Rechtbank Den Haag, 02-04-2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:4288, C/09/605900 / KG ZA 21-39
Rechtbank Den Haag, 02-04-2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:4288, C/09/605900 / KG ZA 21-39
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum uitspraak
- 2 april 2021
- Datum publicatie
- 4 mei 2021
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2021:4288
- Zaaknummer
- C/09/605900 / KG ZA 21-39
Inhoudsindicatie
Aanbesteding herstel aardbevingsschade. Eiseres is ontvankelijk in haar vorderingen. Er is geen grond voor herbeoordeling van de inschrijvingen en evenmin voor een her aanbesteding.
Uitspraak
Team Handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/605900 / KG ZA 21-39
Vonnis in kort geding van 2 april 2021
in de zaak van
BOUW & FACILITY NEDERLAND B.V. te Groningen,
eiseres,
advocaat mrs. A.L. Appelman en M. Baas te Zwolle,
tegen:
DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Economische Zaken en Klimaat) te Den Haag,
gedaagde,
advocaat mrs. M.C. de Vries en A. Hijmans te Den Haag,
waarin zich aan de zijde van de Staat heeft gevoegd:
NOTEBOMERS BOUWGROEP B.V. te Lutjegast,
advocaat mr. C.S.G. de Lange te Groningen.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘BFN’, ‘de Staat’ en ‘Notebomers’.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 15 januari 2021, waarbij BFN ‘de publiekrechtelijke rechtspersoon (zelfstandig bestuursorgaan) Instituut Mijnbouwschade Groningen’ heeft gedagvaard;
- de herstelexploten/hernieuwde oproepingen van 12 februari 2021, waarbij BFN de Staat en ‘de publiekrechtelijke rechtspersoon (zelfstandig bestuursorgaan zonder rechtspersoonlijkheid) Instituut Mijnbouwschade Groningen’ heeft gedagvaard;
- de akte overlegging producties van BFN, met producties 1 tot en met 11;
- de bij nadere aktes door BFN overgelegde producties 12 tot en met 14;
- de conclusie van antwoord van de Staat;
- de incidentele conclusie van Notebomers tot primair voeging en subsidiair tussenkomst;
- de op 18 maart 2021 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door BFN pleitnotities zijn overgelegd.
Ter zitting is vonnis bepaald op heden.
2 Ontvankelijkheid
In deze procedure speelt in de eerste plaats een ontvankelijkheidsvraag. BFN heeft bij dagvaarding van 15 januari 2021 binnen de in het toepasselijke Aanbestedingsdocument bepaalde vervaltermijn het zelfstandig bestuursorgaan zonder rechtspersoonlijkheid Instituut Mijnbouwschade Groningen (IMG) gedagvaard. Het IMG is een onderdeel van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat, dat bij herstelexploot van 12 februari 2021 (buiten voormelde vervaltermijn) door BFN tezamen met het IMG in deze procedure is gedagvaard. BFN heeft het IMG in haar dagvaarding en het herstelexploot wel rechtspersoonlijkheid toegedicht. De Staat heeft primair betoogd dat BFN in deze procedure niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat zij bij dagvaarding van 15 januari 2021 een niet bestaande partij, althans een partij zonder rechtspersoonlijkheid en procesbevoegdheid, heeft gedagvaard en zij de Staat eerst na het verstrijken van de vervaltermijn bij herstelexploot in rechte heeft betrokken.
De voorzieningenrechter volgt de Staat in dit betoog niet. De vraag welke partij als gedaagde partij heeft te gelden, vergt uitleg van het exploot waarmee de procedure wordt ingeleid (vergelijk HR 22 oktober 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP1435). De op 15 januari 2021 vóór het verstrijken van de in het Aanbestedingsdocument vervatte vervaltermijn aan het IMG uitgebrachte dagvaarding moet naar het oordeel van de voorzieningenrechter worden beschouwd als gericht aan de Staat, zodat de Staat de gedaagde procespartij is. Daartoe is van belang dat de onderhavige aanbesteding blijkens het Aanbestedingsdocument in opdracht van de Staat, meer in het bijzonder het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat wordt uitgevoerd door het IMG. BFN heeft aanvankelijk (kennelijk) vanwege de nauwe betrokkenheid van het IMG bij de uitvoering van deze aanbesteding in de (onjuiste) veronderstelling verkeerd dat het IMG de te dagvaarden aanbestedende dienst was. Voor de Staat moet echter vanwege het feit dat het IMG geen rechtspersoonlijkheid bezit zonneklaar zijn geweest dat het hier om een vergissing ging en dat de dagvaarding voor hem bedoeld was. Die dagvaarding heeft de Staat ook bereikt. Bij dit oordeel betrekt de voorzieningenrechter dat niet is gesteld of gebleken dat de Staat als gevolg van deze uitleg van de dagvaarding onevenredig wordt benadeeld dan wel in zijn verdediging of een ander rechtens te respecteren belang wordt geschaad. Daartegenover staat het onmiskenbare belang van BFN bij een doeltreffende rechtsbescherming. Bij niet-ontvankelijkverklaring van BFN zou aan dit belang onevenredig afbreuk worden gedaan. Anders dan de Staat en Notebomers betogen, geldt voor BFN dezelfde vervaltermijn als voor de andere inschrijvers, onder wie Notebomers. Onder deze omstandigheden is van een schending van het gelijkheidsbeginsel geen sprake. De slotsom is dan ook dat BFN in haar vordering jegens de Staat ontvankelijk is.
3 Het incident tot voeging
Notebomers heeft gevorderd zich te mogen voegen aan de zijde van de Staat. Ter zitting hebben BFN en de Staat verklaard geen bezwaar te hebben tegen de voeging. Notebomers is vervolgens toegelaten als gevoegde partij, aangezien zij aannemelijk heeft gemaakt dat zij daarbij voldoende belang heeft. Voorts is niet gebleken dat de voeging aan een voortvarende afdoening van dit kort geding in de weg staat. Hierdoor ontstaat er ook geen strijd met de goede procesorde in het algemeen.