Home

Rechtbank Den Haag, 13-11-2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:12031, C/09/581973 / KG ZA 19/1024

Rechtbank Den Haag, 13-11-2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:12031, C/09/581973 / KG ZA 19/1024

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
13 november 2019
Datum publicatie
15 november 2019
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2019:12031
Zaaknummer
C/09/581973 / KG ZA 19/1024

Inhoudsindicatie

Kort geding. Vorderingen met betrekking tot wissing / rectificatie publicatie in de Staatscourant. Eisers is niet ontvankelijk in haar vorderingen, omdat er een andere, specifiek aangwezen, met voldoende waarborgen omklede rechtsgang op grond van de AVG openstaat.

Uitspraak

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/581973 / KG ZA 19/1024

Vonnis in kort geding van 13 november 2019

in de zaak van

[eiseres] te [plaats] ,

eiseres,

advocaat mr. M.A.C. de Vilder-van Overmeire te Amsterdam,

tegen:

de Staat der Nederlanden, ministerie van Veiligheid en Justitie te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. N.N. Bontje te Den Haag.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [eiseres] ’ en ‘de Staat’.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties;

- de conclusie na dagvaarding van de Staat;

- de door de Staat overgelegde producties;

- de brief van de zijde van [eiseres] van 4 november 2019, met producties;

- de op 5 november 2019 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door de Staat pleitnotities zijn overgelegd.

1.2.

Ter zitting is vonnis bepaald op heden.

1.3.

Na de zitting is nog een brief ontvangen van de zijde van [eiseres] van 6 november 2019. In deze brief stelt zij, voor zover nu relevant, dat het in strijd is met onder meer de goede procesorde dat de ter zitting aanwezige medewerker van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) tevens – naast de advocaat van de Staat – het woord heeft gevoerd en verzoekt zij om hetgeen deze IND-medewerker naar voren heeft gebracht buiten beschouwing te laten. De Staat is in de gelegenheid gesteld schriftelijk op deze brief van de zijde van [eiseres] te reageren en heeft bij brief van 8 november 2019 laten weten geen behoefte te hebben om een reactie te geven.

1.4.

Vervolgens is nog een brief van de zijde van [eiseres] van 8 november 2019 binnengekomen. In deze brief verzoekt [eiseres] , voor zover nu relevant, de “schriftuur” die de advocaat van de Staat eerst ter zitting heeft verstrekt (de pleitaantekeningen) wegens strijd met de goede procesorde en wegens het feit dat de procesbelangen van [eiseres] hiermee ernstig worden veronachtzaamd buiten beschouwing te laten, dan wel “het onderzoek ter zitting te heropenen” en [eiseres] in de gelegenheid te stellen nog schriftelijk te reageren op het “schriftuur” van de Staat.

1.5.

De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om de uitlatingen van de IND-medewerker buiten beschouwing te laten. De Staat is op de correcte wijze, bij advocaat, in de procedure verschenen. Dat er ter zitting tevens een medewerker van de IND aanwezig was, die ook – als informant – het woord heeft gevoerd levert, anders dan [eiseres] stelt, geen strijd met de goede procesorde op. Ook overigens is er geen aanleiding om de uitlatingen van deze IND-medewerker, waar [eiseres] ter zitting op heeft kunnen reageren, buiten beschouwing te laten. Hetzelfde geldt voor de door Staat ter zitting overgelegde pleitaantekeningen. Anders dan de bodemprocedure kent het kort geding geen schriftelijke ronde voorafgaand aan de mondelinge behandeling en hoeft een gedaagde geen conclusie van antwoord te nemen. De aard van het kort geding brengt mee dat het een gedaagde vrij staat om eerst ter zitting verweer te voeren tegen hetgeen in de dagvaarding naar voren is gebracht en daarbij – zoals de Staat in dit geval ook heeft gedaan – te pleiten aan de hand van over te leggen pleitaantekeningen. Nu [eiseres] de gelegenheid heeft gekregen te reageren op het verweer van de Staat, is van strijd met de goede procesorde geen sprake. De in het Procesreglement kort gedingen rechtbanken handel/familie opgenomen bepaling waar [eiseres] naar verwijst, op grond waarvan stukken in beginsel 24 uur voor de mondelinge behandeling moeten worden overgelegd, heeft betrekking op stukken waar een partij een beroep op wil doen en niet op pleitaantekeningen waarin het ter zitting gevoerde verweer in is neergelegd.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

[eiseres] is werkzaam als advocaat en is onder andere actief in het vreemdelingenrecht. In dat kader onderhoudt zij ook contacten met de Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna: IND).

2.2.

[eiseres] heeft van oorsprong de nationaliteit van Azerbeidzjan.

2.3.

Op 17 februari 2014 heeft [eiseres] een verzoek om verlening van het Nederlanderschap ingediend. Daarbij heeft zij een “Bereidverklaring tot afstand van de huidige nationaliteit(en) in verband met het verzoek om naturalisatie tot Nederlander” ondertekend. Daarin verklaart [eiseres] dat zij weet hoe zij afstand moet doen van haar nationaliteit, wat de daaraan verbonden kosten zijn en dat zij nadat zij Nederlander is geworden afstand zal doen van haar “huidige” nationaliteit en het bewijs van afstand naar de IND zal opsturen.

2.4.

Bij Koninklijk Besluit van 3 april 2014 is aan [eiseres] het Nederlanderschap verleend. Het besluit is tijdens een ceremonie op 27 mei 2014 aan [eiseres] uitgereikt.

2.5.

Bij beschikking van 19 augustus 2019 is het Nederlanderschap door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (hierna: de Staatssecretaris) ingetrokken. In deze beschikking staat, voor zover nu relevant, het volgende vermeld:

“(...)

De reden voor het intrekken van uw Nederlandse nationaliteit is, dat u niet al het mogelijke hebt gedaan om uw Azerbeidzjaanse nationaliteit (hierna: oorspronkelijke nationaliteit) te verliezen.

(...)

De eerste informatiebrief met betrekking tot uw afstandverplichting is u op 10 juni 2014 gestuurd. In deze brief is aan u uitgelegd dat u binnen drie maanden moet bewijzen dat u actie hebt ondernomen om afstand te doen van uw oorspronkelijke nationaliteit.

Ook bent u er in deze brief op gewezen dat wanneer u zonder het doorgeven van een adreswijziging (en eventueel aanvullende contactgegevens) verhuist of emigreert, en u niet tijdig reageert op een informatieverzoek, dit kan leiden tot intrekking van uw Nederlanderschap. U hebt op deze brief niet gereageerd.

Vervolgens bent u er meerdere keren op gewezen dat u afstand moet doen van uw oorspronkelijke nationaliteit, te weten op 30 september 2014, 9 december 2014 en 16 januari 2015. U bent er steeds op gewezen dat het nalaten hiervan zou leiden tot intrekking van het Nederlanderschap. Op deze herinneringsbrieven hebt u niet gereageerd.

Uit de basisregistratie Personen (BRP) blijkt dat u vanaf 27 juli 2012 tot 14 juni 2017 stond ingeschreven op het adres [adres 1] . Vanaf 14 juni 2017 tot heden staat u ingeschreven op het adres [adres 2] . Alle brieven zijn naar het juiste adres gestuurd. De brieven van 9 december 2014 en 15 januari 2015 zijn u per aangetekende post gestuurd. Deze zijn niet retour gekomen.

Op 3 mei 2017 bent u geïnformeerd over mijn voornemen om uw Nederlanderschap in te trekken. U bent in de gelegenheid gesteld schriftelijk of mondeling te reageren op het voornemen tot intrekking van uw Nederlandse nationaliteit. U hebt geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om uw zienswijze te geven.

Het aan u op 3 mei 2017 aangetekend verstuurde voornemen tot intrekking van het Nederlanderschap is door u niet afgehaald en is op 1 juni 2017 retour gekomen. De reden waarom is onleesbaar.

Omdat de IND lange tijd niets van zich heeft laten horen, bent u bij brief van 6 mei 2019 naar de stand van zaken gevraagd betreffende uw afstandverplichting. Deze brief is niet retour gekomen. De IND heeft echter geen reactie van u mogen ontvangen.

Tevergeefs is geprobeerd u telefonisch te bereiken. Het telefoonnummer wat de IND van u heeft is niet meer in gebruik en op het telefoonnummer wat de IND van de gemeente [Gemeente] heeft ontvangen, is uw voicemail ingesproken. U hebt hier niet op gereageerd.

U bent meerdere malen ruimschoots in de gelegenheid gesteld om een verklaring over te leggen waaruit blijkt dat u uw Azerbeidzjaanse nationaliteit hebt verloren. Tot op heden heeft de IND zo’n verklaring niet van u mogen ontvangen.

(...)”

2.6.

Voormelde beschikking is per aangetekende post aangetekend aan [eiseres] verzonden en tevens in haar Berichtenbox op mijnoverheid.nl geplaatst.

2.7.

Op 23 augustus 2019 heeft [eiseres] per e-mail en telefonisch contact gehad met de IND en heeft zij kenbaar gemaakt dat zij het niet eens is met voormelde beschikking.

2.8.

In de Staatscourant van 26 augustus 2019 is het volgende bericht gepubliceerd:

“Bij beschikking van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 19 augustus 2019 is het koninklijk besluit van 3 april 2014, nummer [nummer] , waarbij aan [eiseres] , geboren op [geboortedatum] , te [geboorteplaats] (Sovjetunie), van Azerbeidzjaanse nationaliteit het Nederlanderschap is verleend, ingetrokken op grond van artikel 15, eerste lid onder d van de Rijkswet op het Nederlanderschap.

Dit houdt in dat [eiseres] , met ingang van 19 augustus 2019 de Nederlandse nationaliteit heeft verloren.”

2.9.

[eiseres] heeft op 26 augustus 2019 bezwaar gemaakt tegen het besluit tot intrekking van haar Nederlanderschap. Op 29 augustus 2019 heeft zij bij de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend en gevraagd de rechtsgevolgen van de beschikking van 19 augustus 2019 op te schorten. Dit verzoek is bij uitspraak van 9 september 2019 toegewezen, zodat verzoekster hangende de bezwaarprocedure – die nog niet is afgerond – weer de Nederlandse nationaliteit heeft.

2.10.

[eiseres] heeft bij brief van 9 september 2019 de IND verzocht de publicatie in de Staatscourant te rectificeren, althans de uitspraak van de rechtbank van 9 september 2019 te publiceren. Bij brief van 12 september 2019 is namens de Staatssecretaris bericht dat niet tot rectificatie overgegaan zal worden, omdat de toewijzing van de voorlopige voorziening alleen betekent dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit worden opgeschort en niet dat bestreden besluit onjuist is. De uitspraak van de rechtbank van 9 september 2019 zal, zo staat in die brief ook vermeld, bij gebrek aan wettelijke of beleidsmatige grondslag niet worden gepubliceerd.

2.11.

Bij brief van 3 oktober 2019 heeft [eiseres] aan de IND bericht dat de IND zich schuldig maakt aan privacyschending en schending van de eer of goede naam van [eiseres] in de rechtmatige uitoefening van haar beroep als advocaat. Zij stelt dat zij als gevolg van de publicatie in de Staatcourant zowel materiële als immateriële schade ondervindt. Zij vordert op grond van artikel 82 lid van de Algemene verordening gegevensbescherming (hierna: AVG) een voorschot van € 5.000,- op de uiteindelijke schadevergoeding. Tevens sommeert zij de IND om binnen twee werkdagen alsnog gehoor te geven aan het verzoek om rectificatie dan wel aanpassing van de publicatie in de Staatscourant. In reactie hierop is bij brief van 7 oktober 2019 namens de Staatssecretaris bericht dat geen aanleiding wordt gezien om tot uitbetaling van een voorschot op eventuele schadevergoeding over te gaan, omdat het bezwaar tegen het besluit van 19 augustus 2019 nog in behandeling is en nog niet vaststaat dat van een onrechtmatige daad in civielrechtelijke zin of grond tot schadevergoeding als bedoeld in artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) sprake is. Onder verwijzing naar de brief van 12 september 2019 wordt tevens bericht dat de Staatssecretaris niet tot rectificatie van de publicatie in de Staatscourant of tot publicatie van de uitspraak van de rechtbank van 9 september 2019 over zal gaan.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert, zakelijk weergegeven, de Staat:

a. op straffe van een dwangsom te gelasten:

o de publicatie in de Staatscourant te verwijderen;

o een rectificatie te plaatsen in de Staatscourant en op de website van de IND voor de feitelijk onjuiste informatie, waarbij de inhoud van de rectificatie wordt opgesteld in samenspraak met de gemachtigde van [eiseres] in de bezwaarprocedure;

o zorg te dragen voor verwijdering van alle zoekresultaten van de publicatie via Google-Search;

op straffe van een dwangsom toekomstige openbaarmaking van privacygevoelige informatie van [eiseres] te verbieden;

te veroordelen tot het betalen van een voorschot op de schadevergoeding van € 15.000,=, € 1.000,= aan buitengerechtelijke kosten en de kosten van dit geding vermeerderd met de wettelijke rente.

3.2.

Daartoe voert [eiseres] – samengevat – het volgende aan. De Staat handelt door de publicatie in de Staatscourant en de weigering om deze te verwijderen dan wel te rectificeren in strijd met de in de AVG opgenomen bepalingen en in strijd met artikel 8 Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (hierna: 'EVRM'). Los van de uitkomst in bezwaar is het besluit tot intrekking van de Nederlandse nationaliteit van [eiseres] onrechtmatig tot stand gekomen en heeft de Staat essentiële procedurele waarborgen ten aanzien van [eiseres] niet in acht genomen. De publicatie in de Staatscourant kent geen dwingende wettelijke basis, berust op ambtelijke willekeur en dient – anders dan opzettelijke reputatieschade toebrengen en opzettelijk een inbreuk maken op de persoonlijke levenssfeer van [eiseres] – geen enkel legitiem, rechtstatelijk doel. [eiseres] ondervindt als gevolg van de publicatie in de Staatscourant materiële en immateriële schade, doordat deze publicatie gevolgen heeft voor haar werkzaamheden als advocaat.

3.3.

De Staat voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

5 De beslissing