Home

Rechtbank Amsterdam, 29-11-2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:9011, C/13/623295 / HA ZA 17-129

Rechtbank Amsterdam, 29-11-2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:9011, C/13/623295 / HA ZA 17-129

Gegevens

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
29 november 2017
Datum publicatie
21 maart 2018
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2017:9011
Formele relaties
Zaaknummer
C/13/623295 / HA ZA 17-129

Inhoudsindicatie

Onrechtmatige publicatie in jaarverslag? De Raad van Commissarissen van gedaagde heeft conclusies getrokken uit een onderzoeksrapport. De tekst van die conclusies is gepubliceerd in het jaarverslag van gedaagde. De rechtbank oordeelt dat die tekst niet onrechtmatig is jegens eiser en dat gedaagde ook niet onrechtmatig tegenover eiser heeft gehandeld door die tekst nadien te handhaven.

Uitspraak

vonnis

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/623295 / HA ZA 17-129

Vonnis van 29 november 2017

in de zaak van

[Eiser] ,

wonende te [Woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. D. Poot te Leiden,

tegen

de naamloze vennootschap

[gedaagde]

gevestigd te [Vestigingsplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. R.B. Musters te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [Eiser] en [gedaagde] worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

-

de dagvaarding van 27 januari 2017,

-

de akte overlegging van producties zijdens [Eiser] ,

-

de conclusie van antwoord, met producties,

-

het tussenvonnis van 5 april 2017 waarin een comparitie van partijen is gelast,

-

het proces-verbaal van comparitie van 4 oktober en de daarin genoemde stukken,

-

de brief van 18 oktober 2017 zijdens [Eiser] met een reactie op het proces-verbaal,

-

de brief van 20 oktober 2017 zijdens [gedaagde] met een reactie op het proces-verbaal.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[Eiser] is van 1 januari 2002 tot 1 mei 2010 bestuurder (algemeen directeur) geweest van thans [gedaagde] . Hij was bestuursvoorzitter. In de voor dit geding relevante periode bestond het bestuur uit drie personen, te weten [Eiser] , [Bestuurder 1] en [Bestuurder 2] .

2.2.

In 2012 verschenen berichten in de Telegraaf over mogelijke misstanden bij [gedaagde] . In die publicaties wordt – kort gezegd – gesuggereerd dat bij [gedaagde] was gefraudeerd en dat sprake was van onregelmatigheden binnen [gedaagde] . Naar aanleiding van de eerste publicaties in de media heeft de Raad van Commissarissen (die op basis van de statuten de bestuurders van [gedaagde] benoemt, verder: de RvC) op 10 april 2012 opdracht gegeven aan [Naam onderzoeksbureau] (verder: [Naam onderzoeksbureau] ) tot een feitelijk onderzoek naar de in de media vermelde kwesties.

2.3.

[Eiser] is in de gelegenheid gesteld zijn visie op de onderzoeksresultaten van [Naam onderzoeksbureau] te geven. De opmerkingen van [Eiser] zijn als bijlage bij het rapport gevoegd voordat het (op 7 juni 2012) aan de RvC werd verstrekt.

2.4.

De RvC heeft op 8 en 9 juni 2012 vergaderd over het rapport en heeft uit dit rapport conclusies getrokken.

2.5.

Naar aanleiding hiervan heeft [gedaagde] op 12 juni 2012 het volgende persbericht gepubliceerd:

“De Raad van Commissarissen heeft op zaterdag 9 juni j.l. conclusies getrokken op basis van het onderzoeksrapport naar de aantijgingen van fraude zoals gepubliceerd in de Telegraaf op 31 maart en 5 mei 2012. De conclusies zijn op 10 juni besproken met de aandeelhouder [de gemeente Amsterdam, rechtbank]. (...)

Conclusies Raad van Commissarissen [gedaagde] (...), 9 juni 2012

Het onderzoek

Het onafhankelijke [Naam onderzoeksbureau] -onderzoek is conform de opdracht van de Raad van Commissarissen uitgevoerd.

De hoor- en wederhoor procedure is gevolgd.

Een samenvatting toevoegen veroorzaakt verlies van nuance.

Het onderzoek geeft geen aanleiding verder onderzoek te laten uitvoeren.

Fraude

-

Het [Naam onderzoeksbureau] rapport weerlegt de aantijgingen van fraude zoals gepubliceerd in de Telegraaf.

-

Behoudens een relatief klein en indertijd meteen door directie afgewikkeld incident is geen fraude vastgesteld.

Naleving wet- en regelgeving

-

Er zijn feiten vastgesteld van (het vermoeden van) het opzettelijk negeren van geldende wet- en regelgeving en/of het negeren van interne [gedaagde] regels.

-

Meerdere malen blijken doelredeneringen gevolgd te zijn in het kader van Europese, nationale en/of interne aanbestedingsregels.

Good governance

-

Uit het feitencomplex blijkt dat er structureel sprake is geweest van bestuurlijk gedrag dat niet voldoet aan de regels van good governance. Dit betreft aspecten van regels van integriteit, rechtmatigheid, doelmatigheid en verantwoordelijkheid.

-

Deze constatering betreft de toenmalige directie.

-

M.b.t. een functionaris heeft een indertijd afgewikkeld integriteitsissue gespeeld.

Consequenties

 Gezien de uitdagingen (o.a. aanbesteding) waarvoor het [gedaagde] gesteld staat, in combinatie met voorgaande conclusies, moet geconcludeerd worden dat de heren [Bestuurder 1] en [Bestuurder 2] als (statutair) directeuren niet gehandhaafd kunnen worden. Een passende oplossing voor de afwikkeling hiervan zal worden gezocht.”

2.6.

In het jaarverslag van [gedaagde] over het boekjaar 2012 is over deze kwestie opgenomen:

Kernpunten in verslagjaar

Het belangrijkste agendapunt in het verslagjaar was het gereedmaken van [gedaagde] voor de nieuwe concessieperiode, (...). Tevens heeft de RvC in het verslagjaar, naast het reguliere toezicht, de meeste aandacht besteed aan het in opdracht van de RvC uitgevoerde forensisch onderzoek in verband met de veronderstelde fraude, het hieruit resulterende actieplan, de hieruit resulterende wijzigingen in de directiesamenstelling, (...).

Vermeende onregelmatigheden

Op 31 maart 2012 werd er in De Telegraaf een artikel gepubliceerd waarin een aantal veronderstelde fraudes en vermeende onregelmatigheden werden beschreven binnen [gedaagde] .

Opdracht tot forensisch onderzoek

In april 2012 heeft de RvC, naar aanleiding van deze berichtgeving, opdracht gegeven tot een forensisch onderzoek. Deze opdracht, die primair de periode 2006 tot en met 2008 betrof, is uitgevoerd door onafhankelijk accountantsbureau [Naam onderzoeksbureau] . (...)

Conclusies RvC

De RvC heeft uit dit onderzoek geconcludeerd dat van fraude, zoals in de media werd gesuggereerd, geen sprake is geweest, maar dat er wel feiten zijn vastgesteld van (het vermoeden van) het opzettelijk negeren van geldende wet- en regelgeving en/of het negeren van interne regels. Meerdere malen blijken doelredeneringen te zijn gevolgd in het kader van Europese, nationale en/of interne aanbestedingsregels. Bovendien blijkt dat er structureel sprake is geweest van bestuurlijk gedrag dat niet voldoet aan de regels van goede governance. Dit betreft aspecten van regels van integriteit, rechtmatigheid, doelmatigheid en verantwoordelijkheid die allen betrekking hebben op de toenmalige directie.

Consequenties directie

Gezien de uitdagingen waarvoor [gedaagde] gesteld stond -waaronder de destijds nog actueel zijnde aankomende aanbesteding- in combinatie met voorgaande conclusies, heeft de RvC geconcludeerd dat de heren [Bestuurder 1] en [Bestuurder 2] , ondanks de waardering voor de prestaties die zij in de voorafgaande jaren hebben geleverd, niet konden aanblijven als statutair directeuren.”

2.7.

Het hierboven bedoelde jaarverslag is medio 2013 gedeponeerd bij de Kamer van Koophandel te Amsterdam en is toen ook op de website van [gedaagde] geplaatst.

3 Het geschil

3.1.

[Eiser] vordert, bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

A. te verklaren voor recht dat [gedaagde] met het trekken en publiceren van de conclusies zoals gepubliceerd in het jaarverslag [gedaagde] 2012 jegens [Eiser] en zijn collega’s onrechtmatig heeft gehandeld,

B. [gedaagde] te bevelen om na betekening van het vonnis de onrechtmatig geoordeelde publicatie te rectificeren middels:

- het uitgeven van een persbericht;

- het plaatsen en gedurende een onafgebroken periode van 1 maand op de homepage van [gedaagde] en zes maanden als 1e item links bovenaan op de webpagina van [gedaagde] geplaatst houden van een item genaamd “Rehabilitatie de heer [Eiser] , voormalig algemeen directeur [gedaagde] ” met onder de knop “Lees meer” een link naar een bericht met de tekst van de rectificatie;

- het opnemen van een mededeling in het eerstevolgende door [gedaagde] te publiceren jaarverslag inhoudende de tekst van de rectificatie, voor wat betreft het uitgeven van het persbericht en het plaatsen van de hierboven bedoelde rectificatie op de website, op straffe van een dwangsom van € 5.000,- voor iedere dag dat [gedaagde] daarmee in gebreke blijft nadat veertien dagen na betekening zijn verstreken en voor wat betreft het opnemen van een mededeling in het eerstvolgende door [gedaagde] te publiceren jaarverslag, op straffe van een dwangsom van € 10.000,- als [gedaagde] daarmee in gebreke blijft,

C. [gedaagde] te veroordelen om ter zake van vergoeding van geleden immateriële schade aan [Eiser] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te voldoen een bedrag van € 10.000,00 (tienduizend euro), althans een zodanig bedrag als de Rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren,

D. [gedaagde] te veroordelen om ter zake van vergoeding van geleden materiële schade aan [Eiser] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te voldoen de schade op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,

E. [gedaagde] te veroordelen om ter zake van vergoeding van door [Eiser] gemaakte buitengerechtelijke kosten aan [Eiser] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te voldoen een bedrag van € 9.156,48 (negenduizendhonderdzesenvijftig euro en 48 eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de dag der dagvaarding tot aan die der algehele voldoening,

een en ander met veroordeling van [gedaagde] in de kosten.

3.2.

[Eiser] stelt daartoe – kort gezegd – dat het gepubliceerde jaarverslag een onjuiste en onvolledige publicatie van feitelijke aard betreft. De conclusies van de RvC zoals opgenomen in het jaarverslag worden niet gedragen door het feitenrapport van [Naam onderzoeksbureau] . De in algemene bewoordingen gestelde conclusies van de RvC zoals gepubliceerd in het jaarverslag geven de indruk dat structureel de regels van good governance zijn overtreden. Daardoor heeft [Eiser] in zijn netwerk reputatieschade geleden. De RvC heeft bovendien onzorgvuldig gehandeld door [Eiser] niet te raadplegen of te horen tijdens de vergadering in juni 2012 waarin hij tot zijn conclusies is gekomen.

[Eiser] kon medio 2012 de gekozen woorden in het persbericht wel plaatsen, maar herhaling in het jaarverslag ging hem te ver. Na het persbericht heeft de Ondernemingsraad van [gedaagde] zich uitgelaten over het voorgenomen ontslag van [Bestuurder 1] en [Bestuurder 2] en de conclusies van de RvC genuanceerd. De Ondernemingsraad heeft het gehanteerde normenkader en de daarop gebaseerde conclusies van de RvC bekritiseerd en heeft daarom negatief geadviseerd over het ontslag van [Bestuurder 1] en [Bestuurder 2] . De kantonrechter heeft in de ontslagprocedure van [Bestuurder 2] vergelijkbare kanttekeningen geplaatst bij de redenen van [gedaagde] voor het ontslag van [Bestuurder 2] . Dit alles is ten onrechte buiten beschouwing gelaten door [gedaagde] bij het opstellen van het jaarverslag, en bij zijn latere verzoek aan de RvC om de conclusies uit het [Naam onderzoeksbureau] -rapport te heroverwegen, aldus steeds [Eiser] .

3.3.

[gedaagde] voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

5 De beslissing