Rechtbank Midden-Nederland, 25-06-2014, ECLI:NL:RBMNE:2014:2520, C-16-343969 - HA ZA 13-353
Rechtbank Midden-Nederland, 25-06-2014, ECLI:NL:RBMNE:2014:2520, C-16-343969 - HA ZA 13-353
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Midden-Nederland
- Datum uitspraak
- 25 juni 2014
- Datum publicatie
- 31 juli 2014
- ECLI
- ECLI:NL:RBMNE:2014:2520
- Formele relaties
- Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2017:11546
- Zaaknummer
- C-16-343969 - HA ZA 13-353
- Relevante informatie
- Burgerlijk Wetboek Boek 6 [Tekst geldig vanaf 04-02-2025 tot 28-06-2025], Burgerlijk Wetboek Boek 6 [Tekst geldig vanaf 04-02-2025 tot 28-06-2025] art. 82, Burgerlijk Wetboek Boek 6 [Tekst geldig vanaf 04-02-2025 tot 28-06-2025] art. 83, Burgerlijk Wetboek Boek 7 [Tekst geldig vanaf 12-02-2025 tot 01-07-2025], Burgerlijk Wetboek Boek 7 [Tekst geldig vanaf 12-02-2025 tot 01-07-2025] art. 17, Burgerlijk Wetboek Boek 7 [Tekst geldig vanaf 12-02-2025 tot 01-07-2025] art. 23
Inhoudsindicatie
Koop onroerende zaken. Bodemverontreiniging. Vordering tot schadevergoeding wegens schending mededelingsplicht door verkoper.
Uitspraak
vonnis
Afdeling Civiel recht
handelskamer
locatie Utrecht
zaaknummer / rolnummer: C/16/343969 / HA ZA 13-353 (HV/1325)
Vonnis van 25 juni 2014
in de zaak van
[eiseres] ,
wonende te [woonplaats],
eiseres,
advocaat mr. L.C. de Jong te Woerden,
tegen
[gedaagde] ,
wonende te [woonplaats],
gedaagde,
advocaat mr. H.J.M. Winkelhuijzen te Alphen aan den Rijn.
Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
-
het tussenvonnis van 18 september 2013;
- -
-
de voorafgaand aan de comparitie door [eiseres] ingezonden producties;
- -
-
de voorafgaand aan de comparitie door [gedaagde] ingezonden producties;
- -
-
het proces-verbaal van comparitie van 31 maart 2014;
- -
-
de akte na comparitie van [eiseres];
- -
-
de akte na comparitie van [gedaagde].
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De feiten
[gedaagde] heeft bij akte van levering van 3 september 1997 de onroerende zaak aan de
[adres] te [plaats], met de woonboerderij “[naam]”, diverse opstallen en grasland, in eigendom verworven. Deze onroerende zaak (hierna te noemen het perceel) vormde een deel van het kadastrale perceel gemeente [plaats], sectie A, nummer 2762 (oud) van ruim 7 hectare.
Voorafgaand aan en in verband met het voornemen tot de overdracht van het
perceel aan [gedaagde] heeft Ingenieursbureau [A] (hierna te noemen [A]) op verzoek van de toenmalige eigenaren in april/mei 1997 een verkennend onderzoek naar bodemverontreiniging uitgevoerd. In het daarvan opgestelde rapport d.d. 16 mei 1997 met nummer 3-33-174-2, hierna te noemen rapport 2, is, voor zover voor de beoordeling relevant, het volgende vermeld:
“5. CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN
Onderzoek is uitgevoerd op twee locaties te [plaats]. Eén locatie betreft een woonperceel met een leegstaande woning, horend bij een voormalige boerderij aan de [adres]. Uit gegevens, verstrekt door de opdrachtgever [de rechtsvoorganger van [gedaagde]; toevoeging rb.], blijkt dat er op deze locatie geen milieubelastende activiteiten hebben plaats gevonden. Op basis van deze informatie is de hypothese ‘onverdachte locatie’ gesteld. De tweede locatie betreft een voormalige sloot. Deze sloot is in de periode ’50-’72 gedempt met onbekend materiaal. Voor het onderzoek op deze locatie is uitgegaan van verdacht terrein met heterogeen verspreide onbekende verontreiniging.
Locatie: [adres]
(...)
Op basis van de hiervoor genoemde gegevens is het noodzakelijk de gestelde hypothese te verwerpen. De mate van verontreiniging van de grond van mengmonster 2 is, volgens de Leidraad Bodembescherming, aanleiding voor een nader onderzoek. (...)
Locatie: gedempte sloot
(...) Over de gehele lengte van de sloot en in een breedte variërend van tien tot vijftien meter is puin en huisvuil aangetroffen. (...)
Op basis van de hiervoor genoemde gegevens is het noodzakelijk de gestelde hypothese (verdachte locatie) te handhaven. De kwaliteit van het gestorte materiaal is aanleiding voor nadere stappen. De aangetroffen concentraties zijn van dien aard dat de provincie een saneringsbevel kan uitvaardigen. Uit het onderzoek blijkt dat (nog) geen sprake is van verspreiding van de verontreiniging naar de ondergrond of het grondwater. Geadviseerd wordt dan ook de mogelijkheden van verwijdering of isolatie van het gestorte materiaal te bestuderen. Wanneer geen maatregelen worden ondernomen bestaat de kans op verspreiding van de verontreiniging en een sanering met de daarbij horende hoog oplopende saneringskosten.”
In september/oktober 1997 heeft [A] in opdracht van [gedaagde] nader
onderzoek verricht. Van dit onderzoek zijn vier rapporten opgesteld, te weten:
a. het rapport Verkennend onderzoek naar bodemverontreiniging ter plaatse van een
bouwblok aan de [adres] te [plaats], gedateerd 24 september 1997, met rapportnummer 3-33-174-4a (hierna te noemen rapport 4a);
uit dit rapport (op pagina 2, onder 2.1) en bijlage 2 daarbij blijkt dat de onderzoeklocatie een strook grond van circa 500 m2 onder en om de woonboerderij en de aangrenzende dwarsschuur (hierna te noemen het bouwblok) aan de [adres] betreft;
het rapport Verkennend en nader onderzoek naar bodemverontreiniging ter plaatse
van [adres] te [plaats], gedateerd 13 oktober 1997, met rapportnummer 3-33-174-4B (hierna te noemen rapport 4b);
uit dit rapport (op pagina 2, onder 2.1) en bijlage 2 daarbij blijkt dat de onderzoeklocatie een strook grond van circa 3.600 m2, bestaande uit het bouwblok en een aangrenzende (achtergelegen) strook grond (hierna te noemen de bouwkavel) aan de [adres] betreft;
het rapport Bepaling omvang gedempte sloot ter plaatse van weideperceel
(voormalige stortplaats) achter [adres] te [plaats], gedateerd 24 oktober 1997, met rapportnummer 3-33-174-4c (hierna te noemen rapport 4c);
uit dit rapport (op pagina 2, onder 2.1) en bijlage 2a blijkt dat de onderzoeklocatie een langgerekte strook grond van circa 750m2 (hierna te noemen de gedempte sloot) aan de [adres] betreft; de in het rapport vermelde bijlage 2 ontbreekt;
het (in deze procedure niet overgelegde) rapport Aanvullend onderzoek ter plaatse
van een weideperceel (voormalige stortplaats) achter [adres] te [plaats], gedateerd 28 november 1997, met rapportnummer 2-22-174-5c (hierna te noemen rapport 5c).
In opdracht van [gedaagde] heeft Sloop- en handelsonderneming [B]
[plaats] B.V. in september/oktober 1997 op het perceel sloop- en graaf/grondwerkzaamheden uitgevoerd. Een deel van het perceel is door Loonbedrijf [C] afgedekt met een laag gebiedseigen zwarte grond, verkregen door uitgraving van sloten op het perceel.
Bij brief van 18 november 1997 aan [gedaagde], waarin als referentie van [gedaagde] is vermeld
“8 november 1997”, heeft de gemeente [plaats] ingestemd met de door [gedaagde] ingediende verantwoording van de sloop van het “schurendorp” op het perceel [adres].
Eind 1997 heeft [gedaagde] makelaar [D]
ingeschakeld voor de verkoop van het perceel. [eiseres] en haar toenmalige echtgenoot de heer [E] (hierna te noemen [E]) enerzijds en [gedaagde] anderzijds, hebben destijds onderhandeld over de verkoop van het achterste gedeelte van de woonboerderij. [gedaagde] heeft daarnaast in die tijd met mevrouw [F] onderhandeld over de verkoop van het voorste gedeelte van de woonboerderij. Dit heeft in beide gevallen geleid tot een koopovereenkomst.
In de ontwerpbeschikking van de Provincie Utrecht, verder te noemen de
provincie, van 12 januari 1998 met nummer 98\930018 MBE inzake “[adres] te [plaats] (bouwkavel) UT 1600056”, die bij de onderhandelingen tussen [eiseres]/[E] en [gedaagde] aan de orde is gekomen en als bijlage aan koopovereenkomst I is gehecht (hierna te noemen de ontwerpbeschikking van 12 januari 1998) is, voor zover voor de onderhavige beoordeling relevant, het volgende opgenomen:
“1. Aanvraag
Gedeputeerde staten van Utrecht hebben op 17 december 1997 een melding als bedoeld in artikel 28 van de Wet bodembescherming ontvangen van de heer[gedaagde], [adres] (bouwkavel) te [plaats].
Het betreft een melding voor de vaststelling ernst en urgentie van het geval van bodemverontreiniging ter plaatse van de locatie [adres] te [plaats], kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie A, nummer 2762.
Bij deze melding zijn de volgende rapporten van Ingenieursbureau [A] ter beoordeling bijgevoegd:
- Verkennend onderzoek naar bodemverontreiniging ter plaatse van een bouwblok aan de [adres] te [plaats], 24 september 1997, rapportnummer 3-33-174-4a;
- Verkennend en nader onderzoek naar bodemverontreiniging ter plaatse van een bouwkavel aan de [adres] te [plaats], 13 oktober 1997, rapportnummer 3-33-174-4b.
Uit dit bodemonderzoek blijkt dat zich in de bodem van dit perceelgedeelte geen geval van ernstige bodemverontreiniging is aangetroffen.
2. Ontwerp-beschikking
Gelet op het bepaalde in de artikelen 29 en 37 van de Wet bodembescherming is ons college voornemens het volgende te besluiten:
- geen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging zoals bedoeld in artikel 29 na de Wbb.
3 Overwegingen
(...)
de verontreinigingssituatie grond en grondwater
Het betreft het perceelgedeelte zoals aangegeven op de bijgevoegde kaart. Het perceel heeft een oppervlakte van circa 3.600 m2. Op het perceelgedeelte bevindt zich is een leegstaande woning en enkele vervallen schuren en er is een tijdelijke mestplaats gesitueerd.
(...)
5. Kadastrale registratie
Krachtens het bepaalde in artikel 55 van de Wbb zal ons college een afschrift van deze besluiten, alsmede een kadastrale kaart van het perceel waarop deze besluiten betrekking hebben, zenden aan de Rijksdienst van het Kadaster en de Openbare Registers.”
In de ontwerpbeschikking van de provincie, van 19 januari 1998 met nummer
98\930036 MBE inzake “ontwerpbeschikking (weideperceel) UT 1600055”, die niet als bijlage aan koopovereenkomst I is gehecht (verder te noemen de ontwerpbeschikking van 19 januari 1998) is, voor zover voor de onderhavige beoordeling relevant, het volgende opgenomen:
“1. Aanvraag
Gedeputeerde staten van Utrecht hebben op 17 december 1997 een melding als bedoeld in artikel 28 van de Wet bodembescherming ontvangen van de heer [gedaagde], [adres] (weideperceel ) te [plaats].
Het betreft een melding inzake het voornemen de bodem ter plaatse van de locatie plaatselijk aangeduid [adres] te [plaats], kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie A, nummer 2762, D6 (gedeeltelijk).
Bij deze melding is ter beoordeling bijgevoegd de door Ingenieursbureau [A] opgestelde rapport: Aanvullend onderzoek ter plaatse van een weideperceel (voormalige stort) achter [adres] te [plaats], 28 november 1997, rapportnummer 3-33-174-5c. Het Saneringsplan gedempte sloot [adres] te [plaats] is opgesteld door de heer [gedaagde], op 4 december 1997. Op 19 januari 1998 hebben wij een brief van de heer[gedaagde] ontvangen met aanvullende informatie over het saneringsplan.
2. Beschikkingen
(...) ons college voornemens, (...), het volgende te besluiten.
- Ter plaatse van de bovengenoemde percelen, is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging.
- Gezien het voornemen van de heer [gedaagde] om zo spoedig mogelijk over te gaan tot sanering (...), stelt ons college pro forma vast dat uiterlijk vier jaar na het van kracht worden van deze beschikking met de sanering dient te worden begonnen.
- Het bovenvermelde saneringsplan wordt goedgekeurd
3. Overwegingen (...)
(...)
Verontreinigingssituatie grond en grondwater
(...)
Uit het bovengenoemde bodemonderzoek blijkt dat:
- het onderzochte terreingedelte is gelegen vanaf de wetering tot circa 750 meter richting de [adres] ter plaatse van de voormalige sloot.
- In de periode 1975 tot 1979 de sloot, met een lengte van circa 750 meter, met vuil is gedempt. (...) dat ook huisvuil en industrieel afval is gestort.
(...)
Saneringsplan
(...) Voor deze voormalige stortplaats is sprake van een milieuhygienische locatie specifieke omstandigheid. Daarom kan worden afgeweken van de multifunctionele saneringsvariant en kan gekozen worden voor een variant waarbij de aanwezige verontreiniging geïsoleerd, beheerst en gecontroleerd wordt.
Het isoleren van de verontreiniging zal plaats vinden door middel van het aanbrengen en instand houden van een kleilaag van minimaal 40 centimeter dikte.
Nazorg
(...) De nazorg van deze sanering zal bestaan uit een periodieke veldinspectie van de aangebrachte kleilaag. De verslaglegging van deze veldinspectie zal ter beoordeling aan ons worden aangeboden.
De in het saneringsplan beschreven sanering voldoet aan het bij of krachtens artikel 38 van de Wet bodembescherming bepaalde.
4. Nadere bepalingen
Aangezien de multifunctionele eigenschappen van de bodem ter plaatse van de gedempte sloot niet hersteld worden gelden voor het gebruik van de locatie de volgende beperkingen:
- bij eigendomsoverdracht gaat de verplichting tot nazorg over op de nieuwe eigenaar;
- wijziging van eigenaar en het gebruik dienen aan ons te worden gemeld;
- bij graafwerkzaamheden in de verontreinigde grond dienen veiligheidsmaatregelen genomen te worden conform de richtlijnen van de arbeidsinspectie;
- indien bij werkzaamheden verontreinigde grond vrijkomt dient dit aan ons te worden gemeld.
(...)
6. Kadastrale registratie
Krachtens het bepaalde in artikel 55 van de Wbb zal ons college een afschrift van deze besluiten, alsmede een kadastrale kaart van het perceel waarop deze besluiten betrekking hebben, zenden aan de Rijksdienst van het Kadaster en de Openbare Registers.”
In de door [eiseres]/[E] en [gedaagde] op 31 januari 1998 getekende
Koopovereenkomst (hierna te noemen koopovereenkomst I) is, voor zover voor de beoordeling van belang, opgenomen:
“(...) van verkoper te hebben gekocht:
* het achterste gedeelte van de boerderij “[naam]” op aangehechte situatietekening gemarkeerd met hooiberg, fundering, erf, water, tuin, weiland en ondergrond, staande en gelegen aan de [adres] te [plaats], uitmakende een gedeelte van het perceel kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie A, nummer 2762 ged. en groot ca. 40 are of zoveel bij uitmeting van het kadaster zal blijken;
(...)
feitelijke levering, staat van het verkochte
artikel 5.
(...)
2. Het registergoed zal bij de feitelijke levering de eigenschappen bezitten die voor het gebruik als in lid 6 van dit artikel omschreven, nodig zijn. Aan koper kenbare gebreken die daaraan in de weg zouden kunnen staan, komen voor diens risico.
(...)
6. Koper is voornemens het registergoed na de verbouwing als volgt te gebruiken:
* het achterste ged. v.d. boerderij als woning en het bouwblok als gastenverblijf/kantoor.
(...)
juridische levering/ontbindende voorwaarde
artikel 6.
(...)
2. Verkoper heeft kennis gegeven van alle hem bekende lasten (...) en beperkingen, kenbaar uit de openbare registers als bedoeld in artikel 16 Boek 3 BW en blijkend en/of voortvloeiend uit:
= 1. de (laatste) akte(n) van levering;
(...)
= 3. bevelen en/of beschikkingen die op grond van de Wet Bodembescherming gepubliceerd zijn in de openbare registers.
Aan deze akte wordt een door koper getekende kopie gehecht van de navolgende stukken:
* situatietekening, rapport verkennend bodemonderzoek [A], stichtingsakte en aanvullende bijlagen behorende bij de koopovereenkomst (genummerd van 1 t/m 13).
Koper aanvaardt de uit deze stukken voortvloeiende lasten en beperkingen uitdrukkelijk. Daarnaast aanvaardt koper uitdrukkelijk die lasten en beperkingen kenbaar uit de openbare registers als hiervoor omschreven, die voor hem uit de feitelijke situatie kenbaar zijn en/of voor hem geen wezenlijk zwaardere belasting betekent.
(...)
garantieverklaringen van verkoper
artikel 10
Verkoper garandeert, onverminderd het hiervoor verklaarde in de artikelen 5 en 6, het navolgende:
(...)
b. voorzover aan verkoper bekend zijn er feiten die er op wijzen dat het verkochte enige verontreiniging bevat ( zie aangehecht rapport verkennendbodemonderzoek Ing.buro [A] rapportnummer: 3-33-174-4b van d.d. 13 oktober 1997en verklaring eigenaar ) die niet ten nadele strekt van het in artikel 5 lid 6 omschreven gebruik door koper of die heeft geleid of zou kunnen leiden tot een verplichting tot sanering van het registergoed, dan wel tot het nemen van andere maatregelen;
(...)
informatieplicht verkoper, onderzoeksplicht koper.
artikel 11
Afgezien van het hiervoor bepaalde, staat verkoper er voor in aan koper met betrekking tot het verkochte die informatie te hebben gegeven die naar geldende verkeersopvattingen door hem ter kennis van koper behoort te worden gebracht. Koper aanvaardt uitdrukkelijk dat de resultaten van het onderzoek naar die feiten en omstandigheden die naar geldende verkeersopvattingen tot zijn onderzoeksgebied behoren, voor zijn risico komen (voor zover deze aan verkoper thans niet bekend zijn).
(...)
bodemonderzoek, ontbindende voorwaarde
artikel 14
Indien na de notariële akte van levering mocht blijken dat de bodem bij het aangaan van de koopovereenkomst toch enige verontreiniging bevat (...), is het risico daarvan voor rekening van koper, tenzij hij aantoont dat de verkoper wist of kon weten dat deze schadelijke stoffen/opslagtanks aanwezig waren en dat voor hem heeft verzwegen, in welk geval het risico voor de verkoper is, alles behalve het hierna bepaalde.”
De levering van de bij koopovereenkomst I aan [eiseres]/[E] verkochte
onroerende zaak (hierna te noemen perceel I) heeft plaatsgevonden bij akte van 19 februari 1998 (verder te noemen leveringsakte I). In leveringsakte I is onder meer bij wijze van kettingbeding de door [gedaagde] aangegane verplichting jegens de vorige eigenaren (de dames [G]) tot vrijwaring voor alle aanspraken voortvloeiende uit bodemverontreiniging, aan [eiseres]/[E] opgelegd. In leveringsakte I is voorts, voor zover voor de beoordeling relevant, bepaald:
“ Bodemonderzoek
Artikel 6.
Met betrekking tot de gesteldheid van de bodem verklaarden partijen uitdrukkelijk dat zij bekend zijn met de inhoud van het rapport verkennend en nader onderzoek naar bodemverontreiniging, de dato dertien oktober negentienhonderdzevenennegentig rapport nummer 3-33-174-4B, zoals is uitgebracht door Ingenieursbureau [A] te [plaats], alles met inachtneming van het hierna met betrekking tot eventuele verontreiniging bepaalde. De comparanten verklaarden dat van voormeld rapport een exemplaar is gehecht aan de hiervoor gemelde koopakte.
(...)
Vestiging erfdienstbaarheden en bijzondere bepalingen.
Met betrekking tot de hiervoor onder a aangehaalde tekst [inzake de bij wijze van kettingbeding opgelegde verplichting tot vrijwaring van de rechtsvoorganger van [gedaagde]; toevoeging rb.] zijn verkoper [[gedaagde]; toevoeging rb.] en koper [[eiseres]/[E]; toevoeging rb.] in deze nog nader overeengekomen:
De verkoper verklaarde terzake van de eventueel aanwezige verontreiniging in het bij deze akte geleverde de koper te vrijwaren, zulks op verbeurte van een boete van driehonderdtachtigduizend gulden (f. 380.000,--) voor alle aanspraken hoe ook genaamd voortvloeiende uit een eventuele verplichting welke aan koper wordt opgelegd of opgelegd mocht worden door een overheidsinstantie op grond van de Wet Bodemsanering of andere wettelijke regelingen danwel alle andere aanspraken van derde(n).
(...)
Het is de verkoper niet bekend dat bij het aangaan van de koopovereenkomst, ten aanzien van het verkochte, beschikkingen of bevelen in de zin van artikel 55 Wet Bodembescherming genomen waren door het bevoegd gezag.”
De ontwerp-beschikkingen van 12 respectievelijk 19 januari 1998 (zie onder 2.7. en
2.8.) zijn gevolgd door twee definitieve beschikkingen van 3 maart 1998, waarin de provincie overeenkomstig de ontwerp-beschikkingen heeft besloten.
In augustus 1998 heeft [gedaagde] zowel aan [F] als aan [eiseres]/[E] nog
een gedeelte van het perceel verkocht, te weten het naastgelegen weideperceel. In de betreffende tussen [eiseres]/[E] en [gedaagde] tot stand gekomen koopovereenkomst (hierna te noemen koopovereenkomst II) is, voor zover voor de beoordeling van belang, opgenomen:
“(...) van verkoper te hebben gekocht:
* het weiland en weg deeluitmakende van het perceel gelegen aan de [adres] te [plaats], kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie A, nummer 2762 gedeeltelijk en groot circa 25 are of zoveel na uitmeting van het kadaster zal blijken en op aangehechte kadastrale tekening is aangegeven en volgens aangehechte plankaart van het landschapsbeheer Utrecht in opdracht en voor rekening van de verkoper zal worden ingericht.
(...)
feitelijke levering, staat van het verkochte
artikel 5.
(...)
2. Het registergoed zal bij de feitelijke levering de eigenschappen bezitten die voor het gebruik als in lid 6 van dit artikel omschreven, nodig zijn. Aan koper kenbare gebreken die daaraan in de weg zouden kunnen staan, komen voor diens risico.
(...)
6. Koper is voornemens het registergoed als volgt te gebruiken:
* weideperceel
(...)
juridische levering/ontbindende voorwaarde
artikel 6.
(...)
2. Verkoper heeft kennis gegeven van alle hem bekende lasten (...) en beperkingen, kenbaar uit de openbare registers als bedoeld in artikel 16 Boek 3 BW en blijkend en/of voortvloeiend uit:
= 1. de (laatste) akte(n) van levering;
(...)
= 3. bevelen en/of beschikkingen die op grond van de Wet Bodembescherming gepubliceerd zijn in de openbare registers.
Aan deze akte wordt een door koper getekende kopie gehecht van de navolgende stukken:
* kopie eigendomsbewijs, landschapsplan, rapport bodemonderzoek Ingenieursbureau [A] rapportnummer 3-33-174-4b.
Koper aanvaardt de uit deze stukken voortvloeiende lasten en beperkingen uitdrukkelijk. Daarnaast aanvaardt koper uitdrukkelijk die lasten en beperkingen kenbaar uit de openbare registers als hiervoor omschreven, die voor hem uit de feitelijke situatie kenbaar zijn en/of voor hem geen wezenlijk zwaardere belasting betekent.
(...)
garantieverklaringen van verkoper
artikel 10
Verkoper garandeert, onverminderd het hiervoor verklaarde in de artikelen 5 en 6, het navolgende:
(...)
b. voorzover aan verkoper bekend zijn er feiten die er op wijzen dat het verkochte enige verontreiniging bevat die ten nadele strekt van het in artikel 5 lid 6 omschreven gebruik door koper of die heeft geleid of zou kunnen leiden tot een verplichting tot sanering van het registergoed, dan wel tot het nemen van andere maatregelen ( zie rapport bodemonderzoek Ingenieursbureau [A] rapportnr: 3-33-174-4b );
(...)
informatieplicht verkoper, onderzoeksplicht koper.
artikel 11
Afgezien van het hiervoor bepaalde, staat verkoper er voor in aan koper met betrekking tot het verkochte die informatie te hebben gegeven die naar geldende verkeersopvattingen door hem ter kennis van koper behoort te worden gebracht. Koper aanvaardt uitdrukkelijk dat de resultaten van het onderzoek naar die feiten en omstandigheden die naar geldende verkeersopvattingen tot zijn onderzoeksgebied behoren, voor zijn risico komen (voor zover deze aan verkoper thans niet bekend zijn).
(...)
bodemonderzoek, ontbindende voorwaarde
artikel 14
Indien na de notariële akte van levering mocht blijken dat de bodem bij het aangaan van de koopovereenkomst toch enige verontreiniging bevat (zie rapport bodemonderzoek Ingenieursbureau [A] rapportnr: 3-33-174-4b) (...), is het risico daarvan voor rekening van koper, tenzij hij aantoont dat de verkoper wist of kon weten dat deze schadelijke stoffen/opslagtanks aanwezig waren en dat voor hem heeft verzwegen, in welk geval het risico voor de verkoper is.
(...)
Voorts is overeengekomen:
(...)
3. De eigenaren van [adres] en [adres] gaan accoord met de uitvoering van het landschapsplan en ontgronding volgens aangehecht schetsplan. De uitvoering van dit plan zal geschieden in opdracht en voor rekening van de verkoper.
(...)”
De levering van het bij koopovereenkomst II aan [eiseres]/[E]
verkochte perceel (hierna te noemen perceel II) heeft plaatsgevonden bij akte van 9 november 1998 (verder te noemen leveringsakte II). In leveringsakte I is perceel II omschreven als:
“een perceel weiland met halve weg en halve toegangsbrug, welke halve weg grenst aan het bij deze geleverde, gelegen nabij en grenzend aan het reeds bij koper in eigendom zijnde perceel plaatselijk bekend [adres] te [plaats], uitmakende een ter plaatse kenbaar gemaakt resterend gedeelte van het kadastrale perceel gemeente [plaats], sectie A, nummer 2762, ter grootte van ongeveer vijfentwintig are of zoveel meer of minder als na kadastrale meting zal blijken en zoals is aangegeven op een situatierekening welke aan deze akte is gehecht (...);
door koper te gebruiken respectievelijk als tuin en weiland met toegangsweg.”
In leveringsakte II is, gelijk in leveringsakte I, bij wijze van kettingbeding de door [gedaagde] aangegane verplichting jegens de vorige eigenaar (de dames [G]) tot vrijwaring voor alle aanspraken voortvloeiende uit bodemverontreiniging, aan [eiseres]/[E] opgelegd. Voorts is in leveringsakte II, voor zover relevant, het volgende opgenomen:
“ Bodemonderzoek
Artikel 6.
Met betrekking tot de gesteldheid van de bodem verklaarden partijen (...) dat zij bekend zijn met de inhoud van het rapport verkennend onderzoek naar bodemverontreiniging, de dato vierentwintig september negentienhonderdzevenennegentig rapport nummer 3-33-174-4b, alles met inachtneming van het hierna met betrekking tot eventuele verontreiniging bepaalde.
(...)
Bijzondere bepalingen.
Met betrekking tot de hiervoor onder a aangehaalde tekst [inzake de bij wijze van kettingbeding opgelegde verplichting tot vrijwaring van de rechtsvoorganger van [gedaagde]; toevoeging rb.] zijn verkoper en koper in deze nog nader overeengekomen:
De verkoper verklaarde terzake van de eventueel aanwezige verontreiniging de koper te vrijwaren, zulks op verbeurte van een boete van tienduizend gulden
(f. 10.000,--) voor alle aanspraken hoe ook genaamd voortvloeiende uit een eventuele verplichting welke aan koper wordt opgelegd of opgelegd mocht worden door een overheidsinstantie op grond van de Wet Bodemsanering of andere wettelijke regelingen danwel alle andere aanspraken van derde(n).
(...)
Het is de verkoper niet bekend dat bij het aangaan van de koopovereenkomst, ten aanzien van het verkochte, beschikkingen of bevelen in de zin van artikel 55 Wet Bodembescherming genomen waren door het bevoegd gezag.
(...)”
Op de ongedateerde werkbon van [C] te [plaats] met
nummer 001122 staat, voor zover relevant voor de beoordeling, (deels handgeschreven) vermeld:
“OPDRACHTGEVER: [gedaagde] [adres]
Datum Werkomschrijving (...)
week 27 + 28
Grondtransport, afdekken
v.m. stortplaats
(...)”
Op de ongedateerde werkbon met nummer 000928 staat vermeld:
“OPDRACHTGEVER: [gedaagde]
[adres] [plaats]
Datum Werkomschrijving (...)
Week 32
Aanleg natuur park
Totaal grond verzet
250 vrachten (...)
(...)”
Op de ongedateerde werkbonnen met de nummer 000820 en 000732 zijn werkzaamheden in de periode 7 augustus tot en met 19 augustus (zonder jaartal) en de periode mei (zonder jaartal) vermeld. De omschrijving bij de periode mei luidt: “minigraver
gebroken puin vlakken”
Bij brief van 14 februari 2001, met als onderwerp ‘Evaluatierapport bodemsanering
(UT160/0055)’, heeft de provincie aan [gedaagde] bericht, voor zover relevant voor de beoordeling:
“Op 12 januari 2001 ontvingen wij van u een brief d.d. 28 december 2000 dat de leeflaagsanering van de locatie [adres] te [plaats] is afgerond. Op grond van deze brief en een aantal bezoeken van een medewerker van de sector Vergunning en Handhaving/Ketenbeheer, kunnen wij u meedelen dat de sanering in voldoende mate is afgerond.
Op 3 maart 1998 zond ons college een beschikking op uw melding van bodemverontreiniging (...). In die beschikking stemden wij in met uw saneringsplan dat als doel had: het wegnemen van de risico’s die het gevolg zijn van verontreiniging, voor mens, dier en plant. Uw brief en de bovengenoemde bezoeken laat zien dat de sanering voldoet aan deze doelstelling. (...)
De verontreinigingen in de bodem zijn geïsoleerd. In de bovengenoemde beschikking van 3 maart 1998 is het volgende beschreven omtrent de nazorg: (...). De aangebrachte kleilaag zal in de toekomst in de huidige toestand dienen te blijven. Indien wijzigingen in de toestand en dikte van de deklaag optreden dient dit aan ons gemeld te worden. Tevens wordt hierbij nog gewezen op de nadere bepalingen genoemd in de beschikking van 3 maart 1998.
Conform artikel 55, lid 3, van de Wet Bodembescherming zendt de provincie Utrecht een kopie van dit besluit aan de Rijksdienst van het Kadaster en de Openbare Registers. Wel blijft de zogeheten code “WBD”, een aanduiding in de kadastrale registratie, gehandhaafd.
Voor de volledigheid merken wij nog op dat, bij eventuele verkoop van het perceel of een gedeelte daarvan, de koper rechtens (Burgerlijk Wetboek) moet worden geïnformeerd over de aanwezigheid van de restverontreiniging.
(...)
Een kopie van deze brief sturen wij naar:
(...)
Mevrouw [F] [lees: [F]; rb], [adres], (...);
De heer [E], [adres] [plaats]
De heer[K], (...)”
[eiseres] en [E] hebben op perceel I (hun deel van) de woonboerderij
verbouwd. Voorts is in een bijgebouw een Bed & Breakfast (B&B) gerealiseerd.
In januari 2009 is [eiseres] na de echtscheiding tussen haar en [E] enig
eigenaar geworden van perceel I en perceel II.
Perceel I en perceel II, beiden afkomstig uit het kadastrale perceel gemeente
[plaats], sectie A, nummer 2762 (oud), hebben na kadastrale uitmeting en hernummering de nummers sectie D 206 (perceel I) en 207 (perceel II) gekregen.
In de periode mei-augustus 2012 heeft [eiseres] met potentiële kopers
onderhandeld over de verkoop van perceel I en perceel II. In dat verband heeft [H] te [plaats], verder te noemen [H], in opdracht van deze potentiële kopers een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. In het daarvan opgestelde rapport van 6 september 2012 met kenmerk 1292.01.121.r1 staat, voor zover voor de beoordeling relevant, vermeld:
“ 2. VOORONDERZOEK
(...)
Beschrijving onderzoekslocatie
De locatie staat kadastraal bekend als gemeente [plaats], sectie D nummers 206 en 207 en heeft een oppervlakte van circa 6.500 m2.
(...)
Op de onderzoekslocatie is een gedempte sloot aanwezig, het is vooralsnog niet bekend met welk materiaal de sloot gedempt is. (...) In het achterliggende weiland, direct achter de onderzoekslocatie, is de sloot gedempt met afval (tussen 1975 en 1980).
(...)
5.CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN
(...)
De tevoren gestelde hypothese verdachte locatie dient te worden geaccepteerd aangezien er bodemverontreiniging is aangetroffen. Op basis van de aangetroffen sterke verhogingen aan zware metalen in de grond (...), ter plaatse van de vermoedelijke ligging van de gedempte sloot, kan worden gesteld dat er sprake is van een ‘ernstig geval van bodemverontreiniging’ (...). Derhalve is er sprake van saneringsplicht. De spoedeisendheid (risicoanalyse) dient nog nader bepaald te worden. De verontreiniging zal echter nog wel nader in kaart gebracht moeten worden om de exacte omvang te bepalen. Tevens wordt aanbevolen om onderzoek te doen of er afval gebruikt is voor de demping en zoja; wat de aard van het afval is. Gesteld kan worden dat de ontstaansdatum van de verontreiniging voor 1987 veroorzaakt is (waarschijnlijk in de periode 1975-1980), waardoor het een ‘bestaand’ geval van bodemverontreiniging betreft.”
In haar rapport van 20 november 2012 met kenmerk 1292.01.122.r1 heeft [H]
met betrekking tot het door haar uitgevoerde nadere bodemonderzoek als volgt, voor zover relevant, gerapporteerd:
“ 6. CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN
(...)
Omvang verontreiniging
Ter plaatse van de gedempte sloot, voornamelijk ter plaatse van het asfaltpad, is op een diepte van circa 0,5 tot minimaal 2,7 m –mv huisvuil en puin aangetroffen. (...)
De grond in de directe nabijheid van deze gedempte sloot is sterk verontreinigd met zware metalen (...). De bovengrond ter plaatse van de oprijlaan (...) is verontreinigd met zware metalen (...) en PAK. Tevens is ten zuidoosten van het bed & breakfast gebouw de bovengrond sterk verontreinigd met zware metalen (...). Het totale volume sterk verontreinigde grond wordt globaal geschat op 1.000 m2 x 1,0 m = circa 1.000 m3. Het totale volume aan afval wordt zeer globaal geschat op 900 m2 x 2,5 m = 2.250 m3.
Op basis van de aangetroffen grondverontreiniging met zware metalen kan worden gesteld dat er sprake is van een ‘ernstig geval van bodemverontreiniging’ (het geval indien een interventiewaarde overschreden wordt in minimaal 25 m3 grond of 100 m3 grondwater). Derhalve is er sprake van saneringsplicht. Gesteld kan worden dat de ontstaansdatum van de verontreiniging voor 1987 veroorzaakt is (waarschijnlijk in de periode 1975-1980), waardoor het een ‘bestaand’ geval van bodemverontreiniging betreft.
(...)
Het is mogelijk om de (grond)verontreiniging af te dekken (isoleren) middels bestrating of de verontreinigde grond af te graven en aansluitend af te voeren (...). Opgemerkt moet worden dat circa 1/3 deel van de verontreinigingslocatie (waaronder de gedempte sloot met huisvuil) in eigendom is van de buren ([adres]) (...)
Geadviseerd wordt de resultaten van dit onderzoek voor te leggen aan de gemeente [plaats] en de provincie Utrecht.”
De potentiële kopers van perceel I en perceel II hebben zich teruggetrokken.
[eiseres] heeft zich eind 2012 naar aanleiding van het (nadere) onderzoek van
[H] tot [gedaagde] en de provincie gewend. Bij brief van 13 november 2012 heeft (de advocaat van) [eiseres] [gedaagde] aansprakelijk gesteld. Op 19 december 2012 heeft tussen betrokkenen een overleg plaatsgevonden. In het daarvan door een medewerker van de provincie opgemaakte verslag is onder meer, voor zover relevant, opgenomen:
“Mevrouw [eiseres] is van mening dat de sanering helemaal niet aan de voorzijde van de slootdemping is uitgevoerd en alleen betrekking had op het achterperceel (kadastraal perceel [plaats] D 210). Die sanering kan ze zich dan ook wel herinneren. De heer [gedaagde] weet zeker dat de sanering aan de voorzijde is uitgevoerd in maart 1998, toen mevrouw [eiseres] al op de locatie woonde, en vóór sanering van de achterzijde. De heer [I] en mevrouw [J] hebben het aanwezige dossier bestudeerd, maar konden daarin geen concrete foto’s of verslagen vinden die aantonen dat de voorzijde van de slootdemping (het deel van de slootdemping dat zich op het perceel van mevrouw [eiseres] bevindt tot aan de [adres] (D 206 en D 207) daadwerkelijk is gesaneerd en wanneer precies. Uit het saneringsplan, de weergave daarvan in de beschikking ernst en spoed/saneringsplan en het feit dat in de instemming met het evaluatieverslag over een gesaneerd perceel met een lengte van 750 meter wordt gesproken, valt indirect op te maken dat het gehele sloottraject gesaneerd moet zijn. Aan de andere kant wordt her en der gesproken over een “stort aan de achterzijde van de boerderij”. De administratie was indertijd nog niet zoals die heden ten dage is. (...)
Zowel de klei als het puin waren afkomstig van de locatie zelf. Voor zover de provincie kan nagaan, is die kwaliteit indertijd niet nader onderzocht. (...) niet ongebruikelijk bij de toepassing van gebiedseigen materiaal. Uit het recent uitgevoerde bodemonderzoek blijkt dat zich aan weerszijden van de puinlaag die als weg fungeert, verontreinigingen bevinden. (...) Op één plek (boring 107) is de verontreinigingsgraad zo hoog dat er mogelijk sprake is van risico’s. Onbekend is of dit veroorzaakt wordt door het aangebrachte afdekmateriaal of door het stortmateriaal.
(...)
Naast het terras bij het Bed and Breakfastgebouw, op perceel D206, is eveneens sterke verontreiniging aangetroffen. Deze levert echter geen risico’s op.
(...)
De heer [gedaagde] weet zeker dat hij mevrouw [eiseres] indertijd over de bodemverontreiniging heeft geïnformeerd. Mevrouw [eiseres] is overtuigd van het tegendeel. (...)”
De provincie heeft begin 2013 verder bodemonderzoek laten uitvoeren.
In de brief van de provincie aan [eiseres] van 11 februari 2013 is, voor zover
relevant voor de beoordeling, opgenomen:
“ De bodemverontreiniging op en rondom het voormalige bouwkavel
(...)
Er is op bovenstaande percelen [zijnde de eerder in de brief aangeduide percelen genummerd 206 en 207 van [eiseres] en de percelen genummerd 208 en 209 van mevrouw [F]; toevoeging rb.] sprake van een ernstig geval van bodemverontreiniging met koper en zink. Uit de uitgevoerde risicobeoordeling blijkt dat deze verontreiniging geen risico’s met zich mee brengt voor de mens, voor plant of dier of van verspreiding. Daarom hoeft deze verontreiniging niet binnen een bepaalde termijn te worden gesaneerd.
(...)
De bodemverontreiniging op het weideperceel
Over alle hiervoor genoemde percelen [zijnde de eerder in de brief aangeduide percelen genummerd 206 en 207 van [eiseres] en de percelen genummerd 208 en 209 van mevrouw [F]; toevoeging rb.] en ter plaatse van kadastraal perceel [plaats] D210, loopt een met huisvuil en puin gedempte sloot met een lengte van 750 meter. Deze is in de jaren 90 gesaneerd door er een laag grond op aan te brengen (een zogenaamde leeflaagsanering). De voorzijde van de gesaneerde gedempte sloot loopt over het eigendom van mevrouw [eiseres] en mevrouw [F]. (...)
Uit de uitgevoerde bodemonderzoeken is onomstotelijk vastgesteld dat op de gedempte sloot een afdichtende laag aanwezig is van klei, verhardingsmateriaal en asfalt met een dikte van 0,5 meter. Daaruit kan afdoende worden geconstateerd dat de leeflaagsanering hier daadwerkelijk heeft plaatsgehad, iets wat door mevrouw [eiseres] bestreden werd.
De sanering is grotendeels uitgevoerd met gebiedseigen grond, afkomstig van een aantal gegraven waterpartijen. Er zijn toendertijd geen kwaliteitseisen aan de leeflaag gesteld. De locatie werd blijkbaar als onverdacht beschouwd, en het gebruiken van gebiedseigen grond werd daarom geaccepteerd.
Naar nu blijkt is de klei voor de leeflaag waarmee de sloot is afgedekt niet schoon, maar vertoont hetzelfde verontreinigingsbeeld als is aangetroffen op de rest van het perceel. Op het gedeelte van de gedempte sloot waarop geen asfalt ligt mag daarom niet zonder onze toestemming gegraven worden. De leeflaag functioneert in zoverre dat er geen contact mogelijk is met het onderliggende stortmateriaal. De leeflaag zelf, hoewel plaatselijk sterk verontreinigd, brengt geen risico’s met zich mee voor mens, plant of dier of van verspreiding. Het is niet noodzakelijk om alsnog binnen een bepaalde termijn een nieuwe leeflaag aan te brengen. Bovendien ligt over het overgrote deel van de sloot een asfaltlaag, dit is wel een afdoende afdeklaag. Deze moet in stand gehouden worden.
Kadastrale registratie
Als registratie bij het kadaster volgens de huidige regels was uitgevoerd dan had:
- Het weideperceel (de gesaneerde locatie) nu geregistreerd moeten staan bij het kadaster, in verband met de verplichting de leeflaag in stand te houden
- Het bouwkavel niet geregistreerd gestaan, omdat dat volgens de beschikking uit 1998 geen sprake was van een geval van ernstige bodemverontreiniging.
In werkelijkheid heeft er steeds een kadastrale beperking gerust op de percelen D 206 t/m 210 en is deze aantekening er pas medio 2009 per abuis afgehaald voor de percelen D 206 t/m 209.
(...)”
In de – op de brief van 11 februari 2013 volgende – ontwerpbeschikking van 9 april
2013 heeft de provincie aangekondigd voornemens te zijn te besluiten:
“Ter plaatse van de percelen D 206 en D 208 is sprake van een geval van ernstige verontreiniging (...).
Gelet op het huidige of het toekomstige gebruik van de bodem is er geen sprake van zodanige risico’s voor mens, plant of dier en/of van verspreiding van de verontreiniging dat er met spoed gesaneerd moet worden, (...).
Deze beschikking komt in de plaats van de beschikking van 3 maart 1998, kenmerk 98/930179MBE (diffuse bodemverontreiniging bouwkavel).”
In de ontwerpbeschikking is opgenomen dat deze beschikking uitsluitend betrekking heeft op de diffuse verontreiniging in de bovengrond ter plaatse van het woonperceel (geval 1 genoemd) die niet behoort tot de deklaag van de gedempte sloot (geval 2 genoemd) of de verontreinigingsspot naast de toegangsweg (geval 3 genoemd en betrekking hebbende op het kadastrale perceel D 209).
Voorts is in de ontwerpbeschikking bepaald:
“ Bodemverontreiniging ter plaatse van gedempte sloot (geval 2 LJN UT0589/00055)
Ter plaatse van de met huisvuil gedempte sloot is een deklaag aanwezig van klei, verhardingsmateriaal en asfalt in een dikte van 0,5 meter. In 2001 hebben wij ingestemd met de verrichte leeflaagsanering. In onze brief van 12 februari 2013 kenmerk 80DD150D zijn wij uitvoerig ingegaan op dit geval van bodemverontreiniging. Wij zien geen aanleiding de instemming uit 2001 te herzien.”
Bij definitieve beschikking van 18 juni 2013 heeft de provincie overeenkomstig de
ontwerpbeschikking van 9 april 2013 besloten.
[eiseres] is bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna de
Afdeling) in beroep gegaan tegen de definitieve beschikking van de provincie van 18 juni 2013. In haar uitspraak van 9 april 2014 heeft de Afdeling het beroep van [eiseres] ongegrond verklaard en daartoe in r.o. 9 – kort samengevat – overwogen dat de provincie zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat spoedige sanering niet noodzakelijk is, omdat het bij de definitieve beschikking vastgestelde geval van verontreiniging niet leidt tot onaanvaardbare risico’s voor de mens en het ecosysteem.