Home

Rechtbank Midden-Nederland, 26-04-2021, ECLI:NL:RBMNE:2021:1903, UTR 20/1519 en UTR 20/1832

Rechtbank Midden-Nederland, 26-04-2021, ECLI:NL:RBMNE:2021:1903, UTR 20/1519 en UTR 20/1832

Gegevens

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
26 april 2021
Datum publicatie
30 september 2022
ECLI
ECLI:NL:RBMNE:2021:1903
Formele relaties
Zaaknummer
UTR 20/1519 en UTR 20/1832

Inhoudsindicatie

WOZ, wel restwaarden. Hefffingsambtenaar heeft de gehanteerde levensduurverlenging niet aannemelijk gemaakt. Rechtbank stelt schattenderwijs de waarden vast van de 2 onroerende zaken. Pkv. Gegrond.

Uitspraak

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummers: UTR 20/1519 en UTR 20/1832

(gemachtigde: G. Gieben )

en

de heffingsambtenaar van Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap [gemeente] , verweerder

(gemachtigde: R. Janmaat)

Procesverloop

In de in één geschrift verenigde beschikkingen van 28 februari 2019 heeft verweerder op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaken [adres 1] en [adres 2] te [plaats] voor het belastingjaar 2019 vastgesteld op € 806.000,- respectievelijk € 4.239.000,- naar de waardepeildatum 1 januari 2018. Verweerder heeft bij deze beschikking aan eiseres als eigenaar van deze onroerende zaken ook een aanslag onroerendezaakbelastingen opgelegd naar het tarief van niet-woningen. Daarbij zijn de waarden als heffingsgrondslag gehanteerd.

Bij uitspraak op bezwaar van 3 maart 2020 heeft verweerder de waarden van beide objecten gehandhaafd en het bezwaar ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen de bestreden uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. Verweerder heeft

een verweerschrift overgelegd.

Het beroep is behandeld op de zitting van 19 november 2020. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door A. van den Dool, kantoorgenoot van haar gemachtigde. Namens de heffingsambtenaar is gemachtigde verschenen, bijgestaan door [taxateur] , taxateur.

Vaststaande feiten

1. De onroerende zaak [adres 1] betreft een object, gebouwd als school en nu in gebruik als kantoorgebouw, met een bruto vloeroppervlakte van 1.087 m2.

2. De onroerende zaak [adres 2] betreft een gezinsvervangend tehuis bestaande uit meerdere paviljoens, een fietsenstalling en een garage. De totale bruto vloeroppervlakte is 3.544 m2.

Geschil

3. In geschil is de hoogte van de waarden van de onroerende zaken per waardepeildatum

1 januari 2018. Meer in het bijzonder zijn de restwaarden en de verlengde levensduur, als onderdelen van de berekening van de gecorrigeerde vervangingswaarde, in geschil.

4. Eiseres bepleit voor de onroerende zaak [adres 1] een waarde van € 440.000,- en subsidiair een waarde van € 666.000,-, uitgaande van de restwaarden zoals vermeld in de Taxatiewijzer Onderwijs.

Eiseres bepleit voor de onroerende zaak [adres 2] een waarde van € 2.119.000,- en subsidiair een waarde van € 3.190.000,-, uitgaande van de restwaarden zoals vermeld in de Taxatiewijzer Verzorging.

5. Verweerder neemt het standpunt in dat de waarden niet te hoog zijn vastgesteld. Hij heeft daarbij ter ondersteuning van de door hem verdedigde waarden, verwezen naar twee taxatierapporten van 23 juni 2020, opgemaakt door taxateur [taxateur] , waarin wordt geconcludeerd tot een waarde van € 910.000,- respectievelijk € 4.340.000,-.

Beoordeling van het geschil

Griffierecht en proceskosten

Bent u het niet eens met deze uitspraak?