Rechtbank Amsterdam, 19-08-2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:3440, C/13/661498 / HA ZA 19-164
Rechtbank Amsterdam, 19-08-2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:3440, C/13/661498 / HA ZA 19-164
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Amsterdam
- Datum uitspraak
- 19 augustus 2020
- Datum publicatie
- 20 augustus 2020
- ECLI
- ECLI:NL:RBAMS:2020:3440
- Zaaknummer
- C/13/661498 / HA ZA 19-164
Inhoudsindicatie
Financiering scheepsbouwproject.. Geld weggesluisd naar onderneming in zwaar weer. Onrechtmatig bewijs. Dwaling i.v.m. weigeren toestemming echtgenote (art. 1:88 en 1:89 BW). Bestuurdersaansprakelijkheid (art. 2:11 BW).
Uitspraak
vonnis
Afdeling privaatrecht
zaaknummer / rolnummer: C/13/661498 / HA ZA 19-164
Vonnis van 19 augustus 2020
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
SIMBA B.V.,
gevestigd te Rijsenhout,
eiseres in conventie,
verweerster in reconventie,
advocaat mr. H.E. [betrokkene 3] ,
tegen
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde sub 1] B.V. (voorheen: [naam voormalig gedaagde sub 1] B.V.),
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde sub 2] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde sub 3] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
4. [gedaagde sub 4],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagden in conventie,
eisers in reconventie,
advocaat mr. I.J. Woltman.
Partijen zullen hierna Simba en [gedaagden] c.s. genoemd worden.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
-
de dagvaarding van 25 januari 2019, met bijlagen (hierna: producties);
- -
-
de incidentele conclusie van onbevoegdheid;
- -
-
de conclusie van antwoord in incident relatieve bevoegdheid, met een productie;
- -
-
het vonnis in incident van 15 mei 2019, waarin het gevorderde in incident is afgewezen en is bepaald dat de zaak weer op de rol komt voor conclusie van antwoord;
- -
-
de conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie, met producties;
- -
-
het vonnis van 18 december 2019, waarin een verschijning van partijen is bevolen;
- -
-
de conclusie van antwoord in reconventie, met een productie;
- -
-
de akte van 9 maart 2020 van Simba, met producties;
- -
-
het proces-verbaal van Skype behandeling, gehouden op 30 juni 2020, met de daarin genoemde spreekaantekeningen van mr. Woltman, waarin is bepaald dat de zaak wordt verwezen naar de rol voor uitlating doorhaling ofwel vragen vonnis;
- -
-
de uitlating van partijen op de rol dat zij vonnis vragen.
2 De feiten
[gedaagde sub 4] (hierna: [gedaagde sub 4] ) is eigenaar van een scheepswerf in Sneek. De scheepswerfactiviteiten waren ondergebracht in [dochtervennootschap] B.V. [gedaagde sub 4] is getrouwd met [echtgenote] .
De heer [betrokkene] (hierna: [betrokkene] ) is bestuurder van meerdere beheer-maatschappijen, waaronder Simba.
Eind 2017 zijn [gedaagde sub 4] en [betrokkene] in overleg getreden over de financiering van een scheepbouwproject, waarbij schepen zouden worden gebouwd voordat er een koper bekend was. Zij hebben overeenstemming bereikt over een constructie waarbij Simba een geldlening zou verstrekken van maximaal € 2.000.000,- voor de bouw van een schip (model [model schip 2] , hierna: de [model schip 2] ). [gedaagde sub 4] en [betrokkene] hadden de intentie om ook tot financiering te komen voor de bouw van een tweede schip (model [model schip 1] , hierna: de [model schip 1] ). Het geld zou worden overgemaakt naar een afzonderlijke werkmaatschappij waarin alleen het door Simba te financieren scheepsbouw-project was ondergebracht, destijds handelend onder de naam [naam voormalig gedaagde sub 1] B.V. en thans handelend onder de naam [gedaagde sub 1] B.V. (hierna: [gedaagden] ).
[gedaagden] wordt bestuurd door [gedaagde sub 2] B.V. (hierna: [gedaagde sub 2] ), dat op haar beurt wordt bestuurd door [gedaagde sub 3] B.V. (hierna: [gedaagde sub 3] ). [gedaagde sub 4] is bestuurder en enig aandeelhouder van [gedaagde sub 3] .
Op 11 december 2017 heeft [betrokkene] een concept-overeenkomst van geldlening naar [gedaagde sub 4] gemaild. [gedaagde sub 4] heeft dit concept dezelfde dag naar zijn boekhouder gemaild met het volgende commentaar:
“Wordt er nog niet echt heel vrolijk van. 7%, binnen 2 jaar opeisbaar en hoofdelijk aansprakelijk. Alhoewel het laatste niet rechtsgeldig is, want [echtgenote] tekent niet mee. Morgen maar even bespreken.”
De tekst van de overeenkomst van geldlening tussen Simba enerzijds en [gedaagden] en [gedaagde sub 4] anderzijds, waarover [betrokkene] en [gedaagde sub 4] overeenstemming hebben bereikt (hierna: de overeenkomst), luidt, voor zover voor deze zaak van belang, als volgt:
“Artikel 2 Doel van de lening
De lening is bedoeld om Schuldenaar in staat te stellen de volledige financiering van de ontwikkeling en constructie van één schip, de [model schip 2] van de firma [gedaagden] BV (...) te voldoen. Schuldenaar zal deze financiering dan ook voor geen enkel ander doel gebruiken dan voor het genoemde ondernemersdoel van genoemde onderneming. (...)
Artikel 3 Lening zowel zakelijk als in in privé en hoofdelijke aansprakelijkheid van de Schuldenaren en verhaal op naam
De financiering zal dus zakelijk worden aangewend en op de zakelijke rekening van [gedaagden] BV worden overgemaakt, maar partijen komen uitdrukkelijk overeen dat het gehele bedrag tevens in privé geacht zal worden te zijn geleend aan [gedaagde sub 4] , zodat voornoemde schuldenaar de genoemde [gedaagde sub 4] , ook volledig in privé en hoofdelijk verantwoordelijk zal zijn voor de terugbetaling van de hoofdsom en de overeengekomen rente. Partijen stellen vast dat ter verdere zekerheid en verhaal voor schuldeiser de haar toekomende vorderingen uit deze overeenkomst zowel jegens de firma [gedaagden] BV als ook de bestuurder/eigenaar van die firma, [gedaagde sub 4] ingesteld kunnen worden. In verband met die verplichting zijn zowel [gedaagden] BV als haar bestuurder [gedaagde sub 4] in privé medeondertekenaar van de overeenkomst.
Artikel 4 Rente & Aflossing en zekerheidstelling
(...)
4-Naast de voornoemde verschuldigdheid van aflossing en rente zijn partijen tevens overeengekomen dat de schuldeiser ter zekerheidstelling voor de door hem verstrekte lening bij separate notariële akte een pandrecht zal verkrijgen op 100% van de uitgegeven/aangehouden aandelen [gedaagden] BV (...) alsmede een pandrecht te vestigen op het te bouwen schip (...). Dit pandrecht zal gelijktijdig met de ondertekening van deze overeenkomst van geldlening worden gevestigd en de daartoe op te stellen akte zal worden verleden bij notaris De Wit en Dijkstra te Sneek (...)
Artikel 9 Opeisbaarheid en informatieverstrekking
(...)
3-de schuldenaar is verplicht om schuldeiser maandelijks schriftelijk te informeren over de voortgang van het bouwproject”.
[gedaagde sub 4] en [betrokkene] hebben afgesproken dat de overeenkomst en de daarin vermelde pandakte op 22 december 2017 bij een notaris getekend zouden worden. De advocaat van [betrokkene] heeft daartoe op 19 december 2017 een door [betrokkene] ondertekende versie van de overeenkomst naar deze notaris gemaild. Op 20 december 2017 heeft de notaris aan de advocaat van [betrokkene] bericht dat het niet zou lukken de pandakte tijdig gereed te krijgen, onder andere omdat de echtgenote van [gedaagde sub 4] nog toestemming moest geven voor de overeengekomen privéaansprakelijkheid van [gedaagde sub 4] . Op dezelfde dag is namens [betrokkene] meegedeeld dat hij geen bezwaar had tegen uitstel van de ondertekening. Op 21 december 2017 heeft [gedaagde sub 4] echter een ook door hem ondertekende versie van de overeenkomst naar de advocaat van [betrokkene] en de notaris gemaild.
De notaris heeft op 3 januari 2018, voor zover voor deze zaak van belang, het volgende naar [gedaagde sub 4] gemaild:
“Van de heer [betrokkene 2] heb ik vernomen dat hij telefonisch met u heeft gesproken. U heeft in dat gesprek aangegeven dat uw echtgenote geen toestemming zal verlenen voor de hoofdelijke aansprakelijkstelling door u in privé voor de schuld aan Simba BV. Het ontbreken van de toestemming maakt deze aansprakelijkstelling vernietigbaar (door uw echtgenote). Ik heb van de heer [betrokkene 3] begrepen dat aansprakelijkstelling van u in privé van groot belang is voor de geldverstrekker, omdat [gedaagden] BV vooralsnog niet veel verhaal zal bieden. De heer [betrokkene 3] is op de hoogte van het vereiste van de toestemming en rekent erop dat ook dit deel van de overeenkomst op correcte en volledige wijze in de notariële akte wordt opgenomen. Gezien de positie van de notaris, die de belangen van beide partijen dient te waarborgen, is het geen optie de heer [betrokkene] en heer [betrokkene 3] niet te informeren over het niet verlenen van de toestemming.”
Op 4 januari 2018 heeft een administrateur van [dochtervennootschap] B.V. per e‐mail aan Simba en [betrokkene] verzocht om het eerste gedeelte van de financieringssom voor de [model schip 2] en de [model schip 1] over te maken. Voor de engineering en ontwikkeling van de [model schip 2] wordt € 182.909,98 gefactureerd en voor de engineering en ontwikkeling van de [model schip 1] wordt € 166.100,- gefactureerd. Simba heeft deze facturen direct betaald. [gedaagden] heeft dit geld besteed aan lopende verplichtingen binnen [het concern] , waaronder het betalen van crediteuren van [dochtervennootschap] B.V.
Op 8 januari 2018 heeft de notaris de advocaat van [betrokkene] geïnformeerd over de mededeling van [gedaagde sub 4] , dat zijn echtgenote geen toestemming zal geven voor zijn privéaansprakelijkstelling. Vervolgens is er tussen partijen overleg gevoerd over het alsnog geven van toestemming door de echtgenote van [gedaagde sub 4] en over het opstellen van een overeenkomst van geldlening betreffende de [model schip 1] . Op 28 januari 2018 is duidelijk geworden dat de echtgenote van [gedaagde sub 4] definitief geen toestemming zal geven, waarop [betrokkene] aan [gedaagde sub 4] heeft meegedeeld dat hij de samenwerking wil beëindigen.
Bij brief van 10 maart 2018 is de overeenkomst namens Simba vernietigd, althans ontbonden.
Op 23 april 2018 heeft [gedaagden] Simba gedagvaard in kort geding. Ze vorderde nakoming van de overeenkomsten betreffende de [model schip 2] en de [model schip 1] . De voorzieningenrechter heeft in haar vonnis van 9 mei 2018 (C/13/645999 / KG ZA 18-334) ten aanzien van de overeenkomst overwogen dat aannemelijk is dat ten minste één van de verweren van Simba, te weten haar beroep op vernietiging dan wel ontbinding, voldoende kans van slagen heeft. De voorzieningenrechter acht het onaannemelijk dat [gedaagde sub 4] niet wist dat zijn echtgenote moest instemmen met zijn aansprakelijkstelling in privé. Bovendien kan hij op dit moment deze overeengekomen zekerheidstelling niet nakomen. Daarnaast overweegt de voorzieningenrechter dat voorshands voldoende aannemelijk is dat [gedaagden] in strijd met de overeenkomst geld van Simba in [dochtervennootschap] B.V. heeft gestoken, althans voor andere doelen heeft aangewend dan de overeenkomst toeliet. Voor zover ze dit betwist, had het op haar weg gelegen om hierover de overeengekomen openheid van zaken te geven. Ten aanzien van de overeenkomst betreffende de [model schip 1] overweegt de voorzieningenrechter dat uit het feitencomplex blijkt dat deze overeenkomst niet tot stand is gekomen. Gelet hierop heeft de voorzieningenrechter de gevraagde voorzieningen geweigerd.
Bij vonnis van 22 mei 2018 is [dochtervennootschap] B.V. in staat van faillissement verklaard.
Bij brief van 25 juni 2019 is aan Simba een verklaring toegestuurd van de echtgenote van [gedaagde sub 4] , waarin zij primair de zekerheidsstelling in de overeenkomst en subsidiair de hele overeenkomst vernietigt.
3 Het geschil
Simba vordert dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
-
verklaart voor recht dat Simba op 10 maart 2018 in haar schriftelijke bericht aan [gedaagden] / [gedaagde sub 4] op rechtmatige gronden is overgegaan tot het inroepen van de vernietiging respectievelijk ontbinding van de overeenkomst;
-
[gedaagden] c.s. hoofdelijk veroordeelt tot betaling van € 349.009,98;
-
[gedaagden] c.s. hoofdelijk veroordeelt tot betaling van € 3.520,05;
-
primair te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 4 januari 2018, subsidiair vanaf 10 maart 2018;
-
[gedaagden] c.s. hoofdelijk veroordeelt tot betaling van de executiekosten;
-
[gedaagden] c.s. veroordeelt tot betaling van de proceskosten.
Simba legt hieraan het volgende ten grondslag. Zij heeft uit hoofde van de overeenkomst € 349.009,98 betaald aan [gedaagden] . [gedaagde sub 4] heeft Simba echter misleid, waardoor zij heeft gedwaald. Simba heeft hierop de overeenkomst vernietigd, waardoor het betaalde bedrag als onverschuldigd betaald moet worden terugbetaald. Subsidiair heeft Simba de overeenkomst ontbonden, omdat [gedaagden] c.s. de overeenkomst op meerdere onderdelen blijvend onmogelijk niet zijn nagekomen. Op grond van deze ontbinding ontstaat een ongedaanmakingsverbintenis en moet het betaalde bedrag worden terugbetaald. Voor zover een deel van dit bedrag zou zien op de overeenkomst betreffende de [model schip 1] , stelt Simba dat deze overeenkomst niet tot stand is gekomen en dat dit deel dus onverschuldigd is betaald en daarom moet worden terugbetaald. [gedaagde sub 4] is primair aansprakelijk voor bovengenoemde terugbetalingsverplichting op grond van artikel 3 van de overeenkomst, subsidiair op grond van bestuurdersaansprakelijkheid. Dit laatste geldt ook voor [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] . De rente is primair verschuldigd vanaf de datum van betaling, subsidiair vanaf de datum van vernietiging dan wel ontbinding van de overeenkomst. De incassokosten zijn berekend volgens de ‘BIK staffel’.
[gedaagden] c.s. voeren als verweer het volgende aan. Partijen hebben geen overeenstemming bereikt over de persoonlijke aansprakelijkheid van [gedaagde sub 4] . Voor zover dat al is overeengekomen, is dat later door zijn echtgenote vernietigd. Er was geen sprake van een verkeerde voorstelling van zaken, althans de dwaling betreft uitsluitend toekomstige omstandigheden. [gedaagden] c.s. hebben geprobeerd de overeenkomst na te komen en deze nakoming was niet blijvend onmogelijk, zodat ontbinding zonder ingebrekestelling was uitgesloten. Er is geen sprake van bestuurdersaansprakelijkheid, omdat het geld is gebruikt voor het overeengekomen ondernemersdoel en er valt de bestuurders geen ernstig persoonlijk verwijt te maken. Simba heeft bovendien geen schade geleden. Ten slotte zijn ook de incassokosten betwist.
in reconventie
[gedaagden] c.s. vorderen dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
-
verklaart voor recht dat de overeenkomst ongegrond is vernietigd, dan wel ongerecht-vaardigd is ontbonden, en dat de overeenkomst derhalve thans nog van kracht is;
-
als de rechtbank van mening is dat de overeenkomst is vernietigd dan wel ontbonden en derhalve niet meer van kracht is, verklaart voor recht dat Simba aansprakelijk is voor de daardoor geleden schade aan de kant van [gedaagden] c.s. , welke schade (te vermeerderen met de wettelijke handelsrente, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten) nader opgemaakt dient te worden bij staat en vereffend volgens de wet;
-
verklaart voor recht dat de overeenkomst ten aanzien van de [model schip 1] rechtsgeldig tot stand is gekomen en thans nog van kracht is;
-
als de rechtbank van mening is dat de overeenkomsten ten aanzien van de [model schip 2] en de [model schip 1] van kracht zijn, verklaart voor recht dat deze overeenkomsten tot stand zijn gekomen zonder toepassing van het bepaalde in artikel 3;
-
Simba veroordeelt tot nakoming van beide overeenkomsten, in het bijzonder door overboeking van de in de overeenkomsten genoemde bedragen, binnen 7 dagen gerekend vanaf de datum van het te wijzen vonnis, zulks op straffe van een dwangsom van € 25.000,- per overeenkomst, te vermeerderen met € 10.000,- per overeenkomst per dag dat Simba hier niet aan voldoet;
-
als de rechtbank tot het oordeel komt dat het bepaalde onder 4 niet opgaat, primair verklaart voor recht dat artikel 3 in beide overeenkomsten partieel is vernietigd door de echtgenote van [gedaagde sub 4] , althans – voor het geval de partiële vernietiging geen stand houdt – subsidiair verklaart voor recht dat beide overeenkomsten in het geheel buitengerechtelijk zijn vernietigd, althans meer subsidiair de beide overeenkomsten alsnog gerechtelijk vernietigt;
-
als de rechtbank tot het oordeel komt dat de overeenkomsten rechtsgeldig en gerechtvaardigd zijn vernietigd of ontbonden door Simba, verklaart voor recht dat die overeenkomsten, althans de daarin opgenomen hoofdelijke aansprakelijkheid van [gedaagde sub 4] ex artikel 3 van die overeenkomsten, zijn vernietigd door de echtgenote van [gedaagde sub 4] , althans meer subsidiair beide overeenkomsten alsnog gerechtelijk vernietigt, waardoor [gedaagde sub 4] niet persoonlijk aansprakelijk is voor de eventuele vorderingen van Simba;
-
Simba veroordeelt in de kosten van deze procedure en de nakosten.
Op de grondslagen voor deze vorderingen en de verweren van Simba wordt hieronder zo nodig nader ingegaan.