Rechtbank Midden-Nederland, 02-02-2022, ECLI:NL:RBMNE:2022:259, C/16/450297 / HA ZA 17-775
Rechtbank Midden-Nederland, 02-02-2022, ECLI:NL:RBMNE:2022:259, C/16/450297 / HA ZA 17-775
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Midden-Nederland
- Datum uitspraak
- 2 februari 2022
- Datum publicatie
- 2 februari 2022
- ECLI
- ECLI:NL:RBMNE:2022:259
- Zaaknummer
- C/16/450297 / HA ZA 17-775
Inhoudsindicatie
De Rabobank mocht in september 2013 haar kredietovereenkomst met reisorganisatie OAD opzeggen. Die opzegging was naar het oordeel van de rechtbank Midden-Nederland niet onredelijk. Als gevolg van die opzegging vroeg het bedrijf uit het Overijsselse Holten haar faillissement aan. Volgens OAD zijn zij failliet gegaan door het handelen van de Rabobank. De bank had hen meer tijd moeten geven. Om de bank aansprakelijk te stellen voor het faillissement is het bedrijf naar de rechter gestapt.
Begin september 2013 zegde de bank de kredietovereenkomst met het verlieslijdende OAD op. Op dat moment was de schuld van OAD nog beperkt en ruimschoots door zekerheden gedekt. Maar de Rabobank voorzag op korte termijn grote financiële problemen en wilde daar niet op wachten. Door de opzegging van de kredietovereenkomst kwam OAD snel in financiële nood. Enkele weken daarna vroeg de organisatie haar faillissement aan. Eerder dat jaar hadden al verschillende gesprekken plaatsgevonden tussen de bank en vertegenwoordigers van OAD over de financiële situatie van het bedrijf. De opdracht die OAD telkens meekreeg was: het kapitaal moet verstrekt worden. De bank had al langere tijd twijfels bij de strategie van het bedrijf en de geplande reorganisatie. De slag naar het internet werd gemist, zo vond de bank. In de loop naar september 2013 werden die twijfels steeds groter. OAD was structureel verlieslijdend. Pogingen van de reisorganisatie om het kapitaal te versterken slaagden niet. Inmiddels trokken ook reisorganisatie TUI – OAD verkocht reizen namens TUI – en de Stichting Garantiefonds Reisgelden (SGR) aan de bel. Zij waren op de hoogte van de slechte financiële situatie van OAD.
Volgens OAD mocht de Rabobank de kredietovereenkomst niet opzeggen, ondanks dat in het contract stond dat beide partijen dat wél mochten. Volgens OAD is de opzegging naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. De reisorganisatie stelt dat de Rabobank het faillissement van OAD onnodig heeft veroorzaakt en dat de bank aansprakelijk is voor de schade die voortvloeit uit het faillissement. In 2015 begon OAD een civiele procedure tegen Rabobank. De rechtbank Midden-Nederland besloot in 2019 dat de reisorganisatie met meer bewijs moest komen. Zij moesten bewijzen dat de Rabobank, in de cruciale week waarin werd onderhandeld over een overname, het bedrijf meer tijd had gegeven om de overname rond te krijgen. Volgend OAD is dat toegezegd in een telefoongesprek tussen de toenmalige commissaris van de Koning en de top van de Rabobank.
In september 2013 onderhandelde de top van OAD met een groep Twentse Investeerders. Zij waren bereid om een deel van het bedrijf – het busbedrijf – over te nemen. Het werd gezien als een laatste kans. Rabobank gaf akkoord voor de onderhandelingen, maar stelde ook een harde eis: de deadline was 27 september. Dan moest de deal met de Twentse Investeerders rond zijn. De rechtbank oordeelt dat de Rabobank hiermee flink druk op de ketel zette, maar vindt dit niet ontoelaatbaar. Sinds januari van dat jaar had de bank immers al aangegeven niet akkoord te gaan met het feit dat OAD de winterperiode in zou gaan zonder een akkoord met nieuwe investeerders en (dus) kapitaalversterking. Op 20 september vroeg de top van OAD aan de toenmalige commissaris van de Koning, Ank Bijleveld, om te bellen met de Rabobank. Doel was om meer tijd te krijgen om de deal met de Twentse Investeerders rond te maken. Tijdens een getuigenverhoor in deze procedure heeft Bijleveld verklaard dat zij altijd in de veronderstelling is geweest dat de Rabobank aan OAD voldoende tijd zou geven om óók de overname administratief af te ronden. Maar de rechtbank is – onder andere na het horen van verschillende getuigen, waaronder Bijleveld en Van Nieuwenhuizen (van Rabobank) – van oordeel dat Rabobank de harde deadline van 27 september nooit heeft opgegeven.
Op dinsdag 24 september belde OAD nog een laatste keer met Rabo in een uiterste poging om toch uitstel te krijgen. Weer hield Rabo vast aan de deadline. Toen was duidelijk: het zou OAD niet zou lukken om voor die deadline een definitieve en uitgewerkte overeenkomst te bereiken met de Twentse Investeerders. OAD heeft vervolgens het faillissement aangevraagd. De rechtbank is van oordeel dat de Rabobank aan de deadline mocht vasthouden. De bank is niet aansprakelijk voor de schade die OAD zegt te hebben geleden. Bovendien is niet aannemelijk geworden dat die schade, namelijk de vernietiging van de waarde van haar onderneming door het faillissement, het gevolg is geweest van het handelen van de bank. Want, ook al was de Rabobank akkoord gegaan met een verlenging van de tijd om tot een overeenkomst te komen met de Twentse Investeerders, dan nog was een faillissement niet afgewend. De financiële problematiek met TUI en SGR was ernstig en niet op te lossen. En als klap op de vuurpijl was de laatste financiële prognose van het OAD bedrijf veel negatiever dan OAD had doen voorkomen.
Kortom, de rechtbank concludeert dat de Rabobank de kredietovereenkomst mocht opzeggen en dat de bank niet het faillissement van OAD heeft veroorzaakt.
Uitspraak
vonnis
Civiel recht
handelskamer
locatie Utrecht
zaaknummer / rolnummer: C/16/450297 / HA ZA 17-775
Vonnis van 2 februari 2022
in de zaak van
de stichting
STICHTING ADMINISTRATIEKANTOOR OAD GROEP HOLDING,
rechtsopvolgster onder bijzondere titel van de curatoren in het faillissement van de OAD-vennootschappen (mrs. D. Meulenberg en J.T. Stekelenburg)
gevestigd te Goor,
eisende partij,
advocaat mr. M.J. Sinke te Amsterdam,
tegen
1. de vennootschap met uitgesloten aansprakelijkheid
COÖPERATIEVE RABOBANK U.A.,
rechtsopvolgster onder algemene titel van Coöperatieve Centrale Raiffeisen-Boerenleenbank B.A. en Coöperatieve Rabobank Enschede-Haaksbergen U.A.,
gevestigd te Amsterdam, kantoorhoudende te Utrecht,
2. de naamloze vennootschap
RABOHYPOTHEEKBANK N.V.,
gevestigd te Amsterdam, kantoorhoudende te Utrecht,
gedaagden,
advocaat mr. B. Winters te Amsterdam.
Partijen zullen hierna OAD en Rabobank genoemd worden.
Samenvatting en leeswijzer
Eerst wordt het verloop van de procedure weergegeven (hoofdstuk 1). Daarna volgen een beschrijving van wat aan dit vonnis vooraf is gegaan (hoofdstuk 2) en een overzicht van de personen die in het OAD-dossier een rol hebben gespeeld (hoofdstuk 3). Vervolgens beoordeelt de rechtbank in hoofdstuk 4 of OAD geslaagd is in de bewijsopdracht die de rechtbank in het tussenvonnis van 3 juli 2019 (ECLI:NL:RBMNE:2019:2974) heeft gegeven.
De conclusie daarvan is dat van de te bewijzen feiten alleen is komen vast te staan dat op dinsdag 24 september 2013 een telefoongesprek heeft plaatsgevonden tussen OAD en Rabobank waarin OAD heeft gevraagd om uitstel van de termijn voor het voltooien van de transactie met de Twentse Investeerders, en dat Rabobank die verlenging heeft geweigerd. OAD heeft niet bewezen dat de toezegging die de heer [A] van Rabobank op vrijdag 20 september 2013 aan mevrouw [B] deed om “OAD voldoende tijd te gunnen om de transactie met de Twentse Investeerders rond te krijgen” niet alleen zag op het daaropvolgende weekend, maar ook op de tijd die nodig zou zijn om de transactie feitelijk uit te voeren. OAD heeft ook niet bewezen dat Rabobank op 20 september 2013 rechtstreeks aan OAD een toezegging met die strekking heeft gedaan.
In hoofdstuk 5 gaat de rechtbank vervolgens in op het verwijt van Rabobank dat OAD heeft gehandeld in strijd met haar verplichting om in deze procedure de feiten die voor de beslissing van belang zijn, volledig en naar waarheid aan te voeren. De rechtbank oordeelt dat dat inderdaad in drie gevallen zo is geweest.
In hoofdstuk 6 zet de rechtbank de feiten op een rij die vooraf zijn gegaan aan de beslissing van Rabobank om de kredietrelatie met OAD op te zeggen. De rechtbank oordeelt (vanaf 6.51) dat die opzegging niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, en dat ook niet aannemelijk is geworden dat het faillissement van OAD het gevolg was van het handelen van Rabobank.
Hoofdstuk 7 bevat de beslissing van de rechtbank.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
-
het tussenvonnis van 3 juli 2019
- -
-
de akte houdende inbreng bewijsstuk van OAD van 29 november 2019
- -
-
de akte houdende overlegging producties van Rabobank van 16 december 2019, met de producties 91 tot en met 105
- -
-
de akte houdende overlegging producties van Rabobank van 16 december 2019, met productie 106
- -
-
het proces-verbaal van getuigenverhoor, gehouden op 16 en 19 december 2019
- -
-
het proces-verbaal van voortzetting getuigenverhoor, gehouden op 13 februari 2020
- -
-
het proces-verbaal van de contra-enquête, gehouden op 1 en 2 maart 2021
- -
-
de conclusie na enquête van OAD van 14 april 2021
- -
-
de antwoordconclusie na enquête van Rabobank van 26 mei 2021
- -
-
de akte-uitlating van OAD van 2 juni 2021
- -
-
de antwoordakte van Rabobank van 14 juli 2021.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 Wat aan dit vonnis vooraf is gegaan
Deze procedure is gestart door de curatoren van de vennootschappen die behoorden tot de OAD Groep (in deze procedure aangeduid met OAD) en die kort na 24 september 2013 failliet zijn verklaard. Na het uitbrengen van de dagvaarding hebben de curatoren de vorderingen van OAD op Rabobank overgedragen aan de Stichting Administratiekantoor OAD Groep Holding. Die stichting wordt in deze procedure gemakshalve ook aangeduid met OAD.
Tussen OAD en Rabobank was sprake van een zogenoemd kredietarrangement. Dat kredietarrangement wordt hierna de kredietovereenkomst genoemd. Op grond van de tekst ervan mocht Rabobank de kredietovereenkomst opzeggen. OAD mocht dat ook. Rabobank heeft de kredietovereenkomst opgezegd op 6 september 2013. In de avond van
24 september 2013 heeft OAD haar faillissement aangevraagd. De belangrijkste vraag die in deze zaak moet worden beantwoord is of Rabobank de kredietovereenkomst, ondanks haar contractuele opzeggingsbevoegdheid, toch niet mocht opzeggen. Dat is het standpunt van OAD. Zij betoogt in verband daarmee het volgende. De opzegging is niet rechtsgeldig want deze is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar (artikel 6:248 lid 2 BW). Door op te zeggen is Rabobank tekort geschoten in de nakoming van de kredietovereenkomst dan wel heeft zij onrechtmatig jegens OAD gehandeld, waardoor zij aansprakelijk is voor schade die OAD daardoor heeft geleden. Rabobank heeft het faillissement van OAD onnodig veroorzaakt. Doordat Rabobank de kredietovereenkomst heeft opgezegd, en doordat zij aan die opzegging is blijven vasthouden in de weken daarna, had OAD geen andere keuze dan haar faillissement aan te vragen. De schade bestaat uit de vernietiging van de waarde van OAD. OAD wil dat de rechtbank in deze procedure een beslissing neemt over de vraag of Rabobank aansprakelijk is en bepaalt dat de hoogte van de schade in een afzonderlijke procedure moet worden vastgesteld (de zogenoemde schadestaatprocedure). Rabobank is het niet eens met de standpunten van OAD.
Op 3 juli 2019 heeft de rechtbank in deze zaak een tussenvonnis gewezen. Daarin heeft de rechtbank geoordeeld dat de gang van zaken na de opzegging op 6 september 2013 van belang is voor de beoordeling van de opzegging zelf. Over die gang van zaken wilde de rechtbank meer duidelijkheid krijgen en daarom heeft de rechtbank OAD toen opgedragen om drie stellingen, die zagen op de periode van 20 tot en met 24 september 2013, te bewijzen.
In de periode van 16 december 2019 tot en met 2 maart 2021 hebben de getuigenverhoren plaatsgevonden. Daarin zijn eerst op verzoek van OAD getuigen gehoord en vervolgens zijn, in het zogenoemde tegenverhoor, op verzoek van Rabobank getuigen gehoord. Daarna hebben OAD en Rabobank schriftelijk hun standpunten weergegeven. OAD is van mening dat zij erin is geslaagd om haar stellingen te bewijzen. Rabobank vindt van niet en neemt het standpunt in dat alle vorderingen moeten worden afgewezen. Rabobank is ook van mening dat OAD in deze procedure ernstig verwijtbaar heeft gehandeld doordat zij de op haar (net als op iedere andere partij in een dagvaardingsprocedure) rustende waarheidsplicht heeft geschonden door enkele belangrijke documenten niet in het geding te brengen en door enkele andere gedragingen. Volgens Rabobank moeten de vorderingen van OAD ook om die reden worden afgewezen.
3 Namen van personen die in dit vonnis voorkomen
In de periode waarover het in deze procedure gaat (met de nadruk op 2013) bestond het bestuur van OAD uit [C] , [D ] , directievoorzitter [E] (hierna: [E] ) en CFO [F] (hierna: [F] ). Adjunct-directeur/directiesecretaris van OAD was de heer [G] (hierna: [G] ). De rechterhand van [F] was [H] (hierna: [H] ).
Omdat de resultaten van OAD tegenvielen en de verkoop van reizen via het internet steeds belangrijker werd, heeft OAD in 2011 advies ingewonnen bij Booz & Company (hierna: Booz). Om de door Booz geadviseerde strategiewijziging/reorganisatie van OAD te begeleiden heeft de raad van commissarissen van OAD medio 2012 [I] , voormalig CEO van [naam] , aangetrokken om de directie van OAD te adviseren (hierna: [I] ).
Begin 2013 heeft Rabobank van OAD geëist dat zij haar kapitaal ging versterken. In mei 2013 heeft OAD [J] (hierna: [J] ) van Base Strategy & Finance ingeschakeld om te helpen om op korte termijn een kapitaalversterking te realiseren.
De kredietovereenkomst met Rabobank bestond onder meer uit een garantiefaciliteit die OAD gebruikte om bankgaranties te stellen ten behoeve van derde partijen zoals de Stichting Garantiefonds Reisgelden (SGR). In 2013 was de directeur van SGR [K] (hierna: [K] ).
OAD verkocht aan haar klanten ook reizen van TUI. Omdat deze klanten daarvoor geld aan OAD betaalden en OAD dit geld moest doorbetalen aan TUI, had TUI continu vorderingen op OAD. In 2013 was de directeur van TUI [L] (hierna: [L] ).
Eén van de adviseurs van OAD in 2013 was de heer mr. [P] , advocaat (hierna: [P] ).
OAD stond in 2013 onder verscherpt toezicht van de afdeling Bijzonder Beheer van Rabobank. De heren [M] (hierna: [M] ) en [N] (hierna: [N] ) van die afdeling onderhielden in die periode namens Rabobank het contact met OAD. De heer [O] was in 2013 lid van de raad van bestuur van Rabobank. Direct onder hem werkte de heer [A] (hierna: [A] ), die de contactpersoon was voor de lokale Rabobank die de kredietrelatie had met OAD.
In 2013 was mevrouw [B] (hierna: [B] ) commissaris van de Koning in de provincie Overijssel.
In september 2013 was er een groep investeerders uit Twente die bereid was om OAD te helpen met een door Rabobank geëiste kapitaalversterking, door te kijken naar de aankoop van een deel van de onderneming, het busbedrijf. Deze groep wordt de Twentse Investeerders genoemd.