Home

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 28-01-2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:232, 20-002588-20

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 28-01-2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:232, 20-002588-20

Gegevens

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
28 januari 2022
Datum publicatie
1 februari 2022
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2022:232
Formele relaties
Zaaknummer
20-002588-20

Inhoudsindicatie

Het hof verklaart de inleidende dagvaarding met betrekking tot het onder 4 tenlastegelegde partieel nietig. Voorts verklaart het hof het Openbaar Ministerie ontvankelijk in de strafvervolging ten aanzien van het onder 4 tenlastegelegde. Het hof spreekt de verdachte vrij van de onder 1 primair tenlastegelegde gekwalificeerde doodslag op Nicky Verstappen en het onder 2 primair tenlastegelegde seksueel binnendringen van het lichaam. Het hof veroordeelt de verdachte ter zake van doodslag (feit 1 subsidiair), het plegen van één of meer ontuchtige handeling(en) (feit 2 subsidiair) en de wederrechtelijke vrijheidsberoving van Nicky Verstappen (feit 3 primair). Voorts veroordeelt het hof de verdachte ter zake van een gewoonte maken van het verwerven en/of in bezit hebben van kinderporno (feit 4). Het hof legt, met inachtneming van de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg, een gevangenisstraf voor de duur van 16 jaren met aftrek van overleveringsdetentie en voorarrest op. Tot slot heeft het hof beslist op de inbeslaggenomen goederen en de vordering van de benadeelde partij.

Uitspraak

Parketnummer : 20-002588-20

Uitspraak : 28 januari 2022

TEGENSPRAAK

Arrest 1 van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 20 november 2020, in de strafzaak met parketnummer 03-721019-18 tegen:

[verdachte] ,

geboren te Venlo op [geboortedag] 1962,

thans verblijvende in [PI 1] .

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte van de onder 1 primair tenlastegelegde gekwalificeerde doodslag en de onder 1 subsidiair tenlastegelegde doodslag vrijgesproken en ter zake van

-

met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam (feit 2 primair);

-

opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft (feit 3 primair) en

-

een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken in bezit hebben, terwijl van het plegen van dit misdrijf een gewoonte wordt gemaakt (feit 4)

veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren en 6 maanden met aftrek van de tijd die door de verdachte in overleveringsdetentie en voorarrest is doorgebracht.

Voorts is bij voormeld vonnis beslist op de vordering van de benadeelde partij [vader van Nicky Verstappen] en [moeder van Nicky Verstappen] (het hof begrijpt: [benadeelde partij]), nabestaanden van Nicky Verstappen. De rechtbank heeft de vordering toegewezen tot een bedrag van

€ 5.934,95 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 september 2019 tot aan de dag van volledige voldoening en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij is in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk verklaard. Tevens is de verdachte veroordeeld in de door de benadeelde partij in het kader van deze procedure gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot op het moment van het wijzen van het vonnis begroot op een bedrag ter hoogte van € 589,85.

Tot slot is bij voormeld vonnis het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis afgewezen.

-

-

Van de zijde van de verdachte en door de officieren van justitie in het arrondissement Limburg is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaten-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De advocaten-generaal hebben gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, zal bewezen verklaren hetgeen aan de verdachte is tenlastegelegd

-

onder 1 primair (de gekwalificeerde doodslag, te weten dat de doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van – kort gezegd – het zedenfeit gemakkelijker te maken, waarbij de geweldshandelingen bestonden uit verstikking, door uitwendig en/of mechanisch en/of samendrukkend en/of smorend geweld op en/of tegen het hoofd en/of hals en/of lichaam van Nicky Verstappen toe te passen);

-

onder 2 primair (het betasten en penetreren van Nicky Verstappen);

-

onder 3 (de wederrechtelijke vrijheidsberoving van Nicky Verstappen) en

-

onder 4 (een gewoonte maken van het bezit van kinderpornografie met betrekking tot de Packard Bell PC en in ieder geval één externe harde schijf in de periode van (het hof begrijpt: 28 april 2016) tot en met 22 januari 2018), waarbij het Openbaar Ministerie wordt geacht ontvankelijk te zijn in de vervolging van dat feit,

en de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 jaren met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest en overleveringsdetentie heeft doorgebracht.

Voorts hebben de advocaten-generaal gevorderd dat het hof de gehele vordering van de benadeelde partij zal toewijzen (het hof begrijpt: tot een bedrag van € 6.823,77), te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel met de daarbij horende gijzeling en te vermeerderen met de gevorderde proceskosten voor zover die voor vergoeding in aanmerking komen.

Tot slot hebben de advocaten-generaal naar voren gebracht dat de inbeslaggenomen voorwerpen in verband met het onderzoek naar kinderporno in beginsel dienen te worden onttrokken aan het verkeer indien op de betreffende voorwerpen (het hof begrijpt: gegevensdragers) strafbare feiten of handelingen staan.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit dat het hof de verdachte zal vrijspreken van de onder 1 primair en subsidiair, onder 2 primair en subsidiair en onder 3 tenlastegelegde feiten. Met betrekking tot het onder 4 tenlastegelegde feit heeft de verdediging primair bepleit dat het hof het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk zal verklaren in de vervolging van dat feit en subsidiair dat het hof de verdachte daarvan zal vrijspreken.

De verdediging heeft expliciet naar voren gebracht geen strafmaatverweer te voeren, maar heeft in het kader van een eventueel op te leggen straf wel enkele opmerkingen gemaakt.

Met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij heeft de verdediging zich, indien het hof komt tot een bewezenverklaring (het hof begrijpt: van (een van) de onder 1, 2 en/of 3 tenlastegelegde feiten), met betrekking tot de hoogte van het toe te wijzen bedrag gerefereerd aan het oordeel van het hof.

De verdediging heeft geen standpunt ingenomen met betrekking tot een beslissing op de inbeslaggenomen voorwerpen.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de meervoudige kamer van de rechtbank.

Partiële nietigheid van de dagvaarding van feit 4

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De advocaten-generaal hebben in hun op schrift gestelde requisitoir met betrekking tot het onder 4 tenlastegelegde feit – voor zover hier relevant – naar voren gebracht dat de rechtbank enkel heeft bewezenverklaard (het hof begrijpt: een gewoonte maken van het in bezit hebben van afbeeldingen van seksuele gedragingen, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, op) de PC. De rechtbank heeft de vrijspraak voor de harde schijven niet gemotiveerd. De advocaten-generaal menen dat een bewezenverklaring dient te volgen voor ook één harde schijf en hebben daarbij opgemerkt dat het niet nodig is dat in de tenlastelegging ook foto’s worden omschreven die van een harde schijf afkomstig zijn.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft – zoals verwoord in de pleitnota en voor zover hier relevant – naar voren gebracht dat zij het niet eens is met het standpunt van het Openbaar Ministerie dat het niet uitmaakt dat de omschrijving van de beelden van de harde schijf/schijven niet is opgenomen in de tenlastelegging.

Het oordeel van het hof

De geldigheid van de dagvaarding wordt onder andere beoordeeld op de duidelijkheid van de tenlastelegging. Gelet op artikel 258, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), in samenhang met artikel 261, eerste en tweede lid Sv en de artikelen 348 en 350 Sv, welke laatstgenoemde bepalingen krachtens artikel 415 Sv ook in hoger beroep van toepassing zijn, strekt de tenlastelegging ertoe voor de procesdeelnemers – voor de verdachte, het Openbaar Ministerie en de strafrechter – de inzet van het geding en de te volgen beslissingsstructuur met de vereiste duidelijkheid vast te leggen.2 Met het oog daarop dient ingevolge artikel 261 Sv de dagvaarding een opgave te behelzen van het feit dat ten laste wordt gelegd, met vermelding omstreeks welke tijd en waar ter plaatse, alsmede de omstandigheden waaronder het zou zijn begaan. Het gaat er uiteindelijk om of de dagvaarding voldoende duidelijk is in die zin dat voldoende inzichtelijk is wat de beschuldiging inhoudt waartegen de verdachte zich aldus heeft te verdedigen.3

De tenlastelegging in de onderhavige zaak heeft ter zake van feit 4 betrekking op ‘(telkens) afbeeldingen, te weten foto’s en/of films en/of video’s – en/of gegevensdragers (te weten een Packard Bell PC en/of een of meer (externe) harde schijven), bevattende afbeeldingen –van seksuele gedragingen (…)’, waarna de afbeeldingen van seksuele gedragingen worden verfeitelijkt door vermelding van tien foto’s. Echter, van deze 10 omschreven foto’s zijn geen vermeldingen opgenomen van afbeeldingen van seksuele gedragingen die zich bevinden op één of meer tenlastegelegde (externe) harde schijf/schijven. Ter terechtzitting in hoger beroep is dienaangaande gerequireerd tot bewezenverklaring van het bezit van kinderporno op één harde schijf, zonder nadere specificering welke.

In HR 20 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BS1739 en HR 24 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1497 zijn enkele uitgangspunten geformuleerd met het oog op de strafrechtelijke beoordeling van het op grote(re) schaal voorhanden hebben van kinderporno. Vooropgesteld moet worden dat aan de term ‘afbeelding van een seksuele gedraging’ in de zin van artikel 240b, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) op zichzelf onvoldoende feitelijke betekenis toekomt. Zonder feitelijke omschrijving van die afbeelding in de tenlastelegging voldoet de dagvaarding niet aan de in artikel 261, eerste lid Sv gestelde eis van opgave van het feit.4

De uitgangspunten met het oog op de strafrechtelijke beoordeling van het op grote(re) schaal voorhanden hebben van kinderporno komen hierop neer dat de steller van de tenlastelegging zich bij voorkeur zou moeten beperken tot het beschrijven van een selectie van een gering aantal (representatieve) afbeeldingen – zo mogelijk ten hoogste vijf – zonder in de tenlastelegging zelf enige aanduiding van of verwijzing op te nemen naar een wellicht grotere hoeveelheid waarvan die afbeeldingen deel uitmaken. In geval van bewezenverklaring van het handelen van de verdachte met betrekking tot een of meer van die in de tenlastelegging omschreven afbeeldingen kan vervolgens bij de straftoemeting rekening worden gehouden met het grootschalige karakter van het delict, bijvoorbeeld op grond van de erkenning door de verdachte van het grootschalige karakter, hetgeen betekent dat de concrete afbeeldingen of de exacte hoeveelheid kinderporno niet behoeven te worden besproken, of op grond van de uitkomst van een in het voorbereidend onderzoek uitgevoerde steekproef uit het aangetroffen materiaal, mits de verdachte in de gelegenheid is gesteld de bij de steekproef gehanteerde methode aan de orde te stellen.5

De onderhavige tenlastelegging heeft betrekking op 10 afbeeldingen die, nader omschreven en onderverdeeld, herleidbaar zijn tot afbeeldingen aangetroffen op de Packard Bell PC in gebruik bij de verdachte (proces-verbaal met nummer 2018-01) en digitale gegevensbestanden afkomstig uit het onderzoek TGO Hei (proces-verbaal met nummer 2018-02), zoals beschreven in het proces-verbaal met nummer 2018-03. De steller van de tenlastelegging heeft zich dus beperkt tot een beperkte selectie van (representatieve) afbeeldingen. Uit de eisen die artikel 261 Sv stelt aan de dagvaarding, vloeit voort dat de tenlastelegging met het oog op de genoemde duidelijkheid voor in het bijzonder de verdachte en de rechter ten aanzien van elk van die afbeeldingen, hetzij een voldoende concrete beschrijving dient te bevatten, hetzij de vindplaats van die beschrijving in het dossier dient te vermelden. De omstandigheid dat de tenlastelegging tevens ziet op afbeeldingen opgenomen op één of meer externe harde schijf/schijven, zonder een nadere verduidelijking of herleidbaarheid tot die afbeeldingen, maakt dat naar het oordeel van het hof de onderhavige tenlastelegging ter zake van dit onderdeel niet voldoet aan de eisen met het oog op de genoemde duidelijkheid. Indien de tenlastelegging niet aan die eisen voldoet en de verdachte daarop beroep doet, kan zulks grond vormen voor nietigverklaring van de dagvaarding.6 Anders dan van de zijde van Openbaar Ministerie naar voren is gebracht, bestaat er geen grond anders te oordelen in het onderhavige geval en het hof zal de dagvaarding met betrekking tot dit onderdeel, te weten ten aanzien van de woorden ‘en/of een of meer (externe) harde schijven’, dan ook nietig verklaren.

(Niet-)ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie ter zake van feit 4

Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft bij de inhoudelijke behandeling van de zaak in hoger beroep op de terechtzitting van 17 november 2021 naar voren gebracht dat zij eerder (het hof begrijpt: op de terechtzitting van 6 april 2021) heeft betoogd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van feit 4. De verdediging heeft dit verweer herhaald, nu zij van mening is dat de eerdere beslissing van het hof, zoals kenbaar gemaakt op de terechtzitting van 9 april 2021, op dit punt juridisch onjuist is. Kort gezegd lijkt het standpunt te zijn dat de verdachte mocht worden vervolgd, nu het zwaartepunt van de voorlopige hechtenis lag bij de overige feiten, maar dit standpunt volgt niet uit de jurisprudentie en is juridisch onjuist, aldus de verdediging. De verdediging concludeert dat de vervolging voor een strafbaar feit waarvoor geen toestemming tot overlevering is verleend enkel mag plaatsvinden indien de verdachte voor dit feit geen vrijheidsbeperkende maatregel heeft ondergaan. Dat een verdachte voor andere feiten (waarvoor wel toestemming tot overlevering is verleend) wel vrijheidsbeperking ondergaat, is wel toegestaan. De verdachte heeft echter reeds vrijheidsbeperking ondergaan voor de verdenking van het bezit van kinderporno. In de zaak van de verdachte is ondanks het ontbreken van toestemming de voorlopige hechtenis al in 2018 bevolen voor onder andere het bezit van kinderporno. Op het moment dat de verdachte voor dit feit werd vervolgd en berecht, onderging hij een vrijheidsbeperkende maatregel voor onder andere dit feit. Het specialiteitsbeginsel is hiermee ten onrechte geheel terzijde geschoven, zo stelt de verdediging. Dat er inmiddels wel toestemming is verleend, doet niet af aan het feit dat de vervolging voor dit feit is aangevangen terwijl er geen toestemming was en de verdachte voor dit feit wel reeds een vrijheidsbeperkende maatregel onderging, aldus de verdediging. De verdediging verzoekt om deze reden het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging voor het bezit van kinderporno.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De advocaten-generaal hebben bij de inhoudelijke behandeling van de zaak in hoger beroep naar voren gebracht dat de verdediging dit preliminaire verweer ter terechtzitting van het hof van 6 april 2021 heeft gevoerd en dat het hof heeft beslist dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de strafvervolging voor feit 4. Behalve dat inmiddels de Spaanse rechter heeft besloten tot het instemmen met de uitbreiding van de overlevering, luiden de overwegingen van het hof blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 9 april 2021 samengevat aldus dat een persoon kan worden vervolgd en berecht ‘voor enig ander vóór de overlevering begaan feit’ dan dat welk de reden tot zijn overlevering is geweest. De voorwaarde is dat tijdens de strafvervolging geen vrijheidsbeperkende maatregel wordt opgelegd, tenzij die maatregel wettelijk is gerechtvaardigd door andere tenlasteleggingen in het Europees aanhoudingsbevel. De verdachte is niet overgeleverd voor de kinderpornografie, maar voor feiten begaan tegen Nicky Verstappen. De voorlopige hechtenis voor de kinderpornografie is wettelijk gerechtvaardigd door de feiten in het Europees aanhoudingsbevel, waarmee is voldaan aan de uitspraak van het Hof van Justitie van 1 december 2008, inzake Leymann en Pustovarov. De advocaten-generaal hebben naar voren gebracht dat zij niets aan die beslissing hebben toe te voegen.

Het oordeel van het hof
Het hof overweegt – onder verwijzing naar zijn reeds ter terechtzitting van 9 april 2021 gegeven beslissing – als volgt.

Het specialiteitsbeginsel is opgenomen in artikel 27, tweede lid van het Kaderbesluit van de Raad (van de Europese Unie) van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten (2002/584/JBZ), hierna aangeduid met: het kaderbesluit. Het tweede lid houdt in dat, behoudens in de in het eerste en derde lid bedoelde gevallen, een overgeleverd persoon niet wordt vervolgd, berecht of anderszins van zijn vrijheid beroofd wegens enig ander vóór de overlevering begaan feit dan dat welk de reden tot de overlevering is geweest. In artikel 14 van de Overleveringswet (Stb. 2004, 195) wordt uitvoering gegeven aan onder andere artikel 27 van het kaderbesluit.

In de in artikel 27, derde lid van het kaderbesluit opgenomen gevallen is het specialiteitsbeginsel niet van toepassing. De uitzondering onder artikel 27, derde lid, sub c betreft een situatie waarin artikel 27, tweede lid van het kaderbesluit niet van toepassing is indien de strafvervolging niet leidt tot de toepassing van een maatregel die de persoonlijke vrijheid van de betrokkene beperkt (vgl. artikel 14, eerste lid, sub c van de Overleveringswet). In het kader van die uitzondering kan een persoon dus worden vervolgd en berecht voor ‘enig ander vóór de overlevering begaan feit’ dan het feit dat de reden tot zijn overlevering is geweest, dat strafbaar is gesteld met een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel, zonder dat de toestemmingsprocedure hoeft te worden gevolgd, op voorwaarde dat tijdens de strafvervolging geen vrijheidsbeperkende maatregel wordt opgelegd. Indien die persoon echter wordt veroordeeld tot een vrijheidsbeperkende straf of maatregel, kan die straf pas worden uitgevoerd indien toestemming is verleend.

Onder verwijzing naar de uitleg die het Europese Hof van Justitie aan de uitzondering zoals opgenomen in artikel 27, derde lid, sub c van het kaderbesluit heeft gegeven, dient volgens het hof de genoemde uitzondering aldus te worden uitgelegd dat wanneer sprake is van ‘enig ander vóór de overlevering begaan feit’ dan het feit dat de reden tot de overlevering is geweest, overeenkomstig artikel 27, vierde lid van het kaderbesluit toestemming moet worden gevraagd en verkregen indien een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel ten uitvoer moet worden gelegd. De overgeleverde persoon kan voor dat strafbare feit worden vervolgd en berecht alvorens die toestemming is verkregen, op voorwaarde dat geen vrijheidsbeperkende maatregel wordt opgelegd tijdens de vervolging of de berechting van dat feit. De uitzondering van artikel 27, derde lid, sub c van het kaderbesluit staat er echter niet aan in de weg dat de overgeleverde persoon een vrijheidsbeperkende maatregel wordt opgelegd alvorens de toestemming wordt verkregen, op voorwaarde dat die maatregel wettelijk gerechtvaardigd is door andere tenlasteleggingen in het Europees aanhoudingsbevel.7

Met de rechtbank stelt het hof vast dat het verweten strafbare feit van – kort gezegd – het bezit van kinderporno (feit 4) niet staat vermeld in het Europees arrestatiebevel d.d. 12 juni 2018 of in de aanvulling daarop d.d. 7 september 2018. De toestemming voor de overlevering van de verdachte verleend door de Spaanse rechter is dan ook niet gebaseerd op de verdenking van het bezit van kinderporno; de verdachte is alleen overgeleverd ter zake van de feiten 1 tot en met 3, de misdrijven die volgens de tenlastelegging tegen Nicky Verstappen zijn begaan. De voorlopige hechtenis van de verdachte is naast de feiten 1 tot en met 3 mede gebaseerd op het strafbare verwijt van bezit van kinderporno. De voorlopige hechtenis is aldus wettelijk gerechtvaardigd door de feiten in het Europees aanhoudingsbevel, waarmee overeenkomstig voornoemde uitspraak van het Europese Hof van Justitie is voldaan aan bovengenoemde voorwaarde.

Anders dan de verdediging is het hof aldus van oordeel dat in de onderhavige strafzaak sprake is van een gerechtvaardigde uitzondering die het specialiteitsbeginsel doorbreekt. Dat brengt in casu met zich mee dat de verdachte mag worden vervolgd en berecht voor een ander feit dan ter zake waarvan hij is overgeleverd, ondanks de omstandigheid dat de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt. Dat de voorlopige hechtenis formeel tevens gegrond was op het niet eerder vermelde strafbare feit van – kort gezegd – het bezit van kinderporno (feit 4), doet daaraan niet af. Het hof verklaart derhalve het Openbaar Ministerie ontvankelijk in de strafvervolging voor feit 4.
Daarbij merkt het hof – nogmaals en ten overvloede – op dat de Spaanse magistraat-rechter [naam Spaanse magistraat-rechter] op 14 december 2020 heeft besloten tot het instemmen met de uitbreiding van de overlevering ten gunste van de Nederlandse autoriteiten van de verdachte voor het instellen van een vervolging voor een misdrijf van seksuele uitbuiting en kinderpornografie.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg – tenlastegelegd dat:

1.
hij in of omstreeks de periode van 10 augustus 1998 tot en met 11 augustus 1998 in de gemeente(n) Landgraaf en/of Brunssum en/of Heerlen, in elk geval in Nederland, opzettelijk N. Verstappen van het leven heeft beroofd door verstikking, door uitwendig en/of mechanisch en/of samendrukkend en/of smorend geweld op en/of tegen het hoofd en/of hals en/of lichaam van die Verstappen toe te passen, ten gevolge waarvan voornoemde Verstappen is overleden;

welke vorenomschreven doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten

het plegen van een of meer ontuchtige handeling(en) met voornoemde Verstappen (geboren op 13 maart 1987), die al dan niet mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van diens lichaam en/of het wederrechtelijk van zijn vrijheid beroven en/of het onttrekken aan het wettig gezag van die Verstappen

en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;


subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen

leiden, dat:

hij in of omstreeks de periode van 10 augustus 1998 tot en met 11 augustus 1998 in de gemeente(n) Landgraaf en/of Brunssum en/of Heerlen, in elk geval in Nederland, opzettelijk N. Verstappen van het leven heeft beroofd door verstikking, door uitwendig en/of mechanisch en/of samendrukkend en/of smorend geweld op en/of tegen het hoofd en/of hals en/of lichaam van die Verstappen toe te passen, ten gevolge waarvan voornoemde Verstappen is overleden;

2.
hij in of omstreeks de periode van 10 augustus 1998 tot en met 11 augustus 1998 in de gemeente(n) Landgraaf en/of Brunssum en/of Heerlen, in elk geval in Nederland, met N. Verstappen (geboren op 13 maart 1987) die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, een of meer handeling(en) heeft gepleegd die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die Verstappen, door met zijn, verdachtes, hand(en) de (blote) penis en/of anus, althans de schaamstreek en/of de billen, van die Verstappen te betasten en/of met één of meer van zijn, verdachtes, vingers, althans diens penis, althans met een hard voorwerp, de anus van die Verstappen te penetreren of binnen te dringen;


subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen

leiden, dat:

hij in of omstreeks de periode van 10 augustus 1998 tot en met 11 augustus 1998 in de gemeente(n) Landgraaf en/of Brunssum en/of Heerlen, in elk geval in Nederland, met N. Verstappen, geboren op 13 maart 1987, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt buiten echt een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, door met zijn, verdachtes, hand(en) de (blote) penis en/of anus, althans schaamstreek en/of de billen, van die Verstappen te betasten,

(en verder zowel ten aanzien van feit 2 primair als feit 2 subsidiair, indien en voor zover de onder 1 ten laste gelegde feiten niet hebben geleid tot een bewezenverklaring)

zulks terwijl voornoemd(e) onder feit 2 primair en subsidiair omschreven misdrijven/misdrijf de dood van die Verstappen tot gevolg hebben/heeft gehad;

3.

hij in of omstreeks de periode van 10 augustus 1998 tot en met 11 augustus 1998 in de gemeente(n) Landgraaf en/of Brunssum en/of Heerlen, in elk geval in Nederland, opzettelijk N. Verstappen wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, door die Verstappen (op enig moment) tegen diens vrije wil mee te nemen en/of weg te voeren naar een andere plek of plaats dan het tentenkamp op [naam kampeerterrein] en/of die Verstappen gedurende enige tijd tegen diens vrije wil in zijn macht en/of onder zijn (fysieke) controle te houden;

(en verder voor zover de onder feit 1 primair en subsidiair tenlastegelegde feiten niet hebben geleid tot een bewezenverklaring en de onder feit 2 tenlastegelegde strafverzwarende omstandigheid ‘zulks terwijl het feit de dood ten gevolge heeft gehad’ evenmin bewezen is verklaard)

zulks terwijl dit feit de dood van die Verstappen ten gevolge heeft gehad;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen

leiden, dat:

hij in of omstreeks de periode van 10 augustus 1998 tot en met 11 augustus 1998 in de gemeente(n) Landgraaf en/of Brunssum en/of Heerlen, in elk geval in Nederland, opzettelijk een minderjarige, te weten N. Verstappen, geboren op 13 maart 1987, heeft onttrokken aan het wettig over die minderjarige gestelde gezag of aan het opzicht van degene die dat gezag desbevoegd over die minderjarige uitoefende, zulks terwijl deze Verstappen beneden de twaalf jaren oud was;

4.
hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 28 april 2016 tot en met 1 juli 2018 in de gemeente Simpelveld, in elk geval in Nederland, en/of in Frankrijk, meermalen, althans eenmaal, (telkens) afbeeldingen, te weten foto's en/of films en/of video's, – en/of een gegevensdrager (te weten een Packard Bell PC), bevattende afbeeldingen – van seksuele gedragingen, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, heeft verspreid en/of aangeboden en/of openlijk tentoongesteld en/of vervaardigd en/of ingevoerd en/of doorgevoerd en/of uitgevoerd en/of verworven en/of in bezit gehad en/of zich daartoe door middel van een geautomatiseerd werk en/of met gebruikmaking van een communicatiedienst de toegang heeft verschaft, welke seksuele gedragingen – zakelijk weergegeven – bestonden uit:

-

het met de/een penis en/of (een) vinger(s)/hand oraal, vaginaal en/of anaal penetreren van het lichaam van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt en/of

-

het met de/een penis oraal, vaginaal en/of anaal penetreren van het lichaam van een (ander) persoon door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt en/of

-

het met een voorwerp (te weten een dildo) anaal penetreren van het eigen lichaam door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt

o (een foto, nr. 1, met bestandsnaam: [bestandsnaam 1] , p. 4 pv beschrijving kipo en/of

o een foto, nr. 2, met bestandsnaam: [bestandsnaam 2] , p. 4 pv beschrijving kipo en/of

o een foto, nr. 5, met bestandsnaam: [bestandsnaam 3] , p. 5 pv beschrijving kipo en/of

o een foto, nr. 6, met bestandsnaam: [bestandsnaam 4] , p. 5 pv beschrijving kipo en/of

o een foto, nr. 9, met bestandsnaam: [bestandsnaam 5] , p. 6 pv beschrijving kipo en/of

o een foto, nr. 10, met bestandsnaam: [bestandsnaam 6] , p. 6 pv beschrijving kipo en/of

o een foto, nr. 7, met bestandsnaam: [bestandsnaam 7] , p. 5 pv beschrijving kipo)

en/of

-

het met de/een vinger(s)/hand betasten en/of aanraken van het geslachtsdeel, de billen en/of borsten van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt en/of

-

het met de/een vinger(s)/hand betasten en/of aanraken van het geslachtsdeel, de billen en/of borsten van een (ander) persoon door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt

o (een foto, nr. 3, met bestandsnaam: [bestandsnaam 8] , p. 4 pv beschrijving kipo en/of

o een foto, nr. 4, met bestandsnaam: [bestandsnaam 9] , p. 4 en 5 pv beschrijving kipo)

en/of

- het geheel of gedeeltelijk naakt (laten) poseren van/door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt, waarbij deze persoon gekleed is en/of opgemaakt is en/of poseert in een omgeving en/of met een voorwerp en/of in een erotisch getinte houding (op een wijze) die niet bij zijn/haar leeftijd past/passen en/of waarbij deze persoon zich (vervolgens)

in opeenvolgende afbeeldingen/filmfragmenten van zijn/haar kleding ontdoet en/of (waarna) door het camerastandpunt en/of de (onnatuurlijke) pose en/of de wijze van kleden van deze persoon en/of de uitsnede van de foto's /film(s) nadrukkelijk het (ontblote) geslachtsdeel, de borsten en/of billen van deze persoon in beeld gebracht worden, (waarbij) de afbeelding (aldus) (telkens) een onmiskenbaar seksuele strekking heeft en/of strekt tot seksuele prikkeling

o (een foto, nr. 7, met bestandsnaam: [bestandsnaam 10] , p. 5 pv beschrijving kipo en/of

o een foto, nr. 8, met bestandsnaam: [bestandsnaam 11] , p. 6 pv beschrijving kipo)

en/of

- spuiten van en/of zichtbaar maken van een op sperma gelijkende substantie op het lichaam van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt

o (een foto, nr. 7, met bestandsnaam: [bestandsnaam 12] , p. 5 pv beschrijving kipo)

en hij aldus van het plegen van dit misdrijf een gewoonte heeft gemaakt.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak van de onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde feiten

Zoals hierna onder 8.2. en 3.2. zal worden overwogen, is het hof van oordeel dat de verdachte van de onder 1 primair respectievelijk onder 2 primair tenlastegelegde feiten zal worden vrijgesproken. Hoewel de vrijspraakoverwegingen voor de leesbaarheid van het arrest in de onderhavige zaak zijn gerubriceerd onder het kopje ‘Bewijsoverwegingen’, zijn deze overwegingen uitdrukkelijk bedoeld als motivering van de vrijspraak van de onder 1 primair en onder 2 primair tenlastegelegde feiten.

Bewijsmiddelen

Ten behoeve van de leesbaarheid van dit arrest zijn de bewijsmiddelen opgenomen in de aan dit arrest gehechte bijlage; de bewijsmiddelen maken integraal deel uit van dit arrest.

Bewijsoverwegingen

1 Voorafgaande bewijsoverwegingen ter zake van de feiten 1, 2 en 3

1.1.

Inleiding

In de onderhavige strafzaak die de afgelopen jaren veel maatschappelijke aandacht heeft gekregen, is veel discussie geweest over het al dan niet aanwezige bewijs ter zake van de tenlastegelegde feiten – in het bijzonder ter zake van de feiten 1 tot en met 3 – en de waarde die daaraan moet worden gehecht en de betrouwbaarheid die aan het bewijs dient te worden verleend. Daarbij zijn van de zijde van het Openbaar Ministerie feiten en omstandigheden naar voren gebracht die tot bewezenverklaring van die feiten zouden moeten leiden. Van de zijde van de verdediging zijn daarentegen argumenten aangevoerd die een bewezenverklaring van die feiten in de weg zouden staan. Ter verduidelijking van het oordeel van het hof in deze strafzaak geeft het hof in het navolgende weer op welke juridische gronden, uitgangspunten en redeneringen het oordeel van het hof ter zake van het bewijs in de onderhavige strafzaak is gestoeld. Daarbij wordt eerst ingegaan op de juridische bewijsbeslissing. Vervolgens worden enkele bijzondere aspecten van het bewijs in strafzaken beschreven. Aansluitend zal beknopt worden ingegaan op waarheidsvinding, toerekening en verantwoording van het juridisch bewijs. Ten slotte zal, toegespitst op de onderhavige zaak, bij elk afzonderlijk specifiek tenlastegelegd feit nader op het bewijs worden ingegaan.

1.2.

De juridische bewijsbeslissing

1.2.1.

Artikel 350 Sv, dat op grond van artikel 415, eerste lid jo artikel 422, tweede lid Sv eveneens als maatstaf geldt in hoger beroep, stelt dat indien beraadslaging niet eindigt met een formele einduitspraak als bedoeld in artikel 349 Sv, de beraadslaging zich ten eerste richt op de vraag of bewezen is dat het feit door de verdachte is begaan. Die vraag dient te worden beantwoord op de grondslag van de door het Openbaar Ministerie opgestelde tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting.

De tenlastelegging geeft weer voor welk strafbaar feit of welke strafbare feiten de verdachte wordt vervolgd. Daarbij wordt in de tenlastelegging, met het oog op (de bestanddelen van) een bepaalde delictsomschrijving, weergegeven welke gedraging tijdens een concreet voorval, omstreeks welk tijdstip of welke tijdsperiode, waar ter plaatse en onder welke omstandigheden door de verdachte feitelijk zou zijn begaan. De tenlastelegging vormt de grondslag van het onderzoek in het strafgeding en bepaalt daardoor de omvang van het strafgeding, in het bijzonder ter zake van hetgeen dient te worden bewezen. De tenlastelegging als grondslag van het onderzoek beperkt ook de strafrechter in zijn beslissingsruimte, omdat de strafrechter volgens bestendige jurisprudentie niet meer of niet iets (wezenlijk) anders mag bewezen verklaren dan is tenlastegelegd.

Bij de beantwoording van de bewijsvraag gaat het om de vaststelling van de juistheid van de feiten, zijnde de in de tenlastelegging verwoorde door de verdachte begane gedraging, het gestelde tijdstip of de gestelde tijdsperiode, plaats en omstandigheden van een concreet voorval. Artikel 338 Sv stelt dat het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de strafrechter slechts kan worden aangenomen, indien hij daarvan uit het onderzoek op de terechtzitting door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging heeft bekomen. Deze bepaling verwoordt de wijze waarop de vaststelling van de juistheid van de feiten plaatsvindt en de maatstaf waaraan de inhoud van de bewijsmiddelen wordt getoetst.

Aan de hand van de in de artikelen 339-344a jo 301 Sv genoemde bewijsmiddelen en de in de jurisprudentie nader aangegeven uitleg over de toepassing daarvan, dient de strafrechter de aan de verdachte tenlastegelegde feiten ter terechtzitting aan de orde te stellen. Tijdens het onderzoek ter terechtzitting kan de strafrechter zich dan zelfstandig vergewissen van de bruikbaarheid van de gepresenteerde bewijsmiddelen.

1.2.4.

De bewijsmiddelen, die kunnen bestaan uit de eigen waarneming van de strafrechter, uit mondelinge en schriftelijke verklaringen van de verdachte, getuigen en deskundigen en uit schriftelijke bescheiden, vormen de basis waarop de bewijsbeslissing is gestoeld. Daarnaast mag de strafrechter bij de bewijsbeslissing gebruikmaken van feiten en omstandigheden van algemene bekendheid en algemene ervaringsregels. Van algemene bekendheid zijn die gegevens die ieder van de rechtstreeks bij het geding betrokkenen geacht moet worden te kennen of die hij zonder noemenswaardige moeite uit algemeen toegankelijke bronnen kan achterhalen. Voor algemene ervaringsregels geldt hetzelfde. Bij dergelijke feiten of omstandigheden gaat het in de regel om gegevens die geen specialistische kennis veronderstellen en waarvan de juistheid redelijkerwijs niet voor betwisting vatbaar is.8

Om tot een bewezenverklaring te komen is het aan de strafrechter voorbehouden om, binnen de door de wet getrokken grenzen, van het beschikbare materiaal (opgenomen in de bewijsmiddelen) datgene tot het bewijs te bezigen wat hem uit het oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en terzijde te stellen wat hij voor het bewijs van geen waarde acht. Met andere woorden: het uitgangspunt op grond van bestendige jurisprudentie is in dezen dat de selectie en waardering van de beschikbare bewijsmiddelen voorbehouden is aan de feitenrechter.9 Inhoudelijk dient blijkens artikel 359, derde lid Sv de beslissing dat het tenlastegelegde feit door de verdachte is begaan, te steunen op de inhoud van de in beginsel in het vonnis of arrest opgenomen bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden.

De strafrechter dient daarbij met het oog op de door de wet getrokken grenzen rekening te houden met de omstandigheid dat de (uitleg van de) regeling van de bewijsmiddelen meebrengt dat voor een deugdelijke feitenvaststelling een bewezenverklaring in beginsel dient te berusten op ten minste twee uiteenlopende (ken)bronnen of bewijsgronden (de eis van dubbele bevestiging). Deze eis strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat deze de strafrechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de in een bewijsmiddel opgenomen feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in een ander bewijsmiddel afkomstig van een andere, onafhankelijke (ken)bron.

Als nuancering geldt echter dat de eis van dubbele bevestiging bijvoorbeeld op grond van artikel 342, tweede lid Sv – betreffende de omstandigheid dat de strafrechter de bewezenverklaring niet enkel mag baseren op één getuigenverklaring – ziet op de tenlastelegging als geheel en niet op elk van de afzonderlijke onderdelen die daarvan deel uitmaken. Dat betekent dat enkel vereist is dat de tweede bewijsgrond ondersteuning biedt aan het tenlastegelegde feit als geheel, maar de eis van dubbele bevestiging geen betrekking heeft op elk afzonderlijk onderdeel van de tenlastelegging (zoals bijvoorbeeld de betrokkenheid van de verdachte bij de delictsgedraging). De vraag of aan de eis van dubbele bevestiging is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval. Inhoudelijk wordt daarbij de eis gesteld dat de in het andere bewijsmiddel weergegeven feiten en omstandigheden voldoende steun geven aan de getuigenverklaring of, anders gezegd, tussen de verklaring van de getuige en het overige bewijsmateriaal een niet te ver verwijderd verband mag bestaan. Daarbij is de door de strafrechter gehanteerde motivering mede van belang.10 Dat betekent inhoudelijk dat er een tweede bewijsgrond moet zijn die los van de ene verklaring van de getuige een zodanige betekenis heeft dat de verklaring van de getuige op een of meer onderdelen inhoudelijk wordt ondersteund. Het hof gaat er vanuit dat deze invulling van de eis van dubbele bevestiging in het algemeen niet anders is ter zake van andere bewijsmiddelen.11

Naast het voorgaande geldt dat indien de strafrechter zich in een nadere bewijsoverweging beroept op feiten of omstandigheden die door hem redengevend worden geacht voor de bewezenverklaring maar die niet zijn vermeld in de in het vonnis of arrest opgenomen bewijsmiddelen, de strafrechter met voldoende mate van nauwkeurigheid in zijn overweging: (a) die feiten of omstandigheden dient aan te duiden, en (b) het wettige bewijsmiddel dient aan te geven waaraan die feiten of omstandigheden zijn ontleend. Als het daarbij gaat om feiten of omstandigheden die zijn vermeld in processen-verbaal, verslagen van deskundigen of andere schriftelijke bescheiden, moeten die stukken ter terechtzitting zijn voorgelezen of moet daarvan daar de korte inhoud zijn medegedeeld.12
Op deze wijze kan worden nagegaan of het bewezenverklaarde ook uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid.

Het voorgaande geldt echter niet voor feiten of omstandigheden die ten grondslag worden gelegd aan een weerlegging van verweren inzake de betrouwbaarheid van het gebezigde bewijsmateriaal of aan de verwerping van een verweer dat bewijsmateriaal onrechtmatig is verkregen. Zulke feiten of omstandigheden – hoewel bepalend voor de waardering van het bewijs en derhalve wel degelijk van invloed daarop – zijn immers niet redengevend voor de bewezenverklaring dat de verdachte het/de aan hem tenlastegelegde feit(en) heeft begaan.13

1.2.6.

Het bewijs van het tenlastegelegde feit kan via bewijsmiddelen meer direct (bijvoorbeeld gebaseerd op een proces-verbaal van verhoor van de verdachte, een (oog)getuige/slachtoffer of een proces-verbaal van een opsporingsambtenaar), of meer indirect (bijvoorbeeld ontleend aan schriftelijk bewijs omtrent een omstandigheid van het feit of rapportages van deskundigen over aangetroffen sporen op de plaats delict) plaatsvinden. Inhoudelijk dienen de in deze bewijsmiddelen opgenomen feiten en omstandigheden redengevend te zijn om vast te stellen, dan wel daarop de gevolgtrekking te baseren, dat het tenlastegelegde door de verdachte is begaan. De redengevendheid van de betreffende feiten en omstandigheden betekent dat de in de bewijsmiddelen opgenomen feiten en omstandigheden relevant dienen te zijn, in de zin van een logische en verklarende betekenis hebben, voor het aan de verdachte tenlastegelegde feit. In de tenlastelegging komen ook, zoals eerder aangegeven, de bestanddelen terug van de daaraan ten grondslag liggende delictsomschrijving. Hierdoor bepalen deze ‘rechtsfeiten’ mede de eventuele redengevendheid van de inhoud van de bewijsmiddelen.

Redengevend voor het bewijs zijn alleen die feiten en omstandigheden die zijn ontleend aan wettige bewijsmiddelen en die rechtstreeks aan de bewijsbeslissing ten grondslag worden gelegd. Het geheel aan redengevende bewijsmiddelen dient uiteindelijk de bewezenverklaring te kunnen dragen. Daarbij worden die bewijsmiddelen in de regel in onderlinge samenhang beschouwd.

1.2.7.

Ten slotte mag de strafrechter pas tot een bewezenverklaring beslissen indien hij tevens de overtuiging heeft dat de verdachte het/de tenlastegelegde feit(en) heeft begaan. De maatstaf van de overtuiging is niet heel scherp, maar algemeen wordt erkend dat het daarbij gaat om de maatstaf dat, gezien de in de bewijsmiddelen opgenomen redengevende feiten en omstandigheden, het buiten redelijke twijfel wordt geacht dat de verdachte het/de tenlastegelegde feit(en) heeft begaan. Bij redelijke twijfel dient, gezien het in het strafrecht geldende uitgangspunt ‘in dubio pro reo’, in het voordeel van de verdachte te worden geoordeeld en dient vrijspraak van het tenlastegelegde te volgen.14

1.2.8.

Uiteindelijk dient de bewijsbeslissing te leiden tot het oordeel dat de strafrechter op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen, bevattende daartoe redengevende feiten en omstandigheden, al dan niet wettig en overtuigend bewezen acht dat de verdachte het hem verweten feit heeft begaan. Daartoe wordt de tenlastelegging indien bewezen tekstueel binnen de grenzen van de grondslag van de tenlastelegging aangepast tot de bewezenverklaring.

1.3.

Enkele bijzondere bewijsaspecten

Zoals reeds aangegeven, dient de vaststelling van de juistheid van de feiten zoals aan de verdachte tenlastegelegd via bewijsmiddelen plaats te vinden, waarbij de daarin opgenomen feiten en omstandigheden redengevend dienen te zijn om vast te stellen, dan wel daarop de gevolgtrekking te baseren, dat het tenlastegelegde door de verdachte is begaan. In dat verband wordt op deze plaats gewezen op het volgende. In de regel is het voor de in artikel 359, derde lid Sv verwoorde eis voldoende dat de beslissing dat het feit door de verdachte is begaan, de redengevendheid van in de bewijsmiddelen opgenomen feiten en omstandigheden kenbaar maakt. Echter, bij het gebruik van enkele indirecte bewijsmiddelen wordt in de jurisprudentie nadrukkelijk een nadere motivering vereist. Voorbeelden daarvan zijn het gebruik van schakelbewijs en het gebruik van het zwijgen van de verdachte.

1.3.1.

Indien geen direct bewijs voor de betrokkenheid van de verdachte bij de tenlastegelegde feiten is aangevoerd, is een bewezenverklaring desalniettemin mogelijk indien op grond van zogenoemd ‘schakelbewijs’ tot wettig en overtuigend bewijs van het tenlastegelegde wordt geconcludeerd. Voor het bewijs van het tenlastegelegde strafbare feit mag de strafrechter de bewezenverklaring immers mede doen steunen op één of meer bewijsmiddelen waaruit blijkt van redengevende feiten en omstandigheden van een ander, soortgelijk strafbaar feit dat door de verdachte is begaan; dit wordt omschreven als zogenoemd ‘schakelbewijs’. Daarbij is ten minste vereist dat de wijze waarop de onderscheidene feiten zijn begaan op essentiële punten overeenkomt of kenmerkende gelijkenissen vertoont en het duidelijk is dat de verdachte bij beide feiten betrokken is geweest.

Voor wat betreft het overeenkomen van essentiële punten tussen beide ‘geschakelde’ feiten wordt in de regel in het bijzonder gekeken naar de (werk)wijze waarop de onderscheidene feiten zijn gepleegd, de modus operandi. Daarbij kan ook de feitelijke gang van zaken ten aanzien van de tenlastegelegde feiten meewegen, waaronder de context waarbinnen die feiten zich hebben afgespeeld, de omstandigheden waarmee zij zijn omgeven, het desbetreffende handelen van de verdachte, alsmede de verklaringen die de verdachte daarover heeft afgelegd. Hieruit zou een herkenbaar en gelijksoortig patroon in het handelen van de verdachte kunnen worden opgemaakt.15

Inhoudelijk geldt ter zake van het schakelbewijs niet dat daarvan alleen gebruik mag worden gemaakt indien de ontleende modus operandi steunt op de bewijsmiddelen van meer dan één ‘geschakeld’ feit. Ook is geen voorwaarde voor het gebruik van schakelbewijs dat tot de bewezenverklaring van in elk geval één van de feiten kan worden gekomen zonder dat daarvoor mede bewijsmiddelen worden gebezigd die betrekking hebben op een ander feit. Met andere woorden: het bewijs in elk van de zaken kan over en weer redengevend worden geacht, zelfs als geen enkel feit afzonderlijk – dus los van de schakelbewijsconstructie – wettig en overtuigend kan worden bewezen.16

Verdergaand is het gebruik van schakelbewijs dat niet is gebaseerd op een strafrechtelijke veroordeling van de verdachte voor het ‘geschakelde’ feit. Ook getuigenverklaringen en verklaringen van de verdachte die betrekking hebben op strafbare feiten waarvoor de verdachte niet strafrechtelijk is vervolgd en die dus niet eerder door een strafrechter bewezen zijn verklaard, kunnen als mogelijk schakelbewijs dienen. In dat geval geldt naar het oordeel van het hof dat bij gebruik van dergelijk schakelbewijs de vraag naar de redengevendheid van de betreffende ‘geschakelde’ feiten en omstandigheden nadrukkelijk dient te worden gemotiveerd in het licht van de gehele bewijsvoering.

1.3.2.

De verklaring van de verdachte, zijnde zijn bij het onderzoek ter terechtzitting gedane opgave van feiten en omstandigheden uit eigen wetenschap bekend, dan wel zodanige opgave elders gedaan, kan op grond van artikel 341 Sv als bewijsmiddel worden gebruikt. Het gebruik daarvan wordt in de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot het Wetboek van Strafvordering als volgt toegelicht: “Iedere verklaring van den verdachte in den zin van dit artikel moet aan den rechter de bouwstof voor het bewijs kunnen leveren. De vraag of die verklaring inhoudt eene algeheele bekentenis van schuld, eene ontkenning of slechts erkenning van sommige feiten en omstandigheden die met het te laste gelegde feit in een meer of minder verwijderd verband staan, betreft de beoordeling van den inhoud der verklaring, eene beoordeling waarin de rechter geheel vrij is”.17 Op deze plaats is van belang dat ook het niet-verklaren door de verdachte een rol kan spelen bij het bewijs van het aan hem tenlastegelegde feit.

In het Nederlandse recht is niet een onvoorwaardelijk recht of beginsel verankerd dat een verdachte op geen enkele wijze kan worden verplicht tot het verlenen van medewerking aan het verkrijgen van voor hem mogelijk bezwarend bewijsmateriaal. In artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) ligt besloten dat, indien ten aanzien van een verdachte sprake is van een ‘criminal charge’ in de zin van die bepaling, deze het recht heeft ‘to remain silent’ en ‘not to incriminate oneself’. Het eerstgenoemde recht, het zwijgrecht, vormt de kern van het recht om jezelf niet te hoeven belasten (het nemo tenetur-beginsel) en heeft, in tegenstelling tot het nemo tenetur-beginsel, wel een wettelijke grondslag in het Nederlandse strafprocesrecht (artikelen 29, 271, eerste lid en 273, tweede lid Sv).

De omstandigheid dat een verdachte weigert een verklaring af te leggen of een bepaalde vraag te beantwoorden mag op zichzelf, mede gelet op het bepaalde in artikel 29, eerste lid Sv, niet tot het bewijs bijdragen.18 Dat brengt echter niet mee dat de strafrechter, indien een verdachte voor een omstandigheid, die op zichzelf of in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd, redengevend moet worden geacht voor het bewijs van het aan hem tenlastegelegde feit, geen aannemelijke of redelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring heeft gegeven, zulks niet in zijn overwegingen omtrent het gebezigde bewijsmateriaal zou mogen betrekken of daarbij in aanmerking mag nemen.19 Daarbij geldt dat de opvatting dat een strafrechter eerst dan pas conclusies uit het uitblijven van een aannemelijke of redelijke verklaring van de verdachte mag trekken indien de betreffende strafzaak bewijsbaar zou zijn zonder rekening te houden met het stilzwijgen van de verdachte en de strafrechter daarbij expliciet moet vaststellen dat aan die voorwaarde is voldaan, geen steun vindt in het recht.20

In verband met de door de Hoge Raad voorgestane uitleg van het bovenstaande wordt gewezen op het volgende. Het hof acht in de eerste plaats ‘een omstandigheid, die op zichzelf of in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd, redengevend moet worden geacht voor het bewijs van het aan hem tenlastegelegde feit’, een feitelijke omstandigheid die in het onderzoek naar voren is gekomen en die, tegen de achtergrond van het aan de verdachte tenlastegelegde feit, op zichzelf het vermoeden lijkt te kunnen dragen dat sprake is van betrokkenheid van de verdachte bij het tenlastegelegde feit en derhalve ‘clearly calls for an explanation’ van de verdachte.21 Dat kunnen bijvoorbeeld vragen zijn omtrent de aanwezigheid van de verdachte of over aangetroffen sporen van de verdachte op de plaats delict.

In de tweede plaats houdt de omstandigheid dat een verklaring van de verdachte mag worden verlangd, niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat hij niet schuldig is aan het tenlastegelegde strafbare feit. Bij de beoordeling van de door de verdachte gegeven verklaring spelen naar het oordeel van het hof de omstandigheden waaronder en het moment en de wijze waarop deze tot stand is gekomen mede een rol. Zo kan van belang zijn of de verdachte van meet af aan tegenwicht tegen de verdenking heeft geboden aan de hand van een uitleg van de feitelijke omstandigheid of dat hij eerst in een laat stadium van het onderzoek is gaan verklaren op een wijze die aan de hiervoor genoemde vereisten voldoet.

Indien de verdachte in het geheel geen verklaring geeft of een verklaring aflegt die niet als aannemelijke of redelijke, de redengevendheid van de betreffende omstandigheid, ontzenuwende verklaring kan worden bestempeld, mag de strafrechter dat in zijn overwegingen omtrent het gebezigde bewijsmateriaal betrekken of daarbij in aanmerking nemen. Dat betekent naar het oordeel van het hof dat onder omstandigheden, zoals het gewicht van andere bewijsmiddelen, het door de verdachte niet of niet aannemelijk of redelijk verklaren omtrent een belastende feitelijke omstandigheid uit het onderzoek, van invloed kan zijn op de bewijswaardering, meer bepaald ter zake van de overtuiging dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan.22

1.3.3.

Het gebruik van schakelbewijs en het in de overwegingen omtrent het gebezigde bewijsmateriaal betrekken dat de verdachte onder omstandigheden geen aannemelijke of redelijke, de redengevendheid van de betreffende omstandigheid, ontzenuwende verklaring heeft gegeven, kan voor de bewijsbeslissing verstrekkende gevolgen hebben en brengt onder omstandigheden het risico met zich dat de bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit in haar gehele omvang op onvoldoende grondslag is gestoeld en derhalve ontoereikend moet worden geacht. De omstandigheid dat van dergelijk indirect bewijs gebruik mag worden gemaakt, maakt dat naar het oordeel van het hof bij gebruik van beide mogelijkheden ter zake van de bewijsbeslissing met grote voorzichtigheid dient te worden omgegaan. Indien desalniettemin daarvan gebruik wordt gemaakt, dient nadrukkelijk in het geheel van de voorliggende wettige bewijsmiddelen te worden gemotiveerd op welke wijze het gebruik daarvan redengevend wordt geacht, dan wel de overtuiging heeft geschraagd dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan.

1.4.

Juridisch bewijs: waarheidsvinding, toerekening en verantwoording

1.4.1.

Uit het voorgaande wordt onder andere duidelijk dat in juridische zin de vraag of bewezen is dat het/de feit(en) door de verdachte is/zijn begaan, dient te worden beantwoord op de grondslag van de door het Openbaar Ministerie opgestelde tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting. De taak van de strafrechter is daarbij om aan de hand van de tenlastelegging te toetsen of de beschuldiging van de verdachte feitelijk juist is. Het gaat uiteindelijk om de vaststelling van het daderschap van de verdachte van het tenlastegelegde, dat wil zeggen dat het gedrag van de verdachte beantwoordt aan de delictsomschrijving.

In meer formeelrechtelijke/processuele zin wordt daartoe de tenlastelegging door de strafrechter getoetst waarbij aan de hand van de inhoud van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting wordt getracht na te gaan wat de precieze gang van zaken was ten tijde van het voorval. Die vaststelling van de juistheid van de feiten is een normatieve kwestie waarbij de strafrechter rechtsregels en feiten in onderling verband interpreteert en het begaan van het tenlastegelegde feit al dan niet toerekent aan de (verantwoordelijke) verdachte. Daarbij is het uitgangspunt het verkrijgen van een bepaalde mate van gekwalificeerde waarschijnlijkheid van de feiten van het voorval; absolute zekerheid is daarover – zowel in kentheoretische als juridisch-processuele zin – niet te verkrijgen. De als juist beoordeelde feiten worden in onderling verband als voldoende corresponderend of coherent met andere feiten en omstandigheden beoordeeld om daaraan het rechtsgevolg van een bewezenverklaring te verbinden.

1.4.2.

Het uitgangspunt in de strafrechtelijke procedure bij de vaststelling van de juistheid van de feiten is dat wordt gezocht naar de zogenoemde ‘materiële waarheid’.23 Dat houdt in dat de strafrechter bij de vaststelling van de feiten niet wordt beperkt tot datgene wat door het Openbaar Ministerie of de verdachte ter zake van de voorliggende tenlastelegging wordt voorgelegd als mogelijk scenario of mogelijke gang van zaken. Zo kan de verdachte zich beroepen op een ander scenario ter zake van het aan hem tenlastegelegde dan het Openbaar Ministerie. Ingeval een verdachte het hem tenlastegelegde bestrijdt met een alternatieve lezing van de gebeurtenissen, die niet met een bewezenverklaring zou stroken, geldt als uitgangspunt dat de strafrechter – indien hij tot een bewezenverklaring komt – die aangedragen alternatieve gang van zaken zal moeten weerleggen. Dat kan geschieden door opneming van bewijsmiddelen of vermelding, al dan niet in een nadere bewijsoverweging, van aan wettige bewijsmiddelen te ontlenen feiten en omstandigheden die de alternatieve lezing van de verdachte uitsluiten. Een dergelijke weerlegging is echter niet steeds vereist. In voorkomende gevallen zal de rechter ter weerlegging kunnen oordelen dat de door de verdachte gestelde alternatieve toedracht niet aannemelijk is geworden dan wel dat de lezing van de verdachte als ongeloofwaardig terzijde moet worden gesteld. Ten slotte kunnen zich gevallen voordoen waarin de lezing van de verdachte zo onwaarschijnlijk is, dat zij geen uitdrukkelijke weerlegging behoeft.24

In hoger beroep brengt de materiële waarheidsvinding mee dat de strafrechter – met uitzondering van een bij appelakte aangebrachte beperking of door een latere partiële intrekking van het hoger beroep – bij de beoordeling van de tenlastelegging van de voorliggende strafzaak niet gebonden is aan beslissingen uit eerste aanleg die hij onjuist acht of die gegrond zijn op feiten waarvan hij niet overtuigd is.

1.4.3.

Het uitgangspunt van de materiële waarheidsvinding moet echter worden gezien tegen de achtergrond van het doel van het strafproces, zijnde het verzekeren van een juiste toepassing van het materiële strafrecht waarbij dient te worden voorkomen dat onschuldigen worden gestraft en waarbij dient te worden nagestreefd dat enkel schuldigen worden gestraft.25 Waarheidsvinding vormt daardoor geen zelfstandig, maar een afgeleid doel van het strafproces, dat gericht is op de beslissingen die de strafrechter moet nemen op grond van de tenlastelegging van de voorliggende strafzaak. Aan de hand daarvan wordt, zoals eerder beschreven, uiteindelijk beslist over de (on)schuld van de verdachte.

1.4.4.

De uitkomst van de bewijsbeslissing kan enkel maatschappelijk aanvaardbaar of legitiem worden geacht indien er een voldoende mate van zekerheid is ontstaan omtrent de feiten die de beslissing door de strafrechter hebben bepaald. Naar het oordeel van het hof bieden de hiervoor beknopt beschreven wettelijke regelingen en jurisprudentie van het strafrechtelijke bewijsrecht, de ruime mogelijkheden tot tegenspraak en de rechtswaarborgen binnen het strafproces voldoende waarborgen voor een adequate en correcte feitenvaststelling binnen het strafproces.

Bijzondere bewijsoverwegingen met betrekking tot feiten 1, 2 en 3

In aansluiting op de voorafgaande bewijsoverwegingen zal het hof per feit bijzondere overwegingen formuleren en de in dat verband ingenomen standpunten bespreken.

2 Bewijsoverwegingen met betrekking tot feit 1: (gekwalificeerde) doodslag

2.1.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De advocaten-generaal hebben ter terechtzitting in hoger beroep naar voren gebracht dat deskundigen in de onderhavige zaak geen doodsoorzaak hebben kunnen vaststellen. Er bestaan geen aanwijzingen voor een toxicologische doodsoorzaak, hartafwijkingen/-ritmestoornissen en het QT-tijdsyndroom, een ziekelijke afwijking zoals astma of epilepsie, een hartstilstand door stress en angst of onderkoeling. Daarentegen zijn er wel aanwijzingen voor verstikking. De advocaten-generaal hebben naar voren gebracht dat [gemeentelijk lijkschouwer] heeft verklaard dat Nicky Verstappen dubieuze plekken (bruine verkleuringen) in zijn hals had die kunnen zijn ontstaan door drukken en Soerdjbalie-Maikoe heeft gewezen op bruine verkleuringen naast het linker neusgat en aan de linker mondhoek. De advocaten-generaal hebben zich op het standpunt gesteld dat ondanks dat niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat deze letsels zijn veroorzaakt door verstikking, het wel letsels zijn die bij verstikking passen. Alles overwegende hebben de advocaten-generaal geconcludeerd dat sprake is van een niet-natuurlijk overlijden door een misdrijf en wel door verstikking. Zoals gezegd, bestaan voor geen van de doodsoorzaken aanwijzingen, behalve voor verstikking, en dit alles dient te worden afgezet tegen de verwaarloosbare kans dat een gezond kind plotseling dood gaat.

De advocaten-generaal hebben zich op het standpunt gesteld dat een grote hoeveelheid aan feiten en omstandigheden de gevolgtrekking kan en moet dragen dat Nicky Verstappen van het leven is beroofd door verstikking, zoals opgenomen in de tenlastelegging.

2.2.

Het standpunt van de verdediging


De raadslieden van de verdachte hebben ter terechtzitting in hoger beroep naar voren gebracht dat er in deze zaak geen discussie bestaat over het feit dat geen doodsoorzaak is aangetoond. Voorts hebben zij aangevoerd dat door middel van uitsluiten nooit een doodsoorzaak kan worden gevonden. In het kader van de in de literatuur genoemde methode of toets van ‘Homicide by Unspecified Means’26 moet sprake zijn van objectieve, verdachte omstandigheden om tot de conclusie te komen dat sprake is van doding door een onbekend middel. Dergelijke omstandigheden spelen niet in deze zaak. Of er sprake is geweest van een niet-natuurlijk overlijden kan niet met zekerheid uit de omstandigheden in deze zaak worden afgeleid. Uit de plek in het kerstbomenperceel (het hof begrijpt: waar Nicky Verstappen is gevonden) en de toestand van de kleding kan niet (met zekerheid) de betrokkenheid van een dader worden afgeleid. Ook de houding van het lichaam wordt niet genoemd als omstandigheid waaruit een niet-natuurlijk overlijden kan worden afgeleid. De verdediging heeft in dat kader de betrouwbaarheid en deugdelijkheid van het onderzoek van [bewegingsdeskundige] , waarin wordt geconcludeerd dat het waarschijnlijk is dat de houding het gevolg is van (bewuste) manipulatie, betwist. Met betrekking tot de duur van de vermissing heeft de verdediging opgemerkt dat over het moment van overlijden te veel onduidelijk is om daaraan ook maar enige conclusie te kunnen verbinden, laat staan daaraan de conclusie te verbinden dat er sprake moet zijn geweest van een dader. De methode van ‘Homicide by Unspecified Means’ staat er aan ten doel om het gevaarlijke pad van doodsoorzaak-confabulatie (onbewust liegen) te vermijden, zoals bijvoorbeeld met behulp van specifieke diagnoses zoals verstikking, die worden aangevoerd als diagnose van uitsluiting. Er is sprake van doodsoorzaak-confabulatie door de diagnose verstikking vast te stellen, terwijl de aspecifieke verschijnselen voor verstikking ontbreken. Aan de bevindingen aan de hals van Nicky Verstappen kunnen geen conclusies worden verbonden. Er kunnen alleszins geen (voor geweldpleging) betekenisvolle letsels worden gevonden. Indien wordt aangenomen dat er letsels voor het overlijden zijn ontstaan, dan dient in ogenschouw te worden genomen dat er een fikse vechtpartij is geweest tussen de jongens in de tent, voorafgaand aan het verdwijnen van Nicky Verstappen. De letsels ontstaan voor het overlijden kunnen ook het gevolg zijn van die vechtpartij.

2.3.

Het oordeel van het hof

2.3.1.

De vermissing van Nicky Verstappen en het aantreffen van zijn lichaam

Op maandag 10 augustus 1998, omstreeks 09.30 uur, werd bij de basiseenheid Brunssum-Onderbanken van de politie Limburg-Zuid gemeld dat Nicky Verstappen, geboren op 13 maart 1987, werd vermist. Nicky Verstappen maakte deel uit van een groep van 37 kinderen uit Heibloem en omstreken, die van zaterdag 8 augustus 1998 tot en met vrijdag 14 augustus 1998 zou verblijven op kampeerterrein ‘ [naam kampeerterrein] ’, gelegen op de Brunssummerheide te Brunssum. De kinderen sliepen in zelf samengestelde groepen in tenten. Nicky Verstappen maakte samen met [tentgenoot 1] , [tentgenoot 2] , [tentgenoot 3] en [tentgenoot 4] deel uit van een groep. In de ochtend van maandag 10 augustus 1998 was Nicky Verstappen verdwenen van het kampeerterrein ‘ [naam kampeerterrein] ’ op de Brunssummerheide. Omstreeks 05.30 uur werd hij voor het laatst gezien door zijn tentgenoot [tentgenoot 4] . Na een zoektocht werd Nicky Verstappen op dinsdagavond 11 augustus 1998 tussen 20.50 uur en 21.00 uur levenloos aangetroffen in een sparrenperceel op de Brunssummerheide.27

Na het aantreffen van het lichaam werden de ter plaatse aanwezige vrijwilligers weggestuurd. In afwachting van het verdere onderzoek werd de plaats van aantreffen bewaakt, totdat de Technische Recherche ter plaatse arriveerde.28

Vanaf dinsdag 11 augustus 1998, omstreeks 21.00 uur, werd door verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] van de Technische Recherche een sporenonderzoek ingesteld op en rond de plaats waar het slachtoffer werd gevonden. Het slachtoffer werd aangetroffen in een dennenbosje (het hof: elders in het digitale einddossier ook wel aangeduid als sparrenperceel), dat zich bevond in een omheind perceel.29

Het slachtoffer lag op zijn rug. Zijn hoofd lag met de rechterzijde nagenoeg op de grond dicht naast de stam van een dennenboom. Zijn beide benen waren vrijwel geheel gestrekt, waarbij het rechterbeen tegen en deels op het linkerbeen lag. De beide voeten lagen op de linkerkant dicht naast elkaar. Op die plaats was de begroeiing verschoven en was de aarde onder zijn hakken iets verschoven. De linkerarm van het lichaam lag geheel gestrekt in het verlengde van zijn linkerschouder. De rechterarm lag naast het lichaam waarbij zijn rechterhand en rechterpols onder zijn zitvlak lagen.30

Het slachtoffer droeg een rode stoffen pyjamabroek. Onder deze pyjamabroek droeg hij een donkerblauwe onderbroek. Beide broeken waren binnenstebuiten gekeerd. Het etiket in de onderbroek was duidelijk zichtbaar. Uitgaande van de positie waarin het slachtoffer lag, bevonden de achterzijden van beide broeken zich aan de voorzijde.31

Verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] hebben gerelateerd dat bij de navel een lichtgroene verkleuring aanwezig was. Voorts hebben voornoemde verbalisanten gerelateerd dat in de hals van het slachtoffer ter hoogte van de adamsappel een duidelijke, ongeveer 4,5 centimeter lange en ongeveer 1,5 centimeter brede rode verkleuring zichtbaar was.32

2.3.2.

De schouw

Verkorte schouw

Op 11 augustus 1998 heeft [gemeentelijk lijkschouwer] samen met de Technische Recherche op de plaats van aantreffen een verkorte schouw gedaan. Er waren lijkvlekken op laagst gelegen delen en er was een groene verkleuring rond de navel zichtbaar.33

Uitgebreide schouw

Op woensdag 12 augustus 1998, omstreeks 12.45 uur, heeft voornoemde [gemeentelijk lijkschouwer] , in het mortuarium van het Academisch Ziekenhuis te Maastricht, in het bijzijn van verbalisanten [verbalisant 4] en voornoemde [verbalisant 1] , een uitgebreide lijkschouw verricht op het stoffelijk overschot van Nicky Verstappen. Tijdens deze lijkschouw bleek dat het ontbindingsproces reeds vergevorderd was.34

[gemeentelijk lijkschouwer] heeft in zijn verslag betreffende een niet-natuurlijke dood d.d. 12 augustus 1998 – voor zover hier relevant – gerapporteerd dat aan de linkerzijde van de neus en aan de buitenzijde van het linker ooglid een groene verkleuring zichtbaar was. De rechter gelaatshelft was gezwollen en asymmetrisch met de linkerzijde (met name het oog en de wang). Verder was de rechterzijde van het gelaat en de behaarde hoofdhuid fors bebloed. Aan de achterzijde van de behaarde hoofdhuid waren in een gele massa waarschijnlijk maden aanwezig en voorts waren maden in meerdere stadia, van verschillende grootte, in ogen en mond zichtbaar. De ogen waren vanwege ontbinding verder niet te beoordelen. Op de buik was een uitgebreide groene verkleuring met loslating van de huid zichtbaar. Ook de voorzijde van de hals had een groene verkleuring en daar was uitgebreide vaattekening zichtbaar. Aan de rechtervoorzijde van de hals heeft [gemeentelijk lijkschouwer] meerdere bruine verkleuringen, een tweetal rond 1-2 centimeter, één lijnvormig met huidloslating, mogelijk een drukplek, waargenomen. Verder heeft hij een felrode verkleuring, waarvan hij aangeeft dat dit geen lijkvlekken zijn, niet scherp begrensd op met name de rechterbovenarm buitenzijde en binnenzijde onderarm waargenomen. Op basis van de uitgebreide lijkschouw verricht op het stoffelijk overschot van Nicky Verstappen heeft [gemeentelijk lijkschouwer] in zijn verslag betreffende een niet-natuurlijke dood d.d. 12 augustus 1998 geconcludeerd dat de doodsoorzaak vooralsnog onduidelijk was.35

[gemeentelijk lijkschouwer] heeft in zijn verhoor als getuige bij de politie d.d. 13 mei 2014 over de felrode verkleuring verklaard dat het enige dat hij zich daarbij kan voorstellen is dat daar druk op is uitgeoefend. Hoewel de verkleuring ook zou kunnen zijn veroorzaakt door de wijze waarop Nicky op zijn rechterzij werd aangetroffen, is dat volgens [gemeentelijk lijkschouwer] wel suggestief omdat hij bij het opmaken van het verslag uitdrukkelijk heeft gezegd dat het geen lijkvlekken waren.36 Over de plekken in de hals heeft hij verklaard dat hij niet weet hoe deze plekken anders dan door drukken kunnen zijn ontstaan. Voorts heeft hij verklaard dat de dubieuze plekken in de hals mogelijk in relatie staan tot de in het kader van de doodsoorzaak in het verslag genoteerde asfyxie. Vanwege de drukplekken in de hals heeft [gemeentelijk lijkschouwer] als differentiële diagnose, waarmee wordt bedoeld dat dit een mogelijkheid is, asfyxie (verstikking, wurging) in het schouwverslag genoteerd.37

Voorts is inwendig hoofdletsel als differentiële diagnose in het verslag opgenomen, waarbij [gemeentelijk lijkschouwer] zich heeft gebaseerd op de zwelling van de rechter gelaatshelft en de asymmetrie met de linkerhelft en het bloed dat op de rechter gelaatshelft was te zien.38

W. van de Voorde, arts en forensisch patholoog, heeft in zijn verslag d.d. 14 juli 2016 gerapporteerd dat de beschreven zwelling gezien de positie waarin het slachtoffer is aangetroffen (hoofd naar rechts gedraaid) en de vastgestelde ontbindingsverschijnselen eerder kadert (het hof begrijpt: beter past) binnen het ontbindingsproces dan dat sprake is van (inwendig) (hoofd)letsel.39 Nu bij de latere sectie in het geheel niet is gebleken van (inwendig) hoofdletsel, kan dit als mogelijke oorzaak van de dood van Nicky Verstappen reeds hier worden uitgesloten. Tot slot heeft [gemeentelijk lijkschouwer] in zijn verslag betreffende een niet-natuurlijke dood d.d. 12 augustus 1998 geadviseerd een gerechtelijke sectie te laten plaatsvinden.40

Het hof stelt op grond van het bovenstaande vast dat bij de uitgebreide schouw van het stoffelijk overschot van Nicky Verstappen is gebleken dat asfyxie (verstikking, wurging) een mogelijke doodsoorzaak is.

2.3.3.

De sectie

Op 13 augustus 1998, omstreeks 14.15 uur, heeft G. van Ingen, arts en patholoog, als beëdigd deskundige, in samenwerking met A. Maes41 en in aanwezigheid van verbalisant [verbalisant 1] , in het Laboratorium voor Gerechtelijke Pathologie te Rijswijk, de uit- en inwendige schouwing verricht van het stoffelijk overschot van Nicky Verstappen, teneinde na te gaan de oorzaak van zijn dood en hetgeen verder van belang mocht blijken.42

In het sectieverslag d.d. 21 december 1998 zijn bevindingen genoteerd; de conclusie luidde dat bij Nicky Verstappen geen doodsoorzaak aanwijsbaar was. Over het sectieverslag heeft Van Ingen ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 22 oktober 2021 verklaard dat hij de door hem waargenomen ontbindingsverschijnselen heeft genoteerd.43

Voorts heeft Van Ingen ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 22 oktober 2021 verklaard dat als er geen doodsoorzaak wordt gevonden, dit niet betekent dat er geen doodsoorzaak is. Er kan alleen geen doodsoorzaak worden aangetoond.44 Wanneer aan de deskundige wordt voorgehouden dat de waarnemingen op achtereenvolgende tijdstippen (op 11 augustus 1998, omstreeks 21.00 uur en 22.45 uur,45 12 augustus 1998, omstreeks 12.45 uur, en 13 augustus 1998, omstreeks 14.15 uur) de indruk geven van een voortgaand proces van ontbinding, verklaart de deskundige dat dit goed mogelijk is. Wanneer vervolgens aan de hand van zich in het dossier bevindende foto’s aan Van Ingen de vraag wordt voorgelegd of het gebied waar hij drie huidloslatingen in de hals heeft waargenomen, ook het gebied is waar de Technische Recherche de streep over de adamsappel heeft waargenomen, verklaart hij dat dit inderdaad ongeveer hetzelfde gebied betreft. Het komt de deskundige niet onwaarschijnlijk voor dat de waarnemingen van de schouwarts en van hemzelf wanneer ze in tijd achter elkaar worden geplaatst het proces van voortgaande ontbinding laten zien.46

2.3.4.

Doodsoorzaken

Het hof stelt – overeenkomstig het sectieverslag d.d. 21 december 1998 en de brief van V. Soerdjbalie-Maikoe, arts en forensisch (kinder)patholoog, d.d. 10 februari 2015 – vast dat bij sectie (inclusief aanvullend lichtmicroscopisch onderzoek) en toxicologisch onderzoek geen doodsoorzaak is gebleken. Uit deze onderzoeken is evenmin een bijdrage aan het overlijden gebleken. Daarbij wordt opgemerkt dat het lichtmicroscopisch onderzoek was bemoeilijkt vanwege postmortale veranderingen.47

In het kader van de sectie is aandacht besteed aan de mogelijkheid van een toxicologische doodsoorzaak, zoals hierna onder 2.3.4.1. aan de orde zal komen. De resultaten van de sectie zijn verder van belang voor andere mogelijke doodsoorzaken, namelijk uitdroging (overweging 2.3.4.2.) en het bestaan van ziekelijke afwijkingen (overweging 2.3.4.4.).

Daarnaast zijn er mogelijke doodsoorzaken die geen objectiveerbare letsels/verschijnselen hoeven achter te laten aan een lichaam en dus niet aantoonbaar zijn bij een sectie. Soerdjbalie-Maikoe heeft in haar brief d.d. 10 februari 2015 naar voren gebracht dat het dan gaat om: onderkoeling (ook wel hypothermie genoemd; overweging 2.3.4.3.), enkele ziekelijke afwijkingen (zoals epilepsie, astma) die kunnen leiden tot een kritieke toestand (status epilepticus, status asthmaticus; overweging 2.3.4.4.), fatale hartritmestoornissen door een cardio-genetische afwijking (overweging 2.3.4.5.), verstikking door smoren (belemmering van de mond/neus) of (samen)drukken van/op de borstkas (mechanische/traumatische asfyxie) en verstikking door geweld op de hals (zoals bij verwurging), zoals onder 2.3.4.7 zal worden besproken. Daarbij concludeert het hof dat eventuele cardio-genetische afwijkingen en ziekten, zoals astma en epilepsie, met plotse dood tot gevolg als natuurlijke oorzaken van overlijden zijn aan te merken.48 Het hof zal hieronder motiveren op welke gronden bovengenoemde doodsoorzaken mogelijk zijn dan wel kunnen worden uitgesloten. Voorts zal stress en/of angst, eventueel in combinatie met hartfalen, onder 2.3.4.6. als mogelijke doodsoorzaak worden besproken. Tot slot zal onder 2.3.4.8. de vraag aan de orde komen of het geweld dat in een ruzie met een tentgenoot jegens Nicky Verstappen is toegepast, als mogelijke doodsoorzaak is aan te merken dan wel heeft bijgedragen aan zijn overlijden.

2.3.4.1. Toxicologische doodsoorzaak


Door [apotheker] , werd toxicologisch onderzoek verricht, waarbij in de lijkdelen van het slachtoffer geen geneesmiddelen en/of drugs werden aangetoond. In het bloed van het slachtoffer werd ethanol (alcohol) aangetoond in een concentratie van 0,12 milligram per milliliter bloed, waarvan een onbekend deel postmortaal ten gevolge van rottingsprocessen kan zijn ontstaan.49 In het dossier is geen enkele aanwijzing te vinden voor het feit dat Nicky Verstappen alcohol zou hebben ingenomen. Het hof gaat er om die reden vanuit dat de aangetroffen concentratie alcohol het uitsluitende gevolg is van postmortale rotting.

Soerdjbalie-Maikoe heeft op basis van bovenstaande toxicologische bevindingen geconcludeerd dat het overlijden van Nicky Verstappen niet op toxicologische gronden kan worden verklaard. Een bijdrage aan het overlijden is op grond van de toxicologische bevindingen niet gebleken.50 Ook eerdergenoemde Van de Voorde heeft naar voren gebracht dat geen sprake is van een toxicologische doodsoorzaak. Hij heeft overwogen dat een kleine hoeveelheid alcohol is gevonden en dat die verklaarbaar is door de ontbinding van het lichaam. Vergiftiging als mogelijke doodsoorzaak is daarmee uitgesloten.51 Ook R.A.C. Bilo, forensisch arts, heeft naar voren gebracht dat gezien het ontbreken van positieve resultaten bij toxicologische screening, vergiftiging lijkt uitgesloten.52

Het hof schaart zich achter bovenstaande bevindingen van de deskundigen en neemt de daaraan verbonden conclusies over, inhoudende dat geen sprake is van een toxicologische oorzaak van het overlijden van Nicky Verstappen. Het hof sluit deze oorzaak van het overlijden van Nicky dan ook uit. Voorts is een bijdrage aan het overlijden op grond van de toxicologische bevindingen niet gebleken.

2.3.4.2. Uitdroging

Voor wat betreft uitdroging als mogelijke doodsoorzaak geldt dat uitdrogingsverschijnselen bij sectie waarneembaar kunnen zijn als ingezakte oogbollen en een verlaagde huidturgor. Deze (aspecifieke) verschijnselen zijn bij sectie niet gebleken. Ook bij bestudering van de sectiefoto’s worden deze (voor zover op basis van de foto’s kan worden beoordeeld) niet gezien. Soerdjbalie-Maikoe heeft in haar brief d.d. 10 februari 2015 naar voren gebracht dat mogelijk aanvullende informatie van de personen die Nicky Verstappen de laatste dag of dagen voor zijn vermissing hebben meegemaakt, ook relevante informatie kan geven omtrent de inname van vocht (door middel van drinken) in die laatste uren/dagen. Als hij heeft gedronken, lijkt uitdroging haar zeer onwaarschijnlijk, mede gezien het ontbreken van bevindingen passend bij uitdroging.53

In het dossier bevindt zich een proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot uitdroging afgezet tegen vochtinname d.d. 18 november 2019, welk de hierboven bedoelde relevantie informatie bevat omtrent de inname van vocht (door middel van drinken) in de laatste uren/dagen voor de vermissing van Nicky Verstappen. Door [verbalisant 5] is onderzoek verricht met betrekking tot de vragen op welke momenten en wat er door de kinderen van het kamp waaraan Nicky Verstappen heeft deelgenomen op zaterdag 8 en zondag 9 augustus 1998 werd gegeten en gedronken en welke bijzonderheden er waren met betrekking tot het eten en drinken. Uit het dossier blijkt dat er drie keer per dag werd gegeten, te weten omstreeks 09.00 uur, 13.00 uur en 18.00 uur. De kinderen kregen ’s morgens brood, ’s middags als het warm was kregen zij ook brood en als het niet warm was, kregen zij ’s middags warm eten. De voeding werd op het kamp volledig verzorgd, uitgezonderd de eerste kampdag.

De kinderen kwamen op zaterdag 8 augustus 1998 in de loop van de ochtend, omstreeks 10.15 uur, aan op het kampterrein en hebben die dag dus geen ontbijt genoten op het kamp. De kinderen hadden voor zaterdag 8 augustus 1998, de eerste dag van het kamp, een eigen lunch moeten meenemen. Na de rondleiding werd tussen de middag het eigen lunchpakket genuttigd. Vervolgens waren de kinderen die middag gaan zwemmen en hadden zij bij het zwembad omstreeks 16.30 uur een ijsje gekregen. Een jongen van ongeveer 15 à 16 jaar oud had in het zwembad het groepje van Nicky Verstappen benaderd en hen iets te drinken aangeboden. De jongen had een flesje drinken aan [tentgenoot 1] gegeven, [kampgenoot 1] had ook een slok uit het flesje gedronken en Nicky Verstappen had het flesje leeggedronken. Na het middagprogramma kregen de kinderen ’s avonds in het kamp een warme maaltijd.

Op zondagavond 9 augustus 1998, omstreeks 18.00-19.00 uur, werd een broodmaaltijd gegeten. Bij de broodmaaltijd werd als drinken melk, chocomelk en water aangeboden. Nicky Verstappen werd bij het eten aan tafel gezien. Er werd door iedereen brood gegeten. Na het avondspel, omstreeks 21.45 uur, werden nog ranja en koek aangeboden. Op het moment dat [kampgenoot 2] op zondagavond na het wassen naar de tent liep, stond Nicky Verstappen voor de tent iets te drinken. Verder had hij chips en suikerpinda’s, die hij van thuis had meegekregen, gegeten. Er werden gedurende het kamp flessen drinken uitgedeeld die de kinderen onderling moesten verdelen. Iedere groep had de beschikking over een jerrycan water; ook voor de tent waarin Nicky Verstappen sliep, stond een jerrycan. Er zou dagelijks water worden rondgebracht en iedere dag frisdrank worden verstrekt.54

Ook Van de Voorde heeft zich in zijn verslag d.d. 14 juli 2016 op het standpunt gesteld dat hij uitdroging als doodsoorzaak uitermate onwaarschijnlijk acht. Ernstige uitdroging kan eventueel leiden tot overlijden of hiertoe bijdragen, maar Van de Voorde ziet in casu geen aanwijzingen voor uitdroging als doodsoorzaak. Ook de tijdsduur tussen de verdwijning en het vermoedelijke tijdstip van overlijden is te kort om, zelfs bij volledige onthouding van drank, tot een fatale uitdroging te kunnen leiden.55 Van de Voorde heeft in zijn verhoor bij de rechter-commissaris d.d. 6 juli 2020 verklaard dat je bij dodelijke uitdroging onder meer een ingevallen buik ziet, een huid die rimpels vertoont en slijmvliezen die heel droog zijn en dat deze elementen ontbreken. Verder vergt een fatale uitdroging, gecombineerd met voedselonthouding, acht tot twaalf dagen om fataal te zijn. In de onderhavige zaak is de tijdspanne daarvoor te kort en zijn er geen sectiebevindingen die daarop zouden wijzen. Verder was er nog urine in de blaas, zodat daarvoor geen enkele aanwijzing bestaat. Van de Voorde acht een fatale uitdroging dan ook uitgesloten.56

Het hof stelt op basis van bovenstaande bevindingen vast dat Nicky Verstappen in de uren/dagen voor zijn vermissing heeft gedronken. Mede gezien het ontbreken van bevindingen passend bij uitdroging komt het hof tot de conclusie dat fatale uitdroging als mogelijke oorzaak van of uitdroging als bijdrage aan het overlijden van Nicky Verstappen wordt uitgesloten.

2.3.4.3. Onderkoeling c.q. hypothermie

Gezien de omstandigheden waaronder Nicky Verstappen is gevonden, namelijk blootgesteld aan buitentemperaturen en in gewone kleding (zonder jas), acht Soerdjbalie-Maikoe onderkoeling als oorzaak van of bijdrage aan zijn overlijden niet uitgesloten. Uit de documentatie van het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut (hierna telkens: KNMI) zou de temperatuur destijds tussen 14 en 33 graden Celsius zijn geweest. Onderkoeling hoeft geen zichtbare verschijnselen achter te laten aan het lichaam. Soms worden in het geval van onderkoeling puntvormige bloedinkjes in het maagslijmvlies gezien, maar de interpretatie daarvan wordt bemoeilijkt door postmortale veranderingen zoals bij Nicky Verstappen het geval was. Bovendien is in het sectierapport geen melding gemaakt van puntvormige bloedingen in het slijmvlies. In het sectierapport staat immers vermeld: “het slijmvlies was gaaf”. Het ontbreken van dit aspecifieke verschijnsel in de maag sluit onderkoeling echter niet uit, aldus Soerdjbalie-Maikoe.57

Van de Voorde heeft in zijn verslag d.d. 14 juli 2016 naar voren gebracht dat hij het zeer onwaarschijnlijk acht dat onderkoeling de doodsoorzaak is geweest of dat onderkoeling heeft bijgedragen aan het overlijden van Nicky Verstappen. Van de Voorde heeft in dit verband gewezen op de temperatuurgegevens van het KNMI, zoals gemeten in het weerstation te Maastricht.58 Temperatuurmetingen van het KNMI station in Maastricht zijn het meest representatief voor Brunssum.59 Nicky Verstappen zou op zijn vroegst op 10 augustus 1998, omstreeks 05.30 uur, zijn verdwenen en zijn lichaam werd de volgende dag, 11 augustus 1998, omstreeks 21.00 uur, aangetroffen. Blijkens de temperatuurgegevens van het KNMI station in Maastricht bedroeg de gemiddelde temperatuur in deze periode 26,7 graden Celsius. De laagst gemeten temperatuur in de nacht van 10 op 11 augustus 1998 was 17,9 graden Celsius (meting om 04.00 uur). Gedurende de rest van de nacht schommelde de temperatuur rond de 20 graden Celsius. Uit nader onderzoek door het Nederlands Forensisch Instituut (hierna telkens: NFI) is gebleken dat de temperatuur op de vindplaats 0,8 graden Celsius hoger is dan gemeten in het KNMI meetstation te Maastricht.60

Van de Voorde heeft in zijn verhoor bij de rechter-commissaris d.d. 6 juli 2020 verklaard dat hij hypothermie in de zomer uiterst onwaarschijnlijk acht. Gevallen van hypothermie zijn alle wintergevallen en gaan gepaard met rode koudevlekken op knieën en soms op de ellebogen. In een deel van de gevallen zijn er ook puntvormige bloedingen in het maagslijmvlies te zien. Die verschijnselen ontbreken bij Nicky Verstappen allemaal. Om die reden zijn geen aanwijzingen te vinden voor onderkoeling en kan dit als mogelijke oorzaak van het overlijden van Nicky Verstappen worden uitgesloten.61

Het hof sluit zich aan bij de conclusie van Van de Voorde en sluit uit dat Nicky Verstappen ten gevolge van onderkoeling is komen te overlijden dan wel dat onderkoeling heeft bijgedragen aan zijn overlijden.

2.3.4.4. Ziekelijke afwijkingen (zoals epilepsie, astma)

Het hof stelt voorop dat de mogelijkheid van (een) ziekelijke afwijking(en) als oorzaak van het overlijden van Nicky Verstappen dient te worden beschouwd tegen de achtergrond van een bevinding van patholoog Van Ingen zoals die in het sectieverslag d.d. 21 december 1998 staat vermeld. Onder de epicrise wordt immers vermeld dat er geen ziekelijke orgaanveranderingen aanwijsbaar waren die de dood zouden kunnen verklaren.62

Er zijn enkele ziekelijke afwijkingen (zoals epilepsie, astma) die kunnen leiden tot een kritieke toestand (status epilepticus, status asthmaticus) met plotse dood tot gevolg. Uit het proces-verbaal van bevindingen naar aanleiding van het verhoor van de huisartsen van Nicky Verstappen, [huisarts 1] en [huisarts 2] , d.d. 3 juni 2014 blijkt dat hij bij hen bekend stond als een normaal gezond kind zonder bijzonderheden. Er was bij hen niets bekend dat zijn dood zou kunnen verklaren of daaraan zou kunnen hebben bijgedragen. Soerdjbalie-Maikoe heeft in haar brief d.d. 10 februari 2015 naar voren gebracht dat zij om die reden de mogelijke doodsoorzaken op ziekelijke gronden niet waarschijnlijk acht.63

Ook Van de Voorde heeft in zijn verslag d.d. 14 juli 2016 te kennen gegeven dat hij geen objectieve (morfologische) aanwijzingen ziet voor overlijden als gevolg van astmatisch lijden of epilepsie.64 Meer specifiek ten aanzien van een epileptische aanval als doodsoorzaak heeft Van de Voorde in zijn verhoor bij de rechter-commissaris d.d. 6 juli 2020 verklaard dat er bijzonder weinig tot nu toe aangetoonde gevallen zijn waarbij kinderen van de leeftijd van Nicky Verstappen daaraan zijn overleden, nu je dit meestal pas op oudere leeftijd ziet. De plaats waar het kind is gevonden en de houding van zijn lichaam maken dat geen sprake is van een plotse dood door een epileptische aanval. In het geval van een epileptische aanval stuikt men in elkaar (het hof begrijpt dat met het Vlaamse woord ‘stuiken’ wordt bedoeld: in elkaar zakken) en zou men op een andere manier hebben moeten liggen. De houding van het lichaam van Nicky Verstappen zou dan anders zijn geweest. Van de Voorde stelt zich dan ook op het standpunt dat het zeer onwaarschijnlijk is dat het kind is komen te overlijden aan een natuurlijke oorzaak.65

Op grond van het bovenstaande sluit het hof uit dat bij Nicky Verstappen sprake was van (een of meer) ziekelijke afwijking(en) (zoals epilepsie, astma), die heeft/hebben geleid tot een kritieke toestand met plotse dood tot gevolg dan wel daaraan heeft/hebben bijgedragen.

2.3.4.5. Fatale hartritmestoornissen door een cardio-genetische afwijking


Soerdjbalie-Maikoe heeft in haar brief d.d. 10 februari 2015 naar voren gebracht dat fatale hartritmestoornissen door een cardio-genetische afwijking aandoeningen zijn die niet gepaard hoeven te gaan met een pathologisch substraat en deze hoeven dus bij sectie (en aanvullend lichtmicroscopisch onderzoek) niet te worden gediagnosticeerd. Bovendien is het met het aantonen van een cardio-genetische afwijking niet vanzelfsprekend dat een persoon daaraan is overleden.66

Het QT-tijdsyndroom is een zeer zeldzaam voorkomende hartziekte. Het is een erfelijke aandoening, die in principe in de familie bekend moet zijn. Indien deze ziekte niet in de familie voorkomt, is het onwaarschijnlijk dat Nicky Verstappen aan het QT-syndroom leed. Uit de brief van Van Ingen, die als patholoog de sectie op het lichaam van Nicky Verstappen heeft verricht, blijkt dat [cardioloog 1] , cardioloog in het LUMC, in een telefonisch overleg op 22 januari 2001 heeft aangeraden een hartfilmpje (ECG) bij familieleden te laten maken. Indien bij familieleden afwijkingen (zoals het QT-tijdsyndroom) zouden voorkomen, zou dit overigens niet automatisch betekenen dat Nicky Verstappen die afwijkingen ook had. In het geval bij de ouders geen afwijkingen in de ECG worden geconstateerd, dan is het voor 99,9% zeker dat Nicky Verstappen geen QT-syndroom had.67

Een andere mogelijke hartafwijking die het plotselinge overlijden zou kunnen verklaren is de aortaklepstenose. Bij een regelmatig bezoek aan het consultatiebureau, de peuterarts en de schoolarts zou deze ziekte moeten zijn geconstateerd. Er is dan namelijk een duidelijke ruis hoorbaar rondom het hart. Degenen die aan deze ziekte lijden, worden meestal vrij snel doorgestuurd naar de cardioloog. Een andere plotselinge dood door een hartafwijking kan voornoemde [cardioloog 1] niet benoemen.68

Uit de verklaringen van de moeder van het slachtoffer, [moeder van Nicky Verstappen] , blijkt dat haar vader in het verleden twee hartoperaties heeft ondergaan en dat 7 van de 9 broers/zussen van haar vader hartproblemen kennen. Deze problemen bestaan uit het dichtslibben van (slag)aders van het hart. De moeder van Nicky Verstappen zelf heeft nog nooit hartproblemen ondervonden. Bij de bloedverwanten van [vader van Nicky Verstappen] , de vader van het slachtoffer, komen geen hartproblemen voor, althans voor zover bekend. De vader van het slachtoffer heeft wel eens pijn op de borst gehad, maar bij onderzoek zijn geen hartafwijkingen geconstateerd.69

Op 7 februari 2001 is een cardioloog in het Laurentius Ziekenhuis te Roermond, [cardioloog 2] , geconsulteerd om bij de ouders van Nicky Verstappen een hartfilmpje te vervaardigen om eventuele hartafwijkingen te diagnosticeren. Volgens de rapportage van deze cardioloog toonden de hartfilmpjes (elektrocardiogrammen) van zowel de vader als moeder van Nicky Verstappen geen afwijkingen, met name geen aanwijzingen voor een verlengde QT-interval. Er is daarna geen overige consultatie bij een cardioloog geweest ten behoeve van cardio-genetisch onderzoek. Bij cardio-genetisch onderzoek dient te worden gezocht naar een bepaalde genetische afwijking. Aangezien er bij Nicky Verstappen en zijn ouders geen medisch belastbare voorgeschiedenis was ten aanzien van cardio-genetische afwijkingen (voor zover bekend), is het ondoenlijk om cardio-genetisch onderzoek in te zetten omdat men niet weet waar men naar op zoek moet gaan.70

Nadat [cardioloog 1] was ingelicht dat de ECG’s van de ouders van het slachtoffer geen verlengde QT-intervallen vertoonden en was geïnformeerd over de hartkwalen bij de bloedverwanten van de moeder van Nicky Verstappen (het dichtslibben van (slag)aders van het hart), concludeerde hij dat het niet noodzakelijk was nog nader onderzoek te verrichten. Het dichtslibben van (slag)aders van het hart heeft met leef-, eet- en drinkgewoontes te maken. Dit soort hartkwalen openbaart zich pas op zijn vroegst bij jonge volwassenen. Er kan derhalve vanuit worden gegaan dat Nicky Verstappen nog geen last had van dichtgeslibde (slag)aders. Op basis hiervan kan een doodsoorzaak als gevolg van een QT-tijdsyndroom worden uitgesloten.71

Ook Van de Voorde heeft in zijn verslag d.d. 14 juli 2016 geconcludeerd dat er geen objectieve (morfologische) aanwijzingen zijn voor een overlijden als gevolg van genetische hartproblemen.72 Van de Voorde heeft in zijn verhoor bij de rechter-commissaris d.d. 6 juli 2020 verklaard dat er bijzonder weinig tot nu toe aangetoonde gevallen zijn waarbij kinderen van de leeftijd van Nicky Verstappen zijn overleden aan een plotse hartritmestoornis. De plaats waar het kind is gevonden en de houding van het lichaam maken dat geen sprake is van een plotselinge dood door een plotse hartritmestoornis. Evenals bij een epileptische aanval, stuikt men in het geval van een plotselinge hartritmestoornis in elkaar (het hof begrijpt dat met het Vlaamse woord ‘stuiken’ wordt bedoeld: in elkaar zakken) en dan zou men op een andere manier liggen. De houding van het lichaam van Nicky Verstappen zou dan anders zijn geweest. Van de Voorde stelt zich dan ook op het standpunt dat het zeer onwaarschijnlijk is dat het kind is komen te overlijden aan een natuurlijke oorzaak.73

Op grond van het bovenstaande is het hof van oordeel dat kan worden uitgesloten dat Nicky Verstappen is komen te overlijden als gevolg van fatale hartritmestoornissen door een cardio-genetische afwijking.

2.3.4.6. Stress en/of angst


Voorts is in het onderzoek naar het overlijden van Nicky Verstappen naar voren gekomen dat ernstig schrikken ten gevolge van een schokkende gebeurtenis en/of voorval, eventueel in combinatie met het QT-tijdsyndroom, een doodsoorzaak kan zijn. Bij kinderen is hier echter geen gedegen onderzoek naar verricht; het doodschrikken van een kind is heel extreem.74

In het rapport van Bilo d.d. 29 mei 2019 komt naar voren dat een plotselinge hartdood in relatie tot extreme emotionele opwinding (met name angst en pijn) goed gedocumenteerd is beschreven in de forensische en cardiologische literatuur. Hoewel de meeste patiënten een reeds bestaande hartafwijking hadden, werd in sommige gevallen vastgesteld dat het ook kan gebeuren zonder voorafgaande aanwijzingen voor een cardiale aandoening (hartafwijking). Waarschijnlijk is het overlijden dan een gevolg van een endogene hormonale reactie (‘catechol’) in relatie tot een vecht- of vluchtreactie. Onbekend is of dit fenomeen ook bij kinderen is beschreven, anders dan bij kinderen met een reeds aanwezige en bekende cardiale aandoening, bijvoorbeeld het verlengd QT-tijdsyndroom.75 Zoals hiervoor reeds is overwogen, kan een doodsoorzaak als gevolg van het QT-tijdsyndroom worden uitgesloten.

Voorts wordt in de literatuur over drugsgebruik vermeld dat boosheid/opwinding na opvallende inspanning een plotse cardiale dood kan veroorzaken. Een vecht- of vluchtreactie leidend tot de dood is voor zover bekend nooit beschreven bij kinderen. Bilo heeft op basis van het voorgaande geconcludeerd dat een vecht- of vluchtreactie onwaarschijnlijk is, maar niet kan worden uitgesloten.76

Van de Voorde heeft in zijn verslag d.d. 14 juli 2016 geconcludeerd dat er geen objectieve aanwijzingen zijn (of een plausibele hypothese is) voor het optreden van een (zeer zeldzaam) stress-gerelateerd overlijden.77

Het hof stelt vast dat, hoewel het niet waarschijnlijk wordt geacht, het optreden van een (zeer zeldzaam) stress-gerelateerd overlijden ten gevolge van een schokkende gebeurtenis en/of voorval niet uitgesloten kan worden geacht.

2.3.4.7. Verstikking door smoren (belemmering van de mond/neus) of (samen)drukken
van/op de borstkas (mechanische/traumatische asfyxie) en verstikking door
geweld op de hals (zoals bij verwurging)

Met betrekking tot verstikking als mogelijke doodsoorzaak memoreert het hof dat patholoog Van Ingen in zijn sectieverslag d.d. 21 december 1998 heeft gerapporteerd dat belemmering van de ademhaling als doodsoorzaak in de onderhavige zaak niet is uitgesloten.78 Van Ingen heeft in zijn brief d.d. 30 januari 2001, gericht aan regiopolitie Limburg-Zuid, naar voren gebracht: “Verstikking kan, maar hoeft niet, postmortaal tekenen (te) geven. In een aantal gevallen zijn na verstikking, postmortaal, noch macroscopisch, noch microscopisch, tekenen van verstikking aanwijsbaar. Zuurstofnood kan in deze gevallen niet worden aangetoond. Dit was ook in het onderhavige geval van toepassing. Uit het bovenstaande volgt ook dat het niet vinden van tekenen van verstikking, verstikking niet uitsluit”.79 Van Ingen heeft ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 22 oktober 2021 bevestigd dat verstikking zonder tekenen daarvan mogelijk is.80

Soerdjbalie-Maikoe heeft in haar brief d.d. 10 februari 2015 ten aanzien van verstikking door smoren of het (samen)drukken van/op de borstkas als mogelijke doodsoorzaak opgemerkt dat Nicky Verstappen ten tijde van de sectie 11 jaar oud was en dat de praktijk leert dat een kind van die leeftijd bij een normaal bewustzijn zich doorgaans niet laat smoren zonder daar weerstand tegen te bieden en daardoor letsels aan de mond/neus te ontwikkelen (tenzij er door bijvoorbeeld fixatie geen weerstand mogelijk was). Dit sluit smoren echter niet uit, aldus Soerdjbalie-Maikoe. Daarbij heeft zij erop gewezen dat er bij de sectie twee bruine vlekken aan het gelaat (één aan de linker mondhoek en één naast het linker neusgat) werden vastgesteld, waarvan patholoog Van Ingen in het sectierapport heeft opgemerkt dat het niet duidelijk was of deze twee letsels bij leven waren ontstaan. De beoordeling van deze letsels was bemoeilijkt door (postmortale) indroging/verandering. Indien deze letsels bij leven waren ontstaan, zouden ze kunnen zijn ontstaan in het kader van belemmering van de mond/neus (smoren), maar ze zijn daar niet bewijzend voor, omdat ze ook anderszins kunnen zijn ontstaan.
Met betrekking tot verstikking door geweld op de hals (zoals bij verwurging) als mogelijke doodsoorzaak heeft Soerdjbalie-Maikoe opgemerkt dat geweld op de hals in een substantieel aantal gevallen gepaard gaat met aspecifieke begeleidende verschijnselen zoals puntvormige bloeduitstortingen (in de bindvliezen van de oogleden, onderhuids) en letsels aan de hals, welke niet zijn vastgesteld bij de schouw en sectie. Soerdjbalie-Maikoe heeft naar voren gebracht dat zij op de foto’s van de sectie niet kon beoordelen of er wel of geen puntvormige bloedingen waren, omdat er geen detailfoto’s van de oogleden en het gelaat voorhanden waren. Een beoordeling van de letsels aan de hals kon wel, voor zover dit nog mogelijk was wegens postmortale veranderingen. Er werden behoudens de postmortale verschijnselen van marmertekening en huidloslating geen overige bijzonderheden aan de hals gezien, zo heeft Soerdjbalie-Maikoe gerapporteerd.81

Voorts heeft Van de Voorde in zijn verslag d.d. 14 juli 2016 naar voren gebracht dat gezien de omstandigheden, waaronder begrepen de plotselinge verdwijning, vindplaats, ligging/houding van het lichaam en leeftijd van het slachtoffer, alsmede de afwezigheid van enige aanwijzing voor een natuurlijke dood moet worden uitgegaan van een niet-natuurlijk overlijden. Hiertoe kunnen bijvoorbeeld een afsluiting van de ademhalingswegen (smoring) en/of belemmering van de ademhalingsbewegingen in aanmerking komen, hetgeen geen sporen (letsels) hoeft achter te laten. Ook dodelijke geweldpleging tegen de hals (wurging) hoeft niet noodzakelijkerwijs letsel tot gevolg te hebben. Bovendien werd de beoordeling in casu bemoeilijkt door ontbindingsverschijnselen.82
Met betrekking tot de mogelijkheid van smoring, door afsluiting van neus en mond, heeft Van de Voorde in zijn verhoor bij de rechter-commissaris d.d. 6 juli 2020 verklaard dat dit kan gebeuren met een plastic zak, door een kussen of een zacht voorwerp of een hand, door het duwen van het gelaat tegen de grond of door iets op het gelaat te duwen. Ook daarvan is bekend dat het geen typische asfyxie tekenen veroorzaakt, dus ook geen puntbloedinkjes in de oogbindvliezen.
Ten aanzien van verstikking (zoals bij verwurging) heeft Van de Voorde in datzelfde verhoor verklaard dat er heel wat gevallen van geweld tegen de hals zonder letsels aan de hals zijn. Bovendien zijn inwendige letsels aan de hals bij kinderen uitermate zeldzaam. Zij hebben een zeer soepel keelskelet, de adamsappel en het tongbeen zijn kraakbenig en breken niet of nauwelijks. Van de Voorde kan in zijn 20-25 jaar durende carrière getuigen van verschillende dodingen door strangulatie en wurging, waarin er geen uitwendige wurgsporen of strangulatiesporen aan de hals waren, bijvoorbeeld bij een slachtoffer dat zich niet heeft verweerd of een slachtoffer dat is gestranguleerd met een breed snoer, een sjaal of een arm. Dat kan verlopen zonder sporen achter te laten; de halsspierbloedingen en breuken kunnen ontbreken. Als die er zijn, dan kun je de diagnose stellen en als die er niet zijn, dan kun je het niet uitsluiten. Evenals Soerdjbalie-Maikoe heeft Van de Voorde geconcludeerd dat er geen objectieve argumenten zijn die wijzen op verwurging, maar dat dit verwurging als mogelijke doodsoorzaak ook niet uitsluit.83

Hoewel Bilo in 2001 verwurging in de onderhavige zaak als mogelijke doodsoorzaak uitgesloten achtte, heeft hij in zijn rapport d.d. 29 mei 2019 naar voren gebracht dat hij nu van mening is dat verwurging niet uitgesloten kan worden geacht vanwege het ontbreken van specifieke lichamelijke afwijkingen, die wijzen op verwurging.
Voorts heeft Bilo in datzelfde rapport geconcludeerd dat subtiel smoren niet kan worden uitgesloten. Ook combinaties van factoren, bijvoorbeeld subtiel smoren of stress lijdend tot een lichamelijke reactie bij een reeds bestaande lichamelijke aandoening, kan niet worden uitgesloten (bijvoorbeeld een status asthmaticus als stressreactie bij een CARA-kind). Hierbij behoeft op zich de lichamelijke reactie niet tot overlijden aanleiding te geven. Het overlijden is het gevolg van het niet zoeken van medische hulp.84

Met betrekking tot eventuele letsels passend bij de doodsoorzaken van verstikking door smoren en verstikking door geweld op de hals overweegt het hof als volgt.

In het kader van verstikking door smoren memoreert het hof dat Soerdjbalie-Maikoe in haar brief d.d. 10 februari 2015 naar voren heeft gebracht dat de beoordeling van de twee bruine vlekken aan het gelaat, één aan de linker mondhoek en één naast het linker neusgat, was bemoeilijkt door (postmortale) indroging/verandering. Indien deze letsels bij leven waren ontstaan, zijn deze niet bewijzend voor de doodsoorzaak van verstikking door smoren.85 Daarbij merkt het hof op dat Van Ingen in zijn sectieverslag d.d. 21 december 1998 heeft gerapporteerd dat niet zeker was dat deze verkleuringen bij leven waren opgelopen.86 Van de Voorde heeft in zijn verslag d.d. 13 maart 2017 over de bruinverkleuring ter hoogte van de mond en neus gerapporteerd dat dit postmortale veranderingen betreffen, welke kunnen worden verklaard door (beginnende) madenvraat, al dan niet in combinatie met etsing door postmortale uitvloei van maagzuur. De roodachtige streperige veranderingen kunnen ook passen bij marbrering (zoals ook elders op het lichaam, reeds aanwezig bij de uitwendige schouw aan de linker halsuitsnijding).87

Ten aanzien van de door [gemeentelijk lijkschouwer] waargenomen dubieuze plekken (bruine verkleuringen) in de hals van Nicky Verstappen overweegt het hof als volgt.

In het proces-verbaal van de Technische Recherche d.d. 23 augustus 1998 hebben verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] gerelateerd dat op dinsdag 11 augustus 1998 kort na het aantreffen van het slachtoffer, omstreeks 21.00 uur, in de hals ter hoogte van zijn adamsappel een duidelijke, ongeveer 4,5 centimeter lange en ongeveer 1,5 centimeter brede rode verkleuring zichtbaar was.88 Gemeentelijk lijkschouwer [gemeentelijk lijkschouwer] heeft in het verslag betreffende een niet-natuurlijke dood d.d. 12 augustus 1998 gerapporteerd dat hij op die datum aan de rechtervoorzijde van de hals meerdere bruine verkleuringen, een tweetal rond 1-2 centimeter, één lijnvormig met huidloslating, mogelijk een drukplek, heeft waargenomen. [gemeentelijk lijkschouwer] heeft in zijn verhoor als getuige bij de politie d.d. 13 mei 2014 over de dubieuze plekken in de hals verklaard dat deze mogelijk in relatie staan tot de in het kader van de doodsoorzaak in het verslag genoteerde asfyxie (verstikking, wurging).89

Ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 22 oktober 2021 is Van Ingen voorgehouden dat op de foto’s waarop het lichaam van het slachtoffer is te zien op de plaats waar het lichaam is aangetroffen, zichtbaar is hetgeen de Technische Recherche heeft beschreven, met name over de streep op de adamsappel. Zoals onder 2.3.3. aan de orde is gekomen, is voorts aan Van Ingen voorgehouden dat de waarnemingen op achtereenvolgende tijdstippen (op 11 augustus 1998, omstreeks 21.00 uur en 22.45 uur, 12 augustus 1998, omstreeks 12.45 uur, en 13 augustus 1998, omstreeks 14.15 uur) de indruk geven van een voortgaand proces van ontbinding en heeft hij daarop verklaard dat dit goed mogelijk is. Wanneer vervolgens aan de hand van zich in het dossier bevindende foto’s aan Van Ingen de vraag wordt voorgelegd of het gebied waar hij drie huidloslatingen in de hals heeft waargenomen, ook het gebied is waar de Technische Recherche de streep over de adamsappel heeft waargenomen, verklaart hij dat dit inderdaad ongeveer hetzelfde gebied betreft. Het komt hem niet onwaarschijnlijk voor dat de waarnemingen van de schouwarts en van hemzelf wanneer ze in tijd achter elkaar worden geplaatst het proces van voortgaande ontbinding laten zien.90

Voorts weegt hof mee dat Soerdjbalie-Maikoe in haar brief d.d. 10 februari 2015, terwijl zij bij de opstelling daarvan het schouwverslag d.d. 12 augustus 1998 en het sectierapport d.d. 21 december 1998 had bestudeerd en waarbij haar is gevraagd acht te slaan op foto’s van die schouw en sectie (en waarbij zij kennelijk niet beschikte over de waarneming van de Technische Recherche van 11 augustus 1998 op de plaats van aantreffen en over de foto’s die daar toen zijn gemaakt91), naar voren heeft gebracht dat aan de hals niet meer is te zien dan tekenen van postmortale veranderingen: versterkte vaattekening (hetgeen ook inwendig in de hals is te zien) en tekenen van huidloslating. Er zijn behoudens deze postmortale veranderingen geen letsels (ook geen ronde huidbeschadigingen) aan de hals te zien.92

Ook Van de Voorde had bij het opstellen van zijn verslagen voormeld schouw- en sectieverslag tot zijn beschikking, alsook het proces-verbaal van bevindingen van de Technische Recherche, waarin de bevindingen met betrekking tot de verkleuringen in de hals waren gerelateerd. Van de Voorde heeft foto’s van de schouw op 12 augustus 1998 en de sectie op 13 augustus 1998 bekeken en in zijn verslagen van 14 juli 2016 en 13 maart 2017 naar voren gebracht dat de ontvellingen op de hals geen zichtbare ombloeding of weefselreactie tonen. Op de hals werden bruine verkleuringen gezien, tevens zichtbaar op de foto’s, welke bijvoorbeeld kunnen passen bij uitdroging van oppervlakkige huidbeschadigingen alsook het gevolg kunnen zijn van het ontbindingsproces. Deze zijn zeer vermoedelijk het gevolg van oppervlakkige madenvraat en postmortale loslating (ten gevolge van ontbinding) van de opperhuid (epidermolyse). De streperige veranderingen staan bekend als marbrering, eveneens een ontbindingsfenomeen. Vele huidveranderingen kunnen worden toegeschreven aan ontbinding (marbrering, epidermolyse) en blootstelling aan natuurelementen (onder andere maden en ‘beestjes’ zoals mieren, eventueel kevers). Er kunnen alleszins geen (voor geweldpleging) betekenisvolle letsels worden gevonden.93 In zijn verhoor bij de rechter-commissaris d.d. 6 juli 2020 heeft Van de Voorde verklaard dat hij de foto’s heeft teruggezien en dat hij ziet dat de maden daar geconcentreerd zitten, de maden die de oppervlakkige huid losmaken en dat geeft door blootstelling aan lucht uitdrogingsverschijnselen en door uitdroging wordt de huid bruin. Het gaat dus niet om drukplekken; het is duidelijk een post mortem fenomeen. Dit geeft aldus geen steun aan de mogelijke afsluiting of belemmering van de ademhaling of een dodelijke geweldpleging op de hals. Er zijn uitwendig noch inwendig objectieve elementen die de hypothese van een mogelijke samendrukking van de hals objectief onderschrijven. Van de Voorde heeft daarbij verwezen naar de bevindingen van Van Ingen en Soerdjbalie-Maikoe, die daarbij aansluiten.94

Het hof is van oordeel dat de verkleuring(en) die op 11 augustus 1998 door de Technische Recherche kort na het aantreffen van het slachtoffer in zijn hals zijn waargenomen en die door [gemeentelijk lijkschouwer] in zijn schouwverslag van 12 augustus 1998 zijn omschreven als mogelijke drukplekken, zijn aan te merken als ontbindingsverschijnselen. Deze waarnemingen door de Technische Recherche en [gemeentelijk lijkschouwer] en de duiding daarvan als mogelijke drukplekken kunnen derhalve geenszins bijdragen aan de conclusie dat in de onderhavige zaak sprake is van de doodsoorzaak van verstikking. Dat laat onverlet dat, zoals hierboven is overwogen, verstikking mogelijk is zonder tekenen van verstikking.

Op grond van het bovenstaande kan verstikking door geweld op de hals (zoals bij verwurging) als mogelijke oorzaak van het overlijden van Nicky Verstappen dan ook niet worden uitgesloten.

Voorts stelt het hof op grond van het vorenstaande vast dat verstikking door smoren (belemmering van de mond/neus) of (samen)drukken van/op de borstkas (mechanische/traumatische asfyxie) alsmede een combinatie van factoren, bijvoorbeeld subtiel smoren of stress lijdend tot een lichamelijke reactie, als mogelijke oorzaken van het overlijden van Nicky Verstappen niet kunnen worden uitgesloten.

Het hof merkt daarbij op dat de bij sectie waargenomen bruine vlekken aan de linker mondhoek en naast het linker neusgat niet bijdragen aan het bewijs dat Nicky Verstappen is overleden ten gevolge van verstikking door smoren (belemmering van de mond/neus), nu Van Ingen reeds in zijn sectierapport naar voren heeft gebracht dat niet zeker was dat deze bij leven waren opgelopen en Van de Voorde deze bruinverkleuringen op basis van de foto’s van de (schouw en) sectie heeft aangemerkt als postmortale veranderingen.

2.3.4.8. Vechtpartij in de tent


De verdediging heeft naar voren gebracht dat indien wordt aangenomen dat letsels voor het overlijden zijn ontstaan, in ogenschouw dient te worden genomen dat er een fikse vechtpartij is geweest tussen de jongens in de tent, voorafgaand aan het verdwijnen van Nicky Verstappen. De letsels ontstaan voor het overlijden kunnen dan ook daardoor zijn ontstaan, aldus de verdediging.

Het hof overweegt als volgt.

In het verslag van de sectie, zoals op 13 augustus 1998 op het lichaam van Nicky Verstappen verricht, d.d. 21 december 1998 heeft patholoog Van Ingen gerapporteerd dat het beenderstelsel gaaf was; bij röntgendoorlichting werden geen fracturen gezien.95

Soerdjbalie-Maikoe heeft in haar brief d.d. 10 februari 2015 naar voren gebracht dat bij recente herbeoordeling van het radiologisch onderzoek geen grove radiologische afwijkingen zijn aangetoond. Volgens [kindercardioloog] kunnen, gezien de kwaliteit van het radiologisch doorlichtingsonderzoek, meer subtiele fracturen niet meer worden waargenomen. Er zijn dus grofweg geen breuken aan het beenderstelsel aangetoond die een rol van betekenis kunnen hebben gespeeld bij het overlijden of een aanwijzing kunnen vormen voor gebruikt geweld. Dat betekent niet dat er geen geweld kan zijn geweest dat heeft ingewerkt op het lichaam.96

Van de Voorde heeft in zijn verslag d.d. 14 juli 2016 eveneens naar voren gebracht dat bij röntgenologische doorlichting van het skelet geen botbreuken werden gezien. Bovendien werden bij de inwendige lijkschouwing geen inwendige traumatische afwijkingen met doodsoorzakelijke relevantie vastgesteld. Van de Voorde heeft zich derhalve op het standpunt gesteld dat er geen objectieve aanwijzingen zijn dat de vechtpartij in de tent het overlijden heeft veroorzaakt of hieraan heeft bijgedragen.97

Op grond van de hiervoor beschreven bevindingen en de daaraan verbonden conclusies van deskundigen Soerdjbalie-Maikoe en Van de Voorde stelt het hof – anders dan de verdediging – vast dat kan worden uitgesloten dat de vechtpartij het overlijden van Nicky Verstappen heeft veroorzaakt of daaraan heeft bijgedragen.

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is dan ook niet gebleken dat er sprake is geweest van een schokkende gebeurtenis en/of voorval voor het moment waarop Nicky Verstappen op 10 augustus 1998 is verdwenen, zoals bedoeld in 2.3.4.6.

2.4.

Tussenconclusie

Gelet op de jeugdige leeftijd van het slachtoffer, zijn plotselinge verdwijning en de vindplaats van zijn lichaam zoals onder 2.3.1. beschreven, alsook de afwezigheid van een aanwijzing van natuurlijk overlijden zoals overwogen onder 2.3.4.4. en 2.3.4.5., stelt het hof vast dat Nicky Verstappen een niet-natuurlijke dood is gestorven. Het hof kent daarbij geen betekenis toe aan de houding waarin het lichaam van het slachtoffer is aangetroffen en zal dan ook geen gebruikmaken van het rapport van [bewegingsdeskundige] .

Het hof is – zoals onder 2.3.4.6. is overwogen – van oordeel dat, hoewel het niet waarschijnlijk wordt geacht, het optreden van een (zeer zeldzaam) stress-gerelateerd overlijden ten gevolge van een schokkende gebeurtenis en/of voorval na zijn verdwijning niet uitgesloten kan worden geacht. Voorts heeft het hof onder 2.3.4.7. vastgesteld dat verstikking door smoren (belemmering van de mond/neus) of (samen)drukken van/op de borstkas (mechanische/traumatische asfyxie) alsmede een combinatie van factoren, bijvoorbeeld subtiel smoren of stress lijdend tot een lichamelijke reactie, en verstikking door geweld op de hals (zoals bij verwurging) als mogelijke oorzaken van het overlijden van Nicky Verstappen niet kunnen worden uitgesloten.

Gelet op de doodsoorzaken die niet kunnen worden uitgesloten, is het hof van oordeel dat sprake is van een niet-natuurlijke dood ten gevolge van een misdrijf.

3. Bewijsoverwegingen met betrekking tot feit 2 primair en subsidiair: seksueel binnendringen/plegen van ontuchtige handelingen

3.1. (

On)rechtmatig verkregen bewijs

3.1.1.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De advocaten-generaal hebben ter terechtzitting in hoger beroep van 15 november 2021 naar aanleiding van hetgeen de verdediging bij appelschriftuur en ter terechtzitting in hoger beroep van 6 april 2021 heeft aangevoerd met betrekking tot de verkrijging van het DNA-materiaal van de verdachte naar voren gebracht dat er geen sprake is van een onrechtmatigheid. Hoewel het Openbaar Ministerie niet conform de eerdere beslissing heeft gehandeld om het DNA-onderzoek in de vermissingszaak van de verdachte apart te houden van het DNA-onderzoek in TGO Hei, staat het het Openbaar Ministerie vrij om strafvorderlijk onderzoek te laten verrichten aan stukken van overtuiging, ook als die stukken in het kader van een vermissing door een familielid aan de politie zijn overhandigd. Feitelijk is het volstrekt niet relevant of er wel of geen sprake is van gescheiden trajecten, aldus de advocaten-generaal. Daarbij komt dat de feiten en omstandigheden die belastend waren voor de verdachte steeds zwaarder zijn gaan wegen; alle omstandigheden opgenomen in het proces-verbaal van verdenkingen tegen hem – met uitzondering van de resultaten van het DNA-onderzoek – waren inmiddels bekend en in de strafzaak liep het traject in lijn met de door de rechter-commissaris gegeven machtigingen, waardoor er geen sprake is van een onrechtmatigheid, aldus de advocaten-generaal. Indien het hof van oordeel is dat er sprake is van een onrechtmatigheid en indien en voor zover die onrechtmatigheid zou moeten leiden tot bewijsuitsluiting, raakt dat niet aan het onderzoeksresultaat verkregen via de twee verwanten van de verdachte. Bewijsuitsluiting van de match in de vermissingszaak met onbekende man 2 (het hof begrijpt: in het onderzoek TGO Hei) heeft geen enkel effect in de strafzaak, aldus de advocaten-generaal. Bij repliek hebben de advocaten-generaal ten aanzien van de grondslag van het onderzoek in de vermissingszaak met betrekking tot de spullen verkregen via de zus van de verdachte gewezen op het besluit van 25 februari 2012 tot wijziging van het Besluit DNA-onderzoek in strafzaken en het Besluit politiegegevens.

Met betrekking tot het onderzoek in de strafzaak aan de persoonlijke goederen van de verdachte welke onder [betrokkene 1] in beslag zijn genomen, hebben de advocaten-generaal zich bij repliek op het standpunt gesteld dat het onderzoek aan de goederen heeft plaatsgevonden op een moment dat er al ernstige bezwaren jegens de verdachte bestonden. Indien het hof van oordeel is dat er sprake is van een inbreuk en dat een rechtsgevolg is aangewezen, dan is er geen ruimte voor meer dan het vaststellen dat er sprake is van een vormverzuim, aldus de advocaten-generaal.

Met betrekking tot het DNA van de verwanten van de verdachte hebben de advocaten-generaal zich bij repliek op het standpunt gesteld dat hoewel artikel 151da Sv niet is genoemd in de machtiging van de rechter-commissaris, deze machtiging zich evident wel uitstrekt over dit artikel en dat de benadering van twee verwanten, die beiden toestemming hebben gegeven voor een Y-chromosomaal DNA-onderzoek, getuigt van zorgvuldigheid.

De match met de verwanten, in combinatie met het zedenverleden van de verdachte, zijn aanwezigheid op de Brunssumerheide op 11 augustus 1998 en de omstandigheden rondom zijn verdwijning waren niet alleen voldoende om hem als verdachte aan te merken, maar ook voor het aantonen van ernstige bezwaren tegen de verdachte, waarna op basis van artikel 151b, eerste lid Sv op bevel van de officier van justitie DNA is afgenomen van de verdachte, hetgeen een autosomale één op één match heeft opgeleverd.

De advocaten-generaal menen dat het geheel van ingezette opsporingsmiddelen, waarbij de ernst van de verdenking en de ontwikkeling van het onderzoek veel gewicht in de schaal leggen bij de beoordeling of bij de inzet van opsporingsbevoegdheden is voldaan aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, steun vindt in het recht, dat bij de gang van zaken het legaliteitsbeginsel en artikel 6 EVRM niet zijn geschonden en dat ook geen sprake is van een grove, disproportionele inbreuk op het privéleven van de verdachte.

3.1.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep naar voren gebracht dat ten aanzien van het DNA-onderzoek aangaande de verdachte sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek zoals bedoeld in artikel 359a Sv. Dat vormverzuim dient te leiden tot bewijsuitsluiting en derhalve zou het aangetroffen DNA van de verdachte niet in de bewijsconstructie mogen worden gebruikt. De verdediging heeft aangevoerd dat de verdachte nimmer de vereiste schriftelijke toestemming heeft gegeven voor afname van celmateriaal en dat in het kader van artikel 151a Sv van de verdachte zelf geen DNA is afgenomen. Tevens wordt het autosomaal vergelijken van DNA-profielen verkregen van goederen niet gelegitimeerd door de wet en zeker niet wanneer deze goederen in een vermissingszaak in beslag zijn genomen, aldus de verdediging. Er is nooit sprake geweest van een vermoeden van een vermissing als gevolg van een misdrijf en daarnaast zou – al was daar sprake van geweest – alsnog sprake zijn geweest van misbruik van het verkregen DNA door dit DNA te vergelijken met de sporen in het onderzoek naar het overlijden van Nicky Verstappen. Het besluit van 25 februari 2012 tot wijziging van het Besluit DNA-onderzoek in strafzaken en het Besluit politiegegevens maakt dit niet anders.

Met betrekking tot het Y-chromosomale onderzoek heeft de verdediging zich primair op het standpunt gesteld dat de rechter-commissaris zijn machtiging, zo blijkt uit de genoemde artikelen en de tekst van de machtiging, heeft gebaseerd op artikel 151a Sv en niet op artikel 151da Sv. Dat betekent dat de machtiging strekt tot het verrichten van een autosomaal DNA-onderzoek, waardoor het Y-chromosomale onderzoek zonder machtiging van de rechter-commissaris is uitgevoerd en derhalve onrechtmatig is. Subsidiair heeft de verdediging naar voren gebracht dat indien wordt gekozen voor Y-chromosomaal DNA-onderzoek, dit slechts bij één mannelijke verwant van de beoogde man had mogen plaatsvinden, terwijl het Y-chromosomale DNA-onderzoek bij twee mannelijke verwanten heeft plaatsgevonden. Bovendien hebben deze verwanten toestemming gegeven voor een autosomaal DNA-onderzoek en niet voor een Y-chromosomaal DNA-onderzoek.

De verdediging heeft naar voren gebracht dat de verdachte ten gevolge van de onherstelbare vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek nadeel heeft geleden. Zijn recht op onaantastbaarheid van het lichaam is geschonden omdat hij is blootgesteld aan een inzet van zeer vergaande opsporingsbevoegdheden, waarbij een strenge toets is aangewezen, die op de wijze zoals deze bevoegdheden zijn ingezet, geen steun vindt in de wet. Ook is – aldus de verdediging – artikel 6 EVRM geschonden, nu de situatie ontstaat dat iemand verdachte is op het moment dat diegene niet meewerkt aan een vrijwillig onderzoek.

3.1.3.

Het oordeel van het hof

3.1.3.1. De feitelijke situatieschets

Op 14 september 2015 werd tijdens een vergadering van de Vaste Kern van Leidinggevenden (VKL) van het onderzoeksteam TGO Hei, gezien de ontwikkelingen op forensisch gebied, besloten om de mogelijkheden van een grootschalig DNA-autosomaal vergelijkend onderzoek en een grootschalig Y-chromosomaal vergelijkend onderzoek nader te verkennen.98 Door de Centrale Toetsing Commissie (CTC) en het College van procureurs-generaal is op 10 april 2017 toestemming gegeven voor een grootschalig DNA-onderzoek in het onderzoek naar de dood van Nicky Verstappen. De rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in Roermond, heeft op 19 mei 2017 en 30 juni 2017 machtigingen afgegeven voor een grootschalig autosomaal DNA-onderzoek en een grootschalig DNA-verwantschapsonderzoek. Bij het autosomale DNA-onderzoek is door het onderzoeksteam een lijst van namen van mannen samengesteld aan wie werd gevraagd vrijwillig DNA af te staan dat één op één zou worden vergeleken met de DNA-sporen in de zaak Nicky Verstappen. De mannen die werden uitgenodigd, zijn mannen die op 10 augustus 1998 15 jaren of ouder waren en die voldeden aan tenminste één van de door TGO Hei vastgestelde criteria, te weten:

-

categorie I: aanwezigheid op of bekendheid met de Brunssummerheide;

-

categorie II: zedendelinquenten;

-

categorie III: kindermoordenaars;

-

categorie IV: aanwijzingen (tips);

-

categorie V: medewerkers van [vereniging] in 1998.

Eén van de namen van de mannen op de lijst betrof de naam van de verdachte. De verdachte voldeed aan de criteria van categorie I, aanwezigheid op of bekendheid met de Brunssummerheide, en categorie II, zedendelinquent.99

In het kader van de uitsluiting van de verdachte als Person of Interest (POI) (het hof begrijpt: in het onderzoek TGO Hei) zijn er verschillende handelingen ondernomen om met hem in contact te komen. Zo is op 8 november 2017 een brief in de brievenbus achtergelaten op het [voormalig adres van de verdachte] met het verzoek om contact op te nemen met het onderzoeksteam. Op zowel 13 november 2017 als tweemaal op 15 november 2017 heeft de politie aangebeld op voornoemd adres en bleek er niemand thuis. Op laatstgenoemde datum is door verbalisant [verbalisant 6] een visitekaartje achtergelaten met het verzoek om met spoed contact op te nemen met de verbalisant. Op 16 november 2017 is een e-mailbericht opgemaakt voor de desbetreffende wijkagent met het verzoek aan de bel te gaan om dit verzoek kenbaar te maken.100

Op 20 november 2017 heeft verbalisant [verbalisant 6] telefonisch contact gehad met [zus van de verdachte 1] , zijnde de zus van de verdachte. Zij deelde de verbalisant mede dat zij contact opnam met de verbalisant, omdat zij de eerdergenoemde brief en het visitekaartje had ontvangen van de woningbouwvereniging, dat de verdachte niet meer woonachtig was op het [voormalig adres van de verdachte] en dat hij reizende was binnen Europa. Zij verklaarde dat zij ongeveer één keer per week, via de mail, contact had met haar broer. Door verbalisant [verbalisant 6] is aan [zus van de verdachte 1] uitgelegd dat het onderzoeksteam DNA van de verdachte wilde hebben teneinde hem te kunnen uitsluiten (het hof begrijpt: als POI in het onderzoek TGO Hei).101

Verbalisant [verbalisant 6] heeft op 4 december 2017 wederom contact gehad met de zus van de verdachte, [zus van de verdachte 1] . Zij gaf toen te kennen dat zij contact had gehad met de verdachte waarin zij hem het een en ander had uitgelegd, dat de verdachte geen enkel bezwaar zou hebben gehad om zijn DNA af te staan en volledig wilde meewerken en dat de verdachte in maart (het hof begrijpt: 2018) terug zou zijn in Nederland. Nadien heeft [zus van de verdachte 1] op 6 maart 2018 aan verbalisant [verbalisant 6] te kennen gegeven dat zij niet wist op welke datum in maart de verdachte naar Nederland zou komen en vervolgens op 3 april 2018 dat zij nog niets had vernomen van de verdachte.102

Op 11 april 2018 is verbalisant [verbalisant 6] benaderd door een collega van de eenheid Noord-Nederland met de mededeling dat [zus van de verdachte 1] , de zus van de verdachte, op 10 april 2018 aangifte had gedaan van de vermissing van haar broer [verdachte] .103 In verband met de omstandigheid dat er substantiële aanwijzingen waren dat de vermiste in gevaar was doordat de vermissing in complete tegenstelling was tot het normale gedrag, heeft verbalisant [verbalisant 7] in overleg met [hulpofficier van justitie] de vermissing geclassificeerd als urgent. In een gesprek met de zus van de verdachte hoorde [verbalisant 7] haar zeggen dat zij de overtuiging had dat er iets noodlottigs was gebeurd met haar broer. In het kader van deze vermissing is door haar een doos met bezittingen van de verdachte ter beschikking gesteld aan de politie ten behoeve van het veiligstellen van een DNA-spoor. Een zo verkregen DNA-profiel zou kunnen worden opgenomen in de Nederlandse DNA-databank voor vermiste personen en in de DNA-databank van Interpol. De zich in deze doos bevindende harde schijven en een aangetroffen haar onder doorzichtig plakband zijn middels een DNA-kit op de voorgeschreven wijze veiliggesteld en in beslag genomen voor forensisch onderzoek. Voor elke sporendrager is afzonderlijk een DNA-kit gebruikt.104 Op 23 en 24 april 2018 is forensisch vooronderzoek verricht naar biologische sporen aan de harde schijven en de haar. Daarbij bleek dat één van de harde schijven zich in een zwarte hoes bevond. De harde schijven en de zwarte hoes zijn bemonsterd op mogelijk aanwezige gebruikssporen en deze sporen zijn veiliggesteld.105 De DNA-kits zijn, met de drie harde schrijven, in het kader van de vermissing, verzonden naar het NFI.106

In het kader van het autosomale DNA-onderzoek in TGO Hei is naar aanleiding van een aanvraagproces-verbaal van 29 maart 2018107 op 16 april 2018 door [zaaksofficier van justitie 1] bij de rechter-commissaris een aanvulling gevorderd met betrekking tot het autosomale DNA-onderzoek. Deze aanvullende vordering houdt in dat als de beoogde man is overleden of een onbekende verblijfplaats heeft of in het buitenland woonachtig is, een of meer in Nederland woonachtige verwanten benaderd mogen worden voor een vrijwillige DNA-afname teneinde de beoogde man in- of uit te sluiten en in voorkomende gevallen deze in- of uitsluiting, daar waar een autosomaal DNA-onderzoek bij twee verwanten in de rede zou liggen omdat het een grootschalig autosomaal onderzoek betreft, te doen plaatsvinden door middel van een Y-chromosomaal onderzoek bij één mannelijke verwant van de beoogde man.108 Deze aanvulling is eerder aan het College van procureurs-generaal voorgelegd en hiertoe is op 12 december 2017 toestemming verleend.109 Op 17 april 2018 heeft de rechter-commissaris overeenkomstig de vordering een aanvullende machtiging verleend.110 Op 20 april 2018 is hiertoe door [zaaksofficier van justitie 1] een aanvullend bevel opgemaakt.111

In het strafrechtelijke onderzoek naar de dood van Nicky Verstappen (TGO Hei) is tijdens het overleg van de Vaste Kern van Leidinggevenden op 16 april 2018 nadrukkelijk besloten om voor wat betreft de in te zetten (DNA-)onderzoeken geen verwevenheid te hebben met het onderzoek in het kader van de vermissingszaak.112

Om die reden is op 17 april 2018 door verbalisant [verbalisant 6] aan [zus van de verdachte 1] gevraagd om mee te werken aan een DNA-onderzoek door haar zelf, haar moeder en haar zus [zus van de verdachte 2] om op deze manier de verdachte te kunnen vergelijken met de sporen in het strafrechtelijke onderzoek. De moeder van de verdachte overleed korte tijd na dit verzoek. Beide zussen wilden niet meewerken aan een DNA-onderzoek.113

In verband met de omstandigheid dat de directe verwanten van de verdachte geen medewerking wilden verlenen aan een DNA-onderzoek is op 26 april 2018 door het onderzoeksteam een stamboomonderzoek ingezet naar andere verwanten van de verdachte. Daarbij zijn twee mannelijke verwanten gevonden, namelijk een zoon van de broer van de grootvader van de verdachte, [verwant 1] , geboren op [geboortedatum verwant 1] , en diens zoon, [verwant 2] , geboren op [geboortedatum verwant 2] .114 Nadat beide verwanten hiervoor toestemming hebben gegeven, is van hen op 30 mei 2018 DNA-referentiemateriaal bemonsterd.115

Naar aanleiding van de gedane aangifte van vermissing van de verdachte en het feit dat de verdachte in het kader van het onderzoek TGO Hei zou worden benaderd om DNA af te staan, is op 24 mei 2018 een sporenonderzoek ingesteld op het [adres bedrijf betrokkene 1] , met als doel het aantreffen en in beslag nemen van persoonlijke goederen van de verdachte waarop celmateriaal aanwezig zou kunnen zijn om mogelijk daaruit het DNA-profiel van de verdachte te kunnen opmaken. Op het [adres bedrijf betrokkene 1] was het bedrijf van [betrokkene 1] gevestigd. Op 22 mei 2018 heeft het onderzoeksteam TGO Hei een e-mailbericht ontvangen van [betrokkene 1] dat hij persoonlijke goederen van de verdachte vanuit het chalet [naam chalet] in Frankrijk had overgebracht naar [adres bedrijf betrokkene 1] . Bij dit sporenonderzoek aan een deel van de goederen werden DNA-sporendragers in beslag genomen.116 In overleg met een deskundige DNA-onderzoek van het NFI werd besloten om de haarborstel, het handvat van het scheermes uit de zwarte toilettas en de onderbroek in te zetten voor DNA-onderzoek.117

Op 6 juni 2018 werd in het kader van het opsporingsonderzoek een proces-verbaal aanvraag DNA-onderzoek opgemaakt met daarin het verzoek om de DNA-profielen van de gebruiksvoorwerpen die in gebruik zijn geweest bij de verdachte en de DNA-profielen van de verwanten [verwant 1] en [verwant 2] , te vergelijken met de DNA-profielen van de sporen NN1 tot en met NN5 teneinde te kunnen vaststellen dat het DNA-profiel van de stukken van overtuiging afkomstig kunnen zijn van [verdachte] of het DNA-profiel van POI [verdachte] al dan niet overeenkomsten vertoont met de DNA-profielen van deze sporen.118

In de vermissingszaak werd door NFI-deskundige C.J. van Dongen, bij afwezigheid ondertekend door DNA-deskundige A.J. Kal, op 8 juni 2018 een rapport opgemaakt. In dit rapport is opgenomen dat het autosomale DNA-profiel van de hoofddonor afgeleid van het DNA-mengprofiel van het DNA in de bemonstering [AALH4202NL]#01 (een bemonstering (buitenzijde zwart hoesje)) op 4 juni 2018 is opgenomen in de Nederlandse DNA-databank Vermiste Personen. Tevens is dit DNA-profiel op 4 juni 2018 opgenomen in de DNA-databank van Interpol.119

Door DNA-deskundige Kal van het NFI is op 8 juni 2018 om 07.38 uur een e-mailbericht verzonden aan het Openbaar Ministerie met de vraag om het bruikbare autosomale DNA-profiel van de bemonstering van de harde schijf van de vermiste persoon te vergelijken met NN1 tot en met NN5.120 Hierop heeft [zaaksofficier van justitie 1] op 8 juni 2018 om 10.48 uur geantwoord dat de vergelijking van het verkregen DNA-profiel uit de vermissingszaak met de sporen in de zaak van Nicky Verstappen, te weten NN1 tot en met NN5, separaat kan plaatsvinden en separaat kan worden gerapporteerd.121 Op 8 juni 2018, omstreeks 11.38 uur, werd door DNA-deskundige Kal telefonisch contact opgenomen met voornoemde zaaksofficier van justitie waarin de mededeling werd gedaan van een match van het autosomale DNA-hoofdprofiel van de bemonstering [AALH4202NL]#01 (een bemonstering (buitenzijde zwart hoesje)) met het autosomale DNA-profiel van de bemonstering van onbekende man 2 [ABR035]#45.122 Op 11 juni 2018 werd deze mededeling per e-mailbericht aan de [zaaksofficier van justitie 1] en [zaakofficier van justitie 2] bevestigd.123

De schriftelijke opdrachten om het DNA-vergelijkend onderzoek uit te voeren (de DNA-opdracht voor de gebruiksvoorwerpen en de twee verwanten124) werden per e-mailbericht naar het NFI verzonden. Op 8 juni 2018, omstreeks 14.00 uur, werden de op de opdracht genoemde gebruiksvoorwerpen en de DNA-bemonsteringen van de verwanten overgebracht naar het NFI en aan DNA-deskundige Kal overgedragen voor het vergelijkende DNA-onderzoek. Door [zaaksofficier van justitie 1] werd besloten dat alleen het DNA-materiaal van de verwanten op die dag diende te worden ingezet.125 Op 8 juni 2018 om 18.26 uur werd per e-mailbericht door DNA-deskundige Kal van het NFI medegedeeld dat de Y-chromosomale DNA-profielen van [verwant 1] WAAD6822NL en [verwant 2] WAAD6610NL matchten met het Y-chromosomale DNA-profiel van onbekende man 2 [ABR035]#45 en dat dit betekent dat [verwant 1] WAAD6822NL en [verwant 2] WAAD6610NL in mannelijke lijn verwant kunnen zijn aan onbekende man 2 [ABR035]#45.126

Naar aanleiding van dit resultaat werd op 9 juni 2018 door de [zaaksofficier van justitie 1] en [zaakofficier van justitie 2] besloten om het onderzoek aan de gebruiksvoorwerpen na het weekend alsnog in te zetten. Op 11 juni 2018 werd aan DNA-deskundige Kal verzocht om de gebruiksvoorwerpen, die bij [verdachte] in gebruik zouden zijn geweest, in te zetten voor DNA-vergelijkend onderzoek. Op 14 juni 2018 werd door DNA-deskundige Kal van het NFI per e-mailbericht medegedeeld dat er bruikbare DNA-profielen zijn verkregen van de gebruiksvoorwerpen van [verdachte] en dat deze DNA-profielen matchen met het autosomale DNA-profiel van onbekende man 2.127

Op 7 september 2018 heeft [zaaksofficier van justitie 1] verzocht het DNA-profiel van de verdachte op te nemen in de Nederlandse DNA-databank voor strafzaken en te vergelijken met de hierin aanwezige DNA-profielen. Aan het referentiemonster wangslijmvlies (WAAD6718NL) van de verdachte is autosomaal DNA-onderzoek verricht en hieruit is een autosomaal DNA-profiel verkregen. Na vergelijking van het DNA-profiel van de verdachte in de Nederlandse DNA-databank voor strafzaken met de daarin aanwezige DNA-profielen is een match gevonden met de DNA-profielen in DNA-profielcluster 23505. De DNA-profielen van het DNA in de bemonsteringen [ABR035]#45 en [ABR035]#11 gekoppeld aan onbekende man 2 uit zaak 1998.08.13.034 (het hof begrijpt gelet op map 5 van het digitale einddossier, pg. 1019: het NFI-zaaknummer in de zaak TGO Hei) maken deel uit van dit DNA-profielcluster. Dit betekent dat het DNA in de bemonsteringen [ABR035]#45 en [ABR035]#11 afkomstig kan zijn van de verdachte en dat hij onbekende man 2 uit deze zaak kan zijn. De berekende frequentie van de autosomale DNA-profielen van het DNA in de bemonsteringen [ABR035]#45 en [ABR035]#11 is kleiner dan 1 op 1 miljard.128

3.1.3.2. Het juridische kader van vormverzuimen en artikel 359a Sv


Op grond van artikel 359a, eerste lid Sv – dat ingevolge artikel 415, eerste lid Sv ook in hoger beroep van toepassing is – kan de strafrechter, indien blijkt dat bij het voorbereidend onderzoek vormen zijn verzuimd die niet meer kunnen worden hersteld en de rechtsgevolgen hiervan niet uit de wet blijken, bepalen dat: a. de hoogte van de straf in verhouding tot de ernst van het verzuim, zal worden verlaagd, indien het door het verzuim veroorzaakte nadeel langs deze weg kan worden gecompenseerd; b. de resultaten van het onderzoek die door het verzuim zijn verkregen, niet mogen bijdragen aan het bewijs van het tenlastegelegde feit, en c. het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk is, indien door het verzuim geen sprake kan zijn van een behandeling van de zaak die aan de beginselen van een behoorlijke procesorde voldoet.

Uit de bestendige jurisprudentie ter zake van vormverzuimen en de daaraan te verbinden rechtsgevolgen, kan het navolgende worden afgeleid. 129 Een vormverzuim kan worden omschreven als het niet naleven van strafprocesrechtelijke geschreven en ongeschreven vormvoorschriften. Artikel 359a Sv stelt het herstel van het verzuim voorop door in de aanhef te bepalen dat vormverzuimen pas mogen worden gesanctioneerd als herstel niet meer mogelijk is. De bepaling formuleert tevens een bevoegdheid en niet een plicht om rechtsgevolgen te verbinden aan vormverzuimen bij het voorbereidend onderzoek en biedt de mogelijkheid te volstaan met de constatering dat een vormverzuim is begaan.

De toepassing van artikel 359a Sv is onder meer beperkt tot vormverzuimen die zijn begaan bij ‘het voorbereidend onderzoek’ tegen de verdachte. Op grond van artikel 132 Sv moet daaronder worden verstaan het onderzoek dat voorafgaat aan de behandeling ter terechtzitting. Deze begrenzing tot vormverzuimen die zijn begaan bij ‘het voorbereidend onderzoek’ tegen de verdachte, sluit echter niet uit dat de vraag aan de orde kan komen of een rechtsgevolg moet worden verbonden aan een onrechtmatige handeling jegens de verdachte die buiten het bereik van artikel 359a Sv ligt. Uit de rechtspraak die op dit punt is gewezen, ligt als algemene overkoepelende maatstaf besloten dat een rechtsgevolg op zijn plaats kan zijn indien het betreffende vormverzuim of de betreffende onrechtmatige handeling van bepalende invloed is geweest op het verloop van het opsporingsonderzoek naar en/of de (verdere) vervolging van de verdachte ter zake van het tenlastegelegde feit.

Bij de beoordeling van een vermeend vormverzuim houdt de strafrechter blijkens artikel 359a, tweede lid Sv rekening met de wettelijke beoordelingsfactoren, zijnde: a) het belang dat het geschonden voorschrift dient, b) de ernst van het verzuim en c) het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt. Voor wat betreft het belang dat door het vormverzuim is geschonden, geldt als uitgangspunt dat het belang van de verdachte geschonden dient te zijn en niet dat van een ander. Het belang van de verdachte dat het gepleegde feit niet wordt ontdekt, kan niet worden aangemerkt als een rechtens te respecteren belang, zodat een eventuele schending van dit belang als gevolg van een vormverzuim niet een nadeel oplevert als bedoeld in artikel 359a, tweede lid Sv.130 Ter zake van de beoordeling van de ernst van het verzuim zijn de omstandigheden van belang waaronder het verzuim is begaan en kan ook de mate van verwijtbaarheid van het verzuim een rol spelen. Bij de beoordeling van het nadeel is onder meer van belang of en in hoeverre de verdachte door het verzuim daadwerkelijk in zijn verdediging is geschaad.

Impliciet volgt ook uit de te maken afweging aan de hand van de wettelijke beoordelingsfactoren dat een vormverzuim niet steeds behoeft te leiden tot een van de in artikel 359a, eerste lid Sv genoemde omschreven rechtsgevolgen. Indien echter de strafrechter op grond van de weging en waardering van de beoordelingsfactoren en aan de hand van alle omstandigheden van het geval tot het oordeel komt dat niet kan worden volstaan met de vaststelling dat een onherstelbaar vormverzuim is begaan, maar dat het verzuim niet zonder consequentie kan blijven, zal hij daaraan een van de genoemde rechtsgevolgen verbinden. De beantwoording van de vraag of een rechtsgevolg aan een vormverzuim moet worden verbonden, en zo ja de wijze waarop dat gebeurt, berust in de kern op een afweging van belangen. Daarbij gaat het om de met vervolging en berechting van strafbare feiten gemoeide belangen – waaronder de belangen van waarheidsvinding en van de bestraffing van de daders van strafbare feiten – en de belangen die verband houden met de handhaving van grondrechten en de bevordering van een normconform verloop van het voorbereidend onderzoek. Aan de rechtspraak over de verschillende in artikel 359a Sv genoemde rechtsgevolgen ligt als uitgangspunt ten grondslag dat het rechtsgevolg in verhouding moet staan tot de aard en de ernst van het vormverzuim en het door de verdachte als gevolg van het vormverzuim geleden nadeel (proportionaliteit). Dat betekent tevens dat, waar mogelijk, wordt volstaan met het – vanuit het perspectief van de met vervolging en berechting van strafbare feiten gemoeide belangen bezien – minst verstrekkende rechtsgevolg (subsidiariteit).

In de onderhavige strafzaak is door de verdediging verzocht tot bewijsuitsluiting van het aangetroffen DNA-materiaal van de verdachte en derhalve dat dit niet in de bewijsconstructie van de onderhavige strafzaak zou mogen worden gebruikt. Bewijsuitsluiting kan worden toegepast als het bewijsmateriaal rechtstreeks door het verzuim is verkregen. Er moet dus een direct causaal verband zijn tussen het bewijsmateriaal en het geschonden vormvoorschrift. Alleen datgene wat door het vormverzuim wordt verkregen, komt derhalve in aanmerking voor uitsluiting. Dit betekent dat, ook al vloeien alle onderzoeksresultaten voort uit eerder onrechtmatig handelen, later verkregen – secundair – bewijsmateriaal niet behoeft te worden uitgesloten wanneer maar aannemelijk is dat er ook andere factoren aan die verkrijging van secundair materiaal hebben bijgedragen.

Bewijsuitsluiting komt slechts in aanmerking indien door de onrechtmatige bewijsgaring een belangrijk (strafvorderlijk) voorschrift of rechtsbeginsel in aanzienlijke mate is geschonden. Bewijsuitsluiting kan als rechtsgevolg aangewezen zijn: a) ter verzekering van het recht van de verdachte op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM, zoals daaraan mede door het EHRM uitleg is gegeven, b) om toekomstige vergelijkbare vormverzuimen te voorkomen indien sprake is van een aanzienlijke schending een ander belangrijk (strafvorderlijk) voorschrift of rechtsbeginsel dat resulteert in een zeer ingrijpende inbreuk op een grondrecht van de verdachte, of c) als sprake is van de – zeer uitzonderlijke – situatie waarin het desbetreffende vormverzuim naar uit objectieve gegevens blijkt zozeer bij herhaling voorkomt dat zijn structurele karakter vaststaat en de verantwoordelijke autoriteiten zich, vanaf het moment waarop dit structurele verzuim hun bekend moet zijn geweest, onvoldoende inspanningen hebben getroost om overtredingen van het desbetreffende voorschrift te voorkomen.

Belangrijk gemeenschappelijk uitgangspunt ter zake van de hiervoor onder b) en c) genoemde gevallen, waarbij het gaat om de schending van een ander strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel, is dat indien de verkrijging van onderzoeksresultaten gepaard is gegaan met een vormverzuim, dit er niet aan in de weg staat dat die resultaten voor het bewijs van het tenlastegelegde feit worden gebruikt. Dat kan anders zijn in geval van een ernstige schending van een strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel. In dat geval kan onder omstandigheden toepassing van bewijsuitsluiting noodzakelijk worden geacht als rechtsstatelijke waarborg en als middel om met de opsporing en vervolging belaste ambtenaren te weerhouden van onrechtmatig optreden en daarmee als middel ter voorkoming dat vergelijkbare vormverzuimen in de toekomst zullen plaatsvinden.131

Los van de hiervoor genoemde gevallen waarin bewijsuitsluiting als rechtsgevolg kan worden verbonden aan een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv, is er grond voor bewijsuitsluiting indien zich onregelmatigheden hebben voorgedaan die de betrouwbaarheid en accuraatheid van onderzoeksresultaten wezenlijk hebben aangetast. In dat geval berust bewijsuitsluiting niet op de toepassing van artikel 359a Sv, maar vloeit die uitsluiting rechtstreeks voort uit de regel dat de rechter bij de beantwoording van de vraag of het tenlastegelegde bewezen kan worden verklaard, alleen dat bewijsmateriaal gebruikt dat hij betrouwbaar en bruikbaar vindt.

3.1.3.3. De constatering van (een) vormverzuim(en)
Indien het verweer wordt gevoerd dat zich een vormverzuim heeft voorgedaan en dat dit moet leiden tot een van de in artikel 359a, eerste lid Sv genoemde rechtsgevolgen, moet de strafrechter beoordelen of de aan dat verweer ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden aannemelijk zijn geworden. Bij dat onderzoek naar de feitelijke grondslag kan de strafrechter zich beperken tot die vaststellingen die in verband met de beslissing over het in het verweer genoemde rechtsgevolg noodzakelijk zijn. Dat betekent in de onderhavige strafzaak dat op dit punt de vraag is: is er in de onderhavige strafzaak bij het voorbereidend onderzoek een belangrijk (strafvorderlijk) voorschrift of rechtsbeginsel geschonden waardoor sprake is van een onherstelbaar vormverzuim? Zo ja, en de eventuele rechtsgevolgen blijken daarbij niet uit de wet, is er dan sprake van een aanzienlijke of ernstige schending van dat voorschrift of rechtsbeginsel? Ten slotte is de vraag of aan dat vormverzuim, rekening houdend met de in artikel 359a, tweede lid Sv genoemde wettelijke beoordelingsfactoren en met inachtneming van het hiervoor genoemde uitgangspunt van subsidiariteit – dat wordt volstaan met het, vanuit het perspectief van de met vervolging en berechting van strafbare feiten gemoeide belangen bezien, minst verstrekkende rechtsgevolg – bewijsuitsluiting als rechtsgevolg dient te worden verbonden.

Met betrekking tot het in juni 2018 verrichte DNA-onderzoek aan celmateriaal op de door de zus van de verdachte ter beschikking gestelde goederen van de verdachte overweegt het hof dat op grond van artikel 151a, eerste lid Sv de officier van justitie ambtshalve in het belang van het onderzoek een DNA-onderzoek, dat gericht is op het vergelijken van DNA-profielen, kan laten verrichten. Celmateriaal kan, behoudens in geval van toepassing van artikel 151b of een vermissing als bedoeld in de laatste volzin van dat artikellid, slechts met schriftelijke toestemming van de verdachte of de derde worden afgenomen. In het onderhavige geval was geen sprake van schriftelijke toestemming van de verdachte (al dan niet als derde) en evenmin van een situatie waarin artikel 151b Sv van toepassing is. Ingeval de derde vermist is als gevolg van een misdrijf, kan het DNA-onderzoek worden verricht aan celmateriaal op voorwerpen, die van hem in beslag genomen zijn, of aan celmateriaal, dat op andere wijze verkregen is. In de onderhavige zaak was echter geen sprake van een vermissing van de verdachte ten gevolge van een misdrijf. De enkele omstandigheid dat de zus van de verdachte, zoals onder 3.1.3.1. is opgenomen, heeft verklaard dat zij de overtuiging had dat er iets noodlottigs was gebeurd met haar broer, is daarvoor niet voldoende. Bovendien werd reeds op 16 april 2018 nadrukkelijk besloten om voor wat betreft de in te zetten (DNA-)onderzoeken geen verwevenheid te hebben met het onderzoek in het kader van de vermissingzaak. Het hof is derhalve – met de verdediging – van oordeel dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim bij het voorbereidende onderzoek.

Anders dan de advocaten-generaal is het hof van oordeel dat het besluit van 25 februari 2012 tot wijziging van het Besluit DNA-onderzoek in strafzaken en het Besluit politiegegevens dat niet anders maakt. Voormeld besluit strekt ertoe dat aan de opsomming van personen van wie ingevolge artikel 14, vierde lid van het Besluit DNA-onderzoek in strafzaken een DNA-profiel in de DNA-databank wordt vastgelegd, toegevoegd worden de personen van wie vermoed wordt dat zij vermist zijn als gevolg van een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid Sv. In artikel 14, vijfde lid, tweede volzin van het Besluit DNA-onderzoek in strafzaken is de bevoegdheid van de directeur van het NFI neergelegd om iedere vergelijking van DNA-profielen uit te voeren die uit strafrechtelijk oogpunt gewenst kan zijn en de officier van justitie en de rechter-commissaris over de resultaten van die vergelijking te informeren. Het hof is echter van oordeel dat de verdachte op het moment van het laten verrichten van een DNA-onderzoek aan de betreffende voorwerpen niet was aan te merken als een persoon van wie wordt vermoed dat hij vermist is als gevolg van een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid Sv. Om die reden had het verkregen DNA-profiel niet in de DNA-databank voor strafzaken mogen worden vastgelegd en vervolgens ook niet mogen worden vergeleken in de strafzaak.

Onder [betrokkene 1] zijn – al dan niet rechtmatig – goederen van de verdachte in beslag genomen. Ten aanzien van het verrichte DNA-onderzoek aan celmateriaal op de door [betrokkene 1] ter beschikking gestelde goederen stelt het hof vast dat sprake was van een situatie als bedoeld in artikel 151b Sv. Op grond van het vierde lid van voornoemd artikel kan in geval van zwaarwegende redenen het DNA-onderzoek worden verricht aan celmateriaal op voorwerpen, die van de verdachte in beslag genomen zijn, of aan celmateriaal, dat op andere wijze verkregen is. Gelet op de feitelijke situatieschets zoals onder 3.1.3.1. beschreven, is het hof van oordeel dat sprake was van de hiervoor bedoelde zwaarwegende redenen. Indien zou worden aangenomen dat geen sprake is van zwaarwegende redenen, dan is sprake van een onrechtmatigheid en verwijst het hof voor wat betreft de ernst van het verzuim en het geleden nadeel naar hetgeen hierna wordt overwogen.

Voor wat betreft het primaire standpunt van de verdediging met betrekking tot het onderzoek bij de verwanten van de verdachte overweegt het hof als volgt. Op 16 april 2018 is door [zaaksofficier van justitie 1] een aanvullende machtiging bevel tot het verrichten van grootschalig DNA-onderzoek gevorderd. Hierbij is verwezen naar de artikelen 138a en 151a Sv. Uit de inhoud van de vordering blijkt dat in het belang van het onderzoek en een zorgvuldige uitvoerig van het grootschalige DNA-onderzoek nog een aanvulling noodzakelijk is. De criteria, zoals vervat in de aanvraag van het onderzoeksteam van 11 april 2017 behoeven, zoals uiteengezet in het proces-verbaal aanvraag benaderen verwanten van mannen (autosomaal van de DNA-lijst A) die zijn overleden, geëmigreerd, met onbekende bestemming vertrokken d.d. 29 maart 2018, uitbreiding in die zin dat in het kader van het grootschalige autosomale DNA-onderzoek als de beoogde man is overleden of als de beoogde man een onbekende verblijfplaats heeft of in het buitenland woonachtig is, een of meer in Nederland woonachtige verwanten van deze man benaderd mogen worden voor een vrijwillige DNA-afname teneinde de beoogde man in- of uit te sluiten en in voorkomende gevallen deze in- of uitsluiting, daar waar een autosomaal DNA-onderzoek bij twee verwanten in de rede zou liggen omdat het een grootschalig autosomaal DNA-onderzoek betreft, deze in- of uitsluiting te doen plaatsvinden door middel van een Y-chromosomaal DNA-onderzoek bij één mannelijke verwant van de beoogde man.

In het in de vordering genoemde proces-verbaal d.d. 29 maart 2018 is opgenomen dat aan de officier van justitie wordt verzocht op grond van artikel 151da Sv te vorderen dat door de rechter-commissaris een machtiging wordt verleend voor het in het kader van het autosomale DNA-onderzoek benaderen van verwanten voor een vrijwillige DNA-afname voor een autosomale of Y-chromosomale vergelijking als de betreffende man op de DNA-lijst is overleden, naar het buitenland is geëmigreerd of met onbekende bestemming is vertrokken.

In de aanvullende machtiging van de rechter-commissaris d.d. 17 april 2018 is opgenomen dat de gevorderde aanvulling noodzakelijk is, zulks in het belang van het onderzoek en een zorgvuldige uitvoering van het grootschalige DNA-onderzoek, mede in acht genomen het daartoe overgelegde proces-verbaal van de politie eenheid Oost-Nederland van 29 maart 2018. Gelet hierop is de vordering voor toewijzing vatbaar op de gronden en de wijze alsmede onder de voorwaarden als in die vordering omschreven, met dien verstande dat de rechter-commissaris verstaat dat alvorens verwanten worden benaderd waarvan de verblijfplaats onbekend is of die in het buitenland woonachtig zijn, op de officier van justitie een inspanningsverplichting rust om deze mannen op te sporen teneinde van die mannen zelf DNA af te nemen.

Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat, hoewel in de aanvullende machtiging van de rechter-commissaris artikel 151da Sv niet is genoemd, het evident is dat de machtiging wel degelijk betrekking heeft op Y-chromosomaal DNA-onderzoek als bedoeld in artikel 151da Sv. De verdachte kon worden aangemerkt als een beoogde man met een onbekende verblijfplaats en de officier van justitie had aan zijn inspanningsverplichting voldaan om de verdachte op te sporen teneinde van hemzelf DNA af te nemen. Gelet hierop is het verwantschapsonderzoek niet zonder machtiging uitgevoerd en is dit onderzoek niet onrechtmatig.

Met betrekking tot het subsidiaire standpunt van de verdediging ten aanzien van het Y-chromosomale DNA-onderzoek overweegt het hof dat in de vordering van [zaaksofficier van justitie 1] is opgenomen dat als de beoogde man een onbekende verblijfplaats heeft of in het buitenland woonachtig is, waarvan in het onderhavige geval sprake was, één of meer in Nederland woonachtige verwanten van deze man benaderd mogen worden voor een vrijwillige DNA-afname teneinde de beoogde man in- of uit te sluiten. De vordering strekt daarmee ook uit tot de mogelijkheid van het benaderen van twee in Nederland woonachtige verwanten van de verdachte. De rechter-commissaris heeft de officier van justitie gemachtigd overeenkomstig de vordering. Het hof is derhalve van oordeel dat geen sprake is van een onrechtmatigheid. Dat in de vordering voorts is opgenomen dat in voorkomende gevallen de in- of uitsluiting, daar waar een autosomaal DNA-onderzoek bij twee verwanten in de rede zou liggen omdat het een grootschalig autosomaal DNA-onderzoek betreft, deze in- of uitsluiting te doen plaatsvinden door middel van een Y-chromosomaal DNA-onderzoek bij één mannelijke verwant van de beoogde man, maakt het voorgaande niet anders.

Ten slotte overweegt het hof dat uit de bij repliek op 24 november 2021 door de advocaten-generaal verstrekte toestemmingsformulieren blijkt dat de twee verwanten van de verdachte wel degelijk toestemming hebben gegeven voor het laten uitvoeren van Y-chromosomaal DNA-onderzoek.

Het hof concludeert op grond van hetgeen hiervoor is overwogen dat sprake is geweest van (een) onherstelbaar vormverzuim(en) bij het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte. Daarbij is/zijn (een) belangrijk(e) (strafvorderlijk(e)) voorschrift(en) geschonden. Echter, anders dan door de verdediging (impliciet) is bepleit, acht het hof de ernst van het verzuim en het nadeel voor de verdachte dat daardoor is veroorzaakt gering van aard. Ter zake van de ernst van het verzuim zijn de omstandigheden waaronder het verzuim is begaan van belang in deze weging. Dienaangaande weegt het hof mee dat het strafrechtelijke onderzoek naar de dood van Nicky Verstappen sterk in de belangstelling stond en volop in ontwikkeling was doordat een grootschalig autosomaal DNA-onderzoek was gevorderd. Tegelijkertijd was melding gedaan van de vermissing van de latere verdachte en was een vermissingsonderzoek naar hem gestart. Beide onderzoeken (het strafrechtelijke onderzoek en het vermissingsonderzoek) liepen gelijktijdig maar hadden formeel geen samenhang. Dat beide onderzoeken op een gegeven moment met elkaar zijn geïnterfereerd, acht het hof onder de gegeven omstandigheden incorrect maar niet ernstig verwijtbaar.

Ten slotte acht het hof de verdachte slechts in geringe mate benadeeld door het/de genoemde verzuim(en), in die zin dat op zijn recht op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer buiten zijn instemming in zekere zin inbreuk is gemaakt. Het hof acht de verdachte echter door het/de genoemde verzuim(en) niet daadwerkelijk in zijn verdediging geschaad. Het hof acht de verdachte door blootstelling aan een inzet van opsporingsbevoegdheden op de wijze zoals ingezet niet aangetast in zijn recht op onaantastbaarheid van het lichaam, noch acht het hof het recht van de verdachte op een behoorlijk proces op grond van artikel 6 EVRM geschonden.

Het hof concludeert op grond van het voorgaande dat in de onderhavige strafzaak bij het voorbereidend onderzoek weliswaar een/enkele belangrijk(e) (strafvorderlijk(e)) voorschrift(en) is/zijn geschonden waardoor sprake is van een onherstelbaar vormverzuim dan wel onherstelbare vormverzuimen, maar dat niet is gebleken dat deze voorschriften in aanzienlijke of ernstige mate zijn geschonden. Dat betekent dan ook dat bewijsuitsluiting als rechtsgevolg niet aan de orde is en het/de geconstateerde vormverzuim(en) er niet aan in de weg staat/staan dat de resultaten van de DNA-onderzoeken voor het bewijs van het tenlastegelegde feit mogen worden gebruikt. Gelet op de geringe ernst van de geconstateerde verzuimen en het geringe nadeel dat daardoor voor de verdachte is ontstaan, acht het hof strafvermindering als rechtsgevolg in het onderhavige geval niet passend en geboden. Het hof volstaat na afweging dan ook met de constatering dat de vormverzuimen hebben plaatsgevonden.

Het hof verwerpt het verweer.

3.2.

Vrijspraak van feit 2 primair: seksueel binnendringen van het lichaam van Nicky Verstappen

3.2.1.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De advocaten-generaal hebben zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat op basis van verhoren, diverse processen-verbaal en rapporten van deskundigen kan worden geconcludeerd dat er geen concrete aanwijzingen zijn om anders te denken over het beeld dat zich aan de hand van de DNA-sporen opdringt, namelijk dat de DNA-bevindingen passen bij een dader van een zedenfeit. De advocaten-generaal hebben geconcludeerd dat patholoog Van Ingen samen met zijn collega Maes de letsels aan de anusring van het slachtoffer met eigen ogen heeft gezien en beschreven. Er is geen reden om aan hun waarnemingen en deskundigheid te twijfelen.

De verhoren van deskundigen Van Ingen, Bilo en Karst op de terechtzitting van het hof van 22 oktober 2021 wegen mee in de conclusie van het Openbaar Ministerie, te weten dat er ook sprake is van penetratie van de anus met een voorwerp, waarbij kan worden gedacht aan een penis of een vinger. De verdachte is de donor van de biologische sporen van onbekende man 2 en dus heeft hij Nicky Verstappen seksueel misbruikt. De advocaten-generaal hebben in dat verband gewezen op het sporenbeeld op de onderbroek en de omstandigheden dat de sporen op de binnen- en buitenzijde van de onderbroek, vooral op de tailleband in het voorpand (binnenzijde kruis), zijn aangetroffen en dat mag worden verwacht dat bij contact met het slachtoffer celmateriaal juist daar door de belager kan worden overgedragen.

Voorts hebben de advocaten-generaal gewezen op de standpunten van Kloosterman en Kokshoorn (2020), inhoudende dat het sporenbeeld waarschijnlijker is bij langdurig/intensief contact dan bij eenmalig oppervlakkig contact, alsmede dat de sporen duiden op gerichte handelingen met een seksueel motief. Het door de advocaten-generaal voorgehouden bewijs kan en moet volgens hen de gevolgtrekking dragen dat sprake is van de onder 2 primair aan de verdachte tenlastegelegde betrokkenheid bij het betasten van het geslachtsdeel en de schaamstreek en het seksueel binnendringen (het hof begrijpt: van het lichaam van Nicky Verstappen).

3.2.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bestaat voor een veroordeling van het seksueel binnendringen (het hof begrijpt: van het lichaam van Nicky Verstappen). Daartoe is aangevoerd dat er in deze zaak geen sporenbeeld is dat bijdraagt aan de conclusie dat van seksueel binnendringen sprake is geweest, integendeel. Voorts is er geen sprake van een samenspel van omstandigheden dat bijdraagt aan de conclusie dat sprake is geweest van seksueel binnendringen. Gewijzigde wetenschappelijke inzichten maken dat niet mag worden uitgegaan van de bevindingen en conclusies van Van Ingen en Maes, te weten dat sprake is geweest van letsels, laat staan dat deze zijn veroorzaakt door penetratie. De bevindingen en conclusies van Van Ingen en Maes kunnen derhalve niet als bewijsmiddel worden gebruikt. Ook de conclusies van Green horen niet thuis in een bewijsconstructie, aldus de verdediging.

3.2.3.

Het oordeel van het hof

3.2.3.1. De bevindingen en interpretaties van G. van Ingen en A. Maes

Op 13 augustus 1998 is door Van Ingen, arts en patholoog, in samenwerking met Maes tijdens de uitwendige schouwing van het stoffelijk overschot van Nicky Verstappen waargenomen dat de anus extreem wijd was en op 12 en 6 uur (12 uur is middenvoor) in de anaalring oppervlakkige slijmvliesbeschadigingen met kleine bloedinkjes aanwezig waren. De anus kan postmortaal zijn verwijd. De slijmvliesbeschadigingen en bloedingen kunnen niet postmortaal zijn ontstaan en wijzen op anale penetratie.132

Van Ingen heeft ter terechtzitting van het hof d.d. 22 oktober 2021 verklaard dat met ‘wijzen op’ wordt bedoeld dat slijmvliesbeschadigingen en bloedingen voorkomen na en als gevolg van anale penetratie. Dan kunnen beschadigingen in de anus ontstaan als gevolg van de ruimtelijke verhoudingen tussen datgene waardoor er wordt gepenetreerd en die anus. Van Ingen heeft naar voren gebracht dat dit geen bevinding is, maar een interpretatie. Hetgeen is waargenomen, is een bevinding en de koppeling aan anale penetratie is een interpretatie.133

In een brief van 28 december 2000, gericht aan verbalisant [verbalisant 1] van de regiopolitie Limburg-Zuid, hebben Van Ingen en Maes te kennen gegeven dat de vraag of de aangetroffen beschadigingen kunnen zijn ontstaan door persen bij harde ontlasting zal worden voorgelegd aan Green te Leeds.134

3.2.3.2. De bevindingen, interpretaties en conclusies van M.A. Green

Bij brief van 21 februari 2001, bevattende zijn getuigenverklaring, gericht aan Van Ingen, heeft Green, geregistreerd forensisch patholoog, naar voren gebracht dat hij op 29 december 2000 van Van Ingen een brief heeft ontvangen, met in de bijlage 24 foto’s die waren genomen op de plaats delict (het hof begrijpt: plaats van aantreffen van het slachtoffer) en tijdens de sectie die op 13 augustus 1998 op (het hof begrijpt: het lichaam van) Nicky Verstappen was verricht, alsmede het sectierapport van Van Ingen. Aan Green was in het bijzonder gevraagd zich uit te laten over de verschijnselen bij de anus zoals getoond op de foto’s die op 29 december (het hof begrijpt: 2000) naar hem waren toegestuurd en een latere set vergrotingen die op 12 februari (het hof begrijpt hierna telkens: 2001) naar hem waren toegestuurd en op 13 februari in Leeds waren aangekomen.

Naar de mening van Green kunnen de getoonde verschijnselen bij/rondom de anus niet worden verklaard door constipatie noch door postmortale verandering. Green stelt vast dat de anus zelf sterk gedilateerd (het hof begrijpt: verwijd) is met een naar voren liggende ‘lip’ van huid. De ingang van de anus ziet er ‘trechtervormig’ uit. De huid is opmerkelijk glad met verlies van de gegroefdheid die normaal gesproken is te zien bij de huid rondom de anus. Er hebben veranderingen plaatsgevonden bij de overgang tussen het slijmvlies en de huid van de buitenzijde van de anus (verhoorning), zodat de overgang zich opwaarts en binnenwaarts heeft ‘teruggetrokken’ en niet zo gemakkelijk te zien is als gewoonlijk, zelfs niet op die foto’s waarop de anus wordt opengehouden door de billen met de vingers uit elkaar te houden. Voorts stelt Green vast dat zowel anterieur als posterieur van de middenlijn schaafwonden goed zichtbaar zijn (op 12 uur en op 6 uur). Posterieur is niet alleen sprake van schaafwonden, maar lijkt er ook een fissuur te zijn en, in verband hiermee, is er een vage bloeduitstorting met een diameter van ongeveer 5 millimeter. Green denkt niet dat de schaafwonden en de bloeduitstorting zijn veroorzaakt door harde ontlasting. Het is zeker geen postmortaal verschijnsel. De anale dilatatie is naar zijn mening te extreem om toe te schrijven aan postmortale verandering, hoewel dit ertoe heeft kunnen bijdragen.
Green concludeert dat de verschijnselen overeenkomen met een of andere vorm van anale penetratie kort voor overlijden bij een kind dat gedurende een periode ervoor gewend was aan seks met anale penetratie. Het is niet mogelijk te zeggen of deze penetratie is veroorzaakt door een penis (anale seks). Andere vormen van anale penetratie kunnen deze veranderingen veroorzaken. Samenvattend denkt Green dat dit kind kort voor overlijden onderworpen is geweest aan een of andere vorm van anale penetratie en gedurende een periode ervoor gewend was aan een dergelijke penetratie.135

Het hof merkt op dit punt met nadruk op dat uit het dossier, waaronder de verklaring van de huisartsen van Nicky Verstappen,136 geen enkele aanleiding of reden blijkt om in meer of mindere mate te veronderstellen dat het slachtoffer gewend zou zijn geweest aan anale penetratie.

Green heeft in zijn brief van 3 oktober 2017 naar voren gebracht dat Van Ingen de aandacht heeft gevestigd op ‘oppervlakkige schade en bloeding in de slijmvliezen onderaan en bovenaan (6 uur en 12 uur)’ en dat hij, Green, die verwondingen heeft beschreven als ‘ontvelde plekken’. Green heeft opgemerkt dat een beoordeling aan de hand van foto’s altijd moeilijk is, maar naar zijn mening het uiterlijk van deze gebieden overeenkomt met een ontstaan binnen 24 uur voor overlijden. Als hiervan microscopische plakjes waren genomen, was het wellicht mogelijk geweest om te bevestigen dat dit echte verwondingen waren.
Green merkt op dat de huid rond een gewone anus radiale ribbels vertoont. Zij worden minder uitgesproken en verdwijnen uiteindelijk in gevallen waarin anale penetratie een gewoonte wordt. Ook het ontstaan van een gladde, glanzende huid waaruit het pigment is verdwenen bij de rand van de anus is gedocumenteerd in verband met anale penetratie. Een vergelijkbaar causaal verband tussen anale penetratie en zogenaamde ‘trechtervorming’, die de overgang van slijmvliezen naar huid gedeeltelijk verbergt, is ook al jaren geleden herkend en beschreven; herhaaldelijk opgelopen gering trauma is de meest voor de hand liggende verklaring. Green beschouwt de verschijnselen in en rondom de anus ruim buiten het scala van gewone veranderingen die na overlijden optreden.

Samenvattend zijn de verschijningsvormen die aanleiding zijn voor de zorgen van Green de extreme losheid en verwijding van de anus, nu hij zich niet kan herinneren zoiets eerder in zijn carrière te hebben gezien uitsluitend als gevolg van veranderingen die optreden na overlijden, het ontbreken van strepen en een glanzende, gladde huid aan de rand van de anus en de ontvelde plekken met bijbehorende roodverkleuring van de slijmvliezen/huid en de mogelijk genezen kloof.

Green heeft de zaak – passend geanonimiseerd – tijdens twee bijeenkomsten met collega medici, bestaande uit forensisch pathologen en kinderartsen, gepresenteerd. Beide groepen waren het erover eens dat hoewel de anale verwijding weliswaar omvangrijk was, er niet te veel gewicht moest worden toegekend aan de anale verwijding op zich, vanwege de onzekerheid rond de gevolgen van veranderingen die na overlijden optreden. De algemene opinie over de verschijningsvorm van de duidelijke ontvelde plekken op de slijmvliezen en de recente kloof was dat deze ‘zeer significant’ waren. De kinderartsen noemden met name de kloof en de aanblik van de huid rond de anus en de bijbehorende teloorgang van strepen.
Green heeft in voormelde brief geconcludeerd dat hij niet met zekerheid kan zeggen dat anaal misbruik in deze zaak ‘onomstotelijk kan worden aangetoond’, zoals bij de Engelse strafrechter is vereist.137

Green heeft in zijn brief d.d. 18 februari 2020 vooropgesteld dat postmortale verandering op zich niet als bewijs kan dienen voor anale penetratie en hij heeft naar voren gebracht dat hij begrijpt dat anale verwijding tegenwoordig met meer terughoudendheid wordt benaderd dan 20 jaar of langer geleden. De verwijding neemt vaak toe naarmate de postmortale verschijnselen zich verder ontwikkelen. In dit geval van anale verwijding, in combinatie met de andere, minimale veranderingen rond de anus, leek het Green waarschijnlijker dat al deze verschijnselen samen het gevolg zijn van penetratie dan dat het normale lijkverschijnselen betreffen. Green heeft opgemerkt dat het zeer nuttig of eigenlijk essentieel zou zijn geweest als er coupes waren gemaakt voor microscopisch onderzoek. In het ideale geval zou de gehele anusring zijn gefixeerd en verwerkt tot microscopische coupes. Green kon nu uitsluitend afgaan op wat met het blote oog zichtbaar was. Hij geeft toe dat het scheurtje (‘fissuur’) waarnaar hij verwijst de normale overgang van de linea pectinata zou kunnen zijn, maar hij is daarvan niet volledig overtuigd. Aangezien er geen histologisch onderzoek is verricht, kan hij de mogelijkheid niet uitsluiten dat de zichtbare letsels na overlijden zijn ontstaan. Zonder histologisch onderzoek is het niet met zekerheid te zeggen of het blauwige letsel op 6 uur een bloeduitstorting betreft. Kortom, er zijn geen eenduidig specifieke tekenen van letsel, aldus Green.138

3.2.3.3. De bevindingen, interpretaties en conclusies van R.A.C. Bilo
In zijn verslag d.d. 4 april 2001 heeft (gepensioneerd) forensisch arts139 Bilo naar voren gebracht dat, voor zover te beoordelen aan de hand van de foto’s en de beschrijving van de patholoog, de verwijding van de anus een normaal postmortaal verschijnsel is. Hierbij kan op basis van het feit dat er sprake was van anale verwijding of op basis van de grootte van de verwijding niet worden vastgesteld of er sprake is geweest van anaal misbruik.

Volgens Bilo is de donkere verkleuring in de anale ring vermoedelijk de door de patholoog aangegeven slijmvliesbeschadiging/bloeding op 6 uur. De beschadiging op 12 uur (middenvoor) is op geen van de foto’s zichtbaar. De aard van de lesie(s) (het hof begrijpt: het/de letsel(s)) kan met behulp van de foto’s niet worden vastgesteld. Indien de beschrijving van de patholoog van de afwijkingen in de anusring correct is, namelijk dat het slijmvliesbeschadigingen en bloedinkjes betreft die voor het overlijden zijn ontstaan, dan zijn deze vermoedelijk het gevolg van het feit dat een (groot) voorwerp de anusring is gepasseerd. Met behulp van de foto’s kan niet worden vastgesteld of het voorwerp van binnen naar buiten is gegaan (harde ontlasting) of van buiten naar binnen (bijvoorbeeld een penis in erectie of een ander ‘glad’ voorwerp). De kans is echter klein dat ontlasting bij obstipatie (harde ontlasting) bij een kind van deze leeftijd dergelijk letsel/schade veroorzaakt. Voor zover te beoordelen aan de hand van de foto’s is sprake van oppervlakkige afwijkingen in de anusring. Oppervlakkige afwijkingen/letsels in de anogenitale streek herstellen in het algemeen snel; soms zijn ze (bij een levend kind) binnen 24 uur alweer verdwenen. Als de beschreven afwijkingen voor het overlijden zijn ontstaan, dan is de kans groot dat deze kort voor het overlijden zijn ontstaan. Voorts heeft Bilo naar voren gebracht dat de met de rode pijlen gemarkeerde ‘lijn’ op de in zijn verslag weergegeven foto’s de linea pectinata (= linea dentata) is en dat de lijn kan lijken op een litteken van een oude fissuur, maar dat het een normale anatomische structuur is. In de visie van Bilo kan op grond van de bevindingen van de patholoog anaal misbruik niet uitgesloten worden geacht, maar op de foto’s zijn geen afwijkingen zichtbaar die misbruik in combinatie met instrumenteel geweld aannemelijk maken.140

In zijn rapport d.d. 29 mei 2019 heeft Bilo ten aanzien van de verwijding van de anus, die na overlijden is vastgesteld, bevestigd dat het een vaak voorkomende normale postmortale verandering bij kinderen betreft en om die reden niet kan worden beschouwd als een aanwijzing voor anale penetratie korter of langer voor het overlijden.
Met betrekking tot de beschadigingen in de anusring heeft Bilo conclusies getrokken waarbij moet worden aangetekend dat deze uitsluitend gelden als de beschrijving en interpretatie van de NFI-patholoog met betrekking tot hetgeen hij bij de uitwendige schouw heeft gezien correct is.

Over het mogelijke moment van ontstaan van de beschreven afwijkingen in de anusring heeft Bilo opgemerkt dat de aanwezigheid van kleine bloedinkjes bij de oppervlakkige huidbeschadigingen (zoals beschreven door de NFI-patholoog) waarschijnlijker is bij een moment van ontstaan van de bevindingen voor overlijden dan bij een moment van ontstaan na overlijden. De beschreven bevindingen kunnen op diverse manieren ontstaan. In de eerste plaats kunnen deze ontstaan als een voorwerp de anusring passeert en daarbij overrekking van de anusring plaatsvindt, zodanig dat een oppervlakkige huidbeschadiging ontstaat en niet zodanig dat hierbij dieper letsel (bijvoorbeeld een scheurwond in de anusring) ontstaat, of geen overrekking, maar wel een krassend/krabbend effect optreedt. Verder geldt dat deze bevindingen kunnen ontstaan als de anusring niet wordt gepasseerd, maar bijvoorbeeld door krabben, krassen of stevig afvegen. Op basis van de beschrijving van de NFI-patholoog van zijn bevindingen is het niet mogelijk om vast te stellen of sprake is geweest van penetratie van de anus en, als hiervan sprake is geweest, wat de aard van het passerende voorwerp was en of het voorwerp (of lichaamsdeel) van buiten naar binnen of van binnen naar buiten heeft bewogen. Gezien de beschreven oppervlakkigheid kan Bilo, evenals in 2001, niet uitsluiten dat de afwijkingen door het passeren van harde ontlasting of op een andere manier zijn ontstaan, zoals door verzorgingshandelingen als afvegen of door krabben (bijvoorbeeld bij jeuk). Anale penetratie met een voorwerp of lichaamsdeel kan echter niet worden uitgesloten op basis van de oppervlakkigheid van de beschreven afwijkingen of op basis van het ontbreken van afwijkingen in de anale ring. Oppervlakkige letsels van de anus als gevolg van anale penetratie blijken bij kinderen, zelfs in de acute situatie (eerste 24 tot 48 uur na de penetratie), zelden voor te komen.

Tot slot merkt Bilo op dat er sprake lijkt van een discrepantie tussen de bevindingen met betrekking tot de beschadigingen in de anusring, zoals beschreven door de NFI-patholoog, en hetgeen zichtbaar is op het verstrekte fotomateriaal. Hiervoor kan (theoretisch) een aantal verklaringen worden gegeven. In de eerste plaats wijst Bilo in dit verband op de matige kwaliteit van de foto’s, waardoor vergelijking tussen de beschreven bevindingen en hetgeen zichtbaar is op de foto’s niet mogelijk is. Ten tweede geeft het fotomateriaal niet of slechts gedeeltelijk weer wat door de NFI-patholoog is gezien tijdens de uitwendige schouw en door hem is beschreven en correct geïnterpreteerd in het sectieverslag van 21 december 1998 (betreffende de sectie van 13 augustus 1998). In de derde plaats geeft het fotomateriaal geheel of gedeeltelijk weer wat door de NFI-patholoog is gezien tijdens de uitwendige schouw, maar de beschrijving en interpretatie van de bevindingen door de NFI-patholoog was geheel of gedeeltelijk niet correct. Bilo is dan ook van mening dat het niet mogelijk is om op basis van hetgeen op het verstrekte fotomateriaal zichtbaar is een uitspraak te doen over de eventuele aanwezigheid van de door de NFI-patholoog beschreven bevindingen en, indien aanwezig, de interpretatie van de bevindingen door de NFI-patholoog en/of de aard van deze bevindingen.141

In zijn rapportage d.d. 5 mei 2020 heeft Bilo duidelijk gemaakt dat er in 2019 geen sprake is van (deels) andere conclusies of een gewijzigd inzicht met betrekking tot de beschadigingen van de anusring ten opzichte van 2001. De wijze waarop Bilo in 2001 en in 2019 de bevindingen van de patholoog bij de gerechtelijke sectie heeft gewogen kan de indruk wekken dat sprake is van (deels) andere conclusies. In 2001 heeft Bilo de door de patholoog beschreven bevindingen beschouwd als vaststaande feiten, als beschrijving van feitelijk aanwezige en correct beschreven bevindingen bij de uitwendige schouw, en vergeleken met hetgeen op het fotomateriaal zichtbaar is/was en in 2019 heeft Bilo de door de patholoog beschreven bevindingen niet als vaststaande feiten, maar als hypothese beschouwd.142

Bilo heeft ter terechtzitting in eerste aanleg van 5 oktober 2020 verklaard dat het aantreffen van een openstaande anus bij iemand die is overleden zeer veel waarschijnlijker een volstrekt normaal postmortaal verschijnsel is dan een aanwijzing voor anale penetratie. De conclusie dat een wijd openstaande anus goed wordt verklaard door het overlijden, blijft overeind. Als de beoordeling van de pathologen van het letsel aan de anus correct is, luidt de uitspraak dat die bevindingen even waarschijnlijk zijn voor een voorwerp van binnen naar buiten als voor een voorwerp van buiten naar binnen. Voorts heeft Bilo verklaard dat in 2019 sprake was van voortschrijdend inzicht, in die zin dat hij in 2001 niet had gedacht aan de mogelijkheid van krassen, krabben of afvegen als verklaring voor de bevinding van de pathologen. Als de patholoog heeft gezien wat hij heeft beschreven, dan heeft hij niet de linea dentata gezien, maar een beschadiging die er eigenlijk niet zou moeten zitten.143

3.2.3.4. De bevindingen, interpretaties en conclusies van W. van de Voorde

Van de Voorde, forensisch patholoog,144 heeft in zijn verslag d.d. 14 juli 2016 opgemerkt dat op de foto’s van de uit- en inwendige lijkschouw een volledige dilatatie van de anus (bij uitoefening van tractie) zichtbaar is. Van de Voorde merkt dit aan als een frequent voorkomend (normaal) postmortaal verschijnsel waaraan geen conclusies kunnen worden verbonden.

Het hof begrijpt dat Van de Voorde naar voren heeft gebracht dat hij de in het sectierapport genoemde slijmvliesbeschadiging van de anus op 12 uur niet op de foto’s heeft kunnen zien (behoudens mogelijk enige huidloslating hetgeen kan passen binnen het ontbindingsproces). Op 6 uur is er een gering donker vlekje ter hoogte van de huid juist boven de linea dentata (gegolfde lijn op de grens tussen huid en slijmvlies) zichtbaar. Op grond van de foto’s kan niet worden uitgemaakt of dit een bloeding betreft. Van de Voorde onderschrijft de conclusie van Bilo, inhoudende: “Indien de beschrijving van de patholoog van de afwijkingen in de anusring correct is, namelijk dat het slijmvliesbeschadigingen en bloedinkjes betreft die voor het overlijden zijn ontstaan, dan zijn deze vermoedelijk het gevolg van het feit dat een voorwerp de anus is gepasseerd. De kans is klein dat harde ontlasting bij een kind van deze leeftijd schade veroorzaakt. (…) Letsels in de anogenitaal streek neigen tot snelle genezing. Dus indien het letsels zijn, zijn deze kort voor het overlijden ontstaan”. Van de Voorde stelt zich op het standpunt dat anaal misbruik derhalve niet met zekerheid kan worden bevestigd noch worden uitgesloten. Volledigheidshalve heeft Van de Voorde opgemerkt dat niet-traumatische penetratie tevens tot de mogelijkheden behoort. Behoudens de waarneming van de patholoog tijdens de uit- en inwendige lijkschouwing zijn er geen objectieve medicolegale aanwijzingen voor seksueel misbruik. De mogelijkheid van seksueel misbruik kan op grond van de huidige medicolegale bevindingen noch worden bevestigd, noch worden uitgesloten.145

Van de Voorde is op 6 juli 2020 als getuige door de rechter-commissaris gehoord en heeft bij die gelegenheid verklaard dat een openstaande anus een verklaarbaar post mortem fenomeen kan zijn. Dit sluit niet uit dat er anale penetratie heeft plaatsgevonden, maar Van de Voorde sluit zich aan bij de conclusie van voornoemde Van Ingen en Bilo en de hierna te noemen Soerdjbalie-Maikoe en Karst, inhoudende dat er onvoldoende objectieve elementen zijn om te stellen dat er anale penetratie heeft plaatsgevonden, zonder dat het kan worden uitgesloten.146

3.2.3.5. De bevindingen, interpretaties en conclusies van V. Soerdjbalie-Maikoe

Soerdjbalie-Maikoe, arts en forensisch (kinder)patholoog, heeft in haar brief d.d. 10 februari 2015 naar voren gebracht dat de anus postmortaal was verwijd. Voor een beschrijving van de overige bevindingen heeft zij verwezen naar het hierna weer te geven schrijven van Karst.147

3.2.3.6. De bevindingen, interpretaties en conclusies van W.A. Karst

Aan Karst, forensisch arts KNMG, is de vraag voorgelegd of hij kan aangeven of er sprake is van een seksueel delict (kort voor, tijdens of na de dood van Nicky Verstappen). Karst heeft voor de beantwoording van die vraag, zoals blijkt uit zijn rapport d.d. 9 februari 2015, foto’s van de sectie van het anale gebied bestudeerd. De foto’s zijn naar huidige maatstaven van slechte kwaliteit; de matige resolutie en de slechte belichting beperken een adequate medisch-forensische duiding, aldus Karst.
Op de foto’s is zichtbaar dat sprake is van een gedilateerde anus, met een doorsnede in de middenlijn van circa 2,5 centimeter, met daardoor zicht op het dieper gelegen darmslijmvlies van de endeldarm. De grens tussen huidepitheel en darmslijmvlies is hierdoor zichtbaar, die enigszins golvend en op sommige plekken rood-doorschemerend circulair verloopt en de medische term linea pectinata of linea dentata heeft. Juist buiten de overgang tussen de huid en het darmslijmvlies, aan de rugzijde (met een klokprojectie tussen half 12 en 12 uur), is een kleine donkere verkleuring zichtbaar, met aan de rechterzijde een lijnvormige rode huidverkleuring. Karst merkt dit aan als normale postmortale veranderingen. Er zijn geen zichtbare beschadigingen van de huid of het darmslijmvlies.
Karst merkt het openstaan (dilateren) van een anus aan als een gebruikelijk postmortaal fenomeen en merkt onder verwijzing naar een onderzoek uit 1996 op dat een postmortaal wijde anusopening niet kan worden gebruikt in relatie met seksueel misbruik (anale penetratie). Voorts moet de zichtbare (golvend verlopende) linea pectinata niet worden verward met inkepingen of verscheuringen van of rondom de anus. Karst brengt naar voren dat in verschillende artikelen en leerboeken wordt aangegeven dat een postmortaal openstaande anus bij kinderen in het verleden onterecht werd gerelateerd aan anale penetratie.

De donkere zichtbare verkleuring bij Nicky Verstappen zou een onderhuidse bloeduitstorting kunnen betreffen, maar het onderscheid met de zichtbare bloedophoping onder de huid is niet goed te maken op basis van het beschikbare beeldmateriaal. Mocht het zichtbare onderhuidse bloed zich niet in, maar buiten de bloedvaten bevinden, dan kan de bloeduitstorting een gevolg zijn van stomp botsend en/of samendrukkend geweld op of tegen de huid, zoals bijvoorbeeld kan optreden bij de passage van ontlasting of bij penetratie met of door een voorwerp anderszins (al dan niet in het kader van seksueel misbruik). Er is in medisch-wetenschappelijke literatuur geen onderbouwing te vinden voor het toekennen van bewijswaarde aan een dergelijke onderhuidse bloeduitstorting in relatie met seksueel misbruik. Daarbij merkt Karst op dat het overigens gebruikelijk is om geen letsels te zien bij onderzoek na anale penetratie van een minderjarige.

Voorts heeft Karst naar voren gebracht dat Green in zijn rapport van 21 februari 2001 geen medisch-wetenschappelijke literatuur aanhaalt en zichzelf bovendien tegenspreekt, voor zover hij de kloof (die feitelijk een golving van de linea pectinata betreft) beschrijft als genezend, maar concludeert dat de bevindingen passend zijn bij anale penetratie juist (het hof begrijpt: kort) voor het overlijden.

Karst concludeert dat de bevindingen van de anus, voor zover fotografisch vastgelegd en beoordeelbaar, normale postmortale verschijnselen laten zien die op zichzelf niet kunnen worden gerelateerd aan seksueel misbruik. Op basis hiervan is geen antwoord te geven op de vraag of Nicky Verstappen slachtoffer is geworden van seksueel misbruik. Karst is van mening dat de anale verwijding en de mogelijk aanwezige onderhuidse bloeduitstorting juist buiten de anus ongeveer even waarschijnlijk zijn wanneer sprake is geweest van anale penetratie, als wanneer geen sprake is geweest van anale penetratie.148

In zijn rapport d.d. 23 augustus 2018 brengt Karst naar voren dat in de literatuur wordt gesteld dat verdachte bevindingen in het anogenitale gebied van overleden kinderen altijd histologisch zouden moeten worden onderzocht om te bezien of de bevindingen wel enige waarde hebben. In reactie op het rapport van Green van 3 oktober 2017 merkt Karst op dat niet met stelligheid is aan te geven dat de ‘ontvelde plekken’ en de ‘recente kloof’ waarover Green spreekt, daadwerkelijk letsel betreffen. Er is immers geen histologisch onderzoek gedaan naar deze bevindingen waarover in de literatuur staat geschreven dat ze na het overlijden geregeld onjuist worden geïnterpreteerd. Daarnaast zouden daadwerkelijk aanwezige ontvellingen het gevolg kunnen zijn van manipulaties na het overlijden zoals rectale temperatuurmetingen, sporenafname vanuit de zedenset of schoonmaak-handelingen.149 Het hof merkt op dit punt op dat de Technische Recherche de temperatuur van het slachtoffer niet heeft gemeten en de beschadiging dus niet kan zijn veroorzaakt door het inbrengen van een thermometer.150

Voorts is volgens Karst het argument van Green van ‘de trechtervorm’, namelijk het verstrijken van de plooien bij de kringspier, onjuist. Dit gebeurt namelijk altijd als beide kringspieren volledig ontspannen. Dat is ook logisch, want de plooivorming wordt gevormd door aanspanning van de binnenste kringspier. Zonder ontspanning van beide kringspieren kan geen volledig openstaande anus ontstaan. Samengevat leert de medisch-wetenschappelijke literatuur dat, anders dan Green beweert, een openstaande anus bij een kind een gebruikelijk normaal postmortaal verschijnsel is. Green gebruikt de trechtervorm en de afwezigheid van zichtbare plooien als extra argument, terwijl dat niet meer dan de oorzaak is van het open (kunnen) staan van de anus. Green herkent de normale overgang van huid naar darmvlies niet. Karst blijft op basis van de wetenschappelijke literatuur en zijn ervaring van oordeel dat de anale verwijding en de mogelijk aanwezige onderhuidse bloeduitstorting juist buiten de anus ongeveer even waarschijnlijk zijn wanneer sprake is geweest van anale penetratie, als wanneer geen sprake is geweest van anale penetratie. Het is daarmee (dus) niet uit te sluiten dat Nicky Verstappen voorafgaand aan zijn overlijden anaal is gepenetreerd, maar de bevindingen op de sectiefoto’s geven geen ondersteuning voor die hypothese.151

3.2.3.7. Conclusies

In de eerste plaats stelt het hof met betrekking tot de bij de sectie op 13 augustus 1998 door Van Ingen en Maes en op de foto’s van die sectie door Green, Bilo, Van de Voorde, Soerdjbalie-Maikoe en Karst waargenomen verwijding van de anus van het slachtoffer vast dat sprake is van een (normaal) postmortaal verschijnsel dat niet kan bijdragen aan de conclusie dat sprake is geweest van het onder 2 primair seksueel binnendringen van het lichaam van Nicky Verstappen.

In de tweede plaats ziet het hof ten aanzien van de bij de sectie waargenomen slijmvliesbeschadigingen en bloedingen in de anaalring in beginsel geen enkele reden om aan de gedane waarnemingen van Van Ingen en Maes te twijfelen. Het hof overweegt daartoe als volgt.

Van Ingen heeft ten overstaan van het hof op 22 oktober 2021 verklaard dat hij van november 1991 tot april 2007 heeft gewerkt als forensisch patholoog bij het toenmalige Laboratorium voor Gerechtelijke Pathologie in Rijswijk en de opvolger daarvan, het NFI. Naar het oordeel van het hof was Van Ingen op het moment van de sectie een ervaren patholoog, nu hij ten tijde van het onderhavige onderzoek maar liefst 1.130 gerechtelijke secties had verricht. Van Ingen heeft de sectie samen met Maes verricht. Van Ingen heeft verklaard dat Maes in 1998 eveneens al een ervaren patholoog was.152

Het hof leidt uit de verklaringen van Van Ingen, Bilo en Karst, zoals afgelegd ter terechtzitting van 22 oktober 2021, in onderlinge samenhang met hetgeen hiervoor is overwogen, af dat de bij de sectie gemaakte foto’s van matige kwaliteit zijn en de bevindingen van Van Ingen en Maes daarop niet onmiskenbaar zijn te zien,153 waarbij het hof opmerkt dat Van Ingen naar voren heeft gebracht dat in die tijd de foto’s eerst moesten worden ontwikkeld en dat je het resultaat pas zag ten vroegste dagen en ten laatste weken nadat de foto’s waren gemaakt.154 Bij gebrek aan histologisch onderzoek kan naar het oordeel van het hof niet worden vastgesteld hoe de bevindingen van Van Ingen en Maes moeten worden geduid. Het hof komt, nu geen histologisch onderzoek is verricht, dan ook niet toe aan de beantwoording van de vraag of de bij de sectie waargenomen slijmvliesbeschadigingen en bloedingen in de anaalring als letsels moeten worden beschouwd en zo ja, wat daarvan de oorzaak is geweest. Met betrekking tot het belang van histologisch onderzoek overweegt het hof – in aanvulling op hetgeen eerder is overwogen – het volgende.

Karst heeft ter terechtzitting van het hof van 22 oktober 2021 naar voren gebracht dat microscopisch onderzoek dient te worden verricht om te beoordelen of sprake is van letsel. In de literatuur, in de adviezen die er komen, komt naar voren dat dient te worden gezorgd voor microscopische bevestiging als in het anogenitale gebied, de anus en genitaliën, iets eruitziet als letsel of bloeduitstortingen. Dat is de laatste 10 jaren met name naar voren gekomen. De reden hiervoor is het voorkomen van foute conclusies, maar ook om goede conclusies te bevestigen. Karst heeft benadrukt dat is gebleken dat histologisch onderzoek nodig is omdat zonder dergelijk onderzoek foute conclusies kunnen worden getrokken. Het is een check om bevindingen te verifiëren en dat bleek nodig, omdat zonder die check foute conclusies konden worden getrokken, aldus Karst.155

Van Ingen heeft erkend dat dit een voorbeeld is van een inzicht dat dateert van na de tijd waarin hij actief was in de forensische pathologie. Hij heeft naar voren gebracht dat hij dit inzicht daarom dan ook niet heeft meegewogen in zijn beoordeling.156

Op grond van de voorgaande conclusies stelt het hof vast dat de huidige wetenschappelijke inzichten maken dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte zich aan het onder 2 primair tenlastegelegde seksueel binnendringen van het lichaam van Nicky Verstappen heeft schuldig gemaakt, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

3.3.

Resultaten van het onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek

Vervolgens ziet het hof zich gesteld voor de vraag of de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 2 subsidiair tenlastegelegde buiten echt plegen van ontuchtige handelingen met Nicky Verstappen. Allereerst zal het hof onder 3.3. de resultaten van het onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek samenvatten en weergeven welke vaststellingen het hof op basis van die resultaten doet.

3.3.1.

Onderzoeken in 2006 en 2008 aan de pyjamabroek [ABR034]

Bij aantreffen van zijn lichaam droeg het slachtoffer een rode pyjamabroek, binnenstebuiten en achterstevoren.157 De pyjamabroek is veiliggesteld en voorzien van spoornummer S-12 en DNA-identiteitszegel ABR034.158

Onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek
De pyjamabroek is in 2006 en 2008 onderworpen aan een onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek. Bij het onderzoek naar biologische sporen in 2006 is de pyjamabroek onderzocht op de aanwezigheid van speeksel. Hierbij is, gebruikmakend van de alfa-amylase afdrukmethode, op 17 locaties een aanwijzing aangetroffen op de aanwezigheid van speeksel. Eén van de waargenomen locaties is als [ABR034]#93 bemonsterd. Bij het DNA-onderzoek in 2006 is voor die bemonstering niet het gehele uitgeknipte spoor verbruikt. Het resterende deel van het spoor [ABR034]#93 is in 2008 wederom onderzocht op de aanwezigheid van speeksel. Hierbij is gebruikgemaakt van een nieuwe, specifiekere onderzoekstechniek ten opzichte van de techniek die in 2006 is gebruikt. Hierbij is in het resterende deel van het spoor [ABR034]#93 de aanwijzing op de aanwezigheid van speeksel niet bevestigd. In 2008 is het resterende deel van het spoor [ABR034]#93, dat bij het onderzoek in 2006 nog niet was verbruikt, onderworpen aan standaard SGM-Plus DNA-onderzoek, waarbij gebruik is gemaakt van ‘real time PCR’ DNA-kwantificering. Hierbij is een onvolledig DNA-mengprofiel verkregen waarvan het slachtoffer en een onbekende mannelijke celdonor, welke wordt aangeduid als onbekende man 2, niet kunnen worden uitgesloten. Er is geen aanwijzing voor een derde persoon verkregen.159

3.3.2.

Onderzoeken in 2006 en 2008 aan de onderbroek [ABR035]

Bij aantreffen van zijn lichaam droeg het slachtoffer onder de pyjamabroek een donkerblauwe onderbroek. De onderbroek was – net als de pyjamabroek – binnenstebuiten gekeerd. Het etiket in de onderbroek was duidelijk zichtbaar. Uitgaande van de positie waarin het slachtoffer lag, bevond de achterzijde van de onderbroek zich aan de voorzijde.160 De onderbroek is veiliggesteld en voorzien van spoornummer S-13 en DNA-identiteitszegel ABR035.161

3.3.2.1 Onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek in 2006

Onderzoek naar biologische sporen

Bij het onderzoek in 2006 zijn de buiten- en binnenzijde van het voor- en achterpand van de onderbroek onderzocht op de aanwezigheid van bloed. Hierbij zijn 3 bloedsporen aangetroffen. Deze bloedsporen zijn als [ABR035]#1, [ABR035]#2 en [ABR035]#3 veiliggesteld voor een DNA-onderzoek.162

In het kader van het onderzoek naar biologische contactsporen zijn van de onderbroek 31 bemonsteringen genomen die zijn gericht op het veiligstellen van eventueel aanwezig celmateriaal.
Voor het nemen van 30 van deze 31 bemonsteringen zijn de binnen- en buitenzijde van de onderbroek in zones verdeeld. Het gebied rondom bloedspoor [ABR035]#1, de tailleband, de randen en het kruis van de onderbroek zijn bij de indeling in zones als afzonderlijke zones beschouwd, omdat dit plaatsen zijn waar naar verwachting bij contact tussen het slachtoffer en een eventuele belager celmateriaal kan zijn overgedragen. De 30 zones zijn met de zogenaamde stubmethode bemonsterd. Hierbij wordt (een deel van) de onderbroek met een voor dit doeleinde geprepareerd stukje zelfklevende tape afgeplakt. Dit stukje tape (de stub) wordt vervolgens veiliggesteld voor een DNA-onderzoek. Al deze 30 bemonsteringen [ABR035]#5 tot en met [ABR035]#19 en [ABR035]#21 tot en met [ABR035]#35 zijn veiliggesteld voor een DNA-onderzoek.
Voor 1 van deze 31 bemonsteringen is de stubmethode niet gebruikt. Dit betreft het label in de tailleband van de onderbroek, welke in zijn geheel is uitgeknipt en als [ABR035]#20 is veiliggesteld voor een DNA-onderzoek. De zones beslaan vrijwel de gehele onderbroek.163

Voorts is de onderbroek onderzocht op de aanwezigheid van speeksel. Hierbij is, gebruikmakend van de alfa-amylase afdrukmethode, op 18 locaties een aanwijzing aangetroffen op de aanwezigheid van speeksel. Alle waargenomen 18 locaties zijn als [ABR035]#36 tot en met [ABR035]#53 bemonsterd, dat wil zeggen met de onderliggende stof uit de onderbroek verwijderd.164

DNA-onderzoek
De 52 bovengenoemde sporen [ABR035]#1, #2, #3, #5 tot en met #53, die bij het onderzoek in 2006 van de onderbroek zijn veiliggesteld, zijn onderworpen aan standaard SGM-Plus DNA-onderzoek. De sporen waarvan hierbij geen DNA-profiel is verkregen maar waarbij de DNA-kwantificering of waarbij in de analyse wel een indicatie op de aanwezigheid van DNA is waargenomen, zijn vervolgens aanvullend onderworpen aan DNA-onderzoek waarbij gebruik is gemaakt van het SGM-Plus DNA-analysesysteem en Low Copy Number (LCN)-techniek. Dit betreft 8 van de 52 sporen: [ABR035]#2, #8, #11, #20, #23, #36, #38 en #45.165 Zoals onder 3.3.7. zal blijken, is de bemonstering [ABR035]#45 ook onderworpen aan mitochondriaal DNA-onderzoek.

3.3.2.2. Onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek in 2008
Onderzoek naar biologische sporen
Bij het DNA-onderzoek in 2006 is voor 11 bemonsteringen [ABR035]#36, #38, #39, #41, #44 tot en met #50 niet het gehele uitgeknipte spoor verbruikt. De resterende delen van deze sporen zijn in 2008 wederom onderzocht op de aanwezigheid van speeksel. Hierbij is gebruikgemaakt van een nieuwe, specifiekere onderzoekstechniek ten opzichte van de techniek die in 2006 is gebruikt. De aanwijzing op de aanwezigheid van speeksel is in 10 resterende delen van de sporen [ABR035]#36, #38, #39, #41, #44 tot en met #49 bevestigd.166

DNA-onderzoek
In juni 2008 zijn alle 52 sporen, die naar aanleiding van het onderzoek in 2006 reeds waren onderzocht, wederom onderworpen aan standaard SGM-Plus DNA-onderzoek. Bij dit onderzoek is gebruikgemaakt van ‘real time PCR’ DNA-kwantificering. Voor 12 sporen [ABR035]#5 tot en met #9, #11, #12, #14, #16, #18, #24 en #45 zijn de verkregen PCR-producten aanvullend behandeld met een zuiverings-/concentreringsprocedure. Ook de resterende delen van de 11 sporen [ABR035]#36, #38, #39, #41, #44 tot en met #50, die bij het onderzoek in 2006 nog niet waren verbruikt, zijn in 2008 onderworpen aan standaard SGM-Plus DNA-onderzoek, waarbij gebruik is gemaakt van ‘real time PCR’ DNA-kwantificering.167

Van het celmateriaal in de bemonstering [ABR035]#11 van de onderbroek is een SGM-Plus DNA-hoofdprofiel verkregen van een onbekende mannelijke celdonor, welke wordt aangeduid als onbekende man 2. De berekende frequentie van dit DNA-profiel is kleiner dan één op één miljard. Dit betekent dat de kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen man matcht met dit DNA-profiel kleiner is dan één op één miljard. Het DNA-profiel van deze onbekende man 2 is vergeleken met alle DNA-profielen van de onderzochte biologische sporen in deze zaak. Hierbij is gevonden dat nog 17 sporen van de onderbroek van het slachtoffer en één spoor van de pyjamabroek van het slachtoffer celmateriaal van onbekende man 2 kunnen bevatten. Het betreft de sporen: van de onderbroek [ABR035]#5, #6, #8, #12, #14, #18, #20, #23, #24, #36, resterend deel spoor #36, #38, resterend deel spoor #38, resterend deel spoor #39, #45, resterend deel spoor #45, resterend deel spoor #47 en van de pyjamabroek [ABR034]#93. Uit de weergave van de locaties van deze sporen blijkt dat het celmateriaal van onbekende man 2 met name op de tailleband en het voorpand aan de binnenzijde van de onderbroek is aangetroffen.168

3.3.3.

Onderzoek in 2015 aan de onderbroek [ABR035]
In 2015 is de bemonstering [ABR035]#45 van de onderbroek van het slachtoffer onderworpen aan een aanvullend DNA-onderzoek. Het betreft een bemonstering van de buitenkant van de voorzijde van de tailleband van de onderbroek. Het doel van het aanvullend DNA-onderzoek was om meer genetische informatie te verkrijgen van onbekende man 2. De bemonstering [ABR035]#45 is onderworpen aan een LCN-DNA-onderzoek. Hierbij is het DNA-onderzoek aan deze bemonstering herhaald om de reproduceerbaarheid van het verkregen resultaat te onderzoeken. Van het DNA in de bemonstering [ABR035]#45 is een onvolledig DNA-profiel verkregen van een man. Dit DNA-profiel matcht met het DNA-profiel [ABR035]#11 gekoppeld aan onbekende man 2. De kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen man matcht met dit DNA-profiel is kleiner dan één op één miljard. Deze matchende DNA-profielen zijn in de Nederlandse DNA-databank voor strafzaken geregistreerd onder DNA-profielcluster 23505.169

3.3.4.

Onderzoek in 2016 aan de pyjamabroek [AAGD5405NL, voorheen: ABR034] en de
onderbroek [AAGD5406NL, voorheen: ABR035]

In 2016 zijn de pyjamabroek en de onderbroek nogmaals onderzocht op humane biologische sporen. Daarbij werd het textiele materiaal van de eerder bemonsterde locaties opgerekt, om zo eventueel aanwezig celmateriaal tussen het garen te kunnen bemonsteren. Het doel van het onderzoek was om meer celmateriaal te verzamelen van de eerder aangetroffen onbekende man 2.170

De pyjamabroek werd voorzien van een nieuw Spoor Identificatie Nummer (hierna: SIN), AAGD5405NL. De rand van de eerdere bemonstering [ABR034]#93 is gestubd en veiliggesteld als [AAGD5405NL]#17. Van het celmateriaal in die bemonstering is een DNA-mengprofiel van minimaal twee personen verkregen, waarbij het celmateriaal afkomstig kan zijn van onbekende man 2.171
De onderbroek is eveneens voorzien van een nieuw SIN, AAGD5406NL. Aan de binnenkant van de onderbroek is het gebied [ABR035]#5 gestubd en veiliggesteld als [AAGD5406NL]#01. Van het celmateriaal in die bemonstering is een DNA-mengprofiel van minimaal twee personen verkregen, waarbij het celmateriaal afkomstig kan zijn van het slachtoffer en onbekende man 2.
Aan de buitenkant van de onderbroek is het gebied [ABR035]#24 gestubd en veiliggesteld als [AAGD5406]#14. Van het celmateriaal in die bemonstering is een DNA-mengprofiel van minimaal drie personen verkregen, waarbij het celmateriaal afkomstig kan zijn van het slachtoffer en onbekende man 2. Daarnaast is aan de buitenkant van de onderbroek het gebied [ABR035]#30 gestubd en veiliggesteld als [AAGD5406NL]#18. Van het celmateriaal in die bemonstering is een DNA-mengprofiel van minimaal twee personen verkregen, waarbij het celmateriaal afkomstig kan zijn van onbekende man 2.172

3.3.5.

Autosomaal DNA-onderzoek in 2018

Het DNA-profiel WAAD6718NL van de verdachte is op 7 september 2018 opgenomen in de Nederlandse DNA-databank voor strafzaken en is sindsdien vergeleken met de daarin aanwezige DNA-profielen. Hierbij is een match gevonden met de DNA-profielen in DNA-profielcluster 23505. De DNA-profielen van het DNA in de bemonsteringen [ABR035]#45 en [ABR035]#11 gekoppeld aan onbekende man 2 maken deel uit van dit DNA-profielcluster. Dit betekent dat het DNA in de bemonsteringen [ABR035]#45 en [ABR035]#11 afkomstig kan zijn van de verdachte en dat hij onbekende man 2 uit deze zaak kan zijn. De berekende frequentie van de autosomale DNA-profielen van het DNA in de bemonsteringen [ABR035]#45 en [ABR035]#11 is kleiner dan één op één miljard. Dit houdt in dat de kans dat het autosomale DNA-profiel van een willekeurig gekozen man matcht met deze autosomale DNA-profielen kleiner is dan één op één miljard.173

Op grond van het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien met hetgeen overigens uit de bewijsmiddelen volgt, stelt het hof vast dat het DNA in de bemonsteringen [ABR035]#45 en [ABR035]#11, gekoppeld aan onbekende man 2, afkomstig is van de verdachte.

3.3.6.

MPS-DNA-onderzoek in 2019

In 2019 zijn een bemonstering van de pyjamabroek [AAGD5405NL]#17 en meerdere bemonsteringen van de onderbroek onderworpen aan een Massive Parallel Sequencing (MPS)-DNA-onderzoek door het Forensisch Laboratorium voor DNA-onderzoek (FLDO). De voor de sporen in de onderbroek [ABR035]#5 tot en met #9, #12, #14, #16, #18, #24, #36b, #38a, #38b, #39b, #46b, #47a, #47b en in de pyjamabroek [AAGD5405NL]#17 verkregen MPS-DNA-mengprofielen zijn vergeleken met de MPS-DNA-profielen van de verdachte en het slachtoffer. Voor de sporen [ABR035]#5, #6, #7, #9, #12, #14, #16, #36b, #38b, #39b en #46b in de onderbroek geldt dat de bevindingen van het MPS-DNA-onderzoek meer dan 10 miljard keer waarschijnlijker zijn onder de hypothese dat de verdachte, het slachtoffer en een 1 onbekende de donoren zijn van het celmateriaal in de betreffende sporen dan onder de hypothese dat het slachtoffer en 2 onbekenden de donoren zijn van het celmateriaal in die sporen. Voor het spoor [ABR035]#8 in de onderbroek geldt dat de bevindingen van het MPS-DNA-onderzoek ongeveer 80 duizend keer waarschijnlijker zijn onder de hypothese dat de verdachte, het slachtoffer en een 1 onbekende de donoren zijn van het celmateriaal in het betreffende spoor dan onder de hypothese dat het slachtoffer en 2 onbekenden de donoren zijn van het celmateriaal in dat spoor. Voor de sporen [ABR035]#18 en #24 in de onderbroek geldt dat de bevindingen van het MPS-DNA-onderzoek meer dan 10 miljard keer waarschijnlijker zijn onder de hypothese dat de verdachte en het slachtoffer de donoren zijn van het celmateriaal in de betreffende sporen dan onder de hypothese dat het slachtoffer en 1 onbekende de donoren zijn van het celmateriaal in die sporen. Voor het spoor [ABR035]#38a in de onderbroek geldt dat de bevindingen van het MPS-DNA-onderzoek meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker zijn onder de hypothese dat de verdachte, het slachtoffer en een 1 onbekende de donoren zijn van het celmateriaal in het betreffende spoor dan onder de hypothese dat het slachtoffer en 2 onbekenden de donoren zijn van het celmateriaal in dat spoor. Voor de sporen [ABR035]#47a en #47b in de onderbroek geldt dat de bevindingen van het MPS-DNA-onderzoek ongeveer 10 duizend keer respectievelijk meer dan 10 miljoen keer waarschijnlijker zijn onder de hypothese dat de verdachte, het slachtoffer en een 1 onbekende de donoren zijn van het celmateriaal in de betreffende sporen dan onder de hypothese dat het slachtoffer en 2 onbekenden de donoren zijn van het celmateriaal in die sporen. Voor het spoor [AAGD5405NL]#17 in de pyjamabroek geldt dat de bevindingen van het MPS-DNA-onderzoek meer dan 10 miljard keer waarschijnlijker zijn onder de hypothese dat de verdachte en het slachtoffer de donoren zijn van het celmateriaal in het betreffende spoor dan onder de hypothese dat het slachtoffer en 1 onbekende de donoren zijn van het celmateriaal in dat spoor.174

3.3.7.

Mitochondriaal DNA-onderzoek aan haren, een haardeel en bemonstering
[ABR035]#45

Vanaf de pyjamabroek zijn een humane haar, voorzien van SIN [AAHU3889NL]#02, met een lengte van 0.9 centimeter, en een humaan haardeel, voorzien van SIN [AAHU3889NL]#03, met een lengte van 0.8 centimeter, veiliggesteld. Verder is vanaf de onderbroek een humane haar met een lengte van 0.8 centimeter veiliggesteld en voorzien van SIN [ABR035]#55.175

Zowel bovengenoemde humane haren en het humane haardeel als de bemonstering van de buitenkant van de voorzijde van de tailleband van de onderbroek, voorzien van SIN [ABR035]#45, zijn onderworpen aan een mitochondriaal DNA-onderzoek. De verkregen mtDNA-profielen van de haarsporen en van de bemonstering [ABR035]#45 matchen wel met elkaar maar niet met het mtDNA-profiel van het slachtoffer. Dit betekent dat deze haarsporen en het celmateriaal in de bemonstering [ABR035]#45 niet afkomstig zijn van het slachtoffer maar van een onbekende persoon, zijnde een man of vrouw aangeduid als mito-A.176 Aan het referentiemonster wangslijmvlies van de verdachte is een mitochondriaal DNA-onderzoek verricht en van het DNA in dit referentiemonster is een mtDNA-profiel verkregen.177 Het mtDNA-profiel van de verdachte is vergeleken met de verkregen mtDNA-profielen van onbekende persoon mito-A in deze zaak. Na vergelijking bleek het mtDNA-profiel van de verdachte overeen te komen met de verkregen mtDNA-profielen van haarsporen [AAHU3889NL]#02, #03 en [ABR035]#55 en van de bemonstering [ABR035]#45. Dit betekent dat voormelde haarsporen en het DNA in de bemonstering [ABR035]#45 afkomstig kunnen zijn van de verdachte of van een persoon die in de moederlijke lijn verwant is aan de verdachte. Dit betekent dat de verdachte of een persoon die in de vrouwelijke lijn verwant is aan de verdachte de persoon mito-A kan zijn.178 Uit onderzoek van het NFI blijkt dat de verkregen mtDNA-profielen van de haarsporen [AAHU3889NL]#02, #03 en [ABR035]#55 veel waarschijnlijker (met een orde van grootte van 100-10.000) zijn als de genoemde haarsporen afkomstig zijn van de verdachte of van een in moederlijke lijn aan de verdachte verwant persoon dan dat de haarsporen niet afkomstig zijn van de verdachte, maar van een onbekende persoon die niet in de moederlijke lijn aan de verdachte verwant is.179

Het hof stelt op basis van bovengenoemde resultaten van het vergelijkend mitochondriaal DNA-onderzoek, in onderling verband en samenhang bezien met hetgeen overigens uit de bewijsmiddelen volgt, vast dat de verdachte persoon mito-A is. Dat betekent dat de humane haar en het humaan haardeel vanaf de pyjamabroek en de humane haar vanaf de onderbroek, alsmede het celmateriaal in de bemonstering van de buitenkant van de voorzijde van de tailleband van de onderbroek van het slachtoffer, van de verdachte afkomstig zijn.

3.3.8.

Onderzoek aan huidschilfers en DNA-onderzoek

Voorts zijn de folie van de borst van het slachtoffer [AAIB1676NL] en de folies van de pyjamabroek van het slachtoffer [AAIB1679NL] microscopisch onderzocht op de aanwezigheid van huidschilfers. Van de folies [AAIB1676NL] en [AAIB1679NL] zijn 51 respectievelijk 53 (mogelijke) huidschilfers veiliggesteld. De bemonsteringen van de folie van de borst [AAIB1676NL]#01 tot en met #51 en de bemonsteringen van de folies van de pyjamabroek [AAIB1679NL]#01 tot en met #53 zijn onderworpen aan een DNA-onderzoek. Het DNA-profiel van onbekende man 2 [ABR035]#45 is betrokken bij het vergelijkend DNA-onderzoek. De resultaten van het vergelijkend DNA-onderzoek houden in dat het celmateriaal in de bemonsteringen [AAIB1676NL]#37 en [AAIB1676NL]#47 van de borst van het slachtoffer afkomstig kan zijn van onbekende man 2. De berekende matchkans van de DNA-profielen in deze bemonsteringen is ongeveer 1 op 110 miljoen respectievelijk 1 op 1,8 miljoen. Verder kan het celmateriaal in de bemonstering [AAIB1679NL]#48 van de pyjamabroek afkomstig zijn van onbekende man 2. Voor het DNA-profiel in deze bemonstering is een matchkans van ongeveer 1 op 66.500 berekend.180

Gelet op het vorenstaande, in onderling verband en samenhang bezien met hetgeen overigens uit de bewijsmiddelen volgt, stelt het hof vast dat het celmateriaal in de bemonsteringen [AAIB1676NL]#37 en [AAIB1676NL]#47 van de borst van het slachtoffer en in de bemonstering [AAIB1679NL]#48 van de pyjamabroek afkomstig is van onbekende man 2. Gelet op de conclusie onder 3.3.5., inhoudende dat het DNA, gekoppeld aan onbekende man 2, van de verdachte afkomstig is, stelt het hof vast dat ook het DNA afkomstig van de huidschilfers op de folies van de borst en de pyjamabroek, het DNA van de verdachte betreft.

3.4.

Feit 2 subsidiair: het plegen van ontuchtige handelingen met Nicky Verstappen

3.4.1.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

Zoals hiervoor reeds naar voren is gekomen, hebben de advocaten-generaal zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat het door hen voorgehouden bewijs de gevolgtrekking kan en moet dragen dat sprake is van de onder 2 primair tenlastegelegde betrokkenheid bij het betasten van het geslachtsdeel en de schaamstreek en van het seksueel binnendringen van Nicky Verstappen.
De advocaten-generaal hebben zich niet expliciet uitgelaten over het onder 2 subsidiair tenlastegelegde feit, indien het hof niet zou concluderen tot een bewezenverklaring van het onder 2 primair tenlastegelegde seksueel binnendringen.

3.4.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep naar voren gebracht dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bestaat voor een veroordeling voor het betasten van Nicky Verstappen. De houding waarin en de plek waar het lichaam is aangetroffen, geven geen enkele informatie over de beantwoording van de vraag of Nicky Verstappen is betast. Ook de toestand van de kleding zegt niets, aldus de verdediging. Er kunnen geen conclusies worden verbonden aan het sporenbeeld en de plaats waar de mosdeeltjes pas veel later zijn aangetroffen (het hof begrijpt: op het lichaam en de kleding van het slachtoffer). Hetzelfde geldt voor de haar (het hof begrijpt: die is veiliggesteld vanaf de onderbroek van het slachtoffer) die het Openbaar Ministerie heeft genoemd. Deze bevindingen kunnen niet als bewijsmiddel worden gebruikt. Daarbij komt dat het sporenbeeld op de plaats delict (het hof begrijpt: plaats van het aantreffen van het slachtoffer) maagdelijk is en tegenspreekt dat daar een bruut misdrijf heeft plaatsgevonden, zo stelt de verdediging.

3.4.3.

Het oordeel van het hof

Nicky Verstappen werd op maandagochtend 10 augustus 1998 om 05.30 uur voor het laatst gezien door tentgenoot [tentgenoot 4] .181 Het slachtoffer werd op dinsdagavond 11 augustus 1998, omstreeks 21.00 uur, levenloos aangetroffen, gekleed in een rode pyjamabroek en een donkerblauwe onderbroek, die binnenstebuiten en achterstevoren waren gekeerd.182

Het hof gaat ervan uit dat het slachtoffer zijn pyjamabroek en onderbroek voorafgaand aan zijn vermissing op de normale wijze droeg en ziet geen enkele reden daaraan te twijfelen.

Zo heeft tentgenoot [tentgenoot 4] over Nicky Verstappen verklaard dat hij op zondagavond 9 augustus 1998, de avond voorafgaand aan zijn vermissing op maandagochtend 10 augustus 1998, dezelfde rode pyjamabroek aanhad als in de nacht van 8 op 9 augustus 1998 en dat hij een blote buik had.183 Hij heeft daarbij geen melding gemaakt van het feit dat het slachtoffer zijn pyjamabroek binnenstebuiten en achterstevoren droeg.

Daarnaast heeft de [moeder van Nicky Verstappen] , verklaard dat Nicky niet nonchalant was in het dragen van kleding. Zij kan zich nog herinneren dat hij een keer na het douchen zijn onderbroek achterstevoren droeg. Hij bemerkte dit toen zelf ook en trok vervolgens zijn onderbroek op de juiste wijze aan. Zij kan zich niet herinneren dat zij ooit heeft gezien dat hij, behoudens die ene keer, kleding, achterstevoren en/of linksom (het hof begrijpt: binnenstebuiten) droeg. De [vader van Nicky Verstappen] , heeft verklaard dat hetgeen de moeder van Nicky verklaarde overeenkwam met zijn verklaring.184

Op basis van het voorgaande gaat het hof ervan uit dat het slachtoffer zijn onderbroek en pyjamabroek voorafgaand aan zijn vermissing op de normale wijze droeg. Tevens kan naar het oordeel van het hof worden geconcludeerd dat Nicky Verstappen tussen het moment van zijn vermissing en het aantreffen van zijn lichaam geheel ontkleed is geweest. Anders dan de verdediging is het hof van oordeel dat die omstandigheid erop duidt dat de persoon die Nicky Verstappen heeft ontkleed of heeft laten ontkleden, mede gelet op hetgeen in de volgende alinea wordt overwogen, een seksueel motief had.

Vervolgens ziet het hof zich gesteld voor de vraag wie die persoon is geweest. Het hof heeft onder 3.3. vastgesteld dat op meerdere plekken in en op de onderbroek van het slachtoffer biologische contactsporen en aanwijzingen op de aanwezigheid van speeksel van de verdachte zijn aangetroffen. Het celmateriaal van de verdachte is met name op de tailleband en op het voorpand aan de binnenzijde van de onderbroek aangetroffen.185 Zoals hiervoor is overwogen, gaat het hof ervan uit dat het slachtoffer zijn onderbroek voorafgaand aan zijn vermissing op de normale wijze droeg. Dit betekent dat de binnenzijde van het voorpand van de onderbroek zich bevond bij de penis, althans de schaamstreek, van het slachtoffer. Daarnaast zijn biologische sporen van de verdachte aangetroffen aan de binnenzijde van het achterpand van de onderbroek, die zich bij het gebruikelijk dragen van de onderbroek bij de anus, althans de billen, van het slachtoffer bevond. Voorts zijn aan de buitenzijde van het voor- en achterpand van de onderbroek biologische sporen van de verdachte aangetroffen. De buitenzijde van het voor- en achterpand van de onderbroek bevonden zich bij het aantreffen van het lichaam van het slachtoffer bij de anus, althans de billen, respectievelijk de penis, althans de schaamstreek, van het slachtoffer.186 Het hof merkt daarbij op dat in algemene zin het aantreffen van DNA-sporen van een persoon op meer locaties op een voorwerp beter past bij een langdurig en/of intensief contact dan bij een eenmalig oppervlakkig contact.187 Voorts is vanaf de onderbroek van het slachtoffer een humane haar van de verdachte veiliggesteld. Die omstandigheid duidt erop dat de verdachte, op het moment dat het slachtoffer in ieder geval van zijn pyjamabroek was ontdaan, in de nabijheid van het slachtoffer is geweest. Het hof is van oordeel dat het hiervoor beschreven sporenbeeld duidt op (gerichte) handelingen met een seksueel motief en stelt vast dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte met zijn hand(en) de (blote) penis en/of anus, althans de schaamstreek en/of billen, van Nicky Verstappen heeft betast.

Het hof ziet geen enkele aanleiding om te veronderstellen dat een ander dan de verdachte de ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd. Daartoe overweegt het hof als volgt. Van het celmateriaal in de bemonstering [ABR035]#21 van de onderbroek van Nicky Verstappen is een DNA-profiel verkregen, met een berekende frequentie van kleiner dan één op één miljard. Dit DNA-profiel is in de DNA-databank voor strafzaken opgenomen als onbekende man 3. Bij vergelijking van het DNA-profiel van onbekende man 3 met alle overige DNA-profielen van de onderzochte biologische sporen in deze zaak zijn geen aanwijzingen verkregen op de aanwezigheid van meer celmateriaal van onbekende man 3. Het celmateriaal in de bemonstering [ABR035]#21 van onbekende man 3 is aangetroffen op het bovendeel van de binnenzijde van het achterpand van de onderbroek van het slachtoffer. Door het NFI kon niet worden vastgesteld of dit DNA-spoor een relatie tot de zaak heeft en evenmin kon worden aangegeven op welk moment het spoor op de kleding van het slachtoffer is terechtgekomen. Het gevonden spoor kan bijvoorbeeld door een onschuldig contact voor het overlijden op de kleding van het slachtoffer zijn terechtgekomen en kan eveneens na het overlijden bij het medisch/forensisch onderzoek op de kleding zijn gekomen.188
Er zijn derhalve geen technische bevindingen die erop duiden dat het betreffende spoor kan worden gerelateerd aan het delict als onder 2 subsidiair tenlastegelegd. Voorts zijn er geen tactische bevindingen die erop duiden dat de donor van dat spoor, onbekende man 3, betrokkenheid bij dat feit heeft gehad. Daarbij merkt het hof op dat het enkele spoor dat van onbekende man 3 is aangetroffen niet in verhouding staat tot de (grote) hoeveelheid en diversiteit aan biologische sporen die van de verdachte in en op de onderbroek van het slachtoffer zijn aangetroffen. Daarbij memoreert het hof tevens dat er zowel biologische contactsporen als aanwijzingen op de aanwezigheid van speeksel van de verdachte zijn gevonden. Voorts zijn er huidschilfers van de verdachte op de borst en pyjamabroek van het slachtoffer aangetroffen. Ook zijn vanaf de pyjamabroek van het slachtoffer een haar en een haardeel van de verdachte veiliggesteld. Tot slot is vanaf de onderbroek van Nicky een haar van de verdachte veiliggesteld. Derhalve is het hof van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat de aangetroffen biologische sporen van de verdachte in relatie staan tot het plegen van (een) ontuchtige handeling(en) met Nicky Verstappen. Het enkele aangetroffen spoor van onbekende man 3 maakt dat niet anders.

Voorts weegt het hof mee dat de verdachte in maart 2018 vanuit Frankrijk naar Nederland zou komen om in het onderzoek naar de dood van Nicky Verstappen zijn DNA af te staan, maar dat hij kort daarvoor – eind februari 2018 – vanuit Frankrijk naar Spanje is gevlucht, zoals hierna onder het kopje ‘6. De vlucht van de verdachte’ zal worden overwogen. Het hof acht die tactische bevinding redengevend voor het feit dat de verdachte niet in verband wenste te worden gebracht met de hiervoor omschreven sporen.

Met de verdediging acht het hof de houding waarin en de plek waar het lichaam van het slachtoffer is aangetroffen niet redengevend voor de vaststelling dat Nicky Verstappen is betast. Ook is het hof – overeenkomstig de verdediging – van oordeel dat de plaats waar de mosdeeltjes op het lichaam en de kleding van het slachtoffer pas veel later zijn aangetroffen, daaraan niet kan bijdragen. Het hof erkent dat het sporenbeeld op de plaats waar Nicky Verstappen werd aangetroffen maagdelijk is, maar is van oordeel dat niet behoeft te worden vastgesteld dat het onder 2 subsidiair tenlastegelegde feit aldaar heeft plaatsgevonden. Het hof neemt in aanmerking dat het lichaam van Nicky Verstappen is aangetroffen op een afstand van ongeveer 1200 meter van camping ‘ [naam kampeerterrein] ’ en heeft daarom geen enkele reden te veronderstellen dat (het lichaam van) Nicky Verstappen tussen het moment van zijn vermissing en het aantreffen van zijn lichaam de Brunssummerheide, een natuurgebied in de gemeenten Landgraaf, Brunssum en Heerlen, heeft verlaten.

3.4.4.

Tussenconclusie

Bovengenoemde feiten en omstandigheden rechtvaardigen het vermoeden dat de verdachte zich in de periode van 10 augustus 1998 tot en met 11 augustus 1998 in de gemeente(n) Landgraaf en/of Brunssum en/of Heerlen, in elk geval in Nederland, heeft schuldig gemaakt aan het buiten echt plegen van een of meer ontuchtige handeling(en) met Nicky Verstappen.

3.5.

De verklaring van de verdachte

3.5.1.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De advocaten-generaal hebben ter terechtzitting in hoger beroep naar voren gebracht dat zij van oordeel zijn dat de verklaring die de verdachte uiteindelijk heeft afgelegd en de antwoorden die de verdachte heeft gegeven, het bewijsoordeel zoals door het Openbaar Ministerie gegeven, niet doen kantelen. Het tegendeel is juist aan de orde; zijn verklaring is niet aan te merken als een aannemelijke alternatieve verklaring en is op onderdelen zelfs volstrekt ongeloofwaardig. Daarbij komt dat de verdachte op voor de hand liggende vragen nog steeds geen of een onduidelijk antwoord heeft gegeven. Het zwijgen van de verdachte naar aanleiding van vragen die relevant zijn voor het verklaren van de aangetroffen DNA-sporen mag en kan een rol spelen in de bewijsconstructie, nu het aanwezige bewijs de gevolgtrekking kan dragen dat sprake is van de tenlastegelegde betrokkenheid van de verdachte bij de aan hem verweten strafbare feiten. Daarbij hebben de advocaten-generaal ook het moment van verklaren meegenomen in hun oordeel.

Samengevat hebben de advocaten-generaal het feit dat de verdachte op veel vragen geen antwoord heeft willen geven betrokken bij het bewijsoordeel. In die zin werken de gegeven antwoorden en het zwijgen door naar het oordeel over het wettig en overtuigend bewijs voor het zedendelict, waaronder anale penetratie, de wederrechtelijke vrijheidsberoving en het levensdelict, te weten gekwalificeerde doodslag.

3.5.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep de vraag opgeworpen of het beroep op het zwijgrecht door de verdachte een aanwijzing voor schuld betreft. Het verzoek van de verdediging is om geen bovenmenselijke eisen aan de verdachte te stellen, nu het menselijke geheugen zijn beperkingen kent. Het was mede hierin gelegen dat de raadsman de verdachte in eerste aanleg veelvuldig heeft geadviseerd gebruik te maken van zijn zwijgrecht. De verdachte heeft na zijn videoboodschap voor een relatief groot deel andere vragen niet beantwoord, omdat hij over de kern van de zaak had gesproken en dat zijn wens was. Voor het overige zweeg hij op advies van zijn raadsman en daar dient hem geen verwijt van te worden gemaakt, aldus de verdediging. De vragen die werden gesteld, waren deels vragen waarvan eenieder weet dat je die onmogelijk vanuit je geheugen kan beantwoorden. De verdachte heeft in hoger beroep, mede op aangeven van het Openbaar Ministerie, een andere houding aangenomen. Elk detail dat de verdachte heeft verteld, kan kloppen. Er is geen sprake van een goede leugen of een aangepaste verklaring, maar van het verhaal van de verdachte. Zo zijn er aanwijzingen dat Nicky Verstappen daadwerkelijk is omgedraaid, zoals de verdachte heeft verklaard. De verdediging heeft in dit verband gewezen op de omstandigheid dat er urine aan de voorkant van de broek van het slachtoffer is gevonden, die zich niet heeft verspreid naar de onder-/achterkant van de broek. Ook zijn zowel aan de voor- als achterkant van de pyjamabroek van het slachtoffer vergeet-mij-niet-kelkjes gevonden, was op de vindplaats sprake van verschoven begroeiing bij de voeten van Nicky Verstappen en was de aarde onder zijn hakken iets verschoven. De verdachte heeft in hoger beroep zijn standpunt overeenkomstig zijn eerdere verklaring naar voren gebracht, maar kon daarbij gedetailleerder zijn. De verdediging is van mening dat er aanwijzingen zijn die duiden op de onschuld van de verdachte.

3.5.3.

De proceshouding van de verdachte gedurende de onderzoeksperiode en de procedures bij de rechtbank en het hof

3.5.3.1. Het beroep op het zwijgrecht in de verhoren door de politie

De verdachte is in de onderzoeksperiode vele malen door de politie gehoord en hem is telkens uitdrukkelijk de gelegenheid geboden een verklaring af te leggen. In die verhoren heeft de verdachte zich echter, behoudens de verklaring dat hij Nicky Verstappen niet heeft meegenomen, niet seksueel heeft misbruikt en niet om het leven heeft gebracht,189 telkens beroepen op zijn zwijgrecht.

3.5.3.2. De proceshouding van de verdachte in eerste aanleg

Bij de raadkamer gevangenhouding op 20 september 2018 heeft de verdachte aangekondigd dat er wel een moment komt dat hij iets wil zeggen en dat hij de stukken samen met zijn raadsman bekijkt. Hij heeft verklaard dat hij niets meer wil zeggen.

Op de terechtzitting van 12 december 2018 heeft de verdachte verklaard dat hij niet de persoon is die Nicky Verstappen heeft ontvoerd, ontucht met hem heeft gepleegd en van het leven heeft beroofd. Op de vraag of de verdachte op de terechtzitting duidelijkheid kan en wil geven over de vraag die met name de ouders en de zus van Nicky Verstappen al meer dan 20 jaar bezighoudt, te weten wat er eigenlijk is gebeurd in de uren voorafgaand aan het vinden van Nicky, heeft de verdachte geantwoord dat hij met zijn raadsman heeft afgesproken dat hij daarover vooralsnog geen opmerkingen (het hof begrijpt: gaat maken) of een verklaring gaat geven. Voorts heeft de verdachte verklaard dat hij niet kan zeggen wanneer het moment komt waarop hij er wel iets over kan zeggen. Nadat aan de verdachte is voorgehouden dat hij bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat hij zal verklaren als de tijd rijp is en dat de tijd rijp is als alles volledig begrepen wordt, heeft de verdachte verklaard dat hij nog weet dat hij dat heeft verklaard, maar dat hij niet weet wat hij bedoelt met als “alles volledig begrepen wordt”. Hij heeft verklaard dat door hem alles moet worden begrepen en dat hij met zijn raadsman heeft afgesproken dat hij op dat moment nog geen verklaring aflegt.

Ter terechtzitting van 5 juni 2019 heeft de verdachte, naar aanleiding van een vraag over een opmerking in het PBC-rapport dat hij een verklaring op papier heeft gesteld die bij zijn raadsman ligt, naar voren gebracht dat zoals de zaak er dan bijstaat, hij nog niet van plan is die verklaring te gaan geven. Tot dan toe heeft hij het idee dat zijn raadsman en hij worden belemmerd in de verdediging en de mogelijkheden om te verdedigen. De verdachte heeft verklaard dat die verklaring dan een troef achter de hand is, die zij ook moeten houden. De verdachte heeft te kennen gegeven dat hij op de terechtzitting van 5 juni 2019 niet wenst te verklaren. De voorzitter van de rechtbank heeft daarop benadrukt dat de verdachte te allen tijde wordt uitgenodigd om een verklaring af te leggen en dat als hij hier langer mee wacht, dit gevolgen kan hebben voor de waarde die aan die verklaring wordt toegekend.

Ter terechtzitting van 27 augustus 2019 heeft de verdachte op de vraag of hij al een verklaring heeft afgelegd, geantwoord dat hij nog niets heeft verklaard.

Op de terechtzitting van 20 november 2019 heeft de verdachte zijn reeds eerder bij de politie afgelegde verklaring, inhoudende dat hij Nicky Verstappen niet heeft ontvoerd, hem niet heeft misbruikt en hem niet om het leven heeft gebracht, herhaald en verklaard dat hij met de feiten die hem worden verweten niets heeft te maken. Voor het overige wenst hij zich te beroepen op zijn zwijgrecht. Op de vraag van de voorzitter van de rechtbank heeft hij verklaard dat hij met zijn raadsman zal overleggen of de rechtbank zijn schriftelijke verklaring, waarvan het hof begrijpt dat het gaat om een verklaring die de verdachte naar eigen zeggen heeft opgesteld en die bij zijn raadsman ligt, nog krijgt. Op de vraag of hij iets kan zeggen over hoe hij denkt dat zijn sporen op de kleding en het lichaam van Nicky Verstappen zijn terechtgekomen, heeft hij geantwoord dat hij op dat moment gebruikmaakt van zijn zwijgrecht en dat hij niet weet of er een moment komt waarop hij daar anders over denkt. Aan de verdachte is voorgehouden dat hij de sleutel van zijn celdeur in eigen hand heeft en dat als hij een plausibele verklaring kan geven over hoe zijn DNA op legale wijze op de folies van het lichaam van Nicky Verstappen is terechtgekomen, de rechtbank dan misschien geen reden meer heeft om hem vast te houden. De verdachte heeft daarop gebruikgemaakt van zijn zwijgrecht. De verdachte heeft verklaard dat het hem ook duidelijk is dat zijn visie over hoe zijn DNA op de kleding is terechtgekomen ontbreekt.

Voorts heeft de verdachte op de terechtzittingen van 10 februari 2020 en 6 mei 2020 naar voren gebracht dat hij geen verklaring wil afleggen of inbrengen respectievelijk dat hij niets heeft toe te voegen aan de woorden van zijn raadsman. Ook op de terechtzitting van 24 juli 2020 heeft de verdachte desgevraagd te kennen gegeven dat er van zijn kant geen nadere stukken komen en heeft hij verklaard niets te willen toevoegen aan hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht.

Op de terechtzittingen van 28 en 29 september, 5, 7, 8, 12 en 16 oktober en 20 november 2020 heeft de inhoudelijke behandeling van de zaak tegen de verdachte bij de rechtbank plaatsgevonden. De verdachte heeft op de terechtzitting van 28 september 2020, inmiddels meer dan twee jaren na zijn aanhouding en nadat uitgebreid onderzoek had plaatsgevonden, een verklaring afgelegd. De verdachte heeft verklaard dat hij door de spanning niet zo gemakkelijk in het openbaar spreekt, dat hij een verklaring heeft opgenomen en daarnaar verwijst. Dit is de verklaring waarover hij eerder heeft verklaard, die hij lang geleden heeft opgesteld en nu heeft vastgelegd op beeld. De verdachte heeft verklaard dat hij die verklaring in het begin heeft opgesteld, zonder kennisname van het dossier. Op advies van en in overleg met zijn raadsman is hij niet eerder met die verklaring gekomen. De videoboodschap is ter terechtzitting in eerste aanleg afgespeeld en in die boodschap heeft de verdachte het volgende verklaard:

Ik wil vandaag een korte verklaring afleggen. Ik heb al eerder gezegd dat ik niets van doen heb met de ontvoering, het vermeende misbruik en de dood van Nicky Verstappen. Ik loop al heel lang met een geheim rond. Ik heb hier nog nooit met iemand over gesproken. Hoe langer ik dat geheim met me mee droeg/draag, hoe moeilijker het werd/is om daar iets mee te doen. Vandaag is wel het moment om daar iets mee te doen. Ik ga daar wel over praten. Maar eerst wil ik nog even iets kwijt over mijn eigen persoon. Ik ben niet zo’n prater, zeker niet onder druk, ik ben introvert, ik praat niet zo graag over mezelf. (...)190 Ik heb dus nu besloten om wel te gaan verklaren en daar heb ik enkele redenen voor. Eén van de redenen is dat één van de rechters, de rechtbank, duidelijk maakte dat als ik mijn DNA kan verklaren, dat ik dan de sleutel heb van mijn cel. Tweede punt is dat de ouders recht hebben om te weten wat er nu gebeurd is en het stukje dat ik daarvan weet, wil ik nu vertellen. Bij het eerste verhoor zei de rechter: “Je hebt wisselende verklaringen afgelegd voor zaken uit midden jaren ‘80 en dat is één van de redenen dat je nog vastzit”.

Het was een mooie zomer in ‘98 en ik was er iedere dag op uit, de natuur in, genieten van de dag. Zo ook die dag/dagen. 191 Aan de bosrand ben ik gestopt voor een kleine boodschap en mijn aandacht werd getrokken door iets, iets in de verte. Nieuwsgierig als ik ben, ben ik daarnaartoe gegaan, om te kijken wat dat nou zou kunnen zijn. Toen ik dichterbij kwam, zag ik iets liggen, een persoon. Ik ben zo snel mogelijk als ik kon over het hek geklommen. Het was een kind. Ik heb gezocht naar ademhaling. Ik heb geluisterd of er een hartslag was. Ik heb hem aangeraakt over de kleding. Hij was overleden. Ik weet niet hoe lang ik heb gezeten op die plek. Ik wist niet meer wat ik moest doen. Melden, naar de politie, maar wie zou mij geloven? Ik had een verleden. Het bleef maar malen in mijn hoofd, ik wist het niet, ik wist niet wat ik moest doen. Op een bepaald moment bekroop mij het gevoel dat ik bekeken werd. Ik ben zo snel mogelijk van die plek weggegaan, terug naar huis. Ik heb met niemand erover gesproken, ik heb niks gemeld. Daarna, uren daarna, niets ging meer, ik wist gewoon niet meer wat ik doen moest. Ik ben gaan fietsen om na te denken. Ik dacht als je bezig blijft, dan zal het wel verlopen. Ik had nog post liggen en die heb ik meegenomen. Ik dacht die ga ik posten. Mijn gedachten bleven hangen bij dat kind. In de media het nieuws: jongen vermist, nog steeds niet gevonden. Het kon gewoon niet zijn dat ik niet ging melden waar het kind was. Het was al laat, maar toch ben ik de hei opgefietst om te gaan melden waar ik het kind had gevonden. Toen ik aangehouden werd op de hei, toen bleek dat het kind gevonden was. De noodzaak om te melden dat ik hem ook gevonden had, was er niet meer. Ik heb niets gezegd. Ik heb fouten gemaakt in het verleden, foute beslissingen. Die kan ik niet meer veranderen, zo is het gelopen. Ik heb lang gebruikgemaakt van het zwijgrecht, daarom is het goed dat ik nu mijn verhaal doe. De ouders hebben recht op dit stukje verhaal”.

Na het tonen van de videoboodschap heeft de verdachte verklaard dat het geheel voor hem één grote chaos, één grote ellende, is. De verdachte heeft naar voren gebracht dat de verklaring die hij heeft opgenomen en die is afgespeeld, de verklaring is die hij heeft opgeschreven toen hij net vastzat. De papieren versie is er ook nog.

In aanvulling op de videoboodschap heeft de verdachte verklaard dat hij die dag, waarvan hij niet weet welke dag het was, een behoorlijk eind wilde gaan fietsen en dat hij echt vroeg is vertrokken. Hij heeft verklaard dat hij het kind bij daglicht, aan het begin van de dag, heeft gevonden. Het was mooi weer. De verdachte was op de fiets en kwam vanaf de Grote Heiweg en ging in de richting van het monumentje, rechtsaf bij de kruising Grote Heiweg. Hij kan de plek waar hij een plas deed, aanwijzen. Dat is het stuk aan de bosrand van waaruit hij de plek kon zien. Dat is niet gelegen bij het monumentje, maar aan de andere rand, de rand van het bos waar zij ook zijn geweest bij de schouw. De verdachte heeft verklaard dat hij bij de dikste boom die daar staat, is gaan plassen. Hij had uitzicht op struiken en het veld. Op de vraag van de raadsman of wat hij heeft gezegd over de plaats waar hij heeft geplast, bij de dikke boom, iets is dat hij zich herinnert los van de schouw en zitting of dat hij het zich herinnert naar aanleiding van de schouw, heeft de verdachte geantwoord dat hij heeft gezegd dat het een dikke boom is, zoals hij bij de schouw heeft gezien. Door de schouw weet hij nu dat dat de dikste boom is. Hij herinnert het zich dus niet; het was bij een boom. De verdachte heeft, op de vraag wat zijn aandacht trok, verklaard dat hij niks precies zag. Hij weet niet wat zijn aandacht trok. Hij heeft verklaard: “Je staat wat te kijken, dan heb je het idee: o, er is iets, wat is dat?”. Hij zou niet meer weten wat het was, maar het was voldoende om hem nieuwsgierig te maken. Zijn aandacht werd vanaf de bosrand getrokken door iets in de verte, in die strook met dennen/sparren, op ongeveer 30 meter afstand. Hij heeft Nicky Verstappen aangetroffen op de plaats waar zij tijdens de schouw hebben stilgestaan, achter het hek met prikkeldraad; het sparrenperceel, gemarkeerd met een oranje pilon. Als hij daar is gevonden, heeft de verdachte hem daar ook aangetroffen. Daar is hij over het hek gestapt, zo heeft de verdachte verklaard.

Op de vraag of hij kan beschrijven hoe Nicky Verstappen eruit zag, heeft de verdachte verklaard dat zijn bovenlijf ontbloot was en dat hij een rode broek aanhad. De verdachte zag helemaal niets van een beschadiging aan het lichaam; hij was helemaal gaaf.

Op de vraag van de voorzitter van de rechtbank aan de verdachte hoe Nicky Verstappen erbij lag, begon de verdachte te verklaren, maar werd toen onderbroken door zijn raadsman. De verdachte heeft daarop verklaard dat hij wenst te overleggen met zijn raadsman, op diens advies. Na een onderbreking van het onderzoek ter terechtzitting is door de officier van justitie nogmaals aan de verdachte gevraagd hoe Nicky Verstappen erbij lag. Daarop heeft de verdachte verklaard dat dat dus van die dingen zijn die hij niet meer precies weet en hij derhalve gebruikmaakt van zijn zwijgrecht op verdere vragen. Op vragen van de oudste rechter heeft de verdachte verklaard dat hij een kind zag liggen, maar niet kan zeggen hoe. Voor de rest is het één grote waas.

De verdachte heeft verklaard dat hij naar zijn beste herinnering verklaart over zijn handelingen bij Nicky Verstappen en heeft geprobeerd om daarin een logische volgorde te maken.
De verdachte heeft verklaard dat hij hem rechter heeft gelegd, op zijn rug. Volgens de verdachte lag hij meer op zijn buik. De verdachte heeft hem omgedraaid, maar hij weet niet of hij helemaal op zijn buik lag, deels op zijn buik. Hij lag niet op zijn rug. De verdachte heeft hem omgedraaid en één been gestrekt. Hij heeft hem naar zijn rug gedraaid. Dat was voordat hij luisterde naar zijn hartslag. De verdachte heeft verklaard dat hij gelooft dat hij eerst is gaan kijken naar de ademhaling.
Hij weet nog dat hij heeft gehandeld om te kijken of hij iets kon doen, om te kijken of Nicky nog leefde. De verdachte heeft verklaard dat hij de ademhaling van Nicky bij zijn mond heeft gecontroleerd; hij heeft dat zelfs met zijn wang geprobeerd, omdat hij dan misschien meer kon hebben gevoeld. Naderhand heeft hij zijn oren op zijn borst gelegd om naar de hartslag te luisteren. Hij hoorde niets. Nicky was overleden. De verdachte heeft lang geluisterd naar hartslag, minstens een minuut.
De verdachte heeft aanvankelijk ter terechtzitting verklaard dat hij niet op een andere plek heeft gevoeld. Op een later moment op de terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat hij niet meer zou weten of hij met zijn handen heeft gevoeld of op andere plekken. Hij denkt dat het zo was dat hij zijn wang op de mond heeft gehouden.

De verdachte heeft verklaard dat hij erbij heeft gezeten en de kleren van Nicky Verstappen waarschijnlijk heeft gefatsoeneerd; hij heeft die een beetje rechtgetrokken. Hij heeft de kleren gefatsoeneerd toen hij er zat en het idee had dat Nicky was overleden. Hij heeft de rode pyjamabroek van Nicky waarschijnlijk rechtgetrokken, schoongemaakt en blaadjes weggeveegd, zoiets. Hij heeft Nicky netter proberen neer te leggen. Op de vraag waarom de verdachte blaadjes heeft weggeveegd en Nicky netter heeft gelegd, heeft de verdachte verklaard dat hij niets meer kon doen; hij kon niets meer voor hem betekenen.

Voorts heeft de verdachte verklaard dat hij zich op een gegeven moment bekeken voelde toen hij naast Nicky Verstappen zat en dat hij denkt dat dat door iemand was. Hij weet niet van welke kant hij zich bekeken voelde; het is een gevoel dat hem bekroop. Hij denkt dat hij ervan uitging dat het een mens was. Hij zou niet weten waarom of waardoor. Dat was zijn gevoel. Hij wilde weg omdat de angst hem bekroop en is zo snel mogelijk weggegaan van die plek.

Hij is op een andere plek over het hek gegaan, vlak in de buurt. De eerste plek was vrij moeilijk om overheen te stappen. Daar waren nogal wat struikgewas en doorns en het had niet te maken met de hoogte van het hek. Hij heeft er in elk geval niet voor gekozen om op dezelfde plek weer terug over het hek te gaan; het was een stuk verderop. Hij is naar zijn fiets gelopen en is rechtstreeks terug naar huis gegaan. Hij is als een gek naar huis gefietst. Dat duurde 40 à 45 minuten. Hij kwam in de ochtend thuis.

Met betrekking tot het niet direct melden dat hij het vermiste kind had gevonden, heeft de verdachte verklaard dat bij hem sprake was van angst en paniek, niet weten wat je moet doen en er niets mee te maken willen hebben. Hij merkt dit aan als een foute beslissing. Het is niet in hem opgekomen om het telefonisch te melden. Hij is (het hof begrijpt: in de avond van 11 augustus 1998, dan wel de nacht van 11 op 12 augustus 1998) naar de hei gefietst om het te gaan melden. Hij zag (het hof begrijpt: daar aangekomen) geen noodzaak meer te melden aan de leden van de Koninklijke Marechaussee dat hij Nicky Verstappen had gevonden, omdat hij immers al was gevonden. Op de vraag waarom hij in 2001 niet alsnog heeft gemeld dat hij Nicky Verstappen had aangetroffen, heeft de verdachte verklaard dat hij een verleden had. In het verleden is hem een keer door de politie gezegd: “Wat er ook gebeurt, we gaan jou dan vinden. Wat er ook gebeurt op dat gebied, we gaan jou vinden”. Dan word je bang, zo heeft de verdachte verklaard. De voorzitter van de rechtbank heeft daarop aan de verdachte gevraagd of hij dan de indruk had dat er een misdrijf was gepleegd met Nicky Verstappen waar de verdachte niet bij betrokken wilde raken. De verdachte heeft daarop verklaard dat hij alleen wist dat er een dood kind was en dat hij niet wist wat er met dat kind was gebeurd. Hij legde een relatie met zijn verleden, omdat bij dat verleden ook kinderen waren betrokken. Verder speelde mee dat hij zich bekeken voelde op een gegeven moment. Als er iemand was geweest, heeft die misschien gezien dat hij bij het jongetje was. Hij wilde er niet bij betrokken worden, aldus de verdachte.

Na een onderbreking van het onderzoek ter terechtzitting, waarbij de verdachte in de gelegenheid is gesteld overleg te voeren met zijn raadsman, heeft de verdachte verklaard dat hij tijd heeft gehad om erover na te denken en dat hetgeen hij op beeld heeft verklaard zijn verklaring is en dat is wat hij zeker weet. Alle andere dingen probeert hij in te vullen omdat hij zo graag wil meehelpen, maar hij is daar niet zeker van of het nu herinneringen betreft of wat anders om iets duidelijk te krijgen voor hemzelf of voor anderen. De verdachte heeft zich afgevraagd of hij het destijds goed op het netvlies heeft gehad en naar voren gebracht dat het allemaal vrij wazig was, één grote chaos. Hij gooit dingen door elkaar en weet niet wat echte herinnering is en waar de invulling gaat beginnen. Hij gooit te veel door elkaar en dat gaat hij niet meer doen. Vervolgens heeft de verdachte tijdens het voorhouden van het dossier bij herhaling verklaard dat hij geen vragen wil beantwoorden of dat hij zich onthoudt van commentaar. Hij heeft slechts verklaard dat hij niet weet hoe Nicky Verstappen is overleden, dat hij niets met zijn dood te maken heeft en dat hij Nicky Verstappen niet seksueel heeft misbruikt.

Op de tweede dag van de inhoudelijke behandeling bij de rechtbank, 29 september 2020, heeft de verdachte, nadat de rechtbank het voorhouden van het dossier heeft hervat, verklaard dat hij niet ingaat op vragen en zich onthoudt van elk commentaar. Zij (het hof begrijpt: de raadslieden en de verdachte) hebben besloten om de dag daarvoor voor het eerst een verklaring af te leggen en de verdachte wil het houden bij deze verklaring. Op de vraag of de verdachte kan verklaren hoe het spoor op de pyjamabroek en de sporen op de onderbroek van Nicky Verstappen die zijn te matchen aan de verdachte, de sporen in de vorm van huidschilfers en een match in de moederlijke lijn van de verdachte met aangetroffen haren/haardelen, alsmede aanwijzingen voor speeksel, op de aangetroffen plaatsen zijn terechtgekomen, heeft de verdachte verklaard dat hij blijft bij zijn verklaring zoals op 28 september 2020 afgelegd. Hij heeft daaraan niets toe te voegen. De verdachte heeft verklaard dat hij in zijn verklaring duidelijk genoeg heeft gemaakt dat zijn contact met Nicky Verstappen op de hei toen hij hem heeft gevonden, meer dan oppervlakkig is geweest. Hij heeft handelingen verricht en hem aangeraakt. Hij heeft het dan over de handelingen zoals hij op 28 september 2020 heeft verklaard. De verdachte heeft verklaard dat hij niet zou weten hoe zijn DNA op de binnenkant van de onderbroek van Nicky Verstappen is gekomen, maar dat hij wel de kleding heeft gecorrigeerd. Hij heeft verklaard dat hij niet meer kan verduidelijken wat hij toen heeft gedaan. De verdachte heeft verklaard dat het voor hem ook een vraag is hoe zijn DNA in mengprofielen met het DNA van Nicky Verstappen op plaatsen in de onderbroek van Nicky Verstappen is gekomen. Hij heeft verklaard dat hij helemaal niets heeft gelezen van het dossier.

3.5.3.3. De proceshouding van de verdachte in hoger beroep

In de fase van het hoger beroep is de verdachte tweemaal door de politie gehoord. Hij heeft zich in die verhoren op het overgrote deel van de vragen over de onderhavige feiten beroepen op zijn zwijgrecht. De verdachte heeft – voor zover hier relevant en in aanvulling op zijn eerdere verklaring – verklaard dat hij destijds een EHBO-diploma had en dat hij aanneemt dat hij heeft gehandeld volgens de EHBO (het hof begrijpt: richtlijnen).

Bij de inhoudelijke behandeling van de zaak tegen de verdachte op 10 november 2021 heeft de verdachte verklaard dat hij blijft bij zijn verklaring zoals afgelegd in de videoboodschap die ter terechtzitting in eerste aanleg van 28 september 2020 is getoond. Door de verdediging is ter terechtzitting in hoger beroep een tweede versie van die videoboodschap getoond. Het hof stelt vast dat de tweede versie in de kern overeenkomt met de eerste versie van de videoboodschap. Voorts heeft de verdachte verklaard dat hij op enig moment voorafgaand aan de eerste pro forma-zitting in eerste aanleg zijn verhaal en aantekeningen op papier heeft gezet. De verdachte heeft verklaard dat dat eigenlijk hetzelfde verhaal is als het verhaal dat hij in de videoboodschap heeft verteld. Het waren zijn herinneringen die hij voor zichzelf op papier heeft gezet en dat papier heeft hij aan zijn raadsman gegeven. De betreffende brief is door de verdediging aan het hof overgelegd. De brief heeft als aanhef “Geachte dhr. [raadsman 2]” en wordt afgesloten met “dhr. [verdachte]”. De brief beslaat twee pagina’s en is voor een groot deel zwart gelakt. In de brief staat het volgende leesbare deel vermeld:

en ik heb toen gekozen om iets rechts van het fietspad een zijpad in te rijden om daar te plassen. Ik keek uit op ‘n veld en om de een of andere reden werd m’n aandacht getrokken op het verderop gelegen sparrenbosje. Ik ben er toen naartoe gelopen en zag iets; dichterbij zag ik een kind liggen. Ik ben over de prikkeldraad geklommen en heb het kind omgedraaid dat op z’n buik lag in rugligging. Ik heb de ademhaling gecontroleerd bij de mond en ook m’n oor op de borstkas gelegd. Tot m’n schrik moest ik vaststellen dat het kind dood was. Het koude zweet brak me uit en ik weet niet hoe lang ik er gezeten heb, mijn tijd stond stil”.

Over zijn toestand heeft de verdachte verklaard dat hij met stomheid was geslagen toen hij het jongetje zag liggen. Door zijn raadsman gevraagd naar zijn emoties, heeft de verdachte verklaard dat er eerst een shock was en dat het onwerkelijk was, maar dat hij daarna handelde.

Met betrekking tot zijn handelingen heeft de verdachte verklaard dat hij, zoals hij zich het herinnert, het slachtoffer heeft omgedraaid, daarbij zijn kleding heeft aangeraakt en naderhand ook de kleding een beetje heeft gecorrigeerd en daarbij de kleding ook heeft aangeraakt. Hij heeft de kleding een beetje rechtgetrokken en een blaadje weggehaald. De verdachte heeft verklaard dat hij zowel Nicky Verstappen als diens kleding heeft aangeraakt en dat hij dan sporen nalaat.

Meer specifiek ten opzichte van zijn eerder afgelegde verklaring heeft de verdachte in hoger beroep ten aanzien van het draaien van het slachtoffer verklaard dat hij het slachtoffer bij zijn heup heeft gepakt en toen heeft omgedraaid. De verdachte heeft op de grond van de zittingszaal gedemonstreerd dat het slachtoffer op zijn buik lag, met zijn hoofd naar rechts gedraaid en het rechterbeen gebogen. De verdachte heeft verklaard dat hij aan de rugzijde van het slachtoffer is gaan zitten, heeft daarbij gewezen op de plek links naast het slachtoffer, dat wil zeggen aan de linkerzijde van het lichaam van het slachtoffer dat (deels) op zijn buik lag, en heeft verklaard dat hij het lichaam naar zich heeft toegedraaid. De verdachte heeft voorgedaan dat hij toen het rechterbeen van het slachtoffer heeft gestrekt. Nadat hem van de zijde van het Openbaar Ministerie meermalen is voorgehouden dat hij niet eerder heeft gesproken over het draaien bij de heup en na doorvragen over waaraan die herinnering is ontleend, heeft de verdachte zich hardop afgevraagd hoe hij het slachtoffer anders had moeten omdraaien. De verdachte heeft verklaard dat hij ervan uitgaat dat hij hem heeft gedraaid en daarbij heeft vastgehad aan de heup. Nadat van de zijde van het Openbaar Ministerie hem is voorgehouden dat de raadsman eerst bij pleidooi in eerste aanleg heeft geopperd dat de verdachte het slachtoffer bij de heup heeft gepakt, heeft de verdachte verklaard dat hij zich dat deel van het pleidooi van zijn raadsman niet kan herinneren. De verdachte heeft verklaard dat als hij de situatie terughaalt op zijn netvlies, hij zichzelf naast Nicky Verstappen ziet zitten, op de knie, dat hij hem heeft omgedraaid van links liggend naar draaiend op de rug. De verdachte heeft geen antwoord gegeven op de vraag of de jongen warm of koud aanvoelde.

Ten aanzien van het corrigeren van de kleding van het slachtoffer heeft de verdachte verklaard dat hij daarbij de pyjamabroek niet omlaag en omhoog heeft gedaan. In zijn herinnering heeft hij alleen de pyjamabroek aangeraakt. Voor zover hij weet, heeft de verdachte de onderbroek niet aangeraakt. De verdachte heeft verklaard dat hij 100% zeker weet dat hij niet met zijn hand in de onderbroek is geweest. De verdachte heeft verklaard dat hij geen verklaring heeft voor de van hem aangetroffen sporen in de onderbroek van het slachtoffer. Na doorvragen door zijn raadsman heeft de verdachte verklaard dat zijn DNA alleen maar op de onderbroek kan zijn terechtgekomen bij het ordenen/netjes maken van de kleding. Voor de rest heeft hij daar geen verklaring voor en weet hij het niet. De verdachte heeft – evenals in eerste aanleg – verklaard dat hij het dossier niet heeft gelezen.

3.5.4.

Het oordeel van het hof

3.5.4.1. De totstandkoming van de verklaring van de verdachte


Onder verwijzing naar de overweging onder 1.3.2. weegt het hof bij de beoordeling van de door de verdachte gegeven verklaring mee de omstandigheden waaronder en het moment en de wijze waarop deze tot stand is gekomen.

In de eerste plaats acht het hof het niet begrijpelijk dat de verdachte de vondst van het lichaam van Nicky Verstappen niet direct heeft gemeld bij de politie. De verdachte heeft immers verklaard dat hij helemaal niets zag van een beschadiging aan het lichaam en dat het lichaam helemaal gaaf was. De door de verdachte aangevoerde reden, dat bij hem sprake was van angst en paniek, omdat hij in het verleden door iemand van de politie is gewaarschuwd met de woorden: “Wat er ook gebeurt, we gaan jou dan vinden. Wat er ook gebeurt op dat gebied, we gaan jou vinden” en dat iemand hem mogelijk bij het jongetje had gezien, acht het hof daarvoor niet afdoende. De verdachte heeft immers verklaard dat hij niet wist wat er met Nicky Verstappen was gebeurd. Uit de inhoud van de verklaring van de verdachte leidt het hof af dat de verdachte niet de indruk had dat er een misdrijf – in welke vorm dan ook – jegens Nicky Verstappen was gepleegd. De verdachte wist naar eigen zeggen alleen dat het kind dood was. Het hof acht het in die lezing in de rede liggen dat hij (vrijwel) direct melding zou maken van het aantreffen van het lichaam van een jongen waarvan hij op het nieuws had gehoord dat deze vermist was. Het hof is van oordeel dat een melding en verklaring daarover een positieve bijdrage had kunnen leveren aan het onderzoek naar de dood van Nicky Verstappen. Er was voor de verdachte geen enkele aanleiding te veronderstellen dat hij daardoor in de problemen zou komen.

Ten tweede weegt het hof mee dat de verdachte pas bij de inhoudelijke behandeling van de zaak in eerste aanleg op 28 september 2020, door middel van een videoboodschap een inhoudelijke verklaring heeft afgelegd. Dat is meer dan twee jaren na zijn aanhouding. Gedurende die ruim twee jaren is uitvoerig onderzoek gedaan en de verdachte is zowel in de verhoren door de politie als ter terechtzitting in eerste aanleg ruimschoots in de gelegenheid gesteld zijn verhaal te doen.

De verdachte heeft in zijn videoboodschap twee redenen gegeven voor het afleggen van een verklaring op dat moment. De eerste reden die hij geeft is dat de rechtbank duidelijk had gemaakt dat hij de sleutel van zijn cel in eigen hand heeft, als hij zijn DNA kan verklaren. Het hof stelt daarvan vast dat dit aan de verdachte reeds op de terechtzitting van 20 november 2019 is voorgehouden. Het hof ziet daarom niet in waarom de verdachte op die terechtzitting of de daaropvolgende terechtzittingen van 10 februari 2020, 6 mei 2020 of 24 juli 2020 geen verklaring heeft afgelegd en daarmee ruim 10 maanden – tot 28 september 2020 – heeft gewacht.

De tweede reden om op 28 september 2020 een verklaring af te leggen is volgens de verdachte gelegen in het feit dat de ouders van Nicky Verstappen recht hebben om te weten wat er is gebeurd en dat hij dus wil verklaren over het stukje dat hij daarvan weet. Het hof stelt vast dat die reden om een verklaring af te leggen reeds bestond na de vondst van het lichaam van Nicky Verstappen in augustus 1998 en de jaren daaropvolgend, doch in ieder geval direct na zijn aanhouding in augustus 2018. Reeds in de verhoren door de politie is de verdachte daarop gewezen en ook op de terechtzitting in eerste aanleg van 12 december 2018 is aan de verdachte voorgehouden dat het de ouders en zus van Nicky Verstappen al meer dan 20 jaar bezighoudt wat er is gebeurd in de uren voorafgaand aan het vinden van zijn lichaam. Het hof stelt vast dat het dan ook niet anders kan zijn dan dat de verdachte zich reeds veel eerder dan 28 september 2020 bewust was van deze reden om te gaan verklaren. Het hof acht de twee door de verdachte genoemde redenen dan ook niet afdoende als verklaring voor het afleggen van een verklaring eerst op 28 september 2020.

In de derde plaats betrekt het hof bij zijn oordeel dat de verdachte door het afleggen van een verklaring in dit stadium de gelegenheid heeft gehad die verklaring af te stemmen op de inhoud van het dossier en de resultaten van het uitgebreide onderzoek. Het hof acht dit niet ten goede komen aan de geloofwaardigheid van zijn afgelegde verklaring, maar stelt tegelijkertijd dat dit echter niet vanzelfsprekend leidt tot de conclusie dat de inhoud van zijn verklaring niet juist kan zijn. Hoewel de verdachte ter terechtzittingen in eerste aanleg en hoger beroep heeft verklaard het dossier niet te hebben gelezen, zijn de resultaten van het onderzoek hem in de vele verhoren door de politie en op de terechtzittingen in eerste aanleg wel voorgehouden. Daarbij komt dat de raadslieden de beschikking hebben over het dossier en zij de gelegenheid hebben gehad om met de verdachte overleg te voeren over de inhoud van de stukken. Zo heeft de verdachte reeds bij een verhoor door de politie op 9 november 2018 verklaard dat hij samen met zijn raadsman bezig is met het lezen van dossierstukken.192 Daarnaast heeft de verdachte bij de raadkamer gevangenhouding op 20 september 2018 verklaard dat hij de stukken samen met zijn raadsman bekijkt en heeft hij op de terechtzitting in eerste aanleg van 5 juni 2019 ten overstaan van de rechtbank naar voren gebracht dat hij over het dossier kan verklaren dat hij via zijn advocaat hoort wat belangrijk is. Voorts heeft de raadsman van de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg van 6 mei 2020 in het kader van een verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte naar voren gebracht dat hij ook het BOB-dossier met de verdachte moet voorbereiden. Het hof stelt dan ook vast dat de verdachte en zijn raadslieden voorafgaand aan het tonen van de videoboodschap op 28 september 2020 van de gelegenheid gebruik hebben gemaakt om de inhoud van het dossier te bespreken. Zoals reeds overwogen, heeft de verdachte derhalve de gelegenheid gehad zijn verklaring af te stemmen op de inhoud van het dossier en de resultaten van het onderzoek.

Het vorenstaande noopt naar het oordeel van het hof tot extra behoedzaamheid bij de beoordeling van de verklaring van de verdachte.

3.5.4.2. De sporen van de verdachte op het lichaam en de kleding van het slachtoffer
Het hof stelt vast dat de verdachte heeft getracht een verklaring te geven voor het aantreffen van zijn biologische sporen op het lichaam en op en in de kleding van het slachtoffer.

Onder 3.3. heeft het hof vastgesteld dat vanaf de pyjamabroek een biologisch spoor van de verdachte is veiliggesteld en in en op de onderbroek van het slachtoffer biologische sporen van de verdachte zijn aangetroffen. Voorts is vastgesteld dat vanaf de pyjamabroek een humane haar en een humaan haardeel en vanaf de onderbroek een humane haar van de verdachte zijn veiliggesteld. Ook zijn de folies van de borst en de pyjamabroek van het slachtoffer onderzocht op de aanwezigheid van huidschilfers en heeft het hof vastgesteld dat het celmateriaal in de bemonsteringen van die folies afkomstig is van de verdachte.

Hoewel in de lezing van de verdachte (over het draaien van het slachtoffer van buikligging in rugligging, het controleren van het slachtoffer op ademhaling en hartslag en het nadien fatsoeneren van zijn kleding) het biologische spoor dat vanaf de pyjamabroek is veiliggesteld, de humane haar en het humane haardeel op de pyjamabroek en de huidschilfers op de borst en de pyjamabroek, telkens afkomstig van de verdachte, wellicht kunnen worden verklaard, stelt het hof vast dat de biologische sporen van de verdachte in en op de onderbroek van het slachtoffer en de humane haar van de verdachte die vanaf de onderbroek is veiliggesteld daardoor niet zonder meer kunnen worden verklaard.

Met verwijzing naar hetgeen is overwogen onder 3.4.3. stelt het hof vast dat het voor wat betreft de biologische sporen gaat om een grote hoeveelheid contactsporen en aanwijzingen op de aanwezigheid van speeksel van de verdachte. Deze biologische sporen van de verdachte zijn zowel aangetroffen aan de binnenzijde van het voor- en achterpand als aan de buitenzijde van het voor- en achterpand van de onderbroek van het slachtoffer. Het hof is – onder verwijzing naar hetgeen onder 1.3.2. is overwogen – van oordeel dat de verdachte voor die omstandigheden, die op zichzelf of in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd redengevend moeten worden geacht voor het bewijs van het onder 2 subsidiair aan hem tenlastegelegde feit, geen aannemelijke of redelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring heeft gegeven en overweegt daartoe het navolgende.

Verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] van de Technische Recherche hebben gerelateerd dat het slachtoffer bij het aantreffen van zijn lichaam op 11 augustus 1998, omstreeks 21.00 uur, uitsluitend een rode pyjamabroek met daaronder een donkerblauwe onderbroek droeg. Beide broeken waren binnenstebuiten gekeerd en uitgaande van de positie waarin het slachtoffer lag, bevonden de achterzijden van beide broeken zich aan de voorzijde. Voornoemde verbalisanten hebben daarbij verwezen naar foto’s van het aantreffen van het lichaam in het dossier.193

Op foto’s 38 tot en met 41 zijn de voorzijde en beide zijkanten van het lichaam van het slachtoffer te zien. Het hof stelt vast dat daarbij de onderbroek, die zich onder de pyjamabroek bevond, niet zichtbaar is en dat de band van de pyjamabroek zich relatief hoog en dicht onder de navel van het slachtoffer bevindt.194 Het hof gaat er bij gebrek aan aanwijzingen van het tegendeel vanuit dat de houding van het lichaam na het aantreffen op 11 augustus 1998, omstreeks 21.00 uur, niet is gewijzigd ten opzichte van de houding waarin de verdachte het slachtoffer volgens zijn verklaring heeft gelegd en achtergelaten. De verdachte heeft verklaard dat zijn DNA alleen op de onderbroek kan zijn terechtgekomen bij het ordenen van de kleding. Hij heeft verklaard dat hij bij het corrigeren van de kleding van het slachtoffer de pyjamabroek niet omlaag en omhoog heeft gedaan. Het hof ziet derhalve niet in hoe door die handelingen de biologische sporen van de verdachte aan de binnen- en buitenzijde van het achterpand van de onderbroek, welke zich bij aantreffen bij de penis, althans de schaamstreek, van het slachtoffer bevond, kunnen zijn terechtgekomen. Deze biologische sporen worden ook niet verklaard door een eventueel andere handeling van de verdachte nu hij heeft gezegd dat hij niet met zijn hand in de onderbroek is geweest.

Het hof stelt vast dat op de foto’s van het aantreffen van het lichaam de rugzijde van het slachtoffer niet is te zien. Het hof ziet geen aanleiding te veronderstellen dat de (tailleband van de) onderbroek van het slachtoffer zich aan de achterzijde van het lichaam boven de pyjamabroek bevond. De verdachte heeft daarvan ook geen melding gemaakt in zijn afgelegde verklaringen. In de lezing van de verdachte wordt niet verklaard hoe de biologische sporen van de verdachte aan de binnen- en buitenzijde van het voorpand van de onderbroek, die zich bij aantreffen bij de anus, althans de billen, van het slachtoffer bevond, zijn terechtgekomen.

Mocht de onderbroek zich desalniettemin aan de achterzijde van het lichaam van het slachtoffer wel boven de pyjamabroek hebben bevonden, dan overweegt het hof het volgende.

De sporen van de verdachte zouden in die lezing bij het draaien van het slachtoffer bij de heup op het voorpand van de onderbroek, welke zich bij aantreffen bij de anus, althans de billen, van het slachtoffer bevond, moeten zijn terechtgekomen. Met betrekking tot het draaien van het slachtoffer bij de heup merkt het hof op dat de verdachte eerst bij de inhoudelijke behandeling in hoger beroep op 10 november 2020 heeft verklaard dat hij het slachtoffer op die plek heeft aangeraakt bij het draaien van het lichaam. Het hof stelt vast dat de raadsman eerder bij pleidooi in eerste aanleg naar voren heeft gebracht dat je iemand omdraait bij de heupen en dat als iemand dan alleen een broek draagt, de handen al vrij snel tegen de onderbroek aanzitten. De raadsman heeft naar voren gebracht dat hij zich zelfs zou kunnen voorstellen dat je de tailleband van een broek (en daarbij tegelijkertijd de onderbroek) vastpakt om te proberen om daar de persoon om te draaien.195 De verdachte heeft weliswaar ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij zich dat deel van het pleidooi van zijn raadsman niet kan herinneren, maar heeft ook geen (afdoende) verklaring gegeven voor de omstandigheid dat hij hier eerst in hoger beroep over heeft verklaard.

Het hof stelt vast dat zich op de tailleband van de onderbroek van het slachtoffer weliswaar sporen van de verdachte bevinden, maar dat in deze lezing van het handelen van de verdachte niet kan worden verklaard dat zowel aan de binnen- als aan de buitenzijde van het voorpand van de onderbroek biologische sporen van de verdachte zijn aangetroffen. Daarbij neemt het hof voorts in aanmerking dat bij het omdraaien van het lichaam sprake is van een kort contactmoment, terwijl in algemene zin het aantreffen van DNA-sporen van een persoon op meer locaties op een voorwerp (het hof begrijpt in dit verband: de onderbroek) beter past bij een langdurig en/of intensief contact dan bij een eenmalig, oppervlakkig contact.196

Voorts kan in de lezing van de verdachte op geen enkele wijze worden verklaard dat vanaf de onderbroek van het slachtoffer een humane haar van de verdachte is veiliggesteld. De verdachte heeft immers verklaard dat hij bij het corrigeren van de kleding van het slachtoffer de pyjamabroek niet omlaag en omhoog heeft gedaan. Het hof ziet derhalve niet in hoe de haar van de verdachte op of in de onderbroek van het slachtoffer kan zijn terechtgekomen anders dan op het moment dat het slachtoffer was ontdaan van zijn pyjamabroek. Daarbij wordt voorts betrokken dat het hof onder 3.4.3. heeft geconcludeerd dat Nicky Verstappen tussen het moment van zijn vermissing en het aantreffen van zijn lichaam geheel ontkleed is geweest en dat die omstandigheid erop duidt dat de persoon die Nicky Verstappen heeft ontkleed of heeft laten ontkleden, mede gelet op de biologische contactsporen die op meerdere plekken op en in de onderbroek van het slachtoffer zijn aangetroffen, een seksueel motief had. Het hof stelt derhalve vast dat deze onderzoeksbevinding past bij het scenario dat de verdachte deze persoon is geweest.

3.5.4.3. De sporen op de plaats van het aantreffen van het lichaam van het slachtoffer

Voorts is het hof van oordeel dat de verklaring van de verdachte wordt weerlegd door objectieve onderzoeksbevindingen.

Zo hebben verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] van de Technische Recherche gerelateerd dat het slachtoffer bij het aantreffen van zijn lichaam op 11 augustus 1998, omstreeks 21.00 uur, op zijn rug lag, waarbij zijn beide benen vrijwel geheel waren gestrekt en waarbij het rechterbeen tegen en deels op het linkerbeen lag. De beide voeten lagen op de linkerkant dicht bij elkaar. Op die plaats was de begroeiing verschoven en was de aarde onder zijn hakken iets verschoven.197 Bij gebrek aan vermelding van overige verstoring van de begroeiing op de plaats van aantreffen van het lichaam van Nicky Verstappen, gaat het hof er met de verdediging van uit dat de begroeiing op die plaats verder intact was. Dit wordt bevestigd door foto’s van de plaats van aantreffen van het lichaam, waarnaar door de verbalisanten wordt verwezen.198 Op foto’s 38 en 39 is te zien dat de begroeiing rondom het lichaam van Nicky Verstappen niet verstoord is.199 Zoals eerder is overwogen, gaat het hof er bij gebreke van aanwijzingen van het tegendeel van uit dat de houding van het lichaam bij het aantreffen op 11 augustus 1998, omstreeks 21.00 uur, ongewijzigd is ten opzichte van de houding waarin de verdachte verklaart het slachtoffer te hebben gelegd en achtergelaten. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep op de grond van de zittingszaal gedemonstreerd dat het slachtoffer op zijn buik lag en heeft verklaard dat hij aan de rugzijde van het slachtoffer is gaan zitten. De verdachte heeft daarbij gewezen op de plek links naast het slachtoffer, dat wil zeggen aan de linkerzijde van het lichaam van het slachtoffer dat (deels) op zijn buik lag, en verklaard dat hij het lichaam naar zich heeft toegedraaid.

Het hof stelt vast dat zowel rechts naast het lichaam van het slachtoffer, waar hij eerder in buikligging zou hebben gelegen, als links naast het lichaam, waar de verdachte bij het slachtoffer zou hebben gezeten, geen verstoring in de begroeiing is te zien. Meer specifiek is op foto 38 te zien dat zich dichtbij het linkerscheenbeen van het slachtoffer een opstaande plant bevindt.200 Het hof ziet niet in hoe het kan zijn dat in de lezing van de verdachte de begroeiing van die specifieke plant, alsook de overige begroeiing op die plaats van aantreffen van het lichaam van het slachtoffer, door het eerder daar in buikligging liggen van het slachtoffer en/of het draaien van het lichaam op die plek niet is verstoord. Het hof stelt vast dat de verklaring van de verdachte in zoverre in strijd is met deze objectieve bevinding van het onderzoek. De door de verdediging aangevoerde aanwijzingen die erop zouden duiden dat Nicky Verstappen wel is omgedraaid, maken het voorgaande niet anders.

Voorts weegt het hof voor wat betreft de verklaring van de verdachte in relatie tot de plaats van het aantreffen van het lichaam van het slachtoffer mee dat verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] hebben gerelateerd dat het slachtoffer bij aantreffen op zijn rug lag, met zijn hoofd met de rechterzijde nagenoeg op de grond dicht naast de stam van een dennenboom.201 Op foto 39 is waar te nemen dat de stam van de boom zich bij de bovenarm van het slachtoffer bevindt en op foto’s 38, 40, 42 en 43 is te zien dat de takken van de betreffende boom over het gezicht van het slachtoffer hangen.202 De verdachte heeft verklaard dat hij de ademhaling van het slachtoffer heeft gecontroleerd door zijn wang op de mond van het slachtoffer te houden. Vanuit zijn positie links van het slachtoffer zou de verdachte daarin (enigszins) worden belemmerd door de stam en/of takken van de betreffende boom, terwijl de verdachte daarvan geen melding heeft gemaakt. Daarbij is het de vraag of de verdachte dan kan hebben gehandeld volgens de EHBO-richtlijnen, hetgeen hij wel heeft verklaard. Het hof is van oordeel dat deze bevinding op zichzelf niet maakt dat de verklaring van de verdachte ongeloofwaardig is, maar weegt dit mee in onderling verband en samenhang bezien met de overige bevindingen van het onderzoek in relatie tot de verklaring van de verdachte.

3.5.4.4. Het ontbreken van een mogelijke andere dader dan de verdachte

Voorts is het in de lezing van de verdachte naar het oordeel van het hof onbegrijpelijk dat het uitgebreide onderzoek in de onderhavige zaak geen technisch bewijs heeft opgeleverd dat een ander dan de verdachte verantwoordelijk zou zijn voor het onder 2 subsidiair tenlastegelegde feit, temeer nu het feit heeft plaatsgevonden in een tijd waarin DNA nog vrij onbekend was203 en men zich niet bewust was van het achterlaten van biologische (contact)sporen. Voorts zijn er geen tactische bevindingen die duiden op betrokkenheid bij dat feit van een ander dan de verdachte.

3.5.4.5. Conclusie

Op grond van het vorenstaande concludeert het hof onder verwijzing naar hetgeen is overwogen onder 1.3.2. dat de verdachte voor de eerder onder 3.4. beschreven omstandigheden, die op zichzelf en/of in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd redengevend moeten worden geacht voor het bewijs van het onder 2 subsidiair aan hem tenlastegelegde feit, geen aannemelijke of redelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring heeft gegeven. In de motivering van de beoordeling van de verklaring van de verdachte ligt besloten dat het hof – zoals de verdediging heeft verzocht – geen bovenmenselijke eisen aan de verdachte heeft gesteld, hetgeen onder andere daaruit blijkt dat het hof ook is ingegaan op feiten die niet vaststaan/aannemelijk zijn, bijvoorbeeld dat de onderbroek aan de achterkant van het lichaam boven de pyjamabroek uitkwam.

3.6.

De verweren van de raadslieden van de verdachte met betrekking tot het

sporenbeeld

3.6.1.

De verweren van de raadslieden
De raadslieden hebben zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat het DNA-bewijs niet kan worden gebezigd voor het onderbouwen van de stelling dat de verdachte – zoals is verwoord in de pleitnota – in de onderbroek van Nicky Verstappen heeft gezeten. Het DNA-bewijs kan niet worden meegenomen in de bewijsconstructie.

De raadslieden hebben naar voren gebracht dat de verklaring van de verdachte inhoudt dat hij Nicky Verstappen heeft gevonden. Nicky Verstappen lag in buikligging en om zijn vitale functies, te weten ademhaling en hartslag, te kunnen controleren, heeft de verdachte Nicky Verstappen omgedraaid. Dat heeft de verdachte gedaan door hem bij de taille/heup vast te pakken en om te draaien. Toen Nicky Verstappen eenmaal op zijn rug lag, heeft de verdachte naar zijn ademhaling gekeken, zijn wang voor de mond gehouden, en zijn hoofd/oor op de borst gelegd om te kijken/voelen of er een hartslag was. Zowel ademhaling als hartslag waren niet aanwezig. Nicky Verstappen bleek te zijn overleden. De verdachte was aangeslagen en zat verdrietig naast Nicky Verstappen. De raadslieden hebben naar voren gebracht dat op de terechtzitting in hoger beroep te zien is geweest dat de verdachte letterlijk gaat snotteren en dat er tranen komen als hij verdrietig is. Dan gaat hij, zoals elk verdrietig mens, met zijn handen naar zijn gezicht, aldus de raadslieden. De raadslieden hebben naar voren gebracht dat de verdachte zelf geen directe verklaring heeft voor zijn DNA op en in de onderbroek van het slachtoffer. Het DNA kan op een onschuldige wijze op de onderbroek zijn terechtgekomen.

Om de waarde van DNA-bewijs te kunnen beoordelen, moet men onder meer weten hoe DNA werkt. De raadslieden hebben er in dat verband op gewezen dat de verdachte heeft verklaard over het fietsen, dat het een warme dag was, dat hij schrok en emotioneel werd. De verdachte was wat de raadslieden betreft dan ook een ‘DNA-bom’ toen hij Nicky Verstappen op de Brunssummerheide vond en geschokt naast hem zat. De emotionele kant van de verdachte in combinatie met de door hem beschreven handelingen maken duidelijk hoe het in zijn algemeenheid kan dat er zoveel DNA is aangetroffen. Het is een bij DNA-deskundigen bekend gegeven dat op een hete dag na inspanning en – daarmee gepaard gaand – zweten meer DNA wordt achtergelaten dan op een koelere dag zonder inspanning. Raak je als donor met je handen je gezicht (neus; helemaal als je snottert, ogen; helemaal als je traant, en mond) aan, dan zal met die handen veel meer DNA worden overgebracht dan zonder die handelingen, aldus de raadslieden.

Voorts is het voor de beoordeling van de waarde van het DNA-bewijs van belang te weten wat er met de onderbroek is gebeurd nadat de verdachte de plek waar hij Nicky Verstappen aantrof, verliet. De raadslieden hebben erop gewezen dat er door een zeer ondeugdelijke vastlegging van de ‘chain of custody’ een groot aantal factoren onbekend is. Door al de met de onderbroek en de overige stukken van overtuiging verrichte handelingen in de eerste jaren na het overlijden van Nicky Verstappen zijn de plaatsen waarop en waarin het DNA van de verdachte vanaf 2006 werd aangetroffen van generlei waarde. De raadslieden hebben naar voren gebracht dat er op verschillende manieren, zoals hierna zal worden beschreven, contaminatie kan hebben plaatsgevonden.

Ten slotte hebben de raadslieden zich op het standpunt gesteld dat het, kijkend naar de beschuldigingen van het Openbaar Ministerie, onbestaanbaar is dat op de handen, armen, polsen, in de nek, op het gezicht, de genitaliën en anus van Nicky Verstappen geen DNA-sporen van de verdachte zijn aangetroffen. In 1998 werden er ondanks een DNA-onderzoek geen vreemde DNA-sporen aangetroffen. Het feit dat in 1998 geen DNA van de verdachte werd ontdekt, geeft wel aan dat zijn sporen minimaal waren, aldus de raadslieden.

3.6.2.

Het oordeel van het hof

3.6.2.1. De ‘chain of custody’

Met betrekking tot de ‘chain of custody’ (de chronologische documentatie of het papieren spoor dat de volgorde van bewaring, controle, overdracht, analyse en beschikking over materialen registreert, inclusief fysiek of elektronisch bewijs) van het lichaam en de kleding van het slachtoffer in de periode tussen het moment van aantreffen van zijn lichaam op 11 augustus 1998, omstreeks 21.00 uur, en het onderzoek in 2006 en 2008, stelt het hof het hiernavolgende vast. Het hof beperkt zich daarbij uitdrukkelijk tot een beschrijving van de ‘chain of custody’ van het lichaam en de kleding van het slachtoffer voor zover die de biologische sporen op de borst, pyjamabroek en onderbroek van het slachtoffer betreft, nu deze biologische sporen – zoals onder 3.3. is weergegeven – tot het bewijs van het onder 2 subsidiair tenlastegelegde feit zijn gebezigd.

Op 11 augustus 1998 heeft gemeentelijk lijkschouwer [gemeentelijk lijkschouwer] samen met de Technische Recherche een verkorte schouw onder suboptimale omstandigheden verricht op de plaats van aantreffen. Het lichaam werd daarbij niet verplaatst of gedraaid.204 [gemeentelijk lijkschouwer] heeft verklaard dat hij bij de verkorte schouw alleen de dood heeft vastgesteld en een observatie heeft gedaan. Hij heeft daarbij Nicky Verstappen in de hals aangeraakt om de dood vast te stellen. [gemeentelijk lijkschouwer] heeft verklaard dat hij de kleding van het slachtoffer tijdens de verkorte schouw niet heeft aangeraakt en dat hij ook niet heeft gezien dat anderen daar wat mee deden.205 Het hof begrijpt dat bij het sporenonderzoek op 11 augustus 1998, omstreeks 21.00 uur, onder andere microsporen van de borst werden bemonsterd [spoor S-09].206 Diezelfde avond werd door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] het stoffelijk overschot van Nicky Verstappen in beslag genomen, overgebracht naar en geplaatst in een koelcel, in gebruik bij justitie, in het mortuarium van het Academisch Ziekenhuis Maastricht. De koelcel werd afgesloten.207

Op 12 augustus 1998, omstreeks 12.45 uur, heeft [gemeentelijk lijkschouwer] , in het mortuarium van het Academisch Ziekenhuis te Maastricht, in het bijzijn van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 4] , een uitgebreide lijkschouw verricht op het stoffelijk overschot van Nicky Verstappen.208 Tijdens de schouw is het slachtoffer slechts beperkt ontkleed door de Technische Recherche.209
Op 13 augustus 1998, omstreeks 14.15 uur, heeft Van Ingen, arts en patholoog, in samenwerking met Maes en in aanwezigheid van verbalisant [verbalisant 1] , in het Laboratorium voor Gerechtelijke Pathologie te Rijswijk, de uit- en inwendige schouwing verricht op het stoffelijk overschot van Nicky Verstappen. Dit stoffelijk overschot werd Van Ingen getoond en daarna overgedragen door [verbalisant 1] . Op het stoffelijk overschot bevonden zich een rode pyjamabroek en een blauwe onderbroek.210 [verbalisant 1] heeft verklaard dat hij ervan overtuigd is dat de kleding die Nicky Verstappen droeg bij de schouw bij deze gelegenheid nooit volledig uitgetrokken kon zijn geweest, nu het stoffelijk overschot van Nicky Verstappen bij aanvang van de sectie nog steeds de onderbroek en de pyjamabroek droeg. Wanneer bij een schouw kleding van de overledene werd verwijderd, werd deze kleding daarna nooit opnieuw aangetrokken. Het was in die tijd nog gebruikelijk dat overleden personen geheel of gedeeltelijk gekleed werden vervoerd naar de sectie in Den Haag/Rijswijk.211 Voor aanvang van de sectie werden van het slachtoffer de navolgende sporen veiliggesteld: een rode pyjamabroek [spoor S-12] en een donkerblauwe onderbroek [spoor S-13]. De kleding werd aan de politie overhandigd.212 Na de gedane schouwing werd het stoffelijk overschot weer aan [verbalisant 1] overgedragen.213

Op 15 augustus 1998 werd het stoffelijk overschot van Nicky Verstappen vrijgegeven.214

Op 17 augustus 1998 werden van de Technische Recherche via [verbalisant 2] ontvangen: de folie met microsporen van de borst [S-09; kreeg DNA-zegelnummer ABR029], de rode pyjamabroek [S-12; kreeg DNA-zegelnummer ABR034] en de donkerblauwe onderbroek [S-13; kreeg DNA-zegelnummer ABR035]. Er werd verzocht om een ter zake dienend sperma-onderzoek te verrichten, de aanwezige haren en vezels veilig te stellen en de eventueel aangetroffen haren te onderzoeken op geschiktheid voor een DNA-onderzoek.

Bij het onderzoek naar de aanwezigheid van spermasporen is gebruikgemaakt van de methoden welke zijn aangegeven in de vakbijlage ‘Opsporing van lichaamsvloeistoffen’ en bij het DNA-onderzoek is gebruikgemaakt van de methoden welke zijn aangegeven in de vakbijlage ‘DNA-onderzoek’.
Voorts werden de folie met microsporen van de borst [S-09], de pyjamabroek [S-12] en de onderbroek [S-13] van het slachtoffer onderzocht op de aanwezigheid van haren. Op de onderbroek werden enkele lichaamshaartjes waargenomen, die werden veiliggesteld en vervolgens onderzocht op de aanwezigheid van celmateriaal om de haarwortels. Er werd een zeer kleine hoeveelheid celmateriaal waargenomen dat voor DNA-onderzoek zou worden gebruikt.
In het kader van het vezelonderzoek werden de pyjamabroek [S-12] en de onderbroek [S-13] van het slachtoffer afgeplakt met film. Deze stroken film en de veiliggestelde vezels bleven, evenals de folie met microsporen van de borst van het slachtoffer [S-09], op het Gerechtelijk Laboratorium bewaard voor een eventueel later uit te voeren vergelijkend vezel(contactsporen)onderzoek.215
Bij het onderzoek naar sperma, haren en vezels zijn, afgezien van een referentie vezelmonster (vermoedelijk uit de tailleband binnenkant voorzijde van de pyjamabroek) geen bemonsteringen (delen van de stof) uit de pyjamabroek en onderbroek veiliggesteld.216

Op 7 oktober 2000 heeft het NFI van de Technische Recherche via [verbalisant 1] van de regiopolitie Limburg-Zuid tape ontvangen met microsporen vanaf de borst [S-09], de pyjamabroek [S-12], en de onderbroek [S-13] van het slachtoffer. De afplakfolie van de borst [S-09], de pyjamabroek [S-12] en de onderbroek [S-13] van het slachtoffer werden onderzocht op vezelsporen welke wellicht interessant konden zijn voor verder onderzoek, gezien de hoeveelheid van het aantal vezels en/of de (opvallende) kleur. Dit onderzoek werd met gepaste voorzichtigheid uitgevoerd. Het stuk van overtuiging [S-09] is retour gegaan en de overige stukken van overtuiging (het hof begrijpt: waaronder [S-12 en S-13]) gingen separaat retour.217

Voorts werden de pyjamabroek [ABR034], de onderbroek [ABR035] en de eerder ontvangen folie met microsporen vanaf de borst [ABR029] van het slachtoffer onderzocht op de aanwezigheid van bloed. Bij deze onderzoeken is gebruikgemaakt van de methoden welke zijn aangegeven in de vakbijlage ‘Opsporing van lichaamsvloeistoffen’. De hierin vermelde methoden zijn geaccrediteerd door de Raad voor Accreditatie. De stukken van overtuiging van dit (deel)onderzoek zijn separaat retour gegaan.218

Voorts hebben [verbalisant 8] en [verbalisant 9] , brigadiers en technisch rechercheurs, werkzaam bij het bureau Technische Recherche van de Divisie Regionale Recherche, op 5 december 2000 een onderzoek ingesteld aan de pyjamabroek [S-12] en de onderbroek [S-13] van het slachtoffer. Deze sporen werden in augustus 1998 door de Technische Recherche Limburg-Zuid voor uitgebreid onderzoek verzonden aan het NFI. Na dit onderzoek werden de sporen geretourneerd. Deze sporen werden vanaf dat moment bewaard bij de Technische Recherche. Het slachtoffer droeg een pyjamabroek. Deze zat binnenstebuiten en achterstevoren. De broek werd zoals deze werd aangetroffen (binnenstebuiten) verpakt. Tijdens het onderzoek van [verbalisant 8] en [verbalisant 9] werden sporen van vegetatie, velletjes van maden/eitjes en vezels veiliggesteld.219

Op 8 december 2000 werden door het NFI van de regiopolitie Limburg-Zuid via [verbalisant 1] ontvangen de microsporen van de borst [S-09; ABR029], de rode pyjamabroek [S-12; ABR034] en de donkerblauwe onderbroek [S-13; ABR035] van het slachtoffer. De pyjamabroek en onderbroek van het slachtoffer werden visueel onderzocht met behulp van een binoculaire loep. Voorts werden de pyjamabroek en onderbroek van het slachtoffer afgeplakt met folies. De pyjamabroek werd afgeplakt met zes folies en de folies waarmee de donkerblauwe onderbroek van het slachtoffer was afgeplakt, betroffen twee folies waarmee de binnen- en buitenzijde van de onderbroek waren afgeplakt. De stukken van overtuiging van dit (deel)onderzoek zijn separaat retour gegaan.220

Op 29 september 2005 heeft het NFI van de regiopolitie Limburg-Zuid ontvangen de folie met (micro)sporen van de borst [S-09; ABR029], de pyjamabroek [S-12; ABR034] en de onderbroek [S-13; ABR035] van het slachtoffer. De betreffende stukken van overtuiging zijn (microscopisch) onderzocht op de aanwezigheid van bloedsporen. Van de hierbij aangetroffen bloedsporen is de morfologie verder microscopisch onderzocht. Bij het onderzoek is gebruikgemaakt van methoden die zijn aangegeven in de NFI-uitgave ‘De Essenties van forensisch DNA-onderzoek’ (derde/vierde druk). De pyjamabroek en de onderbroek werden binnenstebuiten ontvangen. Bij eerder onderzoek in 2000/2001 werden vanaf de pyjamabroek 13 bloedsporen veiliggesteld voor DNA-onderzoek door deze met de onderliggende stof uit de pyjamabroek te verwijderen. De op de pyjamabroek aangetroffen bloedvlekjes, bloedspoortjes en het bloedveegje werden veiliggesteld voor een DNA-onderzoek. De onderbroek is (microscopisch) onderzocht op de aanwezigheid van bloedsporen. De aangetroffen bloedvlekjes op de onderbroek zijn eveneens veiliggesteld voor een DNA-onderzoek.
Bij eerder onderzoek in 2001 was vanaf de folie met (micro)sporen van de borst één bloedpartikeltje veiliggesteld voor een DNA-onderzoek. De folie is nogmaals onderzocht op de aanwezigheid van bloed en hierbij is één bloedpartikeltje aangetroffen dat is veiliggesteld voor een DNA-onderzoek. Deze bloedpartikeltjes zijn tezamen met microsporen (vezels, haren etc.) middels de plakfolie vanaf de borst van het slachtoffer verzameld. De stukken van overtuiging van dit (deel)onderzoek zijn separaat retour gegaan.221

Voorts heeft er haaronderzoek plaatsgevonden. Bij dat onderzoek is eveneens gebruikgemaakt van methoden die zijn aangegeven in de NFI-uitgave ‘De Essenties van forensisch DNA-onderzoek’ (derde/vierde druk). De methoden die zijn gebruikt bij het beschreven onderzoek zijn geaccrediteerd door de door de Raad voor Accreditatie. De geïnventariseerde lichaamshaar (e2) en het lichaamshaardeel (x) van de pyjamabroek van het slachtoffer en de lichaamshaar van de onderbroek van het slachtoffer (f) die niet zijn verbruikt voor een DNA-onderzoek, zijn onderling vergeleken. De veiliggestelde haren bleven na het (deel)onderzoek bewaard op het NFI.222

Ook heeft in 2006 en 2008 een onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek plaatsgevonden aan de folies van de borst, de pyjamabroek en de onderbroek van het slachtoffer. Bij eerder onderzoek (in 2000/2001) werden vanaf de pyjamabroek [ABR034] 13 bloedsporen veiliggesteld voor een DNA-onderzoek door deze met de onderliggende stof uit de pyjamabroek te verwijderen. Bij het onderzoek in 2006 is de pyjamabroek binnenstebuiten ontvangen. Bij het onderzoek in 2006 zijn de buiten- en binnenzijde van het voor- en achterpand van de pyjamabroek wederom onderzocht op de aanwezigheid van bloed, waarbij 18 sporen werden aangetroffen. Deze sporen zijn veiliggesteld voor een DNA-onderzoek door deze met de onderliggende stof uit de pyjamabroek te verwijderen.

Van de pyjamabroek zijn 48 bemonsteringen genomen die zijn gericht op het veiligstellen van eventueel aanwezig celmateriaal. Voor het nemen van 46 van deze 48 bemonsteringen zijn de binnen- en de buitenzijde van de gehele pyjamabroek in zones verdeeld. De 46 zones zijn met de stubmethode bemonsterd. Daarbij wordt (een deel van) het onderzoekmateriaal, in dit geval de pyjamabroek, met een voor dit doeleinde geprepareerd stukje zelfklevende tape afgeplakt. Dit stukje tape, de stub, wordt vervolgens veiliggesteld voor een DNA-onderzoek. De 46 bemonsteringen zijn veiliggesteld voor een DNA-onderzoek. Voor 2 van de 48 bemonsteringen is de stubmethode niet gebruikt. Dit betreft de twee labels in de tailleband van de pyjamabroek, die in hun geheel zijn uitgeknipt en zijn veiliggesteld voor een DNA-onderzoek.
Voorts is de pyjamabroek onderzocht op de aanwezigheid van speeksel. Daarbij is, gebruikmakend van de alfa-amylase afdrukmethode, op 17 locaties een aanwijzing aangetroffen op de aanwezigheid van speeksel. Alle waargenomen 17 locaties zijn bemonsterd door deze met de onderliggende stof uit de pyjamabroek te verwijderen.
Alle sporen die bij het onderzoek in 2006 van de pyjamabroek zijn veiliggesteld, zijn onderworpen aan standaard SGM-Plus DNA-onderzoek. De sporen waarvan bij het standaard DNA-onderzoek geen DNA-profiel is verkregen, maar waarbij met de DNA-kwantificering of in de analyse, dat wil zeggen de indicatie op DNA-kenmerken, wel een indicatie op de aanwezigheid van DNA is waargenomen, zijn vervolgens aanvullend onderworpen aan aanvullend DNA-onderzoek. Bij het aanvullende DNA-onderzoek is gebruikgemaakt van het SGM-Plus DNA-analysesysteem en de LCN-techniek. Bij het onderzoek in 2006 is voor één bemonstering, te weten [ABR034]#93, niet het gehele uitgeknipte spoor verbruikt. Dit resterende deel van het spoor [ABR034]#93 is in 2008 wederom onderzocht op de aanwezigheid van speeksel. Hierbij is gebruikgemaakt van een nieuwe, specifiekere onderzoekstechniek ten opzichte van de techniek die in 2006 is gebruikt.
In juni 2008 zijn alle DNA-extracten van de sporen, die naar aanleiding van het onderzoek in 2006 reeds waren onderzocht, wederom onderworpen aan standaard SGM-Plus DNA-onderzoek. Bij dit onderzoek is gebruikgemaakt van ‘real time PCR’ DNA-kwantificering. Bovendien is een deel van de resterende DNA-extracten behandeld met een zuiverings-/concentreringsprocedure. Voor één spoor is het verkregen PCR-product aanvullend behandeld met een zuiverings-/concentreringsprocedure. Ook het resterende deel van het spoor [ABR034]#93, dat bij het onderzoek in 2006 nog niet was verbruikt, is in 2008 onderworpen aan standaard SGM-Plus DNA-onderzoek, waarbij gebruik is gemaakt van ‘real time PCR’ DNA-kwantificering.223

Voorts is in 2006 de buiten- en binnenzijde van het voor- en achterpand van de onderbroek van het slachtoffer [ABR035] onderzocht op de aanwezigheid van bloed. Hierbij zijn 3 bloedsporen veiliggesteld voor een DNA-onderzoek door deze met de onderliggende stof uit de onderbroek te verwijderen.

In het kader van biologische contactsporen zijn van de onderbroek 31 bemonsteringen genomen die zijn gericht op het veiligstellen van eventueel celmateriaal. Voor het nemen van 30 van deze 31 bemonsteringen zijn de binnen- en buitenzijde van de onderbroek in zones verdeeld. De 30 zones zijn met de hiervoor beschreven stubmethode bemonsterd. De stubs werden vervolgens veiliggesteld voor een DNA-onderzoek. Voor 1 van deze 31 bemonsteringen is de stubmethode niet gebruikt. Dit betreft het label in de tailleband van de onderbroek, dat in zijn geheel is uitgeknipt en is veiliggesteld voor een DNA-onderzoek.
Tot slot is de onderbroek onderzocht op de aanwezigheid van speeksel. Hierbij is, gebruikmakend van de alfa-amylase afdrukmethode, op 18 locaties een aanwijzing aangetroffen op de aanwezigheid van speeksel. Alle waargenomen 18 locaties zijn bemonsterd door deze met de onderliggende stof uit de onderbroek te verwijderen.
Alle 52 sporen, die bij het onderzoek in 2006 van de onderbroek zijn veiliggesteld, zijn onderworpen aan standaard SGM-Plus DNA-onderzoek. De sporen waarvan hierbij geen DNA-profiel is verkregen, maar waarbij met de DNA-kwantificering of in de analyse wel een indicatie op de aanwezigheid van DNA is waargenomen, zijn vervolgens aanvullend onderworpen aan DNA-onderzoek waarbij gebruik is gemaakt van het SGM-Plus DNA-analysesysteem en de LCN-techniek.
Bij het DNA-onderzoek in 2006 is voor 11 bemonsteringen niet het gehele uitgeknipte spoor verbruikt. De resterende delen van deze sporen zijn in 2008 wederom onderzocht op de aanwezigheid van speeksel. Hierbij is gebruikgemaakt van een nieuwe, specifiekere onderzoektechniek ten opzichte van de techniek die in 2006 is gebruikt. In juni 2008 zijn alle 52 sporen, die naar aanleiding van het onderzoek reeds waren onderzocht, wederom onderworpen aan standaard SGM-Plus DNA-onderzoek. Bij dit onderzoek is gebruikgemaakt van ‘real time PCR’ DNA-kwantificering. Voor 12 sporen zijn de verkregen PCR-producten aanvullend behandeld met een zuiverings-/concentreringsprocedure. Ook de resterende delen van 11 sporen, die bij het onderzoek in 2006 nog niet waren verbruikt, zijn in 2008 onderworpen aan standaard SGM-plus DNA-onderzoek, waarbij gebruik is gemaakt van ‘real time PCR’ DNA-kwantificering.224

Voorts is in 2006 de folie van de borst van het slachtoffer [ABR029] onderzocht op de aanwezigheid van bloed. Het bij dat onderzoek aangetroffen bloedspoor is vervolgens veiliggesteld voor een DNA-onderzoek. In 2008 is hieraan geen aanvullend DNA-onderzoek verricht.225 De stukken van overtuiging van dit onderzoek zijn separaat retour gegaan. De veiliggestelde bemonsteringen die niet (volledig) waren verbruikt en de referentiemonsters bleven conform het Besluit DNA-onderzoek in strafzaken op het NFI bewaard.226

Het hof stelt op grond van het voorgaande vast dat bovenomschreven ‘chain of custody’ in het dossier staat beschreven.

Voorts zijn op 7 november 2019, in het bijzijn van [zaakofficier van justitie 2] , [verbalisant 1] en [verbalisant 3] gehoord. Zij waren in 1998 en de jaren daarna werkzaam bij de toenmalige Technische Recherche van de politieregio Limburg-Zuid en in die hoedanigheid betrokken bij het onderzoek (het hof begrijpt: naar het overlijden) van Nicky Verstappen. Voorts is op 4 februari 2020, in het bijzijn van voornoemde officier van justitie, gesproken met [verbalisant 2] . Hij was op 11 augustus 1998 ook als forensisch rechercheur, werkzaam bij de forensische recherche van de toenmalige politieregio Limburg-Zuid, betrokken bij het forensisch onderzoek op de plaats waar de overleden Nicky Verstappen op 11 augustus 1998 was aangetroffen. Het doel van die gesprekken was om meer duidelijkheid te verkrijgen over wie op welk moment gedurende het onderzoekstraject in aanraking was geweest met de stukken van overtuiging, waar deze stukken vanaf de start van het onderzoek op 11 augustus 1998 verbleven en welke handelingen daarmee hadden plaatsgevonden. Hierbij lag de focus met name op de pyjamabroek en de onderbroek die Nicky Verstappen droeg toen zijn lichaam op 11 augustus 1998 levenloos werd aangetroffen op de Brunssummerheide.

[verbalisant 1] , [verbalisant 3] en [verbalisant 2] hebben verklaard over de gangbare manier van werken in de periode rond 1998. Uit die gesprekken blijkt het volgende. Op de plaats delict veiliggestelde stukken van overtuiging werden altijd afzonderlijk van elkaar verpakt in papieren zakken. Bij het aanraken van de stukken van overtuiging werden altijd plastic handschoenen gedragen. Het was gebruikelijk om stukken van overtuiging, zoals kledingstukken, zo nodig op te vouwen alvorens ze te verpakken. Bij het verpakken van kleding werden altijd handschoenen gedragen. De stukken van overtuiging werden, na verpakking, nooit zonder reden uit de verpakking gehaald. Wanneer sporendragers uit de verpakking werden gehaald, bijvoorbeeld voor het doen van onderzoek of om te fotograferen, werd hiervan altijd een proces-verbaal opgemaakt, eventueel met een bijbehorende fotomap. De onderzoeken werden verricht in onderzoeksruimten door verbalisanten die waren voorzien van beschermende kleding. Voor aanvang van elk onderzoek werd de onderzoekstafel gereinigd. De stukken van overtuiging werden ook in die onderzoeksruimten gefotografeerd. Per folie werd één gebied eenmalig bemonsterd waarna de folie op het schutblad werd geplaatst. Na onderzoek werd de verpakking van de stukken van overtuiging verzegeld en voorzien van een opschrift of stickers. Na het onderzoek van de stukken van overtuiging werd de onderzoekstafel gereinigd en werden de stukken van overtuiging opgeslagen in een tijdelijke opslagruimte aan het bureau. Na ongeveer een jaar of na afronding van het onderzoek werden de stukken van overtuiging opgeslagen in een opslag gevestigd op een andere locatie. De onderzoeksruimten waren afgesloten en alleen door geautoriseerde collega’s met een key logger te betreden. Voorts heeft [verbalisant 1] verklaard dat het gebruikelijk was dat na een sectie stukken van overtuiging vanuit het NFI mee werden teruggenomen naar de afdeling van de Technische Recherche. Nadat er een besluit was genomen welke stukken van overtuiging zouden worden ingezet voor verder onderzoek en wanneer daartoe een aanvraag was gemaakt, werden de betreffende stukken teruggestuurd naar het NFI. In de tussentijd bleven de verpakte stukken van overtuiging op de afdeling van de Technische Recherche. Wanneer stukken van overtuiging na onderzoek van het NFI terugkwamen bij de Technische Recherche, werden deze in de aangeleverde verpakking in een afgesloten sporenopslag gearchiveerd.227

Het hof stelt vast dat de hiervoor beschreven ‘chain of custody’, zoals is af te leiden uit het dossier, steun vindt in de verklaringen van technisch rechercheurs [verbalisant 1] , [verbalisant 3] en [verbalisant 2] over de gangbare manier van werken in de periode rond 1998. Voor zover in het dossier niet is gerelateerd over (bewuste) handelingen met de stukken van overtuiging, gaat het hof uit van de verklaringen van voornoemde verbalisanten over de gangbare manier van werken. Hoewel het hof zich realiseert dat in 1998 ten aanzien van het ‘DNA-veilig werken’ minder stringente richtlijnen voor het veiligstellen en borgen van het slachtoffer en onderzoeksmateriaal golden dan nu228 en ook de verslaglegging van de handelingen aangaande de stukken van overtuiging tegenwoordig meer aandacht heeft, is het hof op basis van het voorgaande van oordeel dat de ‘chain of custody’ voldoende vaststaat.
Naar het oordeel van het hof is geen sprake van een zodanig ondeugdelijke verslaglegging dat daaraan een gevolg zou moeten worden verbonden. Daarbij merkt het hof op dat het de vraag is of tegenwoordig in de rapportages alle door de raadslieden in de pleitnota opgeworpen vragen worden beantwoord, zoals hoe het lichaam (met de kleding) in de koelcel werd geplaatst en wie dat deed. Ook merkt het hof op dat in de formulering van het verweer voorts een aanname wordt gedaan over een feitelijke gang van zaken die niet blijkt uit het dossier, namelijk dat uit foto’s zou volgen dat met dezelfde handschoenen waarmee het lichaam van Nicky Verstappen werd aangeraakt ook de kleding werd aangeraakt en het slachtoffer werd ontkleed. Die aanname is niet nader onderbouwd. Het hof heeft in het dossier geen aanwijzingen gevonden die deze aanname ook maar enigszins onderbouwen.

3.6.2.2. De verdachte als ‘DNA-bom’ versus minimale contactsporen
Voorts zijn de raadslieden bij de formulering van hun verweer uitgegaan van de verdachte als een ‘DNA-bom’ op het moment dat hij Nicky Verstappen op de Brunssummerheide vond en geschokt naast hem zat. De raadslieden hebben er in dat verband op gewezen dat de verdachte heeft verklaard over het fietsen, dat het een warme dag was, dat hij schrok en emotioneel werd. De verdachte was aangeslagen en zat verdrietig naast Nicky Verstappen. De raadslieden hebben naar voren gebracht dat op de terechtzitting in hoger beroep was te zien dat de verdachte letterlijk gaat snotteren als hij verdrietig is en dat er dan tranen komen. Dan gaat hij, zoals elk verdrietig mens, met zijn handen naar zijn eigen gezicht, aldus de raadslieden. Voorts hebben zij naar voren gebracht dat op een hete dag na inspanning en – daarmee gepaard gaand – zweten meer DNA wordt achtergelaten dan op een koelere dag zonder inspanning en dat als je als donor met je handen je gezicht, snot bij je neus of een traan bij je oog/mond, aanraakt, met die handen veel meer DNA wordt overgebracht dan zonder die handelingen.

Het hof is van oordeel dat een deel van de omstandigheden en handelingen waarop de raadslieden hebben gewezen geen feitelijke grondslag heeft in de verklaring van de verdachte en overweegt daartoe als volgt.

Onder 3.5.3. is weergegeven dat de verdachte weliswaar heeft verklaard dat hij de dag van het aantreffen van (het lichaam van) Nicky Verstappen aan het fietsen was en dat het mooi weer was, maar hij heeft niet verklaard dat hij daarbij aan het zweten was. Het hof stelt vast dat de verdachte in zijn brief gericht aan zijn raadsman weliswaar heeft geschreven: “Het koude zweet brak me uit”, maar het hof begrijpt die verklaring als uitdrukking in verband met de vaststelling dat het kind dood was, omdat de verdachte daarover in de daaraan voorafgaande zin schrijft, en niet als zijn verklaring over het verlies van lichaamsvocht via de zweetklieren in zijn huid. Over zijn toestand heeft de verdachte verklaard dat hij met stomheid was geslagen toen hij het jongetje zag liggen en heeft hij te kennen gegeven dat er bij hem sprake was van angst en paniek. Door zijn raadsman specifiek gevraagd naar zijn emoties, heeft de verdachte verklaard dat er eerst een shock was en dat het onwerkelijk was, maar dat hij daarna handelde.

Het hof stelt vast dat door de verdachte in het geheel niet is verklaard dat hij verdrietig naast Nicky Verstappen zat. Ook ziet het hof geen enkele aanleiding om te veronderstellen dat de verdachte is gaan snotteren, heeft gehuild en daarbij met zijn handen naar zijn eigen gezicht is gegaan, nu de verdachte daar, ook nadat hem specifiek naar zijn emoties is gevraagd, geen melding van heeft gemaakt. Het hof zal bij de onderstaande bespreking van het verweer dan ook niet uitgaan van de vooronderstellingen van de raadslieden over de toestand, emoties en handelingen van de verdachte, nu deze feitelijke grondslag ontberen. De enkele opmerking van de verdachte gemaakt bij zijn laatste woord, inhoudende dat hij blij is dat zijn raadslieden die dingen verwoorden die hij zelf niet zo duidelijk heeft verwoord en dat hij zich aansluit bij het door de raadslieden geschetste scenario, maakt dat niet anders.

Daarbij weegt het hof voorts het volgende mee.

Uit de beantwoording van de vragen aan deskundige A.D. Kloosterman ter terechtzitting van 24 november 2021 blijkt dat in 2010 het DNA-profiel van (onbekende) man 2 in totaal 18 keer is waargenomen bij het onderzoek van de pyjamabroek en de onderbroek. Later is vastgesteld dat het DNA-profiel van man 2 matcht met het DNA-profiel van de verdachte. De in 2008 geanalyseerde DNA-sporen bevatten in geen van de gevallen een hoge concentratie DNA met het DNA-profiel van man 2. Het betroffen zogenaamde minimale sporen, hetgeen betekent dat de sporen heel weinig DNA bevatten. Dit verklaart dat voor de DNA-analyse van meerdere sporen gebruik is gemaakt van Low Copy Number (LCN) DNA-analyse, aldus Kloosterman. Kloosterman heeft ter terechtzitting van 15 oktober 2021 verklaard dat de term ‘Low Copy Number’ slaat op de kleine hoeveelheid DNA-moleculen, dus dat er weinig cellen aanwezig zijn. Anders dan de raadslieden van de verdachte suggereren, is er geen enkele reden om aan te nemen dat sprake is geweest van één goed spoor op één locatie dat vele complete cellen bevat, niet zijnde een minimaal contactspoor, dat zich vervolgens heeft verspreid. In dat verband heeft Kloosterman ter terechtzitting van 24 november 2021 verklaard dat sperma heel veel DNA bevat, maar dat in de onderhavige zaak geen spermasporen zijn aangetroffen. Ook snot kan veel DNA bevatten, maar die plekken zijn ook niet aangetroffen ondanks het feit dat er heel veel sporen zijn onderzocht, zo heeft Kloosterman verklaard.

Op basis van het voorgaande en bij gebreke van aanwijzingen van het tegendeel concludeert het hof dat op en in de onderbroek van het slachtoffer slechts minimale contactsporen van de verdachte zijn aangetroffen.
3.6.2.3. Contaminatie in het algemeen

Het hof acht contaminatie in het algemeen niet aannemelijk en overweegt daartoe als volgt.

In de eerste plaats wijst het hof erop dat – zoals onder 3.4.3. is overwogen – van het celmateriaal in een bemonstering van de onderbroek van Nicky Verstappen, te weten [ABR035]#21, aangetroffen op het bovendeel van de binnenzijde van het achterpand van de onderbroek, een DNA-profiel is verkregen, met een berekende frequentie van kleiner dan één op één miljard, en dat dit DNA-profiel in de DNA-databank voor strafzaken is opgenomen als onbekende man 3. Bij vergelijking van het DNA-profiel van onbekende man 3 met alle overige DNA-profielen van de onderzochte biologische sporen in deze zaak zijn geen aanwijzingen verkregen op de aanwezigheid van meer celmateriaal van onbekende man 3. Het hof memoreert dat eerder is opgemerkt dat het enkele spoor dat van onbekende man 3 is aangetroffen niet in verhouding staat tot de (grote) hoeveelheid en diversiteit aan biologische sporen die van de verdachte in en op de onderbroek van het slachtoffer zijn aangetroffen. Het hof ziet niet in hoe het kan zijn dat – in de lezing van de raadslieden – het enkele spoor van de verdachte op één locatie op de onderbroek, waarvan het hof op basis van hetgeen onder 3.6.2.2. is overwogen concludeert dat het een minimaal contactspoor betreft, is gecontamineerd waardoor een grote hoeveelheid sporen van hem zijn aangetroffen, terwijl het enkele spoor van onbekende man 3 zich in het geheel niet heeft verspreid.

Ten tweede stelt het hof vast dat Nicky Verstappen bij het aantreffen van zijn lichaam zijn onderbroek onder de pyjamabroek droeg en dat het enkele spoor van de verdachte op de onderbroek dan wel pyjamabroek zich – in het door de raadslieden geschetste scenario – heeft verspreid waardoor een groot aantal sporen op de onderbroek is ontstaan, terwijl niet een soortgelijk sporenbeeld op de pyjamabroek is ontstaan. Onder 3.3.1. is immers overwogen dat van de verdachte slechts één spoor op/in de pyjamabroek is aangetroffen.

In de derde plaats merkt het hof op dat – uitgaande van het verweer van de raadslieden – op geen enkele wijze kan worden verklaard dat, zoals onder 3.3.7. is overwogen, vanaf de onderbroek van het slachtoffer een humane haar van de verdachte is veiliggesteld. De raadslieden hebben in dit verband aangevoerd dat de pyjamabroek en de onderbroek samen in één zak zijn verpakt en dus geen waarde kan worden toegekend aan de plek van de haar op de onderbroek. Op basis van hetgeen onder 3.6.2.1. is overwogen, kan echter worden vastgesteld dat de pyjamabroek en onderbroek telkens apart zijn verpakt, zodat daarin geen verklaring voor de vanaf de onderbroek veiliggestelde haar kan zijn gelegen. Voorts is er geen enkele aanleiding te veronderstellen dat de haar bij de focus op het documenteren van hetgeen geobserveerd wordt (het hof begrijpt: door de schouwarts) is verspreid, zoals de raadslieden hebben aangevoerd.

Reeds om bovenstaande redenen acht het hof het niet aannemelijk dat het sporenbeeld op de (pyjamabroek en de) onderbroek van het slachtoffer door contaminatie is ontstaan.

Het hof zal hierna de door de raadslieden opgeworpen mogelijkheden van contaminatie apart bespreken. Daarbij hecht het hof veel waarde aan de door deskundige Kloosterman afgelegde verklaringen. Hij is ter terechtzitting van 15 oktober 2021 en op verzoek van de verdediging nogmaals op 24 november 2021 gehoord. De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting van 15 oktober 2021 medegedeeld dat hij uitgaat van de deskundigheid van Kloosterman. De verdediging was derhalve blijkbaar van mening dat Kloosterman de aangewezen persoon betrof om hun vragen aangaande de mogelijke vormen van contaminatie te beantwoorden. Na afloop van het verhoor van Kloosterman op 24 november 2021 hebben de raadslieden de deskundigheid van Kloosterman in zoverre ook niet betwist. Ook het hof gaat ervan uit dat Kloosterman over de deskundigheid beschikt om de vragen aangaande de mogelijkheden van contaminatie te beantwoorden en gaat uit van de juistheid en betrouwbaarheid van de totstandkoming en inhoud van de verklaringen van Kloosterman en zal deze in zoverre bezigen.

3.6.2.3.1. Contaminatie door vocht: lijkvocht of urine

De raadslieden hebben ter terechtzitting in hoger beroep naar voren gebracht dat de verdediging ervan uitgaat dat de onderbroek van het slachtoffer vochtig is geworden door lijkvocht en/of urine. De raadslieden hebben erop gewezen dat vocht en DNA een gevaarlijke combinatie is; met vocht verspreiden DNA-cellen, met name in snot en speeksel, zich snel.

Kloosterman heeft ter terechtzitting van 24 november 2021 naar voren gebracht dat hij zich kan voorstellen dat een DNA-spoor zich een heel klein beetje verspreid op die locatie waar het zich bevindt als het vocht daaroverheen loopt. DNA is oplosbaar in water, maar het bevindt zich in cellen en die cellen verplaatsen zich niet heel gemakkelijk over de stof; deze zitten vast gevangen in de stof, aldus Kloosterman.

Urine
Bij het aantreffen van het lichaam van het slachtoffer op 11 augustus 1998 werd door verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] waargenomen dat aan de voorzijde in de rode pyjamabroek en in de donkerblauwe onderbroek ter hoogte van zijn onderlichaam, in een ‘V-vorm’, ingedroogde witte verkleuringen zichtbaar waren, vermoedelijk als gevolg van urineverlies.229 Door de raadslieden is aan Kloosterman voorgehouden dat het slachtoffer mogelijk urine heeft verloren en dat Van de Voorde ervan uitgaat dat dit rondom of kort na het overlijden was. Aan Kloosterman is de vraag voorgelegd of urineverlies (dus een vochtige onderbroek) kan zorgen voor het verspreiden dan wel makkelijker verspreiden/stempelen van DNA van een ander dan de urinedonor. Kloosterman heeft daarop geantwoord dat onder de hypothese dat de minimale sporen met urinevloeistof in contact zijn geweest het oorspronkelijke spoor kan zijn verdund met de waterige vloeistof. De kans is echter klein dat bij de verplaatsing door de intrekkende vloeistof voldoende DNA van het minimale spoor wordt verplaatst (‘gestempeld’) voor een DNA-analyse. Bij minimale sporen is de uitgangsconcentratie van het DNA bij de oorspronkelijke locatie hiertoe te gering, aldus Kloosterman.

Lijkvocht
Het hof stelt vast dat op foto’s 59 en 60 van de schouw230 is te zien dat zich in de lijkzak naast/onder het hoofd en de schouderbladen van het slachtoffer bloederig vocht bevindt. Soerdjbalie-Maikoe heeft daarover in haar brief d.d. 10 februari 2015 vermeld dat het geen bloed betreft, maar bloederig rood vocht dat zichtbaar is in de lijkzak en op de sectiefoto’s.231 Het hof merkt daarbij op dat op de zich in het dossier bevindende foto’s niet is te zien dat ook bij de kleding van het slachtoffer dergelijk lijkvocht aanwezig was.

Met betrekking tot het verspreiden van sporen door lijkvocht heeft Kloosterman naar voren gebracht dat onder de hypothese dat de sporen met lijkvocht in contact zijn geweest het oorspronkelijke spoor kan zijn verdund met de waterige vloeistof. Kloosterman heeft verklaard dat de kans echter klein is dat bij de verplaatsing door de intrekkende lijkvloeistof voldoende DNA wordt verplaatst (‘gestempeld’) voor een DNA-analyse. Zoals ook bij urine het geval is, is bij minimale sporen de uitgangsconcentratie van het DNA bij de oorspronkelijke locatie hiertoe te gering.

3.6.2.3.2. Contaminatie door stempelen
De raadslieden van de verdachte hebben naar voren gebracht dat stempelen kan plaatsvinden door het op elkaar plaatsen van lagen kleding en dat dit bij vochtige kleding nog sneller kan plaatsvinden. De raadslieden hebben te kennen gegeven dat de verdediging ervan uitgaat dat de onderbroek vochtig was. Met het vervoer van kleding en stukken van overtuiging kunnen in de zak besmettingen van die kleding plaatsvinden. Voorts kan het stempelen van DNA voorkomen indien kleding met folie wordt beplakt. De raadslieden hebben naar voren gebracht dat met één stuk tape de gehele zijde van de onderbroek werd beplakt. Als je daar dan één donorspoor hebt, wordt dat spoor in potentie elke keer weer dat je de tape op de onderbroek drukt om nieuwe vezels te verzamelen, nader verspreid. Elk tweede spoor op de binnen- dan wel buitenkant is hiermee nietszeggend geworden, aldus de raadslieden.

Het hof overweegt als volgt.


Aan Kloosterman is door de verdediging voorgehouden dat in de onderhavige zaak bij het opslaan en transporteren van de kleding tussen de laagjes kleding geen buffer/tussenlaag is geplaatst. Kloosterman heeft daarop verklaard dat de kans klein is dat op die wijze DNA is gestempeld. Bij minimale sporen is de uitgangsconcentratie van het DNA bij de oorspronkelijke locatie hiertoe te gering, aldus Kloosterman. Op de vraag of via de zak bij transport daarvan de sporen kunnen zijn gestempeld, heeft Kloosterman geantwoord dat de kans op transfer in het geval van minimale sporen klein is.

Met betrekking tot het stempelen door het gebruik van folie stelt het hof op basis van het dossier vast dat de onderbroek werd afgeplakt met twee folies, waarmee de binnen- en buitenzijde van de onderbroek werd afgeplakt.232 Uit de gangbare manier van werken in de periode rond 1998 blijkt dat – anders dan de raadslieden doen voorkomen – per folie één gebied eenmalig werd bemonsterd, waarna de folie op een schutblad werd geplaatst.233
Uit het rapport van 14 april 2015 blijkt dat in mei 2009 door het NFI onderzoek is gedaan naar de opname en verspreiding van humane biologische sporen op textiel door het gebruik van microsporenfolie. Hierbij is gekeken naar speeksel-, bloed- en aanraaksporen (het hof begrijpt: contactsporen) op katoen en viscose. Als algemene conclusie van deze reeks experimenten werd gesteld dat er geen aanwijzingen (geen bruikbare DNA-profielen) waren voor de verspreiding van een humaan biologisch spoor op een stuk van overtuiging door gebruik van microsporenfolie. In geen geval kon in de NFI-studie DNA worden gedetecteerd op de doorgestempelde locatie. Op basis van de resultaten van deze studie is de kans zeer klein dat door het gebruik van microsporenfolie zoveel DNA van de ene plek naar de andere plek op (de pyjamabroek en) de onderbroek is verplaatst dat hiervan bruikbare DNA-profielen worden verkregen.234

Ook Kloosterman heeft verklaard dat de kans klein is dat bij minimale sporen door het gebruik van microsporenfolie op textiel zoveel DNA van de ene locatie naar de andere locatie wordt verplaatst dat hiervan informatieve DNA-profielen worden verkregen. Bij minimale sporen is de uitgangsconcentratie van het DNA op de oorspronkelijke locatie hiertoe te gering. Verder lijkt het Kloosterman onwaarschijnlijk dat met een natte stof wel wordt gestempeld. In beide gevallen (nat of droog) is de kans klein dat bij beplakte minimale sporen zoveel DNA van de ene locatie naar de andere locatie wordt verplaatst dat hiervan informatieve DNA-profielen worden verkregen, aldus Kloosterman.

3.6.2.3.3. Contaminatie door het bemonsteren met een wattenstaafje

De raadslieden hebben naar voren gebracht dat in 1998 DNA-onderzoek is gedaan en dat het toen gebruikelijk was dat hele vlakken met een wattenstaafje werden bemonsterd. De raadslieden merken op dat het een handeling betreft waarmee DNA over een hele onderbroek wordt verspreid.

Daartoe overweegt het hof als volgt.

Kloosterman heeft ter terechtzitting op 24 november 2021 verklaard dat forensische DNA-bemonsteringsstrategieën erop zijn gericht om biologische sporen niet onnodig over een groter oppervlak te verspreiden en de integriteit van de matrix (het bemonsterde item) zo goed mogelijk intact te laten. ‘Best practice’ bij het forensisch onderzoek van biologische sporen is dat bij het bemonsteren van biologische sporen met een wattenstaafje de vlek niet over een groter oppervlak wordt verspreid. Er wordt heel subtiel bemonsterd om onnodige verspreiding op het sporenmateriaal te voorkomen. Destijds in 1998 werd hier hetzelfde mee omgegaan als nu, in die zin dat niet onnodig met het wattenstaafje over een oppervlak van het sporenmateriaal werd heengegaan. Dit is volgens de ‘best forensic practice’ gegaan, aldus Kloosterman.

3.6.2.3.4. Contaminatie door het bemonsteren door knippen en/of stubben

Door de raadslieden is naar voren gebracht dat op 17 augustus 1998 de kleding naar het Gerechtelijk Laboratorium werd gebracht voor DNA-onderzoek en dat het erop lijkt dat er toen bepaalde delen uit de onderbroek zijn geknipt. De raadslieden hebben de vraag opgeworpen of voor elk geknipt gat een nieuwe schaar werd gebruikt en hebben de suggestie gewekt dat dit niet het geval was. De raadslieden hebben zich op het standpunt gesteld dat als telkens met dezelfde schaar een gat wordt geknipt, elke nieuwe knip met die schaar zorgt voor verspreiding van DNA. Het hof begrijpt dat de verdediging in dit verband de vraag heeft opgeworpen of dit tot contaminatie heeft geleid.

Met betrekking tot deze mogelijkheid van contaminatie overweegt het hof als volgt.

Het hof stelt met de verdediging vast dat op 17 augustus 1998 onder andere de onderbroek van het slachtoffer is ontvangen door het Gerechtelijk Laboratorium en dat werd verzocht een ter zake dienend spermaonderzoek te verrichten, de aanwezige haren en vezels veilig te stellen en de eventueel aangetroffen haren te onderzoeken op geschiktheid voor een DNA-onderzoek. Met betrekking tot het sperma- en DNA-onderzoek is in het deskundigenrapport d.d. 28 oktober 1998 beschreven dat op de onderbroek geen sperma is aangetroffen. Ten aanzien van het haaronderzoek is in het rapport opgenomen dat de onderbroek van het slachtoffer werd onderzocht op de aanwezigheid van haren en dat hierbij slechts enkele lichaamshaartjes werden waargenomen. Deze lichaamshaartjes werden veiliggesteld en vervolgens onderzocht op de aanwezigheid van celmateriaal om de haarwortels, waarbij een zeer kleine hoeveelheid celmateriaal werd waargenomen dat voor een DNA-onderzoek zou worden gebruikt. Voor het vezelonderzoek werd de onderbroek afgeplakt met film.235

Het hof ziet in de inhoud van het rapport betreffende die onderzoeken geen enkele aanleiding te veronderstellen dat daarbij delen uit de onderbroek zijn geknipt. Meer specifiek staat in het rapport d.d. 14 april 2015 vermeld dat bij het onderzoek naar sperma in augustus 1998 de onderbroek is onderzocht met behulp van de forensische lichtbron (CrimeScope), waarbij enkele fluorescerende locaties zijn waargenomen. Vervolgens is een onbekend aantal microscopische preparaten vervaardigd. Een dergelijk preparaat werd vervaardigd door een met gedemineraliseerd water bevochtigd glazen preparaatglas in contact te brengen met een kleine locatie op een textiele ondergrond waar men sperma vermoedt aan te treffen (bijvoorbeeld in het kruis van de onderbroek). Hierbij werd geen stof uit het kledingstuk genomen.236

Voor wat betreft de mogelijkheid dat er op een ander moment delen uit de onderbroek zijn geknipt en door het gebruik van dezelfde schaar de DNA-sporen van de verdachte zich hebben verspreid, overweegt het hof als volgt.

In 2006 is aan de onderbroek een onderzoek naar biologische sporen verricht. Met betrekking tot het onderzoek naar biologische contactsporen is in het deskundigenrapport d.d. 11 augustus 2008 opgenomen dat 3 bloedsporen met de onderliggende stof zijn verwijderd (het hof begrijpt: uitgeknipt) en dat verder van de onderbroek 31 bemonsteringen zijn genomen, die zijn gericht op het veiligstellen van eventueel aanwezig celmateriaal. Voor het nemen van 30 van deze 31 bemonsteringen zijn de binnen- en buitenzijde van de onderbroek in zones verdeeld. De 30 zones zijn met de zogenaamde stubmethode bemonsterd. Hierbij wordt, zoals eerder is overwogen, (een deel van) het onderzoekmateriaal met een voor dit doeleinde geprepareerd stukje zelfklevende tape afgeplakt. Dit stukje tape, de stub, wordt vervolgens veiliggesteld voor een DNA-onderzoek. Al deze 30 bemonsteringen, te weten [ABR035]#5 tot en met #19 en #21 tot en met #35, zijn veiliggesteld voor een DNA-onderzoek. Voor 1 van deze 31 bemonsteringen is de stubmethode niet gebruikt. Dit betreft het label in de tailleband van de onderbroek, dat in zijn geheel is uitgeknipt en als [ABR035]#20 is veiliggesteld voor een DNA-onderzoek.

De betreffende sporen die bij het onderzoek in 2006 van de onderbroek zijn veiliggesteld, zijn onderworpen aan standaard SGM-Plus DNA-onderzoek. De sporen waarvan hierbij geen DNA-profiel is verkregen, maar waarbij met de DNA-kwantificering of in de analyse, dat wil zeggen de indicatie op DNA-kenmerken, wel een indicatie op de aanwezigheid van DNA is waargenomen, zijn vervolgens aanvullend onderworpen aan DNA-onderzoek, waarbij gebruik is gemaakt van het SGM-Plus DNA-analysesysteem en de LCN-techniek.

In juni 2008 zijn alle sporen, die naar aanleiding van het onderzoek in 2006 reeds waren onderzocht, wederom onderworpen aan standaard SGM-Plus DNA-onderzoek. Bij dit onderzoek is gebruikgemaakt van ‘real time PCR’ DNA-kwantificering. Voor een aantal sporen, te weten [ABR035]#5 tot en met #9, #11, #12, #14, #16, #18 en #24, zijn de verkregen PCR-producten aanvullend behandeld met een zuiverings-/concentreringsprocedure.237 Uit de resultaten en conclusies van het vergelijkend DNA-onderzoek in 2008 blijkt dat het celmateriaal in een deel van de gestubte bemonsteringen van de verdachte als onbekende man 2 afkomstig kan zijn. Uit de uitgeknipte bemonstering [ABR035]#20 werd in 2008 daarentegen geen DNA-profiel verkregen.238

Op grond van het bovenstaande stelt het hof vast dat een aantal van de op/in de onderbroek van het slachtoffer aangetroffen biologische contactsporen van de verdachte als zijnde onbekende man 2 niet door het knippen met een schaar kunnen zijn ontstaan, nu op deze plekken slechts is gestubd in plaats van geknipt. Het hof ziet derhalve ook geen enkele aanleiding te veronderstellen dat de sporen die op enig moment zijn uitgeknipt wél door knippen zijn ontstaan. Daarbij merkt het hof op dat voor zover deze sporen zijn gestubd en veiliggesteld, Kloosterman heeft verklaard dat ‘best practice’ bij het forensisch onderzoek van biologische sporen is dat bij het bemonsteren van biologische sporen met een stub de vlek niet over een groter oppervlak wordt verspreid.

3.6.2.3.5. Contaminatie door het gebruik van een handschoen

Voorts hebben de raadslieden ter terechtzitting naar voren gebracht dat sporen kunnen worden gekopieerd doordat een stuk van overtuiging met één en dezelfde handschoen volledig en van alle kanten wordt bekeken en onderzocht. Dat geldt helemaal in het geval die handschoenen zijn vervuild. Zoals eerder is overwogen, gaat de verdediging ervan uit dat de onderbroek vochtig was. Het overbrengen van DNA in de vorm van ‘secundary transfer’ via plastic (zoals bij een handschoen) naar stof, vindt bij vochtig DNA in meer dan 90% van de gevallen plaats, aldus de raadslieden.

Het hof overweegt als volgt.

Kloosterman heeft ter terechtzitting verklaard dat de kans klein is dat bij aanraking (met een vochtige disposable laboratorium handschoen) van een minimaal spoor zoveel DNA van de ene locatie naar de andere locatie wordt verplaatst dat hiervan een bruikbaar DNA-profiel kan worden verkregen. Ook bij het uittrekken van kleding met minimale sporen acht hij de kans klein dat voldoende DNA van het minimale spoor naar een andere locatie wordt verplaatst (‘gestempeld’) voor een DNA-analyse. Bij minimale sporen is de uitgangsconcentratie van het DNA bij de oorspronkelijke locatie hiertoe te gering, aldus Kloosterman.

3.6.2.3.6. Overige vormen van contaminatie

Ook ziet het hof niet in hoe risico op contaminatie bestaat bij het gebruik van een binoculaire loep, zoals hiervoor is beschreven.

Voorts hebben de raadslieden naar voren gebracht dat in de onderhavige zaak amylase-onderzoek is gedaan en dat het daarbij gebruikelijk was dat de kleding op een harde ondergrond met daartussen een laagje, dat het een en ander kan absorberen, werd geplaatst om dan de kleding met een chemische vloeistof nat te maken en daar druk op uit te oefenen. Het is een reële mogelijkheid dat sporen op die manier letterlijk door de stof heen worden gedrukt, aldus de raadslieden. Gelet op hetgeen onder 3.6.2.1., 3.6.2.2. en 3.6.2.3. is overwogen, acht het hof deze mogelijkheid van contaminatie om de daarin vermelde redenen niet aannemelijk.

3.6.2.3.7. Conclusie

Op grond van hetgeen onder 3.6.2.3.1. tot en met 3.6.2.3.6. is overwogen, met inachtneming van hetgeen onder 3.6.2.1. en 3.6.2.2. is overwogen en in onderling verband en samenhang bezien met overweging 3.6.2.3., acht het hof de door de raadslieden opgeworpen mogelijkheden van contaminatie in het geheel niet aannemelijk. De stukken uit de syllabus die door de raadslieden bij de pleitnota zijn gevoegd, maken dat niet anders. Het hof verwerpt in zoverre het verweer met betrekking tot contaminatie.

Voor de volledigheid merkt het hof op dat uit het proces-verbaal van bevindingen d.d. 2 oktober 2019239 en het in dat kader opgemaakte aanvullende proces-verbaal d.d. 8 april 2021 ook een andere – niet door de verdediging aangevoerde – mogelijkheid van contaminatie niet aannemelijk is geworden.


3.6.2.4. Overige verweren van de raadslieden

De raadslieden hebben zich voorts op het standpunt gesteld dat het, kijkend naar de beschuldigingen van het Openbaar Ministerie, onbestaanbaar is dat op de handen, armen, polsen, in de nek, op het gezicht, de genitaliën en anus van Nicky Verstappen geen DNA-sporen van de verdachte zijn aangetroffen. In 1998 werden er ondanks een DNA-onderzoek geen vreemde DNA-sporen aangetroffen. Het feit dat in 1998 geen DNA van de verdachte werd ontdekt, geeft wel aan dat zijn sporen minimaal waren, aldus de raadslieden.

Het hof stelt vast dat het niet aantreffen van DNA-sporen van de verdachte op de door de raadslieden aangevoerde plekken niet maken dat niet kan worden bewezen dat de verdachte het onder 2 subsidiair tenlastegelegde feit heeft begaan. In 1998 kon immers slechts worden onderzocht op bloed, speeksel en sperma en dat dan ook nog alleen als er een hoeveelheid materiaal beschikbaar was ter grootte van een muntstukje. In 1998 was het nog niet mogelijk contactsporen vast te stellen.240 Daarbij merkt het hof voorts op dat de opmerking van de verdediging dat in 1998 geen DNA van de verdachte werd ontdekt juist aangeeft dat zijn sporen minimaal waren, op gespannen voet lijkt te staan met de eveneens door de verdediging opgeworpen vooronderstelling dat in de onderhavige zaak sprake is geweest van één goed spoor met veel cellen van de verdachte.

Ook de door de raadslieden opgeworpen omstandigheid dat de pyjamabroek en onderbroek van het slachtoffer niet zijn uitgerekt en/of gescheurd, staat aan de bewezenverklaring van het onder 2 subsidiair tenlastegelegde feit niet in de weg.

Het hof verwerpt ook in zoverre het verweer van de raadslieden.

3.7.

Het voorwaardelijke verzoek van de verdediging

Namens de verdachte is ter terechtzitting van 17 november 2021 het voorwaardelijke verzoek gedaan om, indien gebruik wordt gemaakt van de resultaten van de DNA-onderzoeken zoals verricht in het onderzoek van de onderhavige strafzaak, deskundige Kloosterman nogmaals te horen en een onderzoek naar de DNA-resultaten te laten verrichten door een deskundige gespecialiseerd in onderzoek van DNA-resultaten op activiteitenniveau. Het verzoek tot het horen van deskundige Kloosterman is, nadat het Openbaar Ministerie had aangegeven zich primair op het standpunt te stellen dat het verzoek daartoe dient te worden afgewezen en subsidiair de deskundige ter terechtzitting te laten horen, op de zitting van 19 november 2021 door het hof toegewezen en deskundige Kloosterman is op de terechtzitting van 24 november 2021 wederom gehoord.

Het voorwaardelijke verzoek tot het laten verrichten van een onderzoek naar de DNA-resultaten door een deskundige op activiteitenniveau is ter terechtzitting van 19 november 2021, nadat het Openbaar Ministerie zich op het standpunt had gesteld dat het hof het verzoek dient af te wijzen, door het hof aangehouden tot de beslissing bij uitspraak, waarbij de mogelijkheid van een tussenuitspraak is vermeld. Het hof zal echter geen tussenuitspraak doen maar inhoudelijk beslissen op het voorwaardelijke verzoek en stelt dienaangaande het volgende.

Het verzoek zoals namens de verdachte gedaan is een voorwaardelijk verzoek tot het doen van nader onderzoek als bedoeld in artikel 315, derde lid Sv jo artikel 328 Sv, welke bepalingen op grond van artikel 415, eerste lid Sv ook op het onderzoek in hoger beroep van toepassing zijn. Gelet op de voorwaardelijke vorm van het verzoek is slechts een uitdrukkelijke beslissing vereist indien de daaraan gestelde voorwaarde – dat het hof gebruikmaakt van de onderzoeksresultaten van de DNA-onderzoeken als bewijsmiddel in de onderhavige strafzaak – is vervuld. In de onderhavige strafzaak wordt daaraan bij dezen voldaan.

Het hof beoordeelt het onderhavige verzoek aan de hand van het noodzakelijkheidscriterium. Dit criterium houdt verband met de taak en de verantwoordelijkheid van de strafrechter voor de volledigheid van het onderzoek van de zaak. In de afweging of het doen van het onderzoek op activiteitenniveau noodzakelijk wordt geacht, heeft het hof het verzoek gewogen tegen de achtergrond van hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd en in het licht van alle omstandigheden van het geval.

De verdediging heeft naar voren gebracht dat, gezien a) de voorliggende resultaten van de DNA-onderzoeken, b) hetgeen de verdachte heeft verklaard en c) hetgeen door de verdediging kenbaar is gemaakt door middel van twee ter terechtzitting afgespeelde opgenomen video’s (waarin een door de verdediging uitgevoerde proef werd vertoond met kleding ter verduidelijking van de mogelijkheid van contaminatie van DNA-materiaal), dit aanleiding dient te zijn om nader onderzoek te laten verrichten door een deskundige op activiteitenniveau. Daarbij heeft de verdediging aangevoerd dat de volgende mogelijke scenario’s voor een onderzoek op activiteitenniveau in beeld komen en dat bij de formulering van die scenario’s onder andere zijn meegewogen de emoties van de verdachte.

Het eerste scenario van de verdediging houdt in dat de verdachte bij het omdraaien van het lichaam van Nicky Verstappen een grote hoeveelheid DNA op het lichaam (bij de taille) heeft achtergelaten. Dit DNA is in 1998 door een actor in het forensisch proces op meerdere plekken op de vochtige onderbroek terechtgekomen en heeft het sporenbeeld veroorzaakt. In het tweede scenario van de verdediging is bij het omdraaien van het lichaam van Nicky Verstappen en het fatsoeneren van zijn kleding DNA van de verdachte op de broeksband van de onderbroek terechtgekomen. Door de capillaire werking van urine en lijkvocht, het aan- en uittrekken van de onderbroek en het verpakken en vervoeren van de onderbroek is het DNA-spoor uit de broeksband verspreid met het huidige sporenbeeld tot gevolg. In de visie van de verdediging kan als mogelijk scenario van het Openbaar Ministerie – op basis van de repliek van de advocaten-generaal – daartegenover worden gezet dat de verdachte aan de onderbroek van het slachtoffer is geweest, Nicky Verstappen heeft aangeraakt op zijn geslachtsdeel en hem heeft gepenetreerd.

Een onderzoek op activiteitenniveau zou in de onderhavige strafzaak de evaluatie betreffen van de resultaten van forensisch DNA-onderzoek behandeld in de context van een strafzaak om zo antwoord te krijgen op de vraag of het verkregen sporenbeeld informatie kan leveren over de handelingen die tot het sporenbeeld hebben geleid. Een dergelijk onderzoek van de resultaten van het forensische DNA-onderzoek kan onder voorwaarden van meerwaarde zijn om te beoordelen welk voorliggend scenario het meest aannemelijk is. Voor een dergelijk onderzoek geldt dat voor een zinvolle evaluatie van het sporenbeeld een duidelijke vraagstelling betreffende de gedragingen of handelingen die onder de twee scenario’s worden betwist, noodzakelijk is. Ook de kans op contaminatie speelt in het activiteitenonderzoek een belangrijke rol. Blijkens de brief van Kokshoorn van 10 maart 2020 is het mogelijk om de resultaten van de uitgevoerde onderzoeken te evalueren gegeven door de partijen geformuleerde, specifieke scenario’s. “Het kan hierbij gaan om handelingen waarvan wordt betwist of die zijn uitgevoerd, om handelingen waarvan wordt betwist wie ze heeft uitgevoerd, of om een combinatie daarvan. Hierbij is het aan de rechtbank en de betrokken partijen om te komen tot de kern van het twistpunt; welke handelingen of contacten zijn in deze zaak gegeven, en welke worden betwist? Om een evaluatie van de onderzoeksresultaten te kunnen uitvoeren is, naast duidelijkheid over de betwiste handelingen, ook specifieke informatie nodig over de omstandigheden van de zaak. Bij deze zogenoemde ‘contextinformatie’ gaat het om nadere detaillering van de omstandigheden zoals die bekend zijn, of redelijkerwijs kunnen worden aangenomen onder de gegeven scenario’s”.241

Het hof stelt in de eerste plaats vast dat in de scenario’s van de verdediging wordt uitgegaan van de verklaring van de verdachte met betrekking tot het omdraaien van het lichaam van Nicky Verstappen. Onder 3.5.4.3. is overwogen dat de verklaring van de verdachte (in zoverre) wordt weerlegd door objectieve onderzoeksbevindingen. Voorts is bij de formulering van de scenario’s uitgegaan van emoties van de verdachte, waarover hijzelf niet heeft verklaard. Zoals onder 3.6.2.2. aan de orde is gekomen, ontberen deze feitelijke grondslag. Daarbij komt dat het hof onder 3.6.2.3.7. heeft geconcludeerd dat de door de raadslieden opgeworpen mogelijkheden van contaminatie, waarnaar zij onderzoek op activiteitenniveau willen laten verrichten, in het geheel niet aannemelijk zijn. Ten slotte heeft het hof in zijn overwegingen betrokken dat de verdachte pas in een laat stadium van de strafprocedure een verklaring heeft afgelegd, dat wil zeggen nadat het dossier van het onderzoek compleet was. Door deze proceshouding bestaat de mogelijkheid dat de verdachte zijn verklaring zodanig heeft kunnen formuleren dat daarmee de onderzoeksresultaten (deels) goed kunnen worden verklaard onder de door de verdachte (beperkt) geschetste handelingen. Dat heeft gevolgen voor de waardering van een eventueel onderzoeksresultaat op activiteitenniveau.

Daarbij weegt het hof mee dat ter terechtzittingen in eerste aanleg meermalen is aangestuurd op een te onderzoeken scenario van de zijde van de verdediging. Meer in het bijzonder wijst het hof op het volgende. Zo heeft de officier van justitie ter terechtzitting d.d. 5 juni 2019 de verdachte uitdrukkelijk uitgenodigd om zijn verklaring kenbaar te maken, zodat hiermee rekening kan worden gehouden bij het formuleren van onderzoekswensen242 en heeft de rechtbank ter terechtzitting van 27 augustus 2019 expliciet benoemd dat er geen uitgewerkt scenario van de verdediging beschikbaar is.243 Ter terechtzitting van 20 november 2019 heeft de officier naar voren gebracht dat, mocht de verdachte een verklaring willen afleggen, zij daarnaar nader onderzoek willen doen en heeft de verdachte verklaard dat het hem duidelijk is dat de rechtbank zijn visie over hoe zijn DNA op de kleding is terechtgekomen, mist.244 De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting van 6 mei 2020 expliciet naar voren gebracht geen verzoek te doen om een onschuldige manier van terechtkomen van DNA van de verdachte in sporen voor te leggen aan deskundige Kokshoorn en dat het scenario gewoon ‘onschuldig’ is en daarmee klaar.245 Ter terechtzitting van 29 september 2020 heeft de voorzitter van de rechtbank opgemerkt dat het niet voorleggen aan het NFI van de verklaring van de verdachte met de vraag die verklaring in relatie tot de aangetroffen sporen te beoordelen als gemiste kans kan worden beschouwd, nu volgens de verdachte zijn verklaring al vanaf het begin dezelfde is en de mogelijkheid van voorleggen ook ter terechtzitting op 6 mei 2020 uitdrukkelijk is besproken. De verdachte heeft daarop geantwoord dat het nu eenmaal op deze manier is besloten en de raadsman van de verdachte heeft daarop gereageerd dat het klopt dat de verdediging niet is ingegaan op dat specifieke aanbod.246 Het hof stelt vast dat de verdediging eerst bij pleidooi tijdens de inhoudelijke behandeling van de zaak in hoger beroep van 17 november 2021 voorwaardelijk heeft verzocht een onderzoek op activiteitenniveau te laten verrichten.

Het hof gaat tegen de achtergrond van de voorliggende feiten en omstandigheden en onder verwijzing naar 1.2.5. dus uit van een andere selectie en waardering van de voorhanden zijnde bewijsmiddelen dan de verdediging. In die andere lezing van de feiten acht het hof zich door het verhandelde ter terechtzitting voldoende ingelicht en is de noodzakelijkheid van het gevraagde onderzoek niet gebleken. Het hof wijst op grond van het bovenstaande dan ook het voorwaardelijke verzoek tot het laten verrichten van een onderzoek naar de DNA-resultaten door een deskundige op activiteitenniveau af.

3.8.

Tussenconclusie

Zoals onder 3.2 is overwogen, zal het hof de verdachte vrijspreken van het onder 2 primair tenlastegelegde feit. Onder 3.4.4. heeft het hof met betrekking tot het onder 2 subsidiair tenlastegelegde feit overwogen dat de in 3.4.3. vermelde feiten en omstandigheden het vermoeden rechtvaardigen dat de verdachte zich in de periode van 10 augustus 1998 tot en met 11 augustus 1998 in de gemeente(n) Landgraaf en/of Brunssum en/of Heerlen, in elk geval in Nederland, heeft schuldig gemaakt aan het buiten echt plegen van een of meer ontuchtige handeling(en) met Nicky Verstappen. Het hof heeft geconcludeerd dat de verdachte voor die omstandigheden, die op zichzelf en/of in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd redengevend moeten worden geacht voor het bewijs van het onder 2 subsidiair aan hem tenlastegelegde feit, geen aannemelijke of redelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring heeft gegeven (overweging 3.5.4.5.). Voorts heeft het hof de door de raadslieden opgeworpen mogelijkheden van contaminatie in het geheel niet aannemelijk geacht (overweging 3.6.2.3.7.) en zijn de verweren van de raadslieden ook voor het overige verworpen (overweging 3.6.2.4.). Tot slot heeft het hof onder 3.7. het voorwaardelijke verzoek van de verdediging afgewezen.

Op basis van het voorgaande kan worden geconcludeerd dat het onder 2 subsidiair tenlastegelegde feit wettig en overtuigend kan worden bewezen, inhoudende dat de verdachte in de periode van 10 augustus 1998 tot en met 11 augustus 1998 in de gemeente(n) Landgraaf en/of Brunssum en/of Heerlen, in elk geval in Nederland, met Nicky Verstappen, geboren op 13 maart 1987, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt buiten echt een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd door met zijn, verdachtes, hand(en) de (blote) penis en/of anus, althans schaamstreek en/of de billen, van die Verstappen te betasten.

4 4. Bewijsoverwegingen met betrekking tot feit 3: de wederrechtelijke

4.1.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De advocaten-generaal hebben ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat het hof zal bewezen verklaren dat de verdachte de onder 3 tenlastegelegde wederrechtelijke vrijheidsberoving heeft gepleegd. De advocaten-generaal hebben in dat verband naar voren gebracht dat er geen enkele aanwijzing is dat Nicky Verstappen het seksueel misbruik vrijwillig heeft ondergaan. Nicky Verstappen en de verdachte kenden elkaar niet, zoals ook de verdachte heeft verklaard. Dat betekent dat Nicky Verstappen enige tijd, namelijk in ieder geval gedurende de tijd dat het seksueel misbruik heeft plaatsgevonden, van zijn vrijheid is beroofd en tegen zijn wil door de verdachte onder (fysieke) controle is gehouden. Ook het meenemen naar de plek van het misbruik is als wederrechtelijke vrijheidsberoving aan te merken, aldus de advocaten-generaal.

4.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte van de onder 3 tenlastegelegde wederrechtelijke vrijheidsberoving zal worden vrijgesproken. Daartoe is naar voren gebracht dat er geen veroordeling kan volgen voor het seksueel misbruik van Nicky Verstappen en daarmee ook niet voor de wederrechtelijke vrijheidsberoving. Ook is aangevoerd dat niet kan worden uitgesloten dat Nicky Verstappen is weggelopen. Voorts heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de verdachte geen mogelijkheden had om ongezien een jongetje te vervoeren en geen plek had om een kind onder te brengen. Ook heeft de verdediging naar voren gebracht dat kampoudste [kampoudste] als mogelijke dader van de wederrechtelijke vrijheidsberoving, alsook van de overige tenlastegelegde feiten, gepleegd tegen Nicky Verstappen in aanmerking komt. De enkele omstandigheid dat van voornoemde [kampoudste] geen DNA-sporen (het hof begrijpt: op/in de onderbroek van het slachtoffer) zijn aangetroffen, maakt dat niet anders. [kampoudste] was interessant in het onderzoek; hij was de enige die beschikte over een eigen slaaptent en de enige kampleider die in de vroege ochtend van de verdwijning van Nicky Verstappen over het kamp had gelopen. Verder is [kampoudste] veroordeeld voor zedenfeiten en zijn meldingen gedaan van seksueel misbruik door [kampoudste] .

4.3.

Het oordeel van het hof

4.3.1.

Feiten en omstandigheden

Hiervoor is onder 3.3. en 3.4. met betrekking tot het onder 2 subsidiair tenlastegelegde feit vastgesteld dat Nicky Verstappen in het bijzijn van de verdachte – een voor hem onbekende vierentwintig jaar oudere volwassen man – ontkleed is geweest terwijl de verdachte bovendien een of meer ontuchtige handeling(en) met hem heeft gepleegd. Dat rechtvaardigt het vermoeden dat de verdachte Nicky Verstappen in ieder geval ten tijde van het plegen van de ontuchtige handeling(en) wederrechtelijk van diens vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden door Nicky Verstappen tegen diens vrije wil in zijn macht en/of onder zijn (fysieke) controle te houden.

Voorts acht het hof bewezen dat de verdachte Nicky Verstappen op enig moment tegen diens vrije wil heeft meegenomen en overweegt daartoe als volgt. Nicky Verstappen is in de ochtend van 10 augustus 1998 vanaf het tentenkamp op camping ‘ [naam kampeerterrein] ’ verdwenen en zijn lichaam is in de avond van 11 augustus 1998 in een dennenbosje, op een afstand in rechte lijn gemeten van ongeveer 1200 meter van voornoemde camping, aangetroffen. Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte in de tussenliggende periode een of meer ontuchtige handeling(en) met Nicky Verstappen heeft gepleegd. De vader van Nicky Verstappen heeft verklaard dat Nicky nooit vreemde mensen zou aanspreken met uitzondering van kinderen. Als hij door een andere persoon zou worden aangesproken, zou hij die persoon wel aanhoren.247 [getuige 1] , die in het schooljaar 1997-1998 onderwijzer was van Nicky Verstappen, heeft verklaard dat Nicky bang was voor vreemden. [getuige 1] heeft verklaard dat hij niet gelooft dat Nicky vrijwillig met een vreemde is meegegaan op de hei.248 Onder die omstandigheden is het hof van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte Nicky Verstappen op enig moment tegen diens vrije wil heeft meegenomen.

Het voorgaande wordt niet anders gelet op het verweer van de verdediging dat de verdachte geen mogelijkheden had om ongezien een jongetje te vervoeren en geen plek had om een kind onder te brengen.

4.3.2.

Uitsluiting van het wegloopscenario

Anders dan de verdediging is het hof van oordeel dat kan worden uitgesloten dat Nicky Verstappen uit eigen beweging en alleen uit het tentenkamp op ‘ [naam kampeerterrein] ’ is weggelopen. Weliswaar hebben de tentgenoten van Nicky Verstappen verklaard dat hij de avond voor zijn verdwijning, zondagavond 9 augustus 1998, tegen hen heeft gezegd dat hij zou weglopen,249 maar daarover hebben [tentgenoot 4] en [tentgenoot 2] verklaard dat zij dachten dat het een grapje was.250 [tentgenoot 1] , [tentgenoot 2] en [tentgenoot 3] hebben in hun verhoren te kennen gegeven dat Nicky dat helemaal niet zou hebben gedurfd.251 Zo heeft [tentgenoot 3] Nicky Verstappen omschreven als een bangerik die niet zomaar wegloopt.252 Ook [vader van Nicky Verstappen] , de vader van Nicky Verstappen, heeft bij het doen van aangifte van vermissing van zijn zoon op dinsdag 11 augustus 1998, omstreeks 09.00 uur, verklaard dat hij zich niet kan voorstellen dat Nicky zou weglopen: “Hij is nog nooit weggelopen en heeft ook nog nooit eerder laten blijken dat hij zou weglopen. Daarbij komt dat hij veel te bang is om weg te lopen.” De vader van Nicky Verstappen verklaarde dat zijn zoon nog geen tien meter alleen het bos zou inlopen en zeker niet om zes uur ’s morgens. Hij weet zeker dat als Nicky op dat moment alleen op de hei zou zijn, hij in panische angst zou verkeren. Hij is namelijk niet iemand die er alleen op uittrekt, aldus de vader van Nicky Verstappen.253 Voorts hebben de ouders van Nicky verklaard dat hun zoon van kinds af aan bangelijk was aangelegd.254 Voorts weegt het hof mee dat Nicky Verstappen in het geheel niet op weglopen was gekleed. Hij was immers slechts gekleed in een pyjamabroek met daaronder een onderbroek en hij droeg geen schoeisel.

Onder bovengenoemde omstandigheden is het hof van oordeel dat is uitgesloten dat Nicky Verstappen uit eigen beweging en alleen uit het tentenkamp op ‘ [naam kampeerterrein] ’ is weggelopen.

4.3.3.

Uitsluiting van [kampoudste] als (mogelijke) dader

Voorts acht het hof het – anders dan de verdediging – uitgesloten dat [kampoudste] als dader van de wederrechtelijke vrijheidsberoving, alsook van de overige tenlastegelegde feiten, gepleegd tegen Nicky Verstappen in aanmerking komt.

Het hof stelt vast dat op 22 november 2010 door de officier van justitie een bevel tot opgraving van het stoffelijk overschot van voornoemde [kampoudste] is afgegeven. [kampoudste] was kampoudste en naamgever van het jeugdwerk van het kamp waar Nicky Verstappen destijds verbleef. De officier van justitie heeft in het bevel tot opgraving overwogen dat een strafrechtelijk opsporingsonderzoek is ingesteld naar aanleiding van het verdwijnen en overlijden van Nicky Verstappen en dat het, na het zonder resultaat instellen van een grootschalig DNA-bevolkingsonderzoek, in het strafrechtelijke belang is dat het stoffelijk overschot van [kampoudste] wordt opgegraven. Hij lag begraven op het plaatselijke kerkhof te Heibloem.255 Na opgraving van zijn stoffelijk overschot is van het referentiemonster bot AACM6003NL (femur links) van [kampoudste] een DNA-profiel verkregen. Dit DNA-profiel is vergeleken met de DNA-profielen van het celmateriaal in de bemonsteringen [ABR035]#11 van de onderbroek van het slachtoffer, gekoppeld aan onbekende man 2, en het DNA-profiel van het celmateriaal in de bemonstering [ABR035]#21 van de onderbroek van het slachtoffer, gekoppeld aan onbekende man 3. Op basis van de resultaten van het vergelijkend DNA-onderzoek is geconcludeerd dat het DNA-profiel van [kampoudste] niet matcht met voormelde DNA-profielen. Dit betekent dat het celmateriaal in de bemonsteringen [ABR035]#11 en [ABR035]#21 niet afkomstig is van [kampoudste] .256

Er zijn derhalve geen technische bevindingen op basis waarvan [kampoudste] als (mogelijke) dader van het plegen van ontuchtige handelingen bij Nicky Verstappen, zoals onder 2 subsidiair is tenlastegelegd, kan worden aangemerkt. Voorts zijn er noch technische bevindingen noch tactische bevindingen die duiden op zijn betrokkenheid bij de wederrechtelijke vrijheidsberoving en de dood van Nicky Verstappen. Hetgeen de raadslieden daaromtrent overigens hebben aangevoerd, maakt dat niet anders.

Gelet op het bovenstaande kan [kampoudste] als (mogelijke) dader van de wederrechtelijke vrijheidsberoving van Nicky Verstappen, alsook van de overige tenlastegelegde feiten gepleegd jegens hem, worden uitgesloten.

4.4.

Tussenconclusie

Zoals onder overwegingen 3.3, 3.4 en 3.8 naar voren is gekomen, in samenhang met het feit dat de verklaring van de verdachte terzijde is geschoven, en onder overwegingen 4.3.2. en 4.3.3 is gebleken dat andere mogelijkheden zijn uitgesloten, kan het niet anders zijn dan dat de verdachte als degene die Nicky Verstappen ontuchtig heeft betast, ook degene is die hem wederrechtelijk van zijn vrijheid heeft beroofd en beroofd heeft gehouden, door Nicky Verstappen op enig moment tegen diens vrije wil mee te nemen en gedurende enige tijd tegen diens vrije wil in zijn macht en/of onder zijn (fysieke) controle te houden.

Verdere bijzondere bewijsoverwegingen met betrekking tot feiten 1, 2 en 3


5. De zaken uit 1984 en 1985 en de overeenkomsten met de (sporen in de) onderhavige

zaak uit 1998

5.1.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De advocaten-generaal hebben ter terechtzitting in hoger beroep de zaken uit 1984 en 1985 aangehaald in het kader van de verdenking tegen de verdachte en zijn interesse in jonge jongens mede daarop gebaseerd. Voorts hebben de advocaten-generaal de betreffende zaken in herinnering geroepen met betrekking tot de onder 3 tenlastegelegde wederrechtelijke vrijheidsberoving. Ook hebben de advocaten-generaal in verband met het ontbreken van een eenduidige doodsoorzaak in de onderhavige zaak verwezen naar de handelingen van de verdachte in de zaken uit 1984 en 1985 en zijn de feiten en omstandigheden uit die zaken meegewogen bij de gevolgtrekking van het Openbaar Ministerie dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 1 tenlastegelegde gekwalificeerde doodslag. Tot slot hebben de advocaten-generaal gewezen op de omstandigheid dat de verdachte niet of nauwelijks heeft willen verklaren over de zaken uit 1984 en 1985.

5.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep met betrekking tot de zaken uit 1984 en 1985 naar voren gebracht dat een schakelbewijsconstructie zoals opgenomen in het vonnis van de rechtbank geen stand kan en mag houden, zeker niet nu de verklaringen over het op de grond gedrukt houden pas in 2018 zijn afgelegd in de zaak waarin de verdachte nimmer als verdachte is aangehouden (het hof begrijpt: de zaak uit 1984). Volgens de verdediging staat niet vast dat de verdachte ook verantwoordelijk is voor de zaak uit 1984. De verklaring van de verdachte is onvoldoende specifiek om met zekerheid te kunnen concluderen waarover het gaat en de link met de zaak uit 1984 is dan ook allerminst zeker, aldus de raadslieden. Gelet op de onzekerheden in de verklaringen van de jongens mogen deze niet in het nadeel van de verdachte worden gebruikt. De betreffende zaken vormen geen extra bewijsmiddel en horen geen rol te spelen in de bewijsoverwegingen. Er is sprake geweest van een verdenking (het hof begrijpt: in de zaak uit 1985) en een zaak waarin daar niet eens sprake van is geweest (het hof begrijpt: in de zaak uit 1984), zo stelt de verdediging.

5.3.

Het juridische kader

Onder verwijzing naar overweging 1.3.1. memoreert het hof dat voor het bewijs van het tenlastegelegde strafbare feit de strafrechter de bewezenverklaring mede mag doen steunen op één of meer bewijsmiddelen waaruit blijkt van redengevende feiten en omstandigheden van een ander, soortgelijk strafbaar feit dat door de verdachte is begaan. Dit wordt omschreven als zogenoemd ‘schakelbewijs’. Daarbij is ten minste vereist dat de wijze waarop de onderscheidene feiten zijn begaan op essentiële punten overeenkomt of kenmerkende gelijkenissen vertoont en het duidelijk is dat de verdachte bij beide feiten betrokken is geweest. Voor wat betreft het overeenkomen van essentiële punten tussen beide ‘geschakelde’ feiten wordt in de regel in het bijzonder gekeken naar de (werk)wijze waarop de onderscheidene feiten zijn gepleegd, de modus operandi. Daarbij kan ook de feitelijke gang van zaken ten aanzien van de tenlastegelegde feiten meewegen, waaronder de context waarbinnen die feiten zich hebben afgespeeld, de omstandigheden waarmee zij zijn omgeven, het desbetreffende handelen van de verdachte, alsmede de verklaringen die de verdachte daarover heeft afgelegd. Hieruit zou een herkenbaar en gelijksoortig patroon in het handelen van de verdachte kunnen worden opgemaakt.

5.4.

De zaken uit 1985 en 1984

De zaak uit 1985

Uit de gebezigde bewijsmiddelen, bevattende de verklaringen van getuigen [getuige 2] en [getuige 3] alsmede de verklaring van de verdachte, leidt het hof de volgende feiten en omstandigheden van de zaak uit 1985 af.

Op vrijdag 5 juli 1985 bevonden [getuige 2] en [getuige 3] , 11 jaar respectievelijk 10 jaar oud, zich in het Wijnandsraderbos in de gemeente Nuth. Zij waren die middag met hun klas van de lagere school naar het bos gegaan en hadden zich in de struiken verstopt. Op enig moment kwam een onbekende man, naar later bleek de verdachte, naar hen toelopen en ging gehurkt achter hen op de grond zitten. De verdachte was woonachtig in de nabije omgeving van die plek257 en heeft verklaard dat hij vaker in dat bos was geweest. De verdachte en de jongens voerden een gesprek. Op enig moment heeft de verdachte de jongens opeens van achteren vastgepakt en de hand op de mond gehouden. De verdachte heeft toen gezegd dat hij met zijn hand bij hen in de broek wilde. Eén van de jongens, [getuige 3] , heeft zich toen verplaatst en geprobeerd op te staan en weg te rennen. Daarop heeft de verdachte hem bij zijn arm vastgepakt en hem terug op de grond getrokken. De verdachte heeft gezegd dat zij zich rustig moesten houden en zijn handen van hun mond gedaan. De verdachte heeft toen met zijn linkerhand de arm van [getuige 2] vastgepakt, is met zijn rechterhand onder de onderbroek van [getuige 2] gegaan en heeft aan zijn geslachtsdeel gevoeld. De verdachte heeft hem daarna losgelaten, waarop [getuige 2] is weggerend. De verdachte heeft vervolgens [getuige 3] vastgepakt, is toen wederom met zijn rechterhand onder de onderbroek gegaan en heeft ook aan zijn geslachtsdeel gevoeld. [getuige 3] riep toen naar [getuige 2] dat hij op [getuige 3] moest wachten. Door het roepen van de jongens is de verdachte geschrokken van hetgeen hij aan het doen was en hij heeft [getuige 3] toen losgelaten. Hij was helemaal in de war. Daarna is hij weggerend en heeft hij minstens een uur ergens in het veld liggen huilen.

De zaak uit 1984

Twee dagen later, op zondag 7 juli 1985, heeft de verdachte – uit eigen beweging, nadat aan hem rechtsbijstand en de cautie was verleend – verklaard dat hij het jaar daarvoor (het hof begrijpt: in 1984) in dezelfde paniek was geraakt als op vrijdag 5 juli 1985. De verdachte kon zich iets herinneren van Wijlre en kinderen met een vlieger. Hij heeft verklaard dat het mooi weer was en dat hij in een weiland, ergens buiten de bebouwde kom, een ongeveer 12-jarige jongen met een vlieger zag spelen. De verdachte heeft verklaard dat hij toen bij deze jongen is gaan zitten en met hem heeft gesproken. Nadat hem was medegedeeld dat op donderdag 9 augustus 1984 in Wijlre twee jongens van 12 jaar, die aldaar met een vlieger aan het spelen waren, zijn lastiggevallen door een man, waarvan het signalement overeenkomt met zijn signalement, heeft de verdachte verklaard dat hij aanneemt dat hij dat is geweest, omdat hij bepaalde dingen weer voor ogen kan halen. Daarbij memoreert het hof dat de verdachte in eerste instantie heeft verklaard over de meervoudsvorm ‘kinderen’ in combinatie met een vlieger. De verdachte heeft verklaard dat hij weet dat hij op enig moment met dat jongetje is gaan lopen, dat hij toen nog in het prikkeldraad is gevallen en dat die jongen over het prikkeldraad is geklommen en met hem is meegelopen. De jongen had de vlieger in een plastic zak bij zich. Zij zijn toen buiten het weiland op een verharde weg terechtgekomen. Op een T-kruising heeft de verdachte de jongen bij zijn arm vastgepakt en tegen hem gezegd dat hij met hem wilde vrijen. De verdachte heeft een hand voor de mond van de jongen gehouden, heeft geprobeerd de ritssluiting van de broek van de jongen los te maken en hem toen op de broek aan zijn geslachtsdeel gevoeld. De jongen is langs de weg in het gras gevallen. De verdachte heeft toen geprobeerd met zijn hand onder de broek aan zijn achterwerk te komen en dat lukte gedeeltelijk, aldus de verdachte.

Gelet op de specifieke omstandigheden waaronder het feit is gepleegd en waarover de verdachte reeds in 1985 heeft verklaard, in onderling verband en samenhang bezien met hetgeen slachtoffers [getuige 4] en [getuige 5] daarover hebben verklaard, is het hof van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte heeft verklaard over de feiten die hij jegens hen heeft gepleegd in 1984. Het hof wijst in dat verband op de omstandigheid dat de verdachte heeft verklaard over een situatie met kinderen en een vlieger in 1984 te Wijlre, op een dag dat het mooi weer was, waaruit het hof afleidt dat het in de zomerperiode is geweest. Meer specifiek heeft de verdachte verklaard over een jongen van ongeveer 12 jaar oud, die in een weiland met een vlieger aan het spelen was, bij wie hij is gaan zitten en met wie hij heeft gesproken. Voorts heeft hij verklaard dat zij het weiland zijn uitgelopen en op een verharde weg zijn terechtgekomen en hij heeft in dat verband gesproken over prikkeldraad. Ook heeft de verdachte verklaard dat de jongen de vlieger in een plastic zak bij zich had. De verdachte heeft verklaard dat hij een hand voor de mond van de jongen heeft gehouden en dat de jongen in het gras is gevallen. Tot slot heeft de verdachte geprobeerd met zijn hand onder de broek aan zijn achterwerk te komen en dat is gedeeltelijk gelukt, aldus de verdachte. Het hof stelt vast dat de inhoud van deze verklaring van de verdachte in de kern en op specifieke onderdelen telkens overeenkomt met de verklaringen van [getuige 4] en/of [getuige 5] . Bovendien heeft [getuige 4] verklaard dat hij op een foto de verdachte herkende – zoals het hof begrijpt – als de dader van de feiten gepleegd in 1984. Het hof stelt derhalve vast dat de verdachte degene is geweest die in 1984 de feiten jegens [getuige 4] en [getuige 5] heeft gepleegd.

[getuige 4] en [getuige 5] zijn op 1 november 2018 als getuigen over de in 1984 gepleegde feiten gehoord. De omstandigheid dat zij daarover pas in 2018 voor het eerst zijn gehoord, maakt op zichzelf niet dat aan deze verklaringen geen waarde kan worden gehecht. Ook de omstandigheid dat de verdachte nimmer als verdachte is aangehouden, maakt dat niet anders. Zo hebben getuigen [getuige 4] en [getuige 5] in 2018 ieder een in de kern gelijkluidende, gedetailleerde verklaring afgelegd, welke verklaring op specifieke onderdelen overeenkomt met de reeds in 1985 afgelegde verklaring van de verdachte. Bovendien hebben deze getuigen in het verhoor telkens uitdrukkelijk vermeld als zij zich zaken niet meer kunnen herinneren, hetgeen kan zijn te wijten aan het tijdsverloop. Het hof leidt daaruit af dat zij de verdachte niet onnodig willen belasten. Het hof is van oordeel dat deze manier van verklaren bijdraagt aan de betrouwbaarheid daarvan. Het hof ziet dan ook geen enkele reden te twijfelen aan de juistheid en betrouwbaarheid van de totstandkoming en inhoud van die verklaringen.

Op basis van de verklaringen van getuigen [getuige 4] en [getuige 5] , in onderling verband en samenhang bezien met de verklaring van de verdachte, stelt het hof met betrekking tot de zaak uit 1984 het volgende vast.

[getuige 4] en [getuige 5] , beiden 12 jaar oud, waren op een middag in de zomer van 1984 aan het vliegeren in een weiland in Wijlre. Op enig moment kwam een voor hen onbekende man, naar later bleek de verdachte, aanlopen. Hij ging bij hen op de grond zitten. De verdachte zat naar hen te kijken en zij voerden met z’n drieën een gesprek. Toen [getuige 4] en [getuige 5] op enig moment wegliepen, werden zij door de verdachte vastgepakt en hield de verdachte zijn hand voor hun mond. Zij werden voorover geduwd, waardoor zij voorover op de grond kwamen te liggen. De verdachte zei: “Jullie moeten rustig zijn, meekomen. Naar de schuur. Hebben jullie dat begrepen”. De verdachte lag met zijn buik bovenop [getuige 4] en [getuige 5] , of meer tussen hen in, had zijn armen gespreid en hield zijn rechterhand voor de mond van [getuige 4] en zijn linkerhand voor de mond van [getuige 5] . De verdachte zei een aantal keren dat zij met hem moesten meekomen. Op een gegeven moment stond de verdachte op en trok [getuige 4] en [getuige 5] overeind, terwijl hij hen bleef vasthouden. Vervolgens liepen zij over een veldweg, de Kruisweg, in de richting van de Elkenraderweg. De verdachte liep achter [getuige 4] en [getuige 5] en hield zijn handen stevig voor hun borst. Zij liepen in de richting van de schuur. [getuige 4] heeft over de schuur verklaard dat achter een haag van zeker twee meter hoog een appelboomgaard lag en dat in die boomgaard een schuur stond. Als je niet wist dat daar een schuur was, kon je dat in ieder geval ook niet zien. [getuige 4] wist het wel, omdat hij het gebied goed kende. Het hof leidt hieruit af dat ook de verdachte het betreffende gebied kende. Ook was de verdachte woonachtig in de nabije omgeving.258 Op enig moment kon [getuige 4] uit de greep van de verdachte loskomen en wegrennen. De verdachte bleef [getuige 5] vasthouden, terwijl [getuige 5] om hulp riep. De verdachte is toen van achteren met de hand in de broek van [getuige 5] gegaan en heeft met zijn blote hand het blote geslachtsdeel van [getuige 5] aangeraakt.

Uit het voorgaande leidt het hof de betrokkenheid van de verdachte bij de in 1984 en 1985 gepleegde feiten af. Het hof stelt vast dat de verdachte telkens in de zomerperiode in een buitengebied/bosgebied jongens in de leeftijd van 10 tot 12 jaar heeft benaderd. Het ging telkens om jongens die hij niet kende en die hem ook niet kenden. De verdachte kende het betreffende gebied wel en was woonachtig in die nabije omgeving. De verdachte heeft bij de jongens de hand voor de mond gehouden en ontuchtige handelingen gepleegd door met zijn hand in de onderbroek te gaan en het geslachtsdeel te betasten. Voorts heeft de verdachte hen gedurende het plegen van die handelingen wederrechtelijk van de vrijheid beroofd en beroofd gehouden.

5.5.

De overeenkomsten met de (sporen in de) onderhavige zaak uit 1998

Op 11 augustus 1998 werd het levenloze lichaam van de 11-jarige jongen Nicky Verstappen aangetroffen op de Brussummerheide, op een afstand van ongeveer 1200 meter van camping ‘ [naam kampeerterrein] ’, waar hij destijds verbleef. Een vergelijking met de zaken uit 1984 en 1985 levert naar het oordeel van het hof het volgende beeld op.

Uit het onderzoek naar de dood van Nicky Verstappen is voor het hof komen vast te staan dat hij in de periode van 10 augustus 1998 tot en met 11 augustus 1998 op de Brunssummerheide seksueel is misbruikt.259 Op grond van de bewijsmiddelen uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof onder 3.8. vastgesteld dat de verdachte in de genoemde periode een of meer ontuchtige handeling(en) met het slachtoffer heeft gepleegd, waarbij uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte biologische sporen heeft achtergelaten in het kruis van de onderbroek van het slachtoffer, zijnde in de directe omgeving van het geslachtsdeel van het slachtoffer. Ook in de zaken uit 1984 en 1985 blijkt uit het voorgaande dat het gaat om incidenten van de verdachte met jonge jongens, waarbij de verdachte ontuchtige handelingen met de jongens heeft verricht, die bestonden uit het betasten van het geslachtsdeel van de jongens. Het hof stelt derhalve ten eerste vast dat bij de verschillende incidenten een seksueel motief bij de verdachte aanwezig was en dat door hem specifieke ontuchtige handelingen bij willekeurige en hem onbekende jongens werden verricht (het betasten van het geslachtsdeel).

Dit sluit aan bij de tweede overeenkomst tussen de te vergelijken zaken, zijnde de seksuele interesse van de verdachte. Reeds uit de verklaring van de verdachte, afgelegd bij de politie naar aanleiding van het incident in 1985, blijkt dat de verdachte zich seksueel aangetrokken voelt tot kleine jongens. Zowel de jongens van de incidenten uit 1984 en 1985 als Nicky Verstappen behoorden gezien hun geslacht en jonge leeftijd derhalve tot een groep waarin de verdachte seksueel geïnteresseerd was.
In de derde plaats was de verdachte in de te vergelijken zaken bekend met de omgeving waarin hij de feiten heeft gepleegd. Ook was hij woonachtig in de nabije omgeving. In de onderhavige zaak heeft de verdachte, nadat aan hem een kaart van de Brunssummerheide was getoond, bevestigd dat hij het gebied kende.260 De verdachte was een natuurliefhebber en woonde op ongeveer 12 kilometer fietsafstand van de plaats van het aantreffen van het slachtoffer op de Brunssummerheide.261 Ook in de zaken uit 1984 en 1985 kende de verdachte de omgeving waarin hij de jongens aantrof, blijkens de verklaringen van de verdachte en de jongens.

In de vierde plaats betroffen het in de te vergelijken zaken allen jonge jongens die de verdachte niet kenden. De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg d.d. 20 november 2019 verklaard dat hij Nicky Verstappen niet kende.262 Het rechercheteam heeft onderzocht of Nicky Verstappen de verdachte kende, maar dat bleek niet het geval.263 Het hof leidt daaruit af dat de verdachte, evenals voor de jongens in de zaken uit 1984 en 1985, een onbekende was voor Nicky Verstappen.
Ten slotte komt ook de (werk)wijze waarop de verschillende feiten zijn gepleegd door de verdachte, de modus operandi, sterk overeen. Voorafgaand aan het misbruik heeft de verdachte de jongens in de te vergelijken zaken in stilte benaderd en vervolgens vastgegrepen en vastgehouden en daarbij een hand voor de mond gehouden. In de zaak uit 1984 heeft de verdachte de jongens ook met lichamelijke kracht gedwongen mee te gaan. Daardoor zijn de jongens van hun vrijheid beroofd, alsook van hun vrijheid beroofd gehouden ten tijde van het seksueel misbruik. Het hof heeft onder 4.4. geconcludeerd dat het niet anders kan zijn dan dat het de verdachte is geweest die Nicky Verstappen wederrechtelijk van diens vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden door het slachtoffer op enig moment tegen diens vrije wil mee te nemen en enige tijd, in ieder geval ten tijde van het seksueel misbruik, tegen diens vrije wil in zijn macht en/of onder zijn (fysieke) controle te houden.

5.6.

Conclusie

Het hof stelt op grond van het voorgaande dan ook vast dat de feiten gepleegd in 1984, 1985 en 1998 gezien de feitelijke gang van zaken, waaronder de context waarbinnen die feiten zich hebben afgespeeld, de omstandigheden waarmee zij zijn omgeven en het desbetreffende handelen van de verdachte, zijnde de (werk)wijze waarop de verschillende feiten zijn gepleegd, het hof tot het oordeel brengen dat de verschillende incidenten zodanig op essentiële punten overeenkomen of kenmerkende gelijkenissen vertonen, dat hieruit een herkenbaar en gelijksoortig patroon in het handelen van de verdachte kan worden opgemaakt.

Met inachtneming van hetgeen is overwogen onder 1.3.1. concludeert het hof dat voor het bewijs van het onder 2 tenlastegelegde buiten echt plegen van een of meer ontuchtige handeling(en) met Nicky Verstappen en de onder 3 tenlastegelegde wederrechtelijke vrijheidsberoving van Nicky Verstappen de bewezenverklaring van die feiten mede steunt op de bewijsmiddelen waaruit blijkt van redengevende feiten en omstandigheden van de andere, soortgelijke strafbare feiten die in 1984 en 1985 door de verdachte zijn begaan. Voorts concludeert het hof dat de (werk)wijze van de verdachte ook wordt gekenmerkt door het onverhoeds vastpakken van jongens en het drukken van de hand van de verdachte op de mond van die jongens. Onder overweging ‘8. Eindconclusie over de samenhang en de betrokkenheid van de verdachte ter zake van de feiten 1, 2 en 3’ zal aan de orde komen wat de betekenis is van deze (werk)wijze voor de onder 1 tenlastegelegde (gekwalificeerde) doodslag.

6 De vlucht van de verdachte

7 De verklaring(en) van [getuige 13]

8 Eindconclusie over de samenhang en de betrokkenheid van de verdachte ter zake van de feiten 1, 2 en 3

9 Voorafgaande bewijsoverwegingen ter zake van feit 4

1 Voorafgaande bewijsoverwegingen ter zake van de feiten 1, 2 en 3pg. 11

3 Bewijsoverwegingen met betrekking tot feit 2 primair en subsidiair: seksueel binnendringen/plegen van ontuchtige handelingenpg. 37

4 Bewijsoverwegingen met betrekking tot feit 3: de wederrechtelijke

5 De zaken uit 1984 en 1985 en de overeenkomsten met de (sporen in de)

6 De vlucht van de verdachtepg. 110

7 De verklaring(en) van getuige [getuige 13] . 115

8 Eindconclusie over de samenhang en de betrokkenheid van de verdachte

9 Voorafgaande bewijsoverwegingen ter zake van feit 4pg. 124