Home

Rechtbank Limburg, 31-03-2021, ECLI:NL:RBLIM:2021:2962, C/03/271031 / HA ZA 19-585

Rechtbank Limburg, 31-03-2021, ECLI:NL:RBLIM:2021:2962, C/03/271031 / HA ZA 19-585

Gegevens

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
31 maart 2021
Datum publicatie
13 april 2021
ECLI
ECLI:NL:RBLIM:2021:2962
Formele relaties
Zaaknummer
C/03/271031 / HA ZA 19-585

Inhoudsindicatie

Aansprakelijkheid bank voor beleggingsadvies. Eiser heeft verweer van bank, dat wijze van belegging bij aanvang en ook gedurende het bestaan van de beleggingspolis gebruikelijk was en heden ten dage nog steeds is, onvoldoende betwist.

Uitspraak

vonnis

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer: C/03/271031 / HA ZA 19-585

Vonnis van 31 maart 2021

in de zaak van

[eiser] ,

wonend te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. P.M.H. Cruts,

tegen:

de coöperatie

COÖPERATIEVE RABOBANK U.A.,

statutair gevestigd te Amsterdam, kantoorhoudend te Utrecht en Heerlen,

gedaagde,

advocaat mr. F.M.A. ’t Hart.

Partijen worden hierna [eiser] en Rabobank genoemd.

1 Het verdere verloop van de procedure

1.1.

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

-

de rolbeslissing van 15 april 2020,

-

het B-3 formulier van [eiser] , ter griffie ontvangen op 22 april 2020,

-

de producties 21 tot en met 23 zijdens [eiser] , ter griffie ontvangen op 30 december 2020,

-

het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 11 januari 2021,

-

het B-3 formulier van [eiser] , ter griffie ontvangen op 22 januari 2021,

-

de brief van de rechtbank van 22 januari 2021,

-

het B-16 formulier van Rabobank, ter griffie ontvangen op 26 januari 2021,

-

de brief van de rechtbank van 1 februari 2021.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] heeft Rabobank in 1997 gevraagd hem te adviseren in het kader van een pensioenvoorziening in aanvulling op zijn AOW. Rabobank heeft [eiser] op 17 april 1997 een offerte aangeboden van het door ZwitserLeven aangeboden product genaamd “Het Belegpensioen van ZwitserLeven”.

2.2.

Deze offerte houdt – voor zover in het kader van dit geschil relevant – het volgende in (productie 1 bij dagvaarding):

“(...) Premie

Premie per maand bij automatische incasso f 1.055

Van deze premie wordt gedurende de eerste 5 jaar

82,00% geinvesteerd in beleggingsaandelen. Daarna

wordt 97,50% van de premie belegd.

Verdeling investeringspremie over beleggingsfondsen

Verondersteld fondsrendement*

per jaar

Swiss Life Aandelenfonds 100% 10,00%

Swiss Life Obligatiefonds 0% 8,00%

Swiss Life Geldmarktfonds 0% 6,00%

Swiss Life Mixfonds 0% 9,00%

Swiss Life Garantiefonds 0% 6,00% (garantie 4%)

100% 10,00%

*Zie toelichting

(...)

(...) I Voorbeeldkapitaal op de pensioenrichtdatum

- Het voorbeeldkapitaal bedraagt uitgaande van een

voorbeeldpercentage gelijk aan een:

- verondersteld fondsrendement van 10,00% f 351.443

- gerealiseerd hoogste fondsrendement van 20,60% f 919.782

- gerealiseerd gemiddeld fondsrendement van 17,6% f 698.631

- en gerealiseerd laagste fondsrendement van 15,10% f 556.289

(...).”

2.3.

Rabobank heeft, optredend als remisier, bemiddelaar en adviserend financieel dienstverlener, op 7 oktober 1997 op basis van de offerte een belegpensioenpolis voor [eiser] afgesloten bij ZwitserLeven onder nummer 7005212 (productie 2 bij dagvaarding). De beleggingen vonden plaats in het aandelenfonds.

2.4.

[eiser] had ten tijde van het afsluiten van de belegpensioenpolis twee lopende koopsompolissen bij Rabobank, die beide expireerden in 2007. Op advies van zijn accountant heeft [eiser] de waarde van die vrijgevallen polissen, van in totaal € 57.877,85, op

20 juni 2008 als extra storting belegd in de belegpensioenpolis.

2.5.

Als door [eiser] niet betwist, staat verder vast dat hij zelf belegde met een tweetal beleggingsrekeningen: een Effectenrekening met een totaalsaldo van € 15.600,-- en een Beleggersrekening met een totaal van € 114.623,21.

2.6.

In de brief van Rabobank van 26 juni 2008 aan [eiser] staat, geciteerd voor zover hier van belang (productie 7 bij dagvaarding):

“(...) Hierbij ontvangt u naar aanleiding van uw schrijven, betreffende de expiratie van uw polissen, een tweetal mutatieformulieren.

Graag verzoek ik u om de getekende mutatieformulieren en de originele polissen zo spoedig mogelijk te retourneren. Hierna zal ik er voor zorgdragen dat Interpolis de bedragen naar ZwitserLeven zal boeken conform uw opdracht. (...)”.

2.7.

Bij brief van 18 november 2008 heeft [eiser] ‘het polisblad extra storting’ ontvangen. Op dit polisblad staat, geciteerd voor zover hier van belang (productie 9 bij dagvaarding):

“(...)

Extra storing

De extra storting op 7 november 2008 bedraagt € 57.877,85

(...)

Fondsverdeling

Het investeringsdeel van de extra storting wordt belegd in:

Zwitserleven Aandelenfonds voor 100%”

2.8.

Op 25 maart 2009 heeft Rabobank aan [eiser] een waardeoverzicht van februari 2009 verstrekt. Uit dat waardeoverzicht blijkt dat van de extra storting van € 57.877,85 een bedrag van € 54.029,95 aan kosten in rekening is gebracht, te weten € 5.016,08 aan mutatiekosten en € 48.555,33 aan switchkosten (productie 10 bij dagvaarding).

2.9.

Uiteindelijk is in november 2008 het bedrag dat was geïnvesteerd in het aandelenfonds omgezet naar het garantiefonds.

2.10.

[eiser] heeft het belegde vermogen in 2011 vervroegd laten uitkeren. Dat had op de dag dat dit werd uitgekeerd, op 4 november 2011, een waarde van € 112.136,94. Inclusief de storting van € 57.877,85 heeft [eiser] € 138.784,91 ingelegd.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] stelt dat hij pas vanaf 2003 jaaroverzichten ontving van de beleggingswaarde van de belegpolis. De jaaroverzichten over de jaren 2001 en 2002 heeft hij pas in 2009 ontvangen. Gedurende de looptijd van de polis ontving hij onregelmatig overzichten van die polis.

3.2.

[eiser] stelt dat hij naar aanleiding van de brief van 7 november 2008 (productie 9 bij dagvaarding) op eigen initiatief met ZwitserLeven heeft afgesproken dat de extra storting en ook het belegpensioen en verschuldigde premies zouden worden belegd in het garantiefonds.

3.3.

Verder stelt [eiser] dat hij over de gehele looptijd van de belegging een zwaar negatief rendement heeft behaald van € 26.647,97 (investering van € 138.784,91 minus uitbetaling van € 112.136,94), dat niet in de buurt komt van het gemiddelde rendement dat

ZwitserLeven in haar offerte had geschetst.

3.4.

[eiser] verwijt Rabobank dat zij hem verkeerd heeft geadviseerd. Gelet op het doel van de belegging, te weten ter financiering van een pensioen in aanvulling op een AOW, had Rabobank hem moeten adviseren van het begin af aan te beleggen in vastrentende waardes, te weten in het garantiefonds, dat volgens [eiser] een gegarandeerd minimumrendement van 4% per jaar kent. Rabobank had hem niet mogen adviseren te beleggen in het aandelenfonds. Door [eiser] niet te vertellen dat er geen gegarandeerde minimale opbrengst is, heeft Rabobank onzorgvuldig gehandeld. Het belegde geld is in eerste instantie volledig risicovol belegd in het aandelenfonds.

3.5.

Voorts stelt [eiser] dat het product dat Rabobank heeft geadviseerd niet voldeed aan de kapitaalverwachting en dus daarmee niet aan de doelstelling. [eiser] stelt bij het afsluiten van de polis om een zekere kapitaalopbouw te hebben verzocht ten behoeve van zijn pensioenopbouw en niet om een risicovolle beleggingspolis in risicovolle aandelen.

3.6.

Rabobank had [eiser] bovendien moeten informeren over het feit dat de voorbeeldkapitalen in de offerte niet realistisch waren, althans Rabobank had moeten waarschuwen dat het rendement ook negatief zou kunnen uitvallen. Rabobank had daarnaast moeten wijzen op het feit dat in de eerste vijf jaar slechts 82% van de premies wordt belegd en daarna maar 97,5%. De kosten verbonden aan het product waren niet (geheel) inzichtelijk.

3.7.

[eiser] verwijt Rabobank verder dat zij [eiser] niet heeft geïnformeerd dat zij niet het “ken uw klant”-beginsel heeft toegepast. Een dergelijk onderzoek is nooit verricht, nu aan [eiser] hiervan geen kopie is verstrekt. Rabobank heeft aldus niet voldaan aan haar zorgplicht jegens [eiser] . Rabobank had als huisbankier van [eiser] moeten weten dat hij laag opgeleid was, geen beleggingservaring had, dat zijn financiële draagkracht beperkt was en dat hij voor zijn aanvullend pensioen grotendeels afhankelijk was van de opbrengst van de belegpolis.

3.8.

Door enkel de offerte van ZwitserLeven te presenteren, is [eiser] , naar hij stelt, de mogelijkheid ontnomen te profiteren van een ruime keuze aan mogelijk, andere overeenkomsten.

3.9.

Tot de zorgplicht van Rabobank behoort volgens [eiser] ook dat Rabobank zorgt voor nazorg: ze dient haar cliënten ook tijdens de looptijd gevraagd en ongevraagd te adviseren over de afgesloten verzekering. Zeker in het kader van de pensioendoelstelling op het moment dat negatieve ontwikkelingen zichtbaar waren. Rabobank had proactief moeten reageren en [eiser] moeten wijzen op de gevolgen van een dalende belegging en zij had erop moeten toezien dat het product gedurende de looptijd haar waarde niet zou verliezen en moeten wijzen op een veilige variant.

3.10.

Volgens [eiser] had Rabobank ook moeten opmerken dat ZwitserLeven niet tijdig de juiste jaaroverzichten verstrekte en had zij er zorg voor moeten dragen dat dat wel gebeurde. Door de inactieve houding van Rabobank heeft [eiser] geen inzicht gekregen in de waarde van de beleggingen. Bovendien heeft Rabobank zich door het niet verstekken van de jaaroverzichten, zoals contractueel overeengekomen, schuldig gemaakt aan een omissie in de zin van artikel 6:193d BW.

3.11.

Ook bij de storting op de belegpolis van de vrijgevallen koopsompolissen in 2008 heeft Rabobank volgens [eiser] haar zorgplicht verzaakt. De rechtbank begrijpt dat [eiser] daartoe stelt dat Rabobank er niet op heeft toegezien dat door ZwitserLeven de waarde van de belegpolis, die tot dan toe was belegd in het aandelenfonds, de maandelijkse premies en de extra storting van de vrijgevallen koopsompolissen, werd gestort in het garantiefonds.

3.12.

[eiser] begroot de schade op grond van het gestelde toerekenbare tekortschieten van Rabobank op € 82.805,00. Hij berekent die schade op basis van de veronderstelling dat vanaf 1997 al was belegd in het garantiefonds en hanteert daarbij over de jaren 1997 tot en met 2008 behaalde historische rendementen in dat fonds. Over de jaren van 2009 tot en met 2011 hanteert hij het volgens hem gegarandeerde minimumrendement van 4% per jaar volgens dat fonds. Belegging in dat fonds vanaf 1997 zou volgens hem hebben geleid tot een vermogen van € 172.227,22. Afgezet tegen de waarde bij de beëindiging van de belegging op 4 november 2011 van € 112.136,94 leidt dat volgens [eiser] tot een schade van € 60.090,28 (productie 19 bij dagvaarding). Dat laatste bedrag heeft hij niet kunnen storten in een direct ingaande lijfrente. Een dergelijke lijfrente zou volgens [eiser] gemiddeld 4,3% rente per jaar hebben opgeleverd, zodat de totale schade € 82.805,-- bedraagt (randnummer 61 van de dagvaarding).

3.13.

Op grond van het vorenstaande vordert [eiser] dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, Rabobank veroordeelt om aan hem, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, te betalen een bedrag van € 82.805,00, ter zake van de hoofdsom, althans een bedrag als door de rechtbank in goede justitie te bepalen, en buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de daarover verschuldigde wettelijke handelsrente, vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening, met veroordeling van Rabobank in de kosten van deze procedure.

3.14.

Rabobank voert verweer. Op de stellingen van partijen zal de rechtbank, voor zover van belang, hieronder ingaan.

4 De beoordeling

5 De beslissing