Home

Rechtbank Amsterdam, 01-02-2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:445, C/13/716891 / HA ZA 22-343

Rechtbank Amsterdam, 01-02-2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:445, C/13/716891 / HA ZA 22-343

Gegevens

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
1 februari 2023
Datum publicatie
3 februari 2023
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2023:445
Zaaknummer
C/13/716891 / HA ZA 22-343

Inhoudsindicatie

Een echtpaar met een boerenbedrijf dat jarenlang procedeert met hun bank krijgt in twee uitspraken ongelijk. (Zie ECLI:NL:RBAMS:2023:444)

Uitspraak

Civiel recht

Zaaknummer: C/13/716891 / HA ZA 22-343

Vonnis van 1 februari 2023

in de zaak van

[eiser] ,

te [woonplaats] ,

eisende partij,

hierna te noemen: [eiser] ,

advocaat: mr. J. de Jong van Lier te Enschede,

tegen

1 COÖPERATIEVE RABOBANK U.A.,

te Amsterdam,2. RABO GROEN BANK B.V.,

te Utrecht,

gedaagde partijen,

hierna samen te noemen: Rabobank c.s.,

advocaat: mr. R.M. Vermaire te Utrecht.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- dagvaarding van 4 maart 2022,

- conclusie van eis met gewijzigde eis en grondslagen van 4 mei 2022, met producties,

- conclusie van antwoord met producties,

- het tussenvonnis van 13 juli 2022,

- akte, mede houdende aanvulling van de eis, - het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 8 november 2022.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

De ouders van [eiser] waren in 2001 eigenaar van een boerenbedrijf aan de [adres] (Gemeente [gemeente] ) en eigenaar van de daarbij behorende boerderij, bestaande uit een woonhuis, landbouwgronden en bijgebouwen.

2.2.

In een taxatierapport van 4 april 2001 ten aanzien van “een onroerend goed, de voormalige melkstal” is onder meer opgenomen:

“Kadastraal bekend: [kadastergegevens 1] deels, groot 20 are.”

2.3.

Op 21 november 2001 hebben de ouders van [eiser] een registergoed aan [eiser] geleverd, waarbij het registergoed in de leveringsakte als volgt is omschreven (onderstreping toegevoegd):

“De voormalige melkstal, met ondergrond en bijbehorende grond, plaatselijk bekend: [adres] , gemeente [gemeente] , kadastraal bekend: [kadastergegevens 1] , een ter plaatse aangeduid gedeelte groot ongeveer twintig aren;”

2.4.

Later op diezelfde dag (21 november 2001) hebben de ouders van [eiser] tot zekerheid van verschillende financieringen een hypotheekrecht gevestigd ten behoeve van (rechtsvoorgangers van) Rabobank c.s. tot een maximumbedrag van € 4.050.000 op (delen van) dertien percelen grond, als volgt omschreven in de hypotheekakte, hierna te noemen de Percelen (onderstreping toegevoegd):

“1. De boerderij, bestaande uit het woonhuis met kantoren, verdere opstallen, ondergrond,

erf, tuin, bos, bouw- en weiland, staande en gelegen aan en nabij de [adres]

, gemeente [gemeente] , kadastraal bekend: [kadastergegevens 2]

, tezamen groot drieëntwintig hectaren

en vierenveertig centiaren, zulks met uitzondering van een gedeelte groot ongeveer vijftig

aren van het perceel [perceel 1] , zoals in erfpacht uitgegeven, blijkens een

akte op heden verleden voor mij, notaris en een gedeelte groot ongeveer twintig aren van

het perceel [perceel 2] , zoals is afgestaan blijkens een akte van levering, op

heden verleden voor mij, notaris. (...)

2. Percelen grond, gelegen alsvoren, kadastraal bekend [kadastergegevens 3]

, tezamen groot acht hectaren zesennegentig aren en

drieënzestig centiaren.”

2.5.

Op een kadastrale kaart zagen de percelen [perceel 2] , [kadastergegevens 3] en [kadastergegevens 3] er als volgt uit:

2.6.

Op 28 maart 2002 zijn de Percelen, zonder medeweten of toestemming van Rabobank c.s., overgedragen aan [eiser] die sindsdien eigenaar van de Percelen is. Het hypotheekrecht is sindsdien dus een derdenhypotheekrecht.

2.7.

Sinds 2005 wordt tussen Rabobank c.s. en de ouders van [eiser] geprocedeerd over onder meer de vordering van Rabobank c.s. waarvoor het hypotheekrecht is gevestigd.

2.8.

Bij brief van 3 mei 2019 heeft Rabobank c.s. de lopende financiering met de ouders van [eiser] opgezegd met een opzegtermijn van 3 maanden. Binnen deze termijn heeft geen betaling aan Rabobank c.s. plaatsgevonden. Volgens Rabobank c.s. bedraagt de vordering op de ouders per 15 maart 2022, te vermeerderen met lopende rente en kosten, € 3.201.961,07.

2.9.

Op 13 januari 2022 heeft het kadaster een verzoek ontvangen om perceel [perceel 3] te splitsen in twee percelen: perceelnummer [perceel 4] , groot 121441 centiaren en perceelnummer [perceel 5] , groot 20 aren (hierna: perceel [perceel 5] ). Door het kadaster is de volgende kaart gemaakt:

2.10.

Op 11 februari 2022 heeft Rabobank c.s. op basis van het hypotheekrecht een executietraject gestart ten aanzien van vier van de dertien percelen (nummers [perceel 6] , [perceel 7] , [perceel 8] en [perceel 9] ; hierna: de vier percelen).

2.11.

Op 16 februari 2022 heeft [eiser] € 334.000 aan Rabobank c.s. betaald onder vermelding van “Lossing (...)”. Bij e-mail van 17 februari 2022 heeft de raadsman van Rabobank c.s. [eiser] bericht dat het bedrag ontvangen was, maar dat van lossing geen sprake was onder verwijzing naar artikel 3:269 Burgerlijk Wetboek (BW).

2.12.

Op 28 februari 2022 zijn de ouders van [eiser] in kort geding een executiegeschil gestart tegen Rabobank c.s. bij de voorzieningenrechter te Almelo met als inzet de executie te staken. Deze vordering is bij vonnis van 10 maart 2022 afgewezen.1

2.13.

Tijdens de veiling van de vier percelen op 14 maart 2022 heeft een aan Rabobank c.s. gelieerde partij, Bodemgoed B.V., tijdens de opbodfase meerdere biedingen uitgebracht met als hoogste bod € 1.400.000. Er zijn geen andere biedingen uitgebracht. Bij de afslag is niet gemijnd. Inclusief veilingkosten bedroeg dit hoogste bod € 1.456.404,14.

2.14.

De raadsman van [eiser] heeft kort daarop aan Rabobank c.s. bericht dat [eiser] de gehele schuld waarvoor het hypotheekrecht tot zekerheid strekt zou voldoen, om binnen een uur daarop terug te komen door aan te geven dat [eiser] de vier percelen zou lossen door betaling van € 1.458.000. Daartoe heeft [eiser] twee van zijn vennootschappen de al betaalde € 344.000 (2.11) laten aanvullen met betalingen van € 1.124.000 zodat in totaal € 1.458.000 is betaald. Rabobank c.s. heeft daarop laten weten met verwijzing naar artikel 3:269 BW dat lossing alleen mogelijk is tegen betaling van de volledige vordering waarvoor de hypotheek tot waarborg strekt.

2.15.

Bij dagvaarding van 18 maart 2022 heeft [eiser] Rabobank c.s. in kort geding gedagvaard voor de voorzieningenrechter te Almelo op korte termijn met een mondeling behandeling op 21 maart 2022. Rabobank c.s. heeft, met toestemming van de voorzieningenrechter, de ouders van [eiser] in dezelfde procedure betrokken. Tijdens de mondelinge behandeling heeft Rabobank c.s. aangegeven de vier percelen niet te gunnen aan Bodemgoed B.V.

2.16.

Bij vonnis van 4 april 20222 heeft de voorzieningenrechter, voor zover van belang in deze procedure, Rabobank c.s. veroordeeld het hypotheekrecht door te halen voor zover het ziet op de vier percelen omdat volgens de voorzieningenrechter in dit geval sprake is van lossing nu (namens) [eiser] in totaal € 1.458.000 heeft (is) betaald. Rabobank c.s. heeft op 8 april 2022 aan deze veroordeling voldaan en het hypotheekrecht op de vier percelen doorgehaald. Rabobank c.s. heeft hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis bij hof Arnhem-Leeuwarden.3

2.17.

Het hypotheekrecht heeft geleid tot meerdere procedures tussen de ouders van [eiser] en/of [eiser] enerzijds en Rabobank c.s. anderzijds4. In de zaak 717044 / HA ZA 22-356, waarin een door [eiser] bestuurde vennootschap als eisende partij optreedt en waarvan de mondelinge behandeling eveneens op 8 november 2022 plaatsvond voor dezelfde kamer van deze rechtbank, wordt vandaag ook vonnis gewezen.

3 Het geschil

4 De beoordeling

5 De beslissing