Home

Rechtbank Midden-Nederland, 28-11-2017, ECLI:NL:RBMNE:2017:5922, 16/705487-17 (P)

Rechtbank Midden-Nederland, 28-11-2017, ECLI:NL:RBMNE:2017:5922, 16/705487-17 (P)

Gegevens

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
28 november 2017
Datum publicatie
28 november 2017
ECLI
ECLI:NL:RBMNE:2017:5922
Formele relaties
Zaaknummer
16/705487-17 (P)

Inhoudsindicatie

Een 28-jarige vrouw uit Amersfoort heeft zich in de nacht van 14 januari schuldig gemaakt aan brandstichting in de woning van haar familie, waarbij haar 11-jarige halfzusje op afschuwelijke wijze om het leven is gekomen. De rechtbank Midden-Nederland veroordeelt de vrouw tot een gevangenisstraf van 7 jaar en tbs met dwangverpleging.

De vrouw besprenkelde de deurmat met terpentine door de brievenbus. Vervolgens stak zij met een aansteker en verfspuitbus de doordrenkte deurmat in brand. Het vuur verspreidde zich in de woning waar haar zusje en halfzusje lagen te slapen. Haar zusje wist aan de brand te ontsnappen, maar voor haar halfzusje was het te laat. Het Openbaar Ministerie verdacht de vrouw van moord op haar halfzusje. Om iemand te veroordelen voor moord moet vaststaan dat er sprake is van een vooropgezet plan en er over de gevolgen is nagedacht. De vrouw heeft geen verklaring afgelegd. Er is niets bekend geworden over de aanloop naar de brand en de gedachten van de vrouw. De rechtbank spreekt haar daarom vrij van moord. Wel heeft de rechtbank haar veroordeeld voor brandstichting met als gevolg de dood van haar halfzusje.

Acht maanden voor de fatale woningbrand heeft de vrouw de auto van haar moeder beschadigd en op basis van het onderzoek lijkt het er op, zo concludeert de rechtbank, dat zij toen heeft geprobeerd de auto van haar moeder in brand te steken. Zij wordt ook veroordeeld voor vernieling van de auto. Volgens het Openbaar Ministerie probeerde zij dit in november 2016 nog een keer. De rechtbank oordeelt dat daar geen concreet bewijs voor is, en spreekt haar daarom van dat laatste feit vrij.

Er is zeer beperkt forensisch onderzoek gedaan naar de brand in de dönerzaak van de moeder van de verdachte. Er zijn van-horen-zeggen-verklaringen die naar verdachte wijzen. De rechtbank spreekt de vrouw vrij, vanwege de onduidelijke verklaringen in combinatie met het beperkte onderzoek.

Volgens de deskundigen is er een scala aan symptomen en beperkingen vast te stellen die wijzen op een stoornis. De vrouw koestert haat tegen haar familie en heeft een psychiatrische voorgeschiedenis. De kans op herhaling is aanzienlijk, zo oordeelt de rechtbank. Zonder tbs-behandeling kan zij niet terugkeren in de maatschappij. De rechtbank komt tot een lagere gevangenisstraf omdat de vrouw wordt vrijgesproken van moord en een aantal andere feiten. In haar nadeel weegt mee dat zij geen openheid van zaken heeft gegeven en op geen enkele wijze spijt of emotie getoond.

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/705487-17 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 28 november 2017

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1989] te [geboorteplaats] (Vietnam),gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Zuid-Oost, locatie Ter Peel te Evertsoord.

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 31 oktober 2017 en 14 november 2017.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. N.M. van Collenburg en van hetgeen verdachte en mr. J.G. Wiebes, advocaat te Lelystad, alsmede de benadeelde partijen en de nabestaanden van [slachtoffer] naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is op de zitting van 31 oktober 2017 nader omschreven. De nadere omschrijving van de tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1

Op 15 juni 2015 te [woonplaats] opzettelijk brand heeft gesticht in een bedrijfspand/woning (gelegen aan de [adres] ) door de voorgevel/deur in aanraking te brengen met vuur, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten was.

Feit 2 primair

In de periode van 25 tot en met 26 april 2016 te Amersfoort opzettelijk brand heeft gesticht aan een personenauto (Citroën Saxo) door deze in aanraking te brengen met vuur, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten was.

Feit 2 subsidiair

In de periode van 25 tot en met 26 april 2016 te Amersfoort heeft geprobeerd opzettelijk brand te stichten aan een personenauto (Citroën Saxo) door deze in aanraking te brengen met vuur, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten was.

Feit 2 meer subsidiair

In de periode van 18 tot en met 26 april 2016 te Amersfoort, ter voorbereiding van het misdrijf brandstichting, een hoeveelheid benzine, een jerrycan en een spuitbus verf bestemd tot het begaan van dat misdrijf heeft verworven.

Feit 2 meest subsidiair

In de periode van 25 tot en met 26 april 2016 te Amersfoort een personenauto (Citroën Saxo) heeft vernield/beschadigd/onbruikbaar gemaakt.

Feit 3

In de periode van 16 tot en met 18 november 2016 te Amersfoort een personenauto (Citroën Saxo) heeft vernield/beschadigd/onbruikbaar gemaakt.

Feit 4 primair

Op 14 januari 2017 te Amersfoort opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd.

Feit 4 subsidiair

Op 14 januari 2017 te [woonplaats] opzettelijk brand heeft gesticht in een woning (gelegen aan de [adres] ) door de brievenbus/voordeur in aanraking te brengen met vuur, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten was en ten gevolge waarvan [slachtoffer] is overleden.

Feit 4 meer subsidiair

Op 14 januari 2017 te Amersfoort opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd.

Feit 5

Op 14 januari 2017 te [woonplaats] opzettelijk brand heeft gesticht in een woning (gelegen aan de [adres] ) door de brievenbus/voordeur in aanraking te brengen met vuur, ten gevolge waarvan de belendende woningen aan de [adres] en [adres] (gedeeltelijk) zijn verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten was.

3 VOORVRAGEN

3.1

De geldigheid van de dagvaarding en de bevoegdheid van de rechtbank.

De dagvaarding is geldig en deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde.

3.2

De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

3.2.1

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk is in haar vervolging. De inzet van de Stelselmatige Informatie-Inwinster (hierna: SI) voldoet volgens de verdediging niet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit en bovendien is door de SI inbreuk gemaakt op de verklaringsvrijheid van de verdachte. Het Openbaar Ministerie heeft het onderzoeksbelang laten prevaleren ten koste van de belangen van de verdachte en heeft reeds vóór haar aanhouding besloten tot de inzet van dit – verstrekkende – middel. Er is gebruik gemaakt van de toegenomen kwetsbaarheid van de verdachte door haar voor, tussen en na haar politieverhoren te confronteren met de SI. Omdat de verdachte de SI niet kon ontlopen nu zij samen op de luchtplaats waren opgesloten, kan niet gezegd worden dat de verdachte keuzevrijheid had om al dan niet te verklaren. Zij kwam te verkeren in een verhoorsituatie waarbij de waarborgen van een formeel verhoor ontbraken waardoor sprake is van strijd met artikel 29 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Bovendien had het Openbaar Ministerie af moeten zien van de inzet van de SI nu de verdachte een kwetsbare verdachte betreft en zij reeds bij haar inverzekeringstelling kenbaar had gemaakt dat zij zich wenste te beroepen op haar zwijgrecht. Gelet op het voorgaande is de verdediging van mening dat gehandeld is in strijd met artikel 6 van het EVRM hetgeen een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) oplevert.

3.2.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de inzet van de SI rechtmatig is geweest. In de Nederlandse jurisprudentie is uitgemaakt dat de inzet van een SI moet worden getoetst aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. In deze zaak rechtvaardigen de aard van de verdenking – brandstichting waarbij een elfjarig meisje om het leven is gekomen – en het gevaar voor recidive de inzet van dit middel. Bovendien is voldaan aan de eis van subsidiariteit. Het onderzoek naar de brandstichting in de woning gaf weinig aanknopingspunten. Er was nauwelijks forensisch bewijs dat richting kon geven aan het onderzoek. Het middel is om een aantal redenen in een vroeg stadium ingezet. Er was een reële mogelijkheid dat de verdachte zich bij de politie op haar zwijgrecht zou beroepen, waarna de inzet van een SI niets meer op zou leveren. Bovendien leefde de verdachte een zeer geïsoleerd bestaan en haar contacten bestonden vooral uit gesprekken met geheimhouders. Het inzetten van een SI buiten haar gevangenschap zou om die reden al niet slagen. Ook was bekend dat er bij de verdachte sprake was van een psychiatrische stoornis. Om die reden werd zij op het politiebureau dagelijks bezocht door een psychiater en was er goed zicht op haar gesteldheid. Als de SI in een later stadium zou zijn ingezet, dan had men de omstandigheden waaronder de verdachte een verklaring had afgelegd niet kunnen toetsen en was de bewijswaarde van een eventuele bekentenis geringer.

Uit de dagelijkse consultatie van de verdachte door de psychiater, bleek dat verdachte detentiegeschikt was en dat er geen aanwijzingen waren voor een psychose. Zij was in staat te kiezen of ze wilde praten of wilde zwijgen en juist vanwege de heimelijkheid van de informant hoefde zij niet op haar zwijgrecht te worden gewezen. Uit de gesprekken die de verdachte vervolgens met de SI voerde, bleek dat zij zich bewust was van die keuzemogelijkheid en dat de verklaring over de wijze van brandstichten in de woning spontaan door haar is afgelegd. Er is geen sprake geweest van sturing of (ongeoorloofde) druk en de verklaring van de verdachte is niet afgelegd in strijd met haar verklaringsvrijheid.

Gelet op bovenstaande is de officier van justitie van oordeel dat er geen vormen zijn verzuimd en dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vervolging van de verdachte.

3.2.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt voorop dat niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de

vervolging, als een in artikel 359a Sv voorzien rechtsgevolg, in aanmerking komt indien sprake is van een vormverzuim dat daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste

ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde

waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan

diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan. Met inachtneming van die maatstaf, overweegt de rechtbank ten aanzien van het door de raadsman aangevoerde verweer als volgt.

De inzet van een bijzondere opsporingsbevoegdheid ten behoeve van het stelselmatig inwinnen van informatie door een politieambtenaar op grond van het bepaalde in artikel 126j Sv, impliceert dat sprake is van het maken van inbreuken op de persoonlijke levenssfeer van een verdachte. Inherent aan deze inzet is dat vragen worden gesteld door de niet als

opsporingsambtenaar kenbare informant aan een verdachte in een situatie die niet voldoet aan de vereisten die artikel 29 Sv aan een verhoorsituatie stelt. De Hoge Raad1 heeft geoordeeld dat het stelselmatig inwinnen van informatie waarbij een opsporingsambtenaar onder een andere identiteit in de omgeving van de (al dan niet in voorlopige hechtenis bevindende) verdachte verkeert en met de verdachte in contact komt, niet in strijd is met het EVRM, zolang de inzet voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Vervolgens moet de rechter beoordelen of niet in strijd met de verklaringsvrijheid van de verdachte is gehandeld. Bezien in dat kader overweegt de rechtbank het volgende.

Het middel is ingezet in het kader van een brandstichting in een woning ten gevolge waarvan een jong meisje om het leven is gekomen. De inzet van de SI was erop gericht informatie in te winnen omtrent de betrokkenheid van de verdachte bij het feit en het achterhalen van de daadwerkelijke toedracht. Het Openbaar Ministerie is in een vroeg stadium overgegaan tot de inzet van het middel, nu er weinig aanknopingspunten voor verder onderzoek waren en bekend was dat de verdachte een geïsoleerd bestaan leefde en dat haar contacten vooral bestonden uit gesprekken met hulpverleners en geheimhouders. Voorts waren er aanwijzingen dat er bij de verdachte sprake zou zijn van een stoornis van de geestvermogens. In de periode van haar verblijf op het politiecellencomplex werd de verdachte om die reden dagelijks geconsulteerd door een psychiater die geen aanwijzingen heeft gezien voor detentieongeschiktheid of het bestaan van een psychose bij de verdachte.

De rechtbank is van oordeel dat de inzet van de SI onder de gegeven omstandigheden voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. De ernst van de verdenking, de stand van het onderzoek en de persoon van de verdachte maakten het noodzakelijk dat al in een vroeg stadium van het onderzoek naar de betrokkenheid van de verdachte werd overgegaan tot de inzet van een SI. Bovendien werd zodoende gewaarborgd dat de verklaringen van de verdachte tegenover de SI werden afgelegd in een periode waarin de psychiater geen aanwijzingen zag voor het bestaan van een psychose bij de verdachte. De rechtbank is voorts van oordeel dat het Openbaar Ministerie met de wijze waarop zij het middel heeft ingezet voldoende acht heeft geslagen op de kwetsbare persoon van de verdachte.

Met de inzet van de SI is de verdachte weliswaar misleid, maar niet aannemelijk is

geworden dat daarmee de verklaringsvrijheid van de verdachte onder druk is komen te staan,

noch dat sprake is van schending van het ‘nemo tenetur-beginsel’. Uit de processen-verbaal van de SI leidt de rechtbank af dat er tijdens het contact tussen de SI en de verdachte sprake was van het wederzijds stellen van vragen. Daaruit blijkt ook dat de verdachte in staat was te kiezen of zij zou zwijgen of dat zij zou praten en dat zij zich bewust was van deze keuzevrijheid. In die context heeft de verdachte aan de SI bepaalde informatie verschaft. De vragen van de SI aan de verdachte over hoe zij de brandstichting heeft gepleegd waren weliswaar gericht op het verkrijgen van een verklaring, maar niet gezegd kan worden dat deze (belastende) uitlatingen van de verdachte daarmee zijn verkregen in strijd met haar verklaringsvrijheid.

De rechtbank stelt gelet op het voorgaande vast dat de inzet van de SI rechtmatig heeft plaatsgevonden en dat in overeenstemming met het bepaalde in artikel 29 Sv is gehandeld, zodat geen sprake is van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman. Het Openbaar Ministerie kan worden ontvangen in de strafvervolging van de verdachte.

3.3

Schorsing van de vervolging

Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 VRIJSPRAAK

5 WAARDERING VAN HET BEWIJS

6 BEWEZENVERKLARING

2 meest subsidiair

4 subsidiair

7 STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

8 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

9 OPLEGGING VAN STRAF EN MAATREGEL

10 BENADEELDE PARTIJEN

11 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

12 BESLISSING

1

2 primair

3

4 primair

5