Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 17-09-2024, ECLI:NL:GHARL:2024:5933, 23/501 t/m 23/506
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 17-09-2024, ECLI:NL:GHARL:2024:5933, 23/501 t/m 23/506
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 17 september 2024
- Datum publicatie
- 27 september 2024
- Formele relaties
- Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2023:686, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
- Zaaknummer
- 23/501 t/m 23/506
- Relevante informatie
- Art. 17 Wet WOZ, Art. 22 Wet WOZ, Art. 30a Wet WOZ
Inhoudsindicatie
Wet Woz. Waardevaststelling woningen en bedrijfsruimte.
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummers BK-ARN 23/501 tot en met 23/506
uitspraakdatum: 17 september 2024
Uitspraak van de zeventiende enkelvoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland (hierna: de Rechtbank) van 3 februari 2023, nummers UTR 21/2147 en UTR 21/2160 tot en met UTR 21/2164, in het geding tussen belanghebbende en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht te Utrecht (hierna: de heffingsambtenaar)
alsmede de Staat der Nederlanden (de Minister van Justitie en Veiligheid; hierna: de Staat)
1 Ontstaan en loop van het geding
De heffingsambtenaar heeft bij in één geschrift vervatte beschikkingen op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van diverse onroerende zaken (hierna: de onroerende zaken) in [woonplaats] en [plaats1] , per waardepeildatum 1 januari 2019, voor het jaar 2020 als volgt vastgesteld op:
|
Zaaknummer |
Onroerende zaak |
Vastgestelde waarde |
|
BK-ARN 23/501 |
[adres1] 3 [woonplaats] |
€ 296.000 |
|
BK-ARN 23/502 |
[adres2] 68 BS [plaats1] |
€ 266.000 |
|
BK-ARN 23/503 |
[adres3] 33 [plaats1] |
€ 302.000 |
|
BK-ARN 23/504 |
[adres3] 33 BS [plaats1] |
€ 521.000 |
|
BK-ARN 23/505 |
[adres4] 56 [plaats1] |
€ 27.000 |
|
BK-ARN 23/506 |
[adres4] 56 BS [plaats1] |
€ 263.000 |
Tegelijk met deze beschikkingen heeft de heffingsambtenaar voor dat jaar aan belanghebbende aanslagen onroerendezaakbelasting (hierna: OZB) opgelegd.
Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar de beschikkingen en aanslagen gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en wegens overschrijding van de redelijke termijn de heffingsambtenaar en de Staat (de Minister voor Rechtsbescherming) veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade van € 67 respectievelijk € 33.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend en daarbij tevens incidenteel hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft het incidentele hoger beroep beantwoord.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 juli 2024. Daarbij zijn verschenen en gehoord mr. D.A.N. Bartels, als de gemachtigde van belanghebbende, alsmede [naam1] namens de heffingsambtenaar, bijgestaan door taxateurs [naam2] en [naam3] . De heffingsambtenaar heeft ter zitting het incidenteel hoger beroep ingetrokken.
2 Vaststaande feiten
Belanghebbende is eigenaar van de onroerende zaken.
[adres1] 3 te [woonplaats] betreft een in 1977 gebouwde rijwoning met garage. De gebruiksoppervlakte bedraagt 123 m2 en de perceeloppervlakte 180 m2.
[adres2] 68 BS te [plaats1] betreft een in 1904 gebouwde bovenwoning met een gebruiksoppervlakte van 92 m2.
[adres3] 33 te [plaats1] betreft een in 1904 gebouwde benedenwoning met een gebruiksoppervlakte van 78 m2.
[adres3] 33 BS te [plaats1] betreft een in 1904 gebouwde bovenwoning met een gebruiksoppervlakte van 133 m2.
[adres4] 56 te [plaats1] betreft een in 1930 gebouwde bedrijfsruimte met een verhuurbaar vloeroppervlak van 32 m2.
[adres4] 56 BS te [plaats1] betreft een in 1920 gebouwde bovenwoning met een gebruiksoppervlakte van 65 m2.
3 Geschil
In hoger beroep is in geschil of de waarde van de onroerende zaken te hoog is vastgesteld.
Verder is in geschil of belanghebbende recht heeft op een hogere vergoeding voor immateriële schade en of hij recht heeft op een vergoeding voor proceskosten. Niet meer in geschil is dat belanghebbende recht heeft op vergoeding van het voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht, zodat het hoger beroep in zoverre reeds gegrond is.
Ter zitting van het Hof heeft belanghebbende zijn algemeen geformuleerde grieven in zijn hogerberoepschrift en de nadere stukken uitdrukkelijk en ondubbelzinnig laten varen en het geschil beperkt tot hetgeen hij ter zitting van het Hof aan gronden met betrekking tot de WOZ-waarden heeft aangevoerd. De heffingsambtenaar heeft ter zitting van het Hof zijn standpunt dat belanghebbende geen recht heeft op een vergoeding van schade omdat belanghebbende niet persoonlijk wordt gecompenseerd en dus geen sprake is van spanning en frustratie, uitdrukkelijk en ondubbelzinnig ingetrokken.