Rechtbank Midden-Nederland, 19-03-2019, ECLI:NL:RBMNE:2019:1375, NL18.3037
Rechtbank Midden-Nederland, 19-03-2019, ECLI:NL:RBMNE:2019:1375, NL18.3037
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Midden-Nederland
- Datum uitspraak
- 19 maart 2019
- Datum publicatie
- 17 april 2019
- ECLI
- ECLI:NL:RBMNE:2019:1375
- Zaaknummer
- NL18.3037
Inhoudsindicatie
Tussenvonnis. Geschil over de financiële afwikkeling van de overname van een supermarkt. De borgsteller (tevens bestuurder van de vennootschap) bezit niet de meerderheid van de aandelen, maar de in art. 1:88 lid 5 BW omschreven uitzondering gaat toch op.
Uitspraak
VONNIS
_________________________________________________________________ _
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
zaaknummer: NL18.3037
Vonnis van 19 maart 2019
in de zaak van
[eiseres] ,wonende te [woonplaats] ,eiseres van de vordering,verweerster op de tegenvordering, hierna te noemen: [eiseres] ,advocaat J.A. Trimbach te de Meern,
tegen
[verweerder] ,wonende te [woonplaats] ,verweerder op de vordering,eiser van de tegenvordering, hierna te noemen: [verweerder] ,advocaat D.J.J. Folgering te 's-Hertogenbosch.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
-
de procesinleiding
- -
-
het verweerschrift met een tegenvordering
- -
-
het verweerschrift op de tegenvordering
- -
-
de akte overlegging producties en aanvullend bewijsaanbod van [verweerder]
- -
-
de spreekaantekeningen van [eiseres]
- -
-
de spreekaantekeningen van [verweerder]
- -
-
het proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 18 september 2018.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De feiten
In 2017 exploiteerde [eiseres] een supermarkt met de naam [supermarkt] , hierna: “de supermarkt”. De vader van [eiseres] (hierna: “ [vader] ”) was de huurder van het winkelpand van de supermarkt.
Medio 2017 waren [eiseres] , [vader] , [verweerder] en de compagnon van [verweerder] : de heer [compagnon] (hierna: “ [compagnon] ”) van plan de supermarkt samen te gaan exploiteren.
Voor de in 2.2 genoemde samenwerking zijn twee besloten vennootschappen opgericht. De eerste is [bedrijf 1] B.V., hierna: “ [bedrijf 2] ”. [verweerder] is hiervan enig bestuurder en houdt daarin 50% van de aandelen. De andere 50% van de aandelen wordt gehouden door [vader] De tweede vennootschap is [bedrijf 1] Holding B.V., hierna: “ [holding] ”, en [compagnon] is daarvan de bestuurder en enig aandeelhouder.
Eind augustus 2017/begin september 2017 hebben [eiseres] , [vader] , [verweerder] en [compagnon] besloten om toch niet te gaan samenwerken. In plaats daarvan is afgesproken dat [bedrijf 2] en [holding] (hierna ook: “kopers”) de supermarkt van [eiseres] zouden kopen en de huurovereenkomst van [vader] zouden overnemen.
Op 11 oktober 2017 hebben partijen een overeenkomst getekend met de naam “Schuldbekentenis” (hierna: “de schuldbekentenis”). De inhoud hiervan luidt – voor zover van belang – als volgt:
“Schuldbekentenis”
De heer [verweerder] (...) (verder schuldenaar genoemd), heeft aan mevrouw [eiseres] (...) (verder schuldeiser genoemd) een geldbedrag ad € 185.000 verschuldigd als een rest van de overnameprijs inzake supermarket [supermarkt] (...)
De volgende bepalingen en bedingen gelden:
1. Schuldenaar is aan schuldeiser verschuldigd een bedrag van € 185.000,- (...), hierna te noemen ‘hoofdsom’, welke bedrag is verschuldigd wegens de overname van de supermarket bij de gesloten koopovereenkomst dd. 11-10-2017.
Over de hierboven schuldig erkende hoofdsom of over het saldo van de uitstaande hoofdsom, is geen rente verschuldigd.
2. De lening wordt in onderling overleg afgelost, doch uiterlijk in zijn geheel op 31-12-2017.
(...)
Schuldbekentenis voor een bedrag van honderdvijfentachtigduizend euro
(...)”
Ook op 11 oktober 2017 is door [eiseres] en [vader] als verkopers en [bedrijf 2] , (vertegenwoordigd door haar directeur [verweerder] ) en [holding] (vertegenwoordigd door haar directeur [compagnon] ) als kopers een koopovereenkomst gesloten met betrekking tot de goodwill/inventaris/voorraad van de supermarkt (hierna: “de koopovereenkomst”). De inhoud van de koopovereenkomst is opgesteld door de heer [A] (hierna: “ [A] ”) en luidt – voor zover hier van belang – als volgt:
“(...)
verklaren te zijn overeengekomen als volgt:
(...)
3. Kopers zijn verplicht aan verkopers een bedrag te betalen, hierna nader aangeduid met “koopprijs”, van € 70.000,- (...). De koopprijs wordt door de beide partijen na de boekhoudkundige afrekening definitief vastgesteld.
4. De koopprijs dient in twee termijnen aan de verkopers betaald worden. De eerste termijn van de koopprijs te betalen vóór 30-09-2017 als aanbetaling. De tweede termijn van de koopprijs wordt uiterlijk op 31-12-2017 betaald aan de verkopers. Als garant voor de tijdige betaling van de koopprijs is door de partijen de heer [verweerder] aangewezen. De heer [verweerder] tekent hierbij voor garant te staan voor de volledige afbetaling van de koopprijs uiterlijk op 31-12-2017. Indien kopers niet voldoen aan de voorwaarden, is de overeenkomst niet rechtsgeldig.
(...)
6. Na de volledige betaling van de koopprijs door de kopers inzake de overdracht winkelpand (...) op uiterlijk 31-12-2017 zal de heer [eiseres] lees: [vader] , toevoeging rechtbank] zijn aandelen van de vennootschap [lees: [bedrijf 2] , toevoeging rechtbank] (periode 8-5-2017/11-9-2017) over te dragen aan de kopers. (...)
(...)
8. Eventuele schulden die betrekking hebben op de periode van 1-7-2017 tot en met 11-09-2017 zullen voor rekening van de vennootschap tussen [verweerder] en [compagnon] , die van 8 mei 2017 tot 11-09-2017 hebben het winkelpand (...) samen geëxploiteerd.
(...) Problemen die ontstaan na 1 juli 2017 mbt belastingen zijn voor de rekening van de kopers.
(...)”
De totale verkooprijs van de supermarkt bedroeg € 255.000,- (€ 70.000,-, eerste termijn + € 185.000,-, tweede termijn). Op 11 oktober 2017 hebben kopers € 70.000,- aan [eiseres] betaald als de eerste termijn van de koopprijs.
Per e-mail van 2 januari 2018 en per aangetekende brief van 9 januari 2018 heeft de adviseur van kopers aan de advocaat van [eiseres] geschreven dat kopers facturen van de supermarkt over de periode vóór 1 juli 2017 hebben betaald en dat zij het bedrag van die facturen verrekenen met de tweede termijn van de koopprijs.
[eiseres] heeft [verweerder] in een brief van 3 januari 2018 geschreven dat hij op grond van de schuldbekentenis een bedrag van € 185.000,- aan haar verschuldigd is en zij heeft hem gesommeerd dit bedrag aan haar te betalen.
Op 5 februari 2018 heeft [verweerder] een bedrag van € 28.984,64 betaald als (het volgens hem na verrekening resterende deel van de) tweede termijn van de koopprijs. Dit bedrag is overgemaakt van de en/of-rekening die [verweerder] aanhoudt samen met zijn echtgenote.
[eiseres] heeft op 6 februari 2018 conservatoir beslag gelegd op het aandeel van [verweerder] in twee onroerende zaken.
3 Het geschil
[eiseres] vordert – samengevat – veroordeling van [verweerder] tot betaling van € 159.566,68, vermeerderd met rente en kosten.
[verweerder] voert verweer.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.
op de tegenvordering
[verweerder] vordert, samengevat, opheffing van de door [eiseres] gelegde conservatoire beslagen op de onroerende zaken van [verweerder] en – voor zover in de vorderingsprocedure wordt toegekomen aan het beroep van [verweerder] op verrekening en dit beroep niet slaagt – veroordeling van [eiseres] tot betaling van € 147.790,73, vermeerderd met rente, met veroordeling van [eiseres] in de kosten.
[eiseres] voert verweer.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.