Home

Rechtbank Midden-Nederland, 28-07-2021, ECLI:NL:RBMNE:2021:6966, C/16/510808 / HA ZA 20-770

Rechtbank Midden-Nederland, 28-07-2021, ECLI:NL:RBMNE:2021:6966, C/16/510808 / HA ZA 20-770

Gegevens

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
28 juli 2021
Datum publicatie
4 november 2024
ECLI
ECLI:NL:RBMNE:2021:6966
Zaaknummer
C/16/510808 / HA ZA 20-770

Inhoudsindicatie

Artikel 1:88 BW: toestemming echtgenoot vereist voor aangaan borgtochtovereenkomst. Het betreft geen lening die valt binnen de voor gedaagde gangbare en gewone bedrijfsvoering. Beroep eiser op uitzondering artikel 1:88 lid 5 BW faalt. Borgstelling is rechtsgeldig vernietigd.

Uitspraak

vonnis

Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/510808 / HA ZA 20-770

Vonnis van 28 juli 2021

in de zaak van

rechtspersoon naar buitenlands recht

[eiseres] S.A.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

eiseres,

advocaat mr. J.W. Bouman te Utrecht,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. J.W. Boddaert te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

[eiseres] heeft bij dagvaarding van 15 oktober 2020 met 8 producties een vordering tegen [gedaagde] ingesteld. [gedaagde] heeft hier op 2 december 2020 bij conclusie van antwoord met 8 producties op gereageerd. Door [eiseres] zijn op 7 mei 2021 nog 3 aanvullende producties in het geding gebracht en door [gedaagde] op 12 mei 2021 nog 2 aanvullende producties. Vervolgens heeft op 21 mei 2021 de mondelinge behandeling plaatsgevonden waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt. Daarna volgt dit vonnis.

2 De feiten

2.1.

[bedrijfsnaam 1] B.V., vanaf 2016 is de naam gewijzigd in [bedrijfsnaam 2] B.V. (hierna: [bedrijfsnaam 2] ), is een bedrijf dat is opgericht door [gedaagde] en wereldwijd kaartensets heeft verkocht voor het vastleggen van bijzondere momenten, mijlpalen, in het leven van kinderen.

2.2.

Op 8 mei 2015 is een dochtervennootschap van [bedrijfsnaam 2] opgericht: [bedrijfsnaam 3] (hierna: [bedrijfsnaam 3] ). [bedrijfsnaam 2] had het plan opgevat om met [bedrijfsnaam 3] de Amerikaanse markt (verder) te betreden.

2.3.

Om een lening te verkrijgen is door [bedrijfsnaam 2] op 22 juni 2015 een informatiememorandum (hierna: informatiememorandum) opgesteld.“In dit informatiememorandum is een uitleg gegeven over de mogelijkheid om geld uit te lenen aan [bedrijfsnaam 1] B.V., hierna te noemen “ [bedrijfsnaam 2] ”.(...)De grootste groeipotentie voor [bedrijfsnaam 2] ligt in Amerika. Momenteel verkoopt [bedrijfsnaam 2] daar nog via een distributeur. Met een sales team dat in Amerika direct aan de winkel verkoopt verwacht [bedrijfsnaam 2] haar omzet in drie jaar tijd naar €8.1mln te laten groeien en een EBITDA van €1,4mln te realiseren.Om deze strategie uit te voeren is [bedrijfsnaam 2] op zoek naar een lening van €250.000 die zij in vijf jaar zal aflossen. [bedrijfsnaam 2] biedt investeerders een rente van 8% per jaar.”

2.4.

Tussen [stichting] en [bedrijfsnaam 2] is op 20 augustus 2015 een overeenkomst van geldlening gesloten. [stichting] is een fonds dat leningen verstrekt aan mkb-bedrijven. De hoofdsom van de lening bedroeg € 250.000,- en de looptijd was 4 jaar en 1 maand.

2.5.

In verband met het sluiten van deze geldlening zijn verschillende zekerheden verleend waaronder een persoonlijke borgstelling door [gedaagde] en een hoofdelijke medeschuldenaarstelling door [bedrijfsnaam 3] .

2.6.

De overeenkomst van borgtocht is op 20 augustus 2015 door [gedaagde] ondertekend. [gedaagde] heeft zich hiermee verbonden tot nakoming van de verplichtingen van [bedrijfsnaam 2] tot een bedrag van € 85.000,-.

2.7.

[gedaagde] was bij het aangaan van de overeenkomst van geldlening en de borgtocht bestuurder en enig aandeelhouder van [bedrijfsnaam 2] .

2.8.

In het document “Overdracht van Leningsovereenkomsten” van 7 februari 2018 staat vermeld dat [stichting] “voornemens is om alle rechten en verplichtingen” uit hoofde van de tussen partijen gesloten overeenkomsten over te dragen aan [eiseres] “door middel van contractsoverneming”.

2.9.

Op of omstreeks 17 juni 2019 heeft [gedaagde] mondeling aan mevrouw [A] , werkzaam bij [stichting] / [eiseres] laten weten dat [bedrijfsnaam 2] niet meer aan haar aflossingsverplichtingen kon voldoen.

2.10.

[eiseres] heeft hierna per brief van 1 juli 2019 de overeenkomst van geldlening opgezegd en aanspraak gemaakt op betaling van de gehele vordering van [eiseres] op [bedrijfsnaam 2] van € 154.400,- + PM. Tegelijkertijd heeft [eiseres] [gedaagde] aangesproken tot betaling van € 85.000,- (met rente en kosten) op grond van de overeenkomst van borgtocht.

2.11.

De echtgenoot van [gedaagde] , de heer [B] (hierna: [B] ), heeft per email van 9 augustus 2020 de vernietiging van de borgstelling ingeroepen op grond van artikel 1:89 jo artikel 1:88 lid 1 sub c BW, stellende dat zijn toestemming voor het aangaan van de borgstelling ontbreekt.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert samengevat – bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 85.000,- , vermeerderd met de wettelijke rente en kosten. Daarnaast vordert [eiseres] dat de rechtbank een verklaring voor recht zal geven dat de borgtocht rechtsgeldig tot stand is gekomen, niet is vernietigd en niet blootstaat aan vernietiging op enige grond.

3.2.

[eiseres] baseert haar vordering tegen [gedaagde] op nakoming door [gedaagde] van de borgtochtovereenkomst van 20 augustus 2015. [gedaagde] betwist dat zij is gehouden tot nakoming van deze borgtochtovereenkomst en voert daartoe vier verweren. Ten eerste voert ze aan dat er geen goedschrift is overgelegd waardoor [eiseres] het bestaan van de borgtocht niet met wettelijke bewijsmiddelen kan aantonen. Het tweede verweer betreft een betwisting van het feit dat [eiseres] als partij gerechtigd zou zijn tot het opeisen van betaling onder de borgtocht. Ten derde voert [gedaagde] aan dat zij als borg te vroeg is aangesproken door [eiseres] en dat [eiseres] ook [bedrijfsnaam 3] als medeschuldenaar had moeten aanspreken. Tot slot stelt [gedaagde] dat haar echtgenoot geen toestemming heeft gegeven voor de persoonlijke borgstelling en dat deze door haar echtgenoot, [B] , op grond van artikel 1:88 lid 1, aanhef en onder sub c, in combinatie met artikel 1:89 BW buitengerechtelijk is vernietigd. [eiseres] stelt echter dat de borgstelling niet rechtsgeldig is vernietigd omdat er op grond van de uitzondering genoemd in artikel 1:88 lid 5 BW geen toestemming van [B] nodig was voor het aangaan van de overeenkomst tot borgtocht. [gedaagde] betwist dit en concludeert op grond van het bovenstaande tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres] , met veroordeling van [eiseres] in de kosten van de procedure.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

5 De beslissing