Home

Rechtbank Midden-Nederland, 03-04-2013, ECLI:NL:RBMNE:2013:1776, 799112

Rechtbank Midden-Nederland, 03-04-2013, ECLI:NL:RBMNE:2013:1776, 799112

Gegevens

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
3 april 2013
Datum publicatie
21 augustus 2013
ECLI
ECLI:NL:RBMNE:2013:1776
Formele relaties
Zaaknummer
799112

Inhoudsindicatie

Aandelenlease. Stuititng verjaring door instellen collectieve actie.

Uitspraak

Afdeling Civiel recht

kantonrechter

locatie Amersfoort

zaaknummer: 799112 AC EXPL 12-1348 LJN JK4204

vonnis van 3 april 2013

inzake

de besloten vennootschap

Dexia Nederland B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

verder ook te noemen Dexia,

eisende partij,

gemachtigde: EDR Incasso,

tegen:

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats],

verder ook te noemen [gedaagde],

gedaagde partij,

gemachtigde: Leaseproces.

1 Het verloop van de procedure

De kantonrechter verwijst naar het tussenvonnis van 9 mei 2012, waarin een comparitie is bepaald. De comparitie is gehouden op 20 augustus 2012. Daarvan is proces-verbaal opgemaakt. Hierna is uitspraak bepaald.

2 De feiten

2.1.

Dexia is de rechtsopvolgster onder algemene titel van Dexia Bank Nederland N.V., op haar beurt rechtsopvolgster van Bank Labouchere N.V., tevens handelende onder de naam Legio, en van Legio Lease B.V. Waar hierna sprake is van Dexia worden haar rechtsvoorgangsters daaronder mede begrepen.

2.2.

[gedaagde] heeft de volgende effectenleaseovereenkomsten (hierna: de overeenkomsten) met Dexia gesloten:

-

op of omstreeks 15 mei 1996 overeenkomst [nummer 1];

-

op of omstreeks 24 april 1997 overeenkomst [nummer 2], verlengd op 26 april 2002;

-

op of omstreeks 17 februari 1998 overeenkomst [nummer 3];

-

op of omstreeks 4 mei 1999 overeenkomst [nummer 4], verlengd op 2 mei 2002;

-

op of omstreeks 16 mei 2001 overeenkomst [nummer 5];

-

op of omstreeks 21 maart 2002 overeenkomst [nummer 6].

2.3.

De echtgenote van [gedaagde] heeft overeenkomst [nummer 4] meeondertekend.

2.4.

Overeenkomsten [nummer 1] en [nummer 3] zijn in 2001 met een batig saldo van totaal € 14.880,56 geëindigd.

2.5.

Op 13 maart 2003 hebben Stichting Eegalease en de Consumentenbond een collectieve actie ex artikel 3:305a Burgerlijk Wetboek (BW) tegen Dexia ingesteld. In deze procedure (hierna: de Eegalease-procedure) is onder meer gevorderd:

(1) een verklaring voor recht dat de effectenleaseovereenkomsten die met Dexia zijn gesloten zijn te kwalificeren als overeenkomst van koop op afbetaling in de zin van artikel 1:88 lid 1 sub d BW en dat op deze effectenleaseovereenkomsten van toepassing is het bepaalde in de artikelen 1:88 en 1:89 BW (hierna: vordering 1);

(2) een verklaring voor recht dat de effectenleaseovereenkomsten die met Dexia zijn gesloten in de periode 29 januari 2000 tot en met 1 mei 2002 zonder dat beide echtgenoten en/of geregistreerde partners de overeenkomst hebben ondertekend, dan wel hebben toegestemd in de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomst, vernietigd zijn althans vernietigbaar zijn op grond van het bepaalde in artikel 1:89 BW (hierna: vordering 2).

2.6.

Bij vonnis van 25 augustus 2004 heeft de kantonrechter te Amsterdam vordering 1 toegewezen en vordering 2 afgewezen.

2.7.

Dexia heeft tegen voornoemd vonnis hoger beroep ingesteld. Hangende het hoger beroep zijn tussen de Stichting Eegalease, de Consumentenbond en andere belangen-organisaties enerzijds en Dexia anderzijds schikkingsonderhandelingen gevoerd die hebben geresulteerd in een vaststellingsovereenkomst van 23 juni 2005, de zogenaamde Duisenbergregeling. Deze regeling bestaat onder meer uit een Hoofdovereenkomst en een WCAM-overeenkomst.

2.8.

In de Hoofdovereenkomst is opgenomen, voor zover thans van belang:

“21.1 De Belangenorganisaties zullen hun medewerking verlenen aan beëindiging en royement van de Procedures en doen afstand van alle in de Procedures gepretendeerde rechten en/of vorderingen, alsmede van alle mogelijke andere rechten en vorderingen met betrekking tot de effectenlease-overeenkomsten.

21.2

De Belangenorganisaties verklaren dat zij met betrekking tot of in verband met de Effectenlease-overeenkomsten geen gerechtelijke of buitengerechtelijke procedures tegen een Dexia-partij zullen aanvangen.

21.3

De verklaring van artikel 21.2 heeft geen betrekking op enig geschil dat uit deze Hoofdovereenkomst, de WCAM-Overeenkomst of de niet-nakoming van Dexia van een Regeling mocht voortvloeien of daarmee samenhangt en de Belangenorganisaties behouden nadrukkelijk het recht om alle rechtsvorderingen in te stellen die strekken tot en verband houden met de nakoming van de Hoofdovereenkomst, de WCAM Overeenkomst en/of met Contractant(en) totstandgekomen Regeling(en) door Dexia.”

2.9.

De Eegalease-procedure is vervolgens geroyeerd.

2.10.

Overeenkomsten [nummer 2] en [nummer 4] zijn op respectievelijk 25 april 2005 en 29 april 2005 geëindigd met een restschuld van respectievelijk € 920,10 en € 8.407,79.

2.11.

Op 18 november 2005 hebben de partijen bij de Duisenbergregeling een verzoek tot algemeenverbindendverklaring van die regeling ingediend bij het Hof te Amsterdam. Het hof heeft dit verzoek bij beschikking van 25 januari 2007 toegewezen.

2.12.

[gedaagde] heeft een zogeheten opt-out verklaring afgelegd, waardoor de algemeen verbindend verklaarde Duisenbergregeling op hem niet van toepassing is.

2.13.

Bij brief van 15 februari 2006 heeft de echtgenote van [gedaagde] buitengerechtelijk de vernietiging van overeenkomsten [nummer 2], [nummer 4], [nummer 5] en [nummer 6] ingeroepen op grond van artikelen 1:88 en 1:89 BW.

2.14.

Overeenkomsten [nummer 5] en [nummer 6] zijn op respectievelijk 15 mei 2006 en 18 september 2006 geëindigd met een restschuld van respectievelijk € 2.732,48 en € 1.698,68. [gedaagde] heeft de ter zake door Dexia verzonden eindafrekeningen niet voldaan.

3 Het geschil

3.1.

Dexia vordert dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] veroordeelt om aan haar te betalen:

-

ter zake overeenkomst [nummer 5] een bedrag van € 2.457,12, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 mei 2006;

-

ter zake overeenkomst [nummer 6] een bedrag van € 1.698,68, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 oktober 2006;

-

de buitengerechtelijke incassokosten van € 700,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 februari 2012;

-

de proceskosten.

3.2.

[gedaagde] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

5 De beslissing