Home

Rechtbank Limburg, 20-11-2020, ECLI:NL:RBLIM:2020:9077, 03/721019-18

Rechtbank Limburg, 20-11-2020, ECLI:NL:RBLIM:2020:9077, 03/721019-18

Gegevens

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
20 november 2020
Datum publicatie
20 november 2020
ECLI
ECLI:NL:RBLIM:2020:9077
Formele relaties
Zaaknummer
03/721019-18

Inhoudsindicatie

Uitspraak in de zaak Nicky Verstappen

Uitspraak

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer: 03/721019-18

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 20 november 2020

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum verdachte] ,

gedetineerd in P.I. Vught, te Vught.

De verdachte wordt bijgestaan door mr. E.G.S. Roethof en mr. J.T. Brassé, advocaten kantoorhoudende te Amsterdam.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zittingen van 28 en 29 september 2020 en van 5, 7, 8, 12 en 16 oktober 2020. De verdachte en zijn raadslieden zijn verschenen. De officieren van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt. De nabestaanden van het slachtoffer [slachtoffer] hebben zich als benadeelde partij gevoegd en gebruik gemaakt van het spreekrecht, bijgestaan door hun advocaat mr. W. van Egmond.

Het onderzoek ter terechtzitting is formeel gesloten op 20 november 2020, waarna de rechtbank uitspraak heeft gedaan.

2 De tenlastelegging

De -eerder gewijzigde- tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht en bevat 4 feiten. De verdenking houdt -kort samengevat- het volgende in:

De verdachte heeft in de periode van 10 tot en met 11 augustus 1998 [slachtoffer] opzettelijk van het leven beroofd. Deze levensberoving werd voorafgegaan door of ging gepaard met seksueel misbruik van [slachtoffer] . Het oogmerk van de levensberoving was het gemakkelijk maken van dat misbruik en/of het voorkomen van bestraffing (feit 1 en 2). De verdachte heeft [slachtoffer] daarbij ook van zijn vrijheid beroofd (feit 3). De tenlastelegging bevat tevens minder ernstige, subsidiaire varianten van deze feiten.

Tot slot luidt de verdenking dat de verdachte een gewoonte maakte van het hebben van kinderporno (feit 4).

3 De voorvragen

Voordat de rechtbank een oordeel kan geven over de vraag of de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft gepleegd, dient zij een aantal voorvragen te beantwoorden. Bijvoorbeeld of de rechtbank bevoegd is van de feiten kennis te nemen en of het Openbaar Ministerie kan worden ontvangen in de strafvervolging. De verdediging heeft in dat kader betoogd dat de verdachte niet kan worden vervolgd voor het verwijt van het bezit van kinderporno. Dit zou namelijk in strijd zijn met het specialiteitsbeginsel, dat van toepassing is als een verdachte persoon aan Nederland is overgeleverd uit een ander EU-land op basis van een Europees aanhoudingsbevel (hierna aangeduid met: EAB).

De verdachte is op 6 september 2018 door Spanje aan Nederland overgeleverd op basis van een EAB. Het bezit van kinderporno werd niet op het EAB vermeld, noch op de toestemmingsbeslissing van de Spaanse rechter. Toepassing van het specialiteitsbeginsel brengt volgens de verdediging dan mee dat de vervolging beperkt moet blijven tot de feiten die wél zijn betrokken bij de overleveringsbeslissing, dat wil zeggen: de feiten die betrekking hebben op [slachtoffer] .

De rechtbank overweegt naar aanleiding van dit verweer als volgt.

Het specialiteitsbeginsel is opgenomen in artikel 27, tweede lid, van het Kaderbesluit van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten, 2002/584/JBZ, hierna aangeduid met: het kaderbesluit.

Het specialiteitsbeginsel houdt in dat een overgeleverde persoon niet vervolgd, berecht of anderszins van zijn vrijheid wordt beroofd, wegens een ander vóór de overlevering begaan feit, dan het feit dat reden was hem over te leveren. Ook als de verdenking voor het feit pas na de overlevering is ontstaan, zoals hier het geval is voor het bezit van kinderporno. Dit is pas anders als de verdachte er zelf mee instemt of een andere, in het kaderbesluit genoemde uitzondering van toepassing is.

De verdachte heeft niet ingestemd met de vervolging voor het bezit van kinderporno en heeft bij de Spaanse rechter geen afstand gedaan van het recht een beroep te doen op het specialiteitsbeginsel. Het bezit van kinderporno staat niet vermeld in het EAB of in de aanvulling daarop. De toestemming voor de overlevering van de Spaanse rechter is dan ook niet gebaseerd op de verdenking van het bezit van kinderporno: de verdachte is alleen overgeleverd ter zake van de feiten 1 tot en met 3, de misdrijven die volgens de tenlastelegging tegen [slachtoffer] zijn begaan.

Daaruit volgt in deze zaak echter niet dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging van feit 4. Er is een uitzondering van toepassing en op die grond verwerpt de rechtbank het verweer.

Het specialiteitsbeginsel wordt namelijk doorbroken als alsnog toestemming wordt verkregen van de rechterlijke autoriteit in Spanje (lid 3, onder g, van artikel 27 van het kaderbesluit). Deze nadere toestemming is gevraagd aan de Spaanse rechter, maar die toestemming is nog niet ontvangen door de rechtbank.

Een vervolging is dan toch toegestaan als die niet leidt tot een beperking van de persoonlijke vrijheid van de verdachte (lid 3, onder c, van artikel 27 van het kaderbesluit). In de onderhavige zaak is de verdachte echter gedetineerd. De voorlopige hechtenis is door de rechtbank immers bevolen voor alle feiten, inclusief feit 4. De verdediging stelt zich daarom op het standpunt dat de vervolging die tot nu toe heeft plaatsgevonden in strijd met het specialiteitbeginsel op geen enkele manier nog gerepareerd kan worden met een toestemming achteraf. Die stelling berust naar het oordeel van de rechtbank op een onjuiste interpretatie van het kaderbesluit. Dit volgt uit de overwegingen 75 en 76 van het arrest van 1 december 2008 het Europese Hof van Justitie inzake Leymann en Pustovarov.

Het zwaartepunt van de voorlopige hechtenis ligt namelijk bij de feiten 1 tot en met 3, de ernstige misdrijven die volgens de tenlastelegging tegen [slachtoffer] zijn begaan. Overeenkomstig voornoemde uitspraak van het Europese Hof van Justitie mag in dat geval de verdachte, in afwachting van de nadere toestemming, ook in voorlopige hechtenis worden gehouden voor feit 4 en voor dat feit worden vervolgd en berecht, omdat de vrijheidsbeperking gerechtvaardigd is door de ernst van de verwijten op basis waarvan de Spaanse rechter al eerder heeft toegestemd met de overlevering. De vervolging van de verdachte voor feit 4 kan dan ook worden voortgezet in afwachting van de toestemming van de Spaanse rechter.

Oordeel over de voorvragen

Er is geen formele belemmering gebleken die maakt dat de rechtbank deze strafzaak niet inhoudelijk kan beoordelen. De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd om van het tenlastegelegde kennis te nemen en de officieren van justitie zijn ontvankelijk in de vervolging voor alle ten laste gelegde feiten. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

De rechtbank heeft ambtshalve nog onderzocht in hoeverre er sprake zou kunnen zijn van verjaring. Dit probleem doet zich mogelijk voor ten aanzien van feit 3, voor zover het tot een bewezenverklaring zou komen van alleen vrijheidsberoving of onttrekking aan het gezag, zonder de ten laste gelegde strafverzwarende omstandigheden. Voor zover verjaring aan de orde was, is die verjaring echter gestuit door daden van vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

5 De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

6 De strafbaarheid van de verdachte

7 De straf en/of de maatregel

8 De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

9 De wettelijke voorschriften

10 De voorlopige hechtenis

11 De beslissing