Home

Rechtbank Midden-Nederland, 04-01-2023, ECLI:NL:RBMNE:2023:10, C/16/524883 / HL ZA 21-201

Rechtbank Midden-Nederland, 04-01-2023, ECLI:NL:RBMNE:2023:10, C/16/524883 / HL ZA 21-201

Gegevens

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
4 januari 2023
Datum publicatie
11 januari 2023
ECLI
ECLI:NL:RBMNE:2023:10
Formele relaties
Zaaknummer
C/16/524883 / HL ZA 21-201

Inhoudsindicatie

Executiegeschil over de vraag of door de Ondernemingskamer opgelegde dwangsommen zijn verbeurd. De dwangsommen betreffen de overtreding van bevelen aan een tijdelijk geschorste bestuurder om zich te onthouden van handelingen die de verkoop van de onderneming kunnen verstoren en handelingen die bedriegend en lasterlijk zijn jegens de tijdelijk bestuurder en door hem ingeschakelde adviseurs. Het oordeel van de Ondernemingskamer over het verbeuren van dwangsommen heeft geen gezag van gewijsde omdat de Ondernemingskamer dat oordeel als dwangsomrechter gegeven heeft. Uitleg van het bevel van de Ondernemingskamer om ‘via’ een derde zich van bepaalde handelingen te onthouden.

Uitspraak

vonnis

Civiel recht

handelskamer

locatie Lelystad

zaaknummer / rolnummer: C/16/524883 / HL ZA 21-201

Vonnis van 4 januari 2023

in de zaak van

1 [eiser sub 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres sub 2 (B.V.)] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

eisers,

advocaat mr. J.C.F. Kooijmans te Zwolle,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde (B.V.)] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. A.C. van Schaick te Tilburg.

Partijen zullen hierna [eiser sub 1] c.s. en [gedaagde (B.V.)] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

-

het tussenvonnis van 22 september 2021;

-

het proces-verbaal van mondelinge behandeling van 10 februari 2022;

-

de akte wijziging/vermeerdering van eis van [eiser sub 1] c.s.;

-

antwoordakte van [gedaagde (B.V.)] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[gedaagde (B.V.)] is op 26 juni 2013 opgericht en dreef, via haar dochtervennootschap [onderneming 1 (B.V.)] , een onderneming die zich bezig houdt met [.] .

[onderneming 2 (B.V.)] . en [eiseres sub 2 (B.V.)] houden elk 50% van de gewone aandelen in het geplaatste kapitaal van [gedaagde (B.V.)] . [onderneming 2 (B.V.)] . houdt daarnaast 10 cumulatief preferente aandelen in [gedaagde (B.V.)] . [gedaagde (B.V.)] houdt alle aandelen in het geplaatste kapitaal van [onderneming 1 (B.V.)] en [onderneming 3 (B.V.)] en is tevens enig bestuurder van die vennootschappen.

[A] is enig bestuurder van en houdt alle aandelen in [onderneming 2 (B.V.)] .[eiser sub 1] is enig bestuurder van en houdt alle aandelen in [eiseres sub 2 (B.V.)]

[A] en [eiser sub 1] zijn broers.

2.2.

In de loop van 2018 is bij [gedaagde (B.V.)] en de door haar gedreven onderneming als gevolg van stijgende inkooprijzen en eenmalige kosten een liquiditeitstekort ontstaan. [gedaagde (B.V.)] is in verband daarmee door haar huisbankier ING Bank N.V. (hierna: ING) onder bijzonder beheer geplaatst. Daarnaast is tussen [A] en [eiser sub 1] in toenemende mate grote onenigheid ontstaan. Beide broers zijn er niet in geslaagd hun meningsverschillen bij te leggen of overeenstemming te bereiken over een ontvlechting van hun belangen in [gedaagde (B.V.)] .

2.3.

Bij beschikking van 20 september 2019 heeft de Ondernemingskamer, hierna de OK, een onderzoek bevolen naar het beleid en de gang van zaken van [gedaagde (B.V.)] over de periode vanaf 1 januari 2018 en, bij wijze van onmiddellijke voorziening en voor de duur van het geding, [onderneming 2 (B.V.)] . en [eiseres sub 2 (B.V.)] als bestuurders van [gedaagde (B.V.)] geschorst. Kort nadien is mr. [B] , hierna: [B] , tot tijdelijk bestuurder van [gedaagde (B.V.)] benoemd en is [C] als beheerder van de aandelen in [gedaagde (B.V.)] aangesteld.

2.4.

Korte tijd na haar aanstelling heeft [B] de OK verzocht haar te ontheffen van haar functie en een ander als tijdelijk bestuurder aan te wijzen. Bij beschikking van 12 november 2019 heeft de OK onder meer overwogen dat [B] aan haar verzoek tot ontheffing ten grondslag heeft gelegd dat [eiser sub 1] geen vertrouwen heeft in haar functioneren, dat enige objectieve rechtvaardiging daarvoor ontbreekt en dat [eiser sub 1] [B] heeft bejegend op een wijze die ontoelaatbaar is. De OK overweegt:“De frequentie, inhoud en toon van de e-mails van [eiser sub 1] aan [B] overschrijden de grenzen van het betamelijke en hebben ertoe geleid dat [B] zich niet langer veilig voelt. [eiser sub 1] heeft [B] bovendien tegengewerkt door op of omstreeks 5 oktober 2019, zonder haar daarin te kennen, bij ING melding te maken van onder meer onjuistheden in de voorraadwaardering en te klagen over het beleid van [B] als bestuurder.”De OK heeft mr. [D] , hierna: [D] , te [plaats] aangewezen als tijdelijk bestuurder zoals bedoeld in de beschikking van 20 september 2019 en [B] als tijdelijk bestuurder ontheven van haar taak en bepaald dat het [eiser sub 1] verboden is op het bedrijfsterrein van de onderneming aanwezig te zijn op straffe van een aan [gedaagde (B.V.)] te verbeuren dwangsom van € 10.000 per overtreding met een maximum van € 200.000 indien en nadat [D] hem schriftelijk de toegang tot het bedrijfsterrein heeft ontzegd. Bij brief van 18 november 2019 heeft [D] [eiser sub 1] met onmiddellijke ingang de toegang tot het bedrijfsterrein ontzegd.

2.5.

In de beschikking van 18 maart 2020 heeft de OK onder meer overwogen: “ [eiser sub 1] c.s. bemoeilijken het werk van de achtereenvolgende OK-bestuurders door een wantrouwende en verwijtende opstelling. Zij werpen problemen op zonder het bieden van oplossingen, zodat discussies over ondergeschikte zaken onnodig veel tijd en aandacht vergen. Dit geldt voor de kwestie van de transportvergunning, de aanspraak van [E] op het merk [merk 1] , de afgifte van taxatierapporten en de ondertekening en retournering van de NDA. [eiser sub 1] c.s. onderhouden eigenmachtig contacten met partijen die mogelijk in een overname zijn geïnteresseerd, terwijl de Ondernemingskamer uitdrukkelijk heeft bepaald dat de OK-bestuurder bij uitsluiting de regie voert over verkoop van de onderneming. Volgens [eiser sub 1] staat het hem en [E] vrij om gespreken te voeren met partijen die zijn geïnteresseerd in een overname van de onderneming, terwijl dit evident in strijd is met het belang van [gedaagde (B.V.)] dat – zoals ook met partijen is besproken en ten grondslag ligt aan de beschikkingen van de Ondernemingskamer – vergt dat de OK-bestuurder bij uitsluiting de regie voert over het verkooptraject. [eiser sub 1] c.s. vallen bij herhaling ING (al dan niet via [E] als “adviseur”) lastig met berichten waarvan ING niet gediend is, die kennelijk het vertrouwen van ING in de OK-bestuurder beogen aan te tasten en die de bereidheid van ING om [gedaagde (B.V.)] de tijd te gunnen die nodig is voor verkoop van de onderneming slechts kunnen ondergraven. Het is begrijpelijk dat [D] daaraan zwaar heeft getild omdat (a) ING te kennen heeft gegeven van dergelijke berichten verschoond te willen blijven, (b) [gedaagde (B.V.)] voor succesvolle verkoop van de onderneming afhankelijk is van bereidheid van ING om haar vordering niet onmiddellijk op de eisen, (c) [eiser sub 1] op 8 november 2019 aan de Ondernemingskamer had toegezegd zich daarvan te zullen onthouden, (d) [D] hem bij herhaling aan die toezegging heeft herinnerd en (e) de Ondernemingskamer in haar beschikking van 12 november 2019 al had geconstateerd dat [eiser sub 1] de toenmalige OK-bestuurder had tegengewerkt, onder meer door achter haar rug bij ING te klagen over het beleid van die bestuurder. Illustratief voor de hardnekkigheid van die schadelijke opstelling acht de Ondernemingskamer dat, zoals ter zitting van 4 maart 2020 bleek, [E] zich daags voordien opnieuw tot ING had gewend”.

In de beschikking van 18 maart 2020 heeft de OK bij wijze van onmiddellijke voorziening bepaald dat [eiseres sub 2 (B.V.)] en [eiser sub 1] , al dan niet handelend via [onderneming 4 (B.V.)] en/of [E] :a. zich dienen te onthouden van alle handelingen die de verkoop en overdracht van de onderneming van [gedaagde (B.V.)] op de wijze die [D] en [C] in het vennootschappelijk belang van [gedaagde (B.V.)] achten kunnen frustreren of bemoeilijken;b. moeten gehengen en gedogen dat zij zijn uitgesloten van deelname in het verkooptraject;c. zich dienen te onthouden van besprekingen met en het verstrekken van informatie aan derden (anders dan hun advocaat) in verband met de verkoop van de onderneming van [gedaagde (B.V.)] ;d. zich dienen te onthouden van elke uitlating of gedraging die kan worden aangemerkt als bedreigend of lasterlijk jegens [D] ;en bepaald dat [eiser sub 1] c.s., na betekening van de beschikking, dwangsommen ten gunste van [gedaagde (B.V.)] zal verbeuren van € 25.000 per overtreding van deze bevelen, tot een maximum van € 1.000.000.

2.6.

Bij brief van 23 maart 2020 heeft [D] aan [eiser sub 1] c.s. en [E] , hierna: [E] , geschreven dat de melding op de LinkedInpagina van [E] dat zij eigenaresse is van de merknamen [merk 1] en [merk 2] , het verkoopproces van [gedaagde (B.V.)] bemoeilijkt en een uiting naar derden is die de OK heeft verboden die direct het verbeuren van de dwangsom van € 25.000 oplevert.

2.7.

Op 12 april 2020 heeft [eiser sub 1] het volgende WhatsApp-bericht aan [A] gestuurd:“Door jou is er zeker al 5 ton van de waarde weggegooid wat ik vooral jou ga aanrekenen. 108.000 belasting bij activadeal, 88.000 Boete rente ING, grond weg gegeven, ver onder waarde, [D] [B] en de andere opvreters minstens 2 ton dan de ergste opvreter [onderneming 5] / [G (voornaam)] [de rechtbank: [onderneming 5] , hierna: [onderneming 5] is de accountant van [gedaagde (B.V.)] en de bij de verkoop van de activa van [gedaagde (B.V.)] betrokken adviseur] voor zeker 1 ton, etc...Ik kom achter jullie aan en laat het uitzoeken tot de laatste cent. Ik ga er vanuit dat [D] & Co 1 juli opgedonderd zijn!! Ik heb het onderzoek laten doorgeven voor 1 juli, het onderzoeksbureau is op de hoogte!

2.8.

Op 2 mei 2020 heeft [E] , hierna: [E] , het volgende WhatsApp-bericht gestuurd aan [F] , de door [D] ingeschakelde overnameadviseur en procesbegeleider (hierna: [F] ) van [onderneming 5] : “(...) Natuurlijk zit ik vol vragen, maar [D] wacht erop dat ik die stel om zo een reden te hebben (bemoeienis met de verkoop) om [onderneming 1 (B.V.)] / [gedaagde (B.V.)] (bij voorkeur zo goedkoop als mogelijk) aan [A (voornaam)] te kunnen verkopen, vandaar mijn stilte. In normale omstandigheden zou ik u hebben gevraagd naar het verloop van het verkoopproces, dus hoelang heeft [onderneming 1 (B.V.)] / [gedaagde (B.V.)] op [..] gestaan.., ik zou u dan ook hebben gevraagd naar de inhoud en de kwaliteit van het verstuurde informatie memorandum, evenals de tijd die geïnteresseerden van [onderneming 5] hebben gekregen om hun bod neer te leggen, erg van belang in deze Coronatijd en zo meer vragen. Deze vragen zou u begrijpen, we willen tenslotte allemaal voorkomen dat er b.v. vier biedingen zouden liggen die qua hoogte alle vier in dezelfde lijn zouden liggen en stel dat 1 v.d. partijen, die zelf ook een bod heeft neergelegd, dit zou weten zodat hij dan dus door deze voorkennis dan zijn eigen bod daarop aan zou kunnen passen.. Ik zou u dan ook gevraagd hebben hoe nu verder, dus of er gesprekken gevoerd gaan worden tussen partijen met beide broers? Het gezamenlijk doel is immers dat de [gedaagde (B.V.)] voor beide broers zoveel geld als mogelijk opbrengt. Ik zou u in normale omstandigheden ook hebben gevraagd welke notaris, bij de volgende ronde de dichte, (bieding) enveloppen in ontvangst neemt, etc. Vragen ten over. Voor nu voor ons maar even wachten met vragen stellen, na verkoop komt er een onderzoek, dan komen al onze vragen wel aan bod. Zoals de rol van [G] in dit verhaal, het voorraadverschil, vragen over het jarenlange in-wegboeken van posten op [eiser sub 1 (voornaam)] zijn RC (eerst op aanwijzen v. [A (voornaam)] en nu op aanwijzen van [D] ), over het verdienmodel van [onderneming 5] (slechte advisering om daarna aan de chaos weer te kunnen verdienen), etc. Ik u stel mijn vragen dus niet, die worden na verkoop wel beantwoord.

(...)

Bij e-mail van 4 mei 2020 heeft [F] zich bij [D] beklaagd over de ontvangst van het bericht van [E] .

2.9.

Op 4 mei 2020 heeft [E] aan [D] een e-mail gestuurd waarin zij onder meer schrijft:“Na vandaag gesproken te hebben met de partij die, na uw vertrek, de verkoop en uw (erg kostbare) bestuurlijke “vaardigheden” gaat controleren/onderzoeken, hebben we op voorhand al een paar vragen aan u. Het gaat hier over de privé persoon [eiser sub 1] , die mag in privé voor zijn rechten opkomen. U weet dat wij, naast gesprekken met (strafrecht) advocaten, inmiddels ook de politie (voor o.a. diefstal (nu alleen nog van [A (voornaam)] ) smaad/laster) bij deze zaak hebben betrokken. (...) Het is toch op zijn minst vreemd te noemen dat u (zelfs met goedkeuring van de OK) alles mag doen, maar dhr. [eiser sub 1] daar niets over mag zeggen. We kwamen tot de conclusie dat u dus weet dat u er een potje van maakt, maar u zich verschuild achter de boete oplegging om uw gedrag te verdoezelen. Daar zullen straks de “normale” rechters zich wel over buigen. (...) Graag zouden we ook de reden willen weten waarom Dhr. [eiser sub 1] niet mee mag bieden op zijn eigen bedrijf. (...) Door dhr. [eiser sub 1] uit sluiten van koop, overtreed u de wettelijke regels. Graag dus de werkelijke reden waarop deze uitsluiting is gebaseerd. (...) Wettelijk mag u dhr. [eiser sub 1] zijn bedrijf/bezit niet afpakken. U zegt; ik verkoop, dus dat is geen afpakken. Wij hebben a.d.h.v. de cijfers de verkoop opbrengst berekend, mocht u daar niet ongeveer op uit komen dan is het afpakken bezit en bent u strafbaar bezig. We wachten dus af waarvoor [onderneming 5] de [gedaagde (B.V.)] verkoopt. U begrijpt dat wij meekijken met het verkoopproces, we hebben al een paar punten geconstateerd waarmee u de fout ingaat, maar dat vindt u niet erg, we weten allemaal dat na uw vertrek [onderneming 5] hiervan straks toch de schuld krijgt.”

2.10.

Bij e-mailbericht van 9 mei 2020 heeft [eiser sub 1] aan [D] geschreven:“(...) Hoe kan ik aanvullen wat er aan informatie mist, als ik niet weet wat er al in het informatie memorandum is gezet. Wanneer laat u de goederen ophalen die hier nog staan. De huur loopt, tot ophalen, natuurlijk gewoon door, maar ik wil wel van de goederen af. Hier staat behalve een paar honderd kisten, nog een pallet asbest platen en chemicaliën. Bij geen antwoord, zal ik die laten vervoeren naar [rechtbank: [gedaagde (B.V.)] ] en de kosten hiervan doorberekenen aan u.”

2.11.

Op 14 mei 2020 heeft [eiser sub 1] c.s. drie ongemotiveerde tuchtklachten ingediend tegen [B] en [D] bij de orde van advocaten en tegen de betrokkenen van [onderneming 5] bij de Klachtencommissie NBA.

2.12.

Bij brief van 18 mei 2020 aan [eiser sub 1] c.s. heeft [D] medegedeeld dat in totaal 16 dwangsommen van elk € 25.000 zijn verbeurd wegens overtreding van voornoemde geboden en dat hij namens [gedaagde (B.V.)] aanspraak maakt op betaling van in totaal€ 400.000. In de brief wordt per overtreding een toelichting gegeven. 2.13. De brief van 18 mei 2020 van [D] is aan [eiser sub 1] c.s. betekend, met de sommatie het bedrag van € 400.000 binnen twee dagen te voldoen. Op 20 en 25 mei 2020 heeft [D] namens [gedaagde (B.V.)] ten laste van [eiser sub 1] c.s. beslag doen leggen op onder andere een tweetal industrieterreinen en het woonhuis van [eiser sub 1] , zijn bankrekening(en) en op de aandelen die [eiseres sub 2 (B.V.)] houdt in [gedaagde (B.V.)] . 2.14. [D] en [gedaagde (B.V.)] hebben zich bij verzoekschrift van 19 mei 2020 tot de OK gewend en de OK onder meer verzocht te bepalen dat (zakelijk weergegeven):- het verbod van onderdeel a. van de beschikking van de OK van 18 maart 2020 ook geldt voor het in enige vorm contact hebben, direct of indirect, met enige bij (dochtermaatschappijen van) [gedaagde (B.V.)] of in het overnameproces betrokken partij, waaronder [A] , zolang de overname niet is geëffectueerd, behoudens contact met [D] via schriftelijke informatie-uitwisseling;- het verbod van onderdeel d. van de beschikking van de OK van 18 maart 2020 zich mede uitstrekt tot het doen van bedreigende of lasterlijke uitlatingen jegens door [D] ingeschakelde adviseurs, hulppersonen en bieders in het overnameproces, waaronder [A] .[eiser sub 1] c.s. heeft een tegenverzoek ingediend en daarin de OK onder meer verzocht vast te stellen dat er geen dwangsommen zijn verbeurd.2.15. In de beschikking van 29 mei 2020 heeft de OK onder meer overwogen dat meerdere dwangsommen zijn verbeurd vanwege het e-mailbericht van 12 april 2020 van [eiser sub 1] aan [A] , het WhatsApp-bericht van 2 mei 2020 van [E] aan [F] , het e-mailbericht van 4 mei 2020 van [E] aan [D] , het e-mailbericht van 9 mei 2020 van [eiser sub 1] aan [D] en de drie tuchtklachten. De OK heeft bij wijze van onmiddellijke voorziening, in aanvulling op de bij beschikking van de Ondernemingskamer van 18 maart 2020, aan [eiseres sub 2 (B.V.)] en [eiser sub 1] , al dan niet handelend via [onderneming 4 (B.V.)] en/of [E] opgelegde geboden, bepaald:a. dat [eiseres sub 2 (B.V.)] en [eiser sub 1] , al dan niet handelend via [onderneming 4 (B.V.)] en/of [E] zich dienen te onthouden van ieder contact direct of indirect, met enige bij (dochtermaatschappijen van) [gedaagde (B.V.)] of in het overnameproces betrokken partij, waaronder [A] , zolang de overname niet is geëffectueerd, behoudens contact met [D] via schriftelijke informatie-uitwisseling;b. dat [eiseres sub 2 (B.V.)] en [eiser sub 1] , al dan niet handelend via [onderneming 4 (B.V.)] en/of [E] zich dienen te onthouden van elke uitlating of gedraging die kan worden aangemerkt als bedreigend of lasterlijk jegens door [D] ingeschakelde adviseurs en hulppersonen alsmede jegens bieders in het overnameproces, onder wie [A] en aan hem gelieerde vennootschappen;c. dat zij, na betekening van deze beschikking, dwangsommen ten gunste van [gedaagde (B.V.)] verbeuren van € 25.000 per overtreding van de onder a. en b. genoemde geboden en tot een maximum van € 1.000.000 voor de dwangsommen die worden verbeurd wegens overtreding van de in de beschikking van 18 maart 2020 opgelegde geboden en de in deze beschikking onder a. en b. genoemde geboden;d. dat het [eiseres sub 2 (B.V.)] en [eiser sub 1] , al dan niet handelend via [onderneming 4 (B.V.)] en/of [E] , verboden is asbestplaten, chemicaliën of andere zaken die in het bezit zijn van [eiseres sub 2 (B.V.)] en [eiser sub 1] over te brengen naar het terrein van [gedaagde (B.V.)] en daar achter te laten, behoudens voorafgaande schriftelijke toestemming door [D] en bepaalt dat zij, na betekening van deze beschikking, een dwangsom ten gunste van [gedaagde (B.V.)] verbeuren van € 250.000 bij overtreding van dit bevel.De verzoeken van [eiser sub 1] c.s. heeft de OK afgewezen.

2.16.

Op 13 juni 2020 heeft [gedaagde (B.V.)] opnieuw executoriaal beslag gelegd op een tweetal industrieterreinen en het woonhuis van [eiser sub 1] . Dit beslag is onder meer gelegd vanwege de dwangsommen die [eiser sub 1] c.s. volgens [gedaagde (B.V.)] verbeurd zou zijn voor een totaal bedrag van € 400.000.

2.17.

[gedaagde (B.V.)] heeft op 15 juni 2020 executoriaal beslag doen leggen op de aandelen die [eiser sub 1] houdt in [onderneming 4 (B.V.)] en in [eiseres sub 2 (B.V.)] [gedaagde (B.V.)] heeft op 31 augustus 2020 executoriaal beslag doen leggen onder de Staat der Nederlanden ten laste van [eiseres sub 2 (B.V.)]

2.18.

Op 3 juli 2020 heeft [gedaagde (B.V.)] haar activa voor € 3.100.000 verkocht aan een door [A] opgerichte vennootschap.

2.19.

Bij beschikking van 18 september 2020 heeft de rechtbank Midden-Nederland [gedaagde (B.V.)] verlof verleend om over te gaan op de verkoop en overdracht van de aandelen van [eiser sub 1] in [eiseres sub 2 (B.V.)] en [eiser sub 1] veroordeeld in de proceskosten van [gedaagde (B.V.)] en die begroot op € 2.285. [eiser sub 1] is in hoger beroep gekomen van de beschikking.

2.20.

Bij vonnis van 12 november 2020 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland de vorderingen van [eiser sub 1] c.s. en [onderneming 4 (B.V.)] , die strekten tot (onder meer) het opheffen van de door [gedaagde (B.V.)] gelegde beslagen en het aan [gedaagde (B.V.)] opleggen van een verbod tot het leggen ven nieuwe beslagen, afgewezen en [eiser sub 1] c.s. en [onderneming 4 (B.V.)] veroordeeld in de proceskosten van [gedaagde (B.V.)] en die begroot op € 1.636. [eiser sub 1] c.s. en [onderneming 4 (B.V.)] zijn in hoger beroep gekomen van dat vonnis.

2.21.

Bij brief van 22 augustus 2021 heeft [D] [eiser sub 1] c.s. het tweemaal verbeuren van een dwangsom van € 25.000 aangezegd vanwege:- een e-mailbericht dat [eiser sub 1] heeft gestuurd naar de website van ‘ [.....] ’ met het verzoek om contact, telefonisch of per e-mail, in verband met de zoektocht van [eiser sub 1] c.s. naar ‘lotgenoten’ voor een collectieve tuchtklacht tegen [D] en- een contact dat [eiser sub 1] via Instagram heeft gelegd met [I] met de mededeling dat mocht haar vader iets kunnen vertellen over [D] , hij dat graag zou horen in verband met een collectieve tuchtklacht tegen [D] .[D] schreef in de brief ook dat hij ter voorkoming van verdere escalatie, niet voornemens is deze dwangsommen te incasseren op voorwaarde dat [eiser sub 1] c.s. zich verder aan het gebod van de OK zal houden.

2.22.

Op 19 januari 2022 heeft mr. [H] het Onderzoeksverslag inzake [gedaagde (B.V.)] bij de OK ingediend. Dit is het verslag van het onderzoek waartoe de OK in haar beschikking van 20 september 2019 (zie nr. 2.3) heeft bevolen.

2.23.

Bij brief van 16 februari 2022 heeft [D] [eiser sub 1] c.s. het tweemaal verbeuren van en dwangsom van € 25.000 aangezegd vanwege:- een brief die [eiser sub 1] c.s. op 24 september 2021 heeft gestuurd naar de afdeling fraude van de Kamer van Koophandel waarin melding wordt gemaakt van misstanden in verband met de deponering van de jaarrekening 2019 van [gedaagde (B.V.)] door [D] ; - de aangifte die [eiser sub 1] c.s. op 2 november 2021 heeft gedaan bij de politie, afdeling Midden-Nederland, van valsheid in geschrift gepleegd door [D] bij de ondertekening van de jaarrekening 2019 van [gedaagde (B.V.)] .In die brief heeft [D] [eiser sub 1] c.s. tevens aangezegd dat hij de dwangsommen zoals aangezegd in de brief van 22 augustus 2021 zal incasseren omdat [eiser sub 1] c.s. zich niet aan de voorwaarde heeft gehouden om zich te houden aan het gebod van de OK.

3 Het geschil

4 De beoordeling

5 De beslissing