Rechtbank Amsterdam, 01-02-2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:444, C/13/717044 / HA ZA 22-356
Rechtbank Amsterdam, 01-02-2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:444, C/13/717044 / HA ZA 22-356
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Amsterdam
- Datum uitspraak
- 1 februari 2023
- Datum publicatie
- 3 februari 2023
- ECLI
- ECLI:NL:RBAMS:2023:444
- Zaaknummer
- C/13/717044 / HA ZA 22-356
Inhoudsindicatie
Een echtpaar met een boerenbedrijf dat jarenlang procedeert met hun bank krijgt in twee uitspraken ongelijk. (Zie ECLI:NL:RBAMS:2023:445)
Uitspraak
Civiel recht
Zaaknummer: C/13/717044 / HA ZA 22-356
Vonnis van 1 februari 2023
in de zaak van
[eiseres] .,
te [plaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [bedrijf] ,
advocaat: mr. J. de Jong van Lier te Enschede,
tegen
1 COÖPERATIEVE RABOBANK U.A.,
te Amsterdam,2. RABO GROEN BANK B.V.,
te Utrecht,
gedaagde partijen in conventie,
eisende partijen in reconventie,
hierna samen te noemen: Rabobank c.s.,
advocaat: mr. R.M. Vermaire te Utrecht.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- dagvaarding van 14 februari 2022,
- herstelexploot van 26 april 2022, en de ter rolzitting overgelegde producties,
- conclusie van antwoord teven eis in reconventie met producties,
- conclusie van antwoord in reconventie met producties,
- het tussenvonnis van 19 oktober 2022, - het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 8 november 2022, en de daarin genoemde nadere productie, en - de brief van Rabobank c.s. in reactie op het proces-verbaal.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De feiten
De ouders van de heer [naam 1] (hierna: [naam 1] ) waren in 2001 eigenaar van een boerenbedrijf aan de [adres] (Gemeente [gemeente] ) en eigenaar van de daarbij behorende boerderij, bestaande uit een woonhuis, landbouwgronden en bijgebouwen.
Bij akte van 21 november 2001 hebben de ouders van [naam 1] tot zekerheid van verschillende financieringen een hypotheekrecht gevestigd ten behoeve van (rechtsvoorgangers van) Rabobank c.s. tot een maximumbedrag van € 4.050.000 op (delen van) dertien percelen grond, als volgt omschreven in de hypotheekakte, hierna te noemen de Percelen:
“1. De boerderij, bestaande uit het woonhuis met kantoren, verdere opstallen, ondergrond,
erf, tuin, bos, bouw- en weiland, staande en gelegen aan en nabij de [adres]
, gemeente [gemeente] , kadastraal bekend: [kadastergegevens]
, tezamen groot drieëntwintig hectaren
en vierenveertig centiaren, zulks met uitzondering van een gedeelte groot ongeveer vijftig
aren van het perceel [perceel 1] , zoals in erfpacht uitgegeven, blijkens een
akte op heden verleden voor mij, notaris en een gedeelte groot ongeveer twintig aren van
het perceel [perceel 2] , zoals is afgestaan blijkens een akte van levering, op
heden verleden voor mij, notaris. (...)
2. Percelen grond, gelegen alsvoren, kadastraal bekend [kadastergegevens]
, tezamen groot acht hectaren zesennegentig aren en
drieënzestig centiaren.”
In de hypotheekakte is een huur/pachtbeding opgenomen dat luidt als volgt:
“Huurbeding:
Zonder uitdrukkelijke schriftelijke toestemming van de bank mag het onderpand niet worden verhuurd of verpacht of anderszins in gebruik worden afgestaan of worden gedoogd dat derden het onderpand gaan gebruiken, en mag geen vooruitbetaling van huur- of pachtpenningen worden bedongen of aanvaard, en mag het recht op huur- of pachtpenningen niet worden vervreemd, verpand of anderszins bezwaard.”
In de hypotheekakte hebben de ouders van [naam 1] verklaard dat het onderpand (de Percelen) niet aan een derde is verhuurd of krachtens enige andere titel in gebruik is gegeven en uitsluitend zal worden gebruikt voor eigen gebruik.
De hypotheekakte is op 23 november 2001 ingeschreven bij het kadaster.
Op 28 maart 2002 zijn de Percelen, zonder medeweten of toestemming van Rabobank c.s., overgedragen aan [naam 1] die sindsdien eigenaar van de Percelen is. Het hypotheekrecht is sindsdien dus een derdenhypotheekrecht.
Sinds 2005 wordt tussen Rabobank c.s. en de ouders van [naam 1] geprocedeerd over onder meer de vordering van Rabobank c.s. waarvoor het hypotheekrecht is gevestigd.
Het [bedrijf] is op 23 januari 2015 opgericht door [naam 1] en mevrouw [naam 2] , beide statutair bestuurder van het [bedrijf] . [naam 1] heeft zijn eenmanszaak in 2015 ingebracht in het [bedrijf] . Daarbij is een akte gemaakt van een pachtovereenkomst tussen [naam 1] als verpachter en het [bedrijf] als pachter die volgens het [bedrijf] een voortzetting is van een pacht die in 2001 overeengekomen werd.
Bij brief van 3 mei 2019 heeft Rabobank c.s. de lopende financiering met de ouders van [naam 1] opgezegd met een opzegtermijn van 3 maanden. Binnen deze termijn heeft geen betaling aan Rabobank c.s. plaatsgevonden waarna Rabobank c.s. de executie van onder meer het hypotheekrecht heeft aangekondigd. Dit heeft geleid tot meerdere procedures tussen de ouders en/of [naam 1] enerzijds en Rabobank c.s. anderzijds.1 In de zaak 716891 / HA ZA 22-343, waarin [naam 1] als eisende partij optreedt en waarvan de mondelinge behandeling eveneens op 8 november 2022 plaatsvond voor dezelfde kamer van deze rechtbank, wordt vandaag ook vonnis gewezen.