meer het volgende in:

‘De raadsman pleit grotendeels overeenkomstig de inhoud van de door hem aan het hof overgelegde pleitnota, die aan dit proces-verbaal is gehecht en hier op na te noemen punten en met inachtneming van hetgeen in dat verband wordt opgemerkt als herhaald en ingelast wordt beschouwd.

De raadsman draagt de navolgende punten van de pleitnota voor:

- Punt 5.

- Punt 11 tot en met 15.

De voorzitter merkt op:

Ik begreep dat de verdediging de bewezenverklaarde periode niet wenste te betwisten, wat u nu voordraagt ziet op februari en aldus voor de bewezenverklaarde periode van de rechtbank.

De raadsman gaat van punt 16 van de pleitnota naar punt 21.

Buiten de pleitnota om merkt de raadsman op dat er op 28 april nog een telefoongesprek heeft plaatsgevonden. De raadsman draagt punt 25 van de pleitnota voor. De punten 47 tot en met 49 worden overgeslagen. De raadsman merkt op dat er onvoldoende bewijs is dat zijn cliënt het Instagrambericht heeft verzonden. De raadsman merkt voorts op dat geen sprake is van vrees aanjagen. De raadsman draagt punt 79 en verder voor. Na punt 95 draagt de raadsman punt 98 voor. De raadsman merkt op dat zijn vorige opmerking ook geldt voor het e-mailadres.

De raadsman verzoekt de onderdelen van de pleitnota die betrekking hebben op primair de niet-ontvankelijkheid van de vordering benadeelde partij in verband met de bepleite vrijspraak als voorgedragen te beschouwen. Het hof stemt hier mee in. De raadsman draagt de punten 124, 125 t/m 127, 129 tot en met 155 voor. De raadsman merkt op dat er sprake is andere problemen en een crisissituatie en een suïcidepoging. De raadsman merkt op dat door de benadeelde partij niet is onderbouwd dat er geen sprake is van andere medische kosten.

(...)

De voorzitter merkt op dat niet genoemde punten niet door de raadsman zijn voorgedragen.’

8. De overgelegde pleitnota houdt onder meer het volgende in (met weglating van een voetnoot):

‘5. De vraag die voorligt, is of cliënt zich in de voormelde periodes schuldig heeft gemaakt aan het belagen van [aangeefster] door wederrechtelijk en stelselmatig opzettelijk een inbreuk te maken op haar persoonlijke levenssfeer, bestaande uit een aantal opgesomde ‘stalkingshandelingen’, met het oogmerk haar te dwingen iets (niet) te doen, te dulden of vrees aan te jagen.

(...)

11. Zo heeft cliënt in het voormelde processtuk verwezen en bewijsmiddelen aangeleverd van uitjes en/of diners in [...] , [...] , [...] , [...] , [...] , [...] en op plekken in Duitsland (zie bijlage 1 bij de pleitnotitie in eerste aanleg). In januari 2021 zijn partijen nog samen in Duitsland geweest (zie bijvoorbeeld de foto's met de pauwen). Niet alleen eind januari, maar ook begin februari en medio februari 2021 stelde aangeefster per Whatsapp nog enkele malen voor om af te spreken, onder meer om samen uit eten gaan en wandelingen te maken (zie bijlage 2 bij de pleitnotitie in eerste aanleg). De onjuistheden in de verklaring van aangeefster over zowel de start als het einde van de relatie met cliënt roepen bij de verdediging vragen op over de betrouwbaarheid van hetgeen [aangeefster] nog meer heeft verklaard.

12. Zo hebben partijen op initiatief van aangeefster op 4 februari 2021 een avondwandeling gemaakt, waarvoor cliënt haar bij de Jumbo heeft opgehaald. Na de wandeling schrijft cliënt aan haar: "Was gezel wel!" waarop [aangeefster] antwoord: "Ja vond ik ook. Ik heb even na gedacht. En lijkt me leuk om wat vaker samen af te spreken."

13. De volgende ochtend (5 februari 2021) schrijft aangeefster naar cliënt: "Altijd gezellig (met smiley emoticon)." Als cliënt vervolgens vraagt wanneer zij opnieuw zullen afspreken, reageert zij: "Dit weekend zit ik helaas wel vol. Maar volgende week moet altijd lukken." Op 8 februari 2021 beschrijft zij haar dag aan cliënt en vraagt hem: "Hoe is het met jou?" Op 11 februari 2021 verandert de toon van de communicatie tussen partijen voor enkele dagen, totdat aangeefster op 15 februari 2021 naar aanleiding van een e-mailbericht van cliënt aan haar schrijft: "Wat lief van die mail. Dankjewel (met 2 smiley emoticons). Ik zal er eens naar kijken."

14. Op 16 februari 2021 vraagt zij aan cliënt of hij die dag vrij is, met de mededeling: "Wellicht kan ik zaterdagochtend ff wandelen (met smiley emoticon)." Cliënt reageert: “Wellicht? Spreken we dan af? (met smiley emoticon)." Aangeefster antwoord: "Ja is goed. Doen we zaterdagochtend (met smiley emoticon)." Op 17 februari 2021 vraagt zij aan cliënt: "Maar waar zullen we zaterdag gaan wandelen?" (zie bijlage 5 en bijlage 18 van het processtuk "Brief verdachte tegenbewijs").

15. Op 23 en op 24 februari 2021 volgen nog twee lange telefoongesprekken tussen partijen van 50 resp. 46 minuten (zie hiertoe de als bijlage 3 bij de pleitnotitie in eerste aanleg aangehechte screenshots waaruit die lange telefoongesprekken blijken).

16. Let wel, dat cliënt tot die tijd geen weet heeft van het contact en de omgang van aangeefster met [betrokkene 1] , noch dat aangeefster haar moeder al die tijd in de waan laat dat zij geen contact heeft met cliënt en dat cliënt haar juist lastig valt met telefoontjes en berichten.

(...)

21.De werkelijkheid strookt dus niet met het beeld dat aangeefster vanaf medio december 2020 over cliënt heeft geschetst – 'het vervelende ex-vriendje dat blijft bellen en berichten blijft sturen' – richting haar moeder en [betrokkene 1] . U dient derhalve naar de verklaringen van [getuige] en [betrokkene 1] te kijken van uit het perspectief dat zij onjuist door aangeefster zijn ingelicht. Zij verklaren immers over wat zij van aangeefster hebben gehoord over cliënt, terwijl aangeefster in werkelijkheid in elk geval tot eind februari 2021 nog volop met cliënt bezig was (zowel contact als omgang op eigen initiatief van aangeefster).

(...)

Periode van 26 maart 2021 t/m 19 april 2021

25. Nu de voorstellen om nieuwe afspraakjes te plannen in maart 2021 niet werden geconcretiseerd en partijen eind maart 2021 nauwelijks tot geen contact meer hadden, ging cliënt er (zoals gezegd) van uit dat zij weer in een periode van weinig omgang waren beland en de persoonlijke problematiek van aangeefster weer op speelde.

(...)

Periode van 20 april 2021 t/m 4 mei 2021

(...)

79. De rechtbank heeft bij haar oordeel overwogen, dat cliënt vooral kwalijk wordt genomen dat hij Instagram-berichten over (zijn relatie met) aangeefster heeft geplaatst en daarbij geen rekening zou hebben gehouden met de gevolgen voor haar (en in beperkte mate verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen).

80. Wat betreft het Instagram-bericht met foto van de pauw(en) op pag. 16 t/m 21 van het eindp-v, heeft aangeefster blijkens haar eigen bericht daarbij geen bezwaar gemaakt tegen de tekst (!), maar 'slechts' kenbaar gemaakt dat zij niet gediend was van de daarbij geplaatste foto en dat cliënt die foto beter kon verwijderen. Naar aanleiding daarvan heeft cliënt die foto verwijderd, zodat hij terstond tegemoet gekomen is aan de wens van aangeefster. Nu hem niet door aangeefster noch door een ander is gevraagd de tekst of het gehele bericht te verwijderen, begrijpt cliënt niet dat de rechtbank hem (met name) verwijt dat hij die tekst bij het bericht heeft geplaatst, althans niet het gehele bericht heeft verwijderd.

81. Overigens blijkt uit de screenshots in het eindp-v niet op welke datum het betreffende bericht met foto op Instagram heeft gestaan, zodat onvoldoende bewijs is geleverd dat het in de ten laste gelegde periode heeft plaatsgehad. Wat aangeefster daarover zelf heeft verklaard, is onvoldoende (overtuigend) bewijs dat het bericht met foto van de pauw(en) tussen 26 maart en 19 april 2021 op Instagram heeft gestaan. Voor zover het namelijk buiten de ten laste gelegde periode op. Instagram heeft gestaan, kan hem dat niet worden verweten.

82. Wat betreft het Instagram-bericht met afbeelding van een tekst van 19 april – waarbij geen jaartal zichtbaar is – en daaronder een gedicht (op pag. 22 en 23 van het eindp-v), heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat aangeefster is ‘getagd’ in dit bericht.

83. In de tekst bij dit bericht is duidelijk zichtbaar, dat een spatie tussen "@" en " [accountnaam] " staat, zodat het bericht niet daadwerkelijk is gekoppeld aan het Instagram-account van aangeefster. Voor zover in rechte zou komen vast te staan dat client dit bericht heeft geplaatst en het de bedoeling was om aangeefster in dit bericht te taggen, is een ondeugdelijke poging geweest om aangeefster in dit bericht te taggen.

84. Dit gegeven wordt ondersteund door het feit dat aangeefster, in tegenstelling tot het voormelde Instagram-bericht met de foto van de pauw(en), niet met een eigen bericht op 'dit gedicht' gereageerd heeft.

85. Nu aangeefster niet in het bewuste Instagram-bericht is getagd, is het niet zichtbaar geweest voor de volgers/vrienden van het Instagram-account van aangeefster. Voor zover het door cliënt op zijn Instagram-account zou zijn geplaatst, is het enkel zichtbaar geweest in de sociale (media) omgeving van client. Dit roept de vraag op in hoeverre met het plaatsen van dit bericht – volgens de rechtbank – een ernstige inbreuk is gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster.

86. De verdediging wil hiermee zeggen, dat het Instagram-bericht niet zichtbaar was voor derden en in zoverre niet opzettelijk geopenbaard is in de persoonlijke levenssfeer van aangeefster. Het is niet zo, dat de afbeelding en tekst door een ieder op het internet gezien konden worden.

87. Voor zover het bericht met gedicht op de Instagram-account van cliënt zou hebben gestaan, is het alleen zichtbaar geweest voor mensen die er bewust voor gekozen hebben om kennis te nemen van foto's en teksten van cliënt op Instagram. Die volgers of 'sociale media vrienden' kunnen zich in zoverre niet (bij cliënt) beklagen over foto’s of teksten die hij plaatst. Voor zover zij niet gediend zijn van een bepaalde foto en/of tekst van cliënt, hebben zij twee opties.

88. Ten eerste, om bij Instagram aan te geven dat het bericht aanstootgevend is en Instagram dat bericht dient te verwijderen of onzichtbaar te maken. Ten tweede, om het Instagram-account van cliënt te ‘ontvolgen’, zodat zij geen kennis meer hoeven te nemen van de bewuste foto/tekst en in het vervolg geen foto's of teksten meer hoeven te zien die hij op Instagram plaatst.

89. Voor zover uw Hof van oordeel zou zijn dat client deze tekst op Instagram heeft geplaatst – zijnde een gedicht met retorische vragen, waarin gevoelens worden geuit, [aangeefster] alleen bij voornaam wordt genoemd en zij wordt bedankt voor de mooie tijd samen – een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster oplevert, is cliënt onvoldoende duidelijk geworden waarom dit een ernstige inbreuk is.

90. Zo wordt in het gedicht geen dreigende of intimiderende taal aan aangeefster gericht, zodat het Instagram-bericht nooit een logische of verklaarbare aanleiding kan zijn geweest voor gevoelens van angst, stress of onveiligheid bij aangeefster, waardoor zij in die periode 'het huis niet meer uit te durfde'.

91. De tekst is evenmin beledigend, smadelijk of lasterlijk van aard, zodat het recht op vrije meningsuiting van degene die het bericht op Instagram heeft geplaatst in zoverre niet beknot zou mogen worden. Dat aangeefster de inhoud van dat bericht niet leuk/prettig vond, maakt nog niet dat de tekst als beledigend, smadelijk of lasterlijk aan te merken is, en daarmee een ernstige inbreuk vormde op haar persoonlijke levenssfeer.

92. Ook de voormelde brief en berichten die cliënt eind maart-begin april 2021 naar aangeefster heeft verzonden, bevatten geen teksten die gevoelens van angst, stress of onveiligheid bij aangeefster konden oproepen. Cliënt heeft nimmer gedreigd om cliënte of haar familie/vrienden wat aan te doen als zij de relatie of het contact met hem niet zou herstellen. Cliënt heeft aangeefster niet gedwongen nog een relatie of omgang met hem te hebben.

93. Voor zover aangeefster vanaf eind maart 2021 (tot geruime tijd later) met gevoelens van angst of stress heeft gekampt, gaat cliënt ervan uit dat het hierbij gaat om klachten waarmee zij al vóór en tijdens haar relatie met cliënt bekend was. Zij heeft juist regelmatig met cliënt gesproken over dergelijke klachten, de medicatie die zij daarvoor geslikt had en dat zij één jaar studievertraging had opgelopen vanwege haar (depressieve) gevoelens. Client heeft steeds geprobeerd aangeefster te helpen met haar persoonlijke problematiek, zodat het ontstaan of voortduren van die gevoelens en klachten niet (uitsluitend) aan cliënt te wijten zijn.

Jurisprudentie + Wetsgeschiedenis

94. Uit de jurisprudentie en wetsgeschiedenis op het gebied van belaging zijn belangrijke punten te halen, die van belang zijn voor de onderhavige zaak.

95. Zo blijkt uit de uitspraak van het Hof Amsterdam van 11 juli 2019 (ECLI:NL:GHAMS:2019:4963), dat bij ‘echtscheidingskwesties’ minder snel tot een opzettelijke wederrechtelijke, stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer kan worden geconcludeerd, omdat partijen richting en na het einde van de relatie over en weer nog enkele malen contact hebben gehad. Dat dient dus ook in casu te gelden.

(...)

98. Voorts wordt verwezen naar de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 6 mei 2013 (ECLI:NL:GHARL:2013:BZ9376). In deze zaak hadden aangeefster en verdachte vanaf 2004 over en weer telefonisch, sms- en chatcontact gehad. Dit contact was aanvankelijk zeer intensief en kende ook een intieme inhoud. Later waren er ook periodes waarin geen contact was tussen partijen. Het initiatief tot het opnemen van contact ging dan van één van beiden uit, waarna weer contact tot stand kwam. Als het initiatief bij verdachte lag, beantwoordde aangeefster dit contact. Een en ander heeft voortgeduurd tot augustus 2010. Op 19 augustus 2010 heeft aangeefster in een e-mailbericht aan verdachte laten weten dat zij voorlopig niet gediend was van contact met verdachte. Zij schrijft daarin onder meer dat verdachte haar een flinke tijd met rust moet laten. Hierdoor is niet komen vast te staan dat in die periode sprake is geweest van door verdachte gezocht contact waaraan een wederrechtelijk karakter moet worden toegekend.’

Bespreking van het eerste middel

Bespreking van het tweede middel

BESLISSING

Afronding