Home

Rechtbank Noord-Holland, 17-05-2023, ECLI:NL:RBNHO:2023:4583, AWB - 21 _ 2348

Rechtbank Noord-Holland, 17-05-2023, ECLI:NL:RBNHO:2023:4583, AWB - 21 _ 2348

Gegevens

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
17 mei 2023
Datum publicatie
23 mei 2023
ECLI
ECLI:NL:RBNHO:2023:4583
Zaaknummer
AWB - 21 _ 2348
Relevante informatie
Art. 16 WOZ, Art. 17 WOZ

Inhoudsindicatie

WOZ. Woonwagen. De eigendom van de woonwagen, nu deze is geplaatst op van een woningcoöperatie gehuurde grond (natreking) en de gevolgen daarvan voor de waarde.

Uitspraak

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 21/2348

(gemachtigde: mr. S.J.M. Jaasma),

en

Procesverloop

Bij beschikking krachtens artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) met dagtekening 26 februari 2021 heeft verweerder de waarde van de onroerende zaak [de woning] (hierna: de woning) voor het kalenderjaar 2021 vastgesteld op € 70.000. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 16 april 2021 de waardebeschikking gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 december 2022. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder is, met bericht van verhindering, niet verschenen.

Desgevraagd heeft de derde-belanghebbende, de woningcoöperatie [naam] , de rechtbank bericht geen behoefte te hebben om als partij deel te nemen aan het geding en te volstaan met het ontvangen van deze uitspraak.

Overwegingen

Feiten

1. De woning is een woonwagen die door verweerder is gewaardeerd tezamen met de grond waarop deze is geplaatst. Eiseres was bij plaatsing eigenaar van de woonwagen; de grond wordt door haar gehuurd. Niet in geschil is dat de woonwagen onroerend is en dat, nu niet blijkt van een ten behoeve van de woonwagen gevestigd opstalrecht, de eigendom ervan door natrekking berust bij de eigenaar van de grond, de woningcoöperatie [naam] . Eiseres is dan ook slechts gebruiker van de woning en aan haar is daarom ook geen aanslag onroerende-zaakbelastingen opgelegd.

Geschil 2. In geschil is de waarde van de woning (de woonwagen en de grond) op de waardepeildatum 1 januari 2020. Eiseres heeft betoogd dat zij belang heeft bij een lagere waardering omdat de vastgestelde waarde in de weg staat aan inwilliging van door haar verzochte kwijtscheldingsverzoeken. Eiseres bepleit een waarde van € 3.000 voor de woonwagen en zij heeft betoogd dat de waarde van de grond dient te worden bepaald op de helft van de gebruikelijke grondwaarde omdat de aanwezigheid van de woonwagen een waardedrukkend effect heeft.

3. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

Beoordeling van het geschil

4. Verweerder heeft het belang van eiseres bij een lagere waarde niet betwist. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een andersluidend oordeel over de ontvankelijkheid van het bezwaar of het beroep, nu onweersproken is gesteld dat een vermindering van de WOZ-waarde van de woning gevolgen heeft voor de inkomens- en vermogenspositie van eiseres.

5. De hierboven onder 1 weergegeven eigendomssituatie rechtvaardigt de kwalificatie van de woonwagen en de grond als één onroerende zaak, waarvan de waardebeschikking blijk geeft en zoals door eiseres, onder verwijzing naar artikel 16 van de Wet WOZ bepleit. De rechtbank gaat daarom ervan uit dat over de objectafbakening tussen partijen geen geschil bestaat.

6. Ingevolge artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ, wordt de waarde van een onroerende zaak bepaald op de waarde die aan de onroerende zaak dient te worden toegekend indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Daarbij heeft als waarde te gelden de waarde in het economische verkeer. Dat is de prijs die bij aanbieding ten verkoop op de voor die onroerende zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding door de meest biedende gegadigde voor de onroerende zaak zou zijn betaald.

7. Op verweerder rust de last aannemelijk te maken dat hij de waarde niet te hoog heeft vastgesteld.

8. Verweerder heeft verzuimd de stukken van het geding aan de rechtbank toe te zenden en hij heeft ook geen verweerschrift ingediend. Aan de hand van de door eiseres in geding gebrachte stukken kan niet worden geoordeeld dat verweerder aan de op hem rustende bewijslast heeft voldaan. De verwijzing door verweerder naar een op de waardering van woonwagens betrekking hebbende ‘Taxatiewijzer’ is daartoe eveneens onvoldoende, nu op geen enkele wijze is toegelicht hoe een dergelijke waardebepaling op grond van die ‘Taxatiewijzer’ in het onderhavige geval is uitgevoerd.

9. Vervolgens dient te worden beoordeeld of de door eiseres voorgestane waarde niet te laag is. Eiseres heeft de door haar voorgestane waarde van de woning bepaald door de waarde van de woonwagen, die zij op € 3.000 stelt, te vermeerderen met een grondwaarde van € 33.500. Dit betreft weliswaar een summiere en schattenderwijs opgemaakte onderbouwing, maar die vindt naar het oordeel van de rechtbank voldoende steun in objectieve gegevens uit het dossier. De opgegeven waarde van het opstal betreft de restwaarde van een woonwagen volgens de Taxatiewijzer. De grondwaarde heeft eiseres bepaald door deze restwaarde af te trekken van de door verweerder vastgestelde waarde en de resterende grondwaarde te delen door twee in verband met het waardedrukkende effect van de woonwagen. Mede gelet op het feit dat verweerder geen stukken heeft ingebracht waaruit kan worden afgeleid dat de door eiseres verdedigde waarde te laag is, acht de rechtbank die waarde aannemelijk.

10. De rechtbank bepaalt de waarde van de woning op de peildatum, gelet op het vorenstaande, op (afgerond) € 36.000.

11. De rechtbank ziet aanleiding ambtshalve te beoordelen of de redelijke beslistermijn is overschreden en of eiseres op grond daarvan aanspraak kan maken op immateriële schadevergoeding, nu de wettelijke termijn voor het doen van uitspraak niet in acht is genomen.

12. Bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn is overschreden, moet worden aangesloten bij de uitgangspunten als neergelegd in het overzichtsarrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252. Voor een uitspraak in eerste aanleg heeft te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De termijn vangt in beginsel aan op het moment waarop verweerder het bezwaarschrift ontvangt. Indien de redelijke termijn is overschreden, dient als uitgangspunt voor de schadevergoeding een tarief te worden gehanteerd van € 500 per half jaar dat die termijn is overschreden, waarbij ter bepaling van de totale vergoeding de geconstateerde overschrijding naar boven wordt afgerond.

13. Gelet op het feit dat het bezwaarschrift van eiseres door verweerder op 2 maart 2021 is ontvangen, is de termijn op die datum aangevangen. Aangezien de rechtbank uitspraak doet op 17 mei 2023 is een periode van afgerond 27 maanden verstreken.

14. Dit betekent dat de overschrijding van de redelijke termijn afgerond drie maanden bedraagt. Daarmee correspondeert een vergoeding van immateriële schade van
€ 500. Aangezien de bezwaarfase, gelet op de datum van uitspraak op bezwaar, zijnde

16 april 2021, (afgerond) twee maanden heeft geduurd, en als regel heeft te gelden dat de bezwaarfase onredelijk lang heeft geduurd voor zover de duur daarvan een half jaar overschrijdt, dient de overschrijding van het tijdsverloop in eerste aanleg van twee maanden volledig te worden toegerekend aan de beroepsfase. De vergoeding dient dan ook te worden betaald door de Staat (de Minister van Veiligheid en Justitie).

Proceskosten

15. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.970 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 296, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 837 en een wegingsfactor 1).

Omdat aan eiseres een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.

Beslissing

Rechtsmiddel