Rechtbank Midden-Nederland, 03-02-2023, ECLI:NL:RBMNE:2023:686, UTR 21/2147, UTR 21/2160 t/m UTR 21/2164
Rechtbank Midden-Nederland, 03-02-2023, ECLI:NL:RBMNE:2023:686, UTR 21/2147, UTR 21/2160 t/m UTR 21/2164
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Midden-Nederland
- Datum uitspraak
- 3 februari 2023
- Datum publicatie
- 21 maart 2023
- ECLI
- ECLI:NL:RBMNE:2023:686
- Formele relaties
- Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2024:5933, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
- Zaaknummer
- UTR 21/2147, UTR 21/2160 t/m UTR 21/2164
Inhoudsindicatie
Meerdere woningen en niet-woningen. Beroep ongegrond, verzoek om IMSV + PKV
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: UTR 21/2147, UTR 21/2160 t/m UTR 21/2164
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. D.A.N. Bartels MRE),
en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap [gemeente 2] (de heffingsambtenaar)
(gemachtigde: R. Janmaat)
Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen:
de Staat der Nederlanden (de Minister voor Rechtsbescherming).
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de hoogte van de WOZ-waarde van de volgende onroerende zaken:
|
[adres 1] in [gemeente 1] |
€ 296.000,- |
Woning |
UTR 21/2147 |
|
[adres 2] in [gemeente 2] |
€ 156.000,- |
Niet-woning |
UTR 21/2159 |
|
[adres 3] in [gemeente 2] |
€ 266.000,- |
Woning |
UTR 21/2160 |
|
[adres 4] in [gemeente 2] |
€ 302.000,- |
Woning |
UTR 21/2161 |
|
[adres 5] in [gemeente 2] |
€ 521.000,- |
Woning |
UTR 21/2162 |
|
[adres 6] in [gemeente 2] |
€ 27.000,- |
Niet-woning |
UTR 21/2163 |
|
[adres 7] in [gemeente 2] |
€ 263.000,- |
Woning |
UTR 21/2164 |
|
[adres 8] in [gemeente 2] |
€ 77.000,- |
Niet-woning |
UTR 21/2165 |
|
[adres 9] in [gemeente 2] |
€ 414.000,- |
Woning |
UTR 21/2166 |
De heffingsambtenaar heeft die WOZ-waarden met de aanslag van 29 februari 2020 vastgesteld op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) voor het belastingjaar 2020 naar de waardepeildatum van 1 januari 2019. Met deze waardevaststelling zijn aan eiser ook aanslagen onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2020 opgelegd.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van eiser in de uitspraak op bezwaar van
23 maart 2021 ongegrond verklaard. De heffingsambtenaar heeft waarbij de waarde van de onroerende zaken gehandhaafd.
De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 5 december 2022 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de heffingsambtenaar bijgestaan door de taxateurs [Taxateur 1] en
[Taxateur 2] .
Vooraf
1. De gemachtigde van eiser heeft het bezwaar tegen de WOZ-waarde van de onroerende zaak [adres 9] op de hoorzitting in bezwaar ingetrokken. Eiser heeft dan ook niet bedoeld om tegen die waardevaststelling beroep in te stellen. De rechtbank gaat daar in de uitspraak dan ook niet meer op in.
2. De gemachtigde van eiser heeft het beroep tegen de WOZ-waardes van de onroerende zaken [adres 2] en [adres 8] op de zitting ingetrokken. De rechtbank gaat daar in de uitspraak dan ook niet meer op in.