Rechtbank Noord-Holland, 15-06-2023, ECLI:NL:RBNHO:2023:6346, AWB - 22 _ 2099
Rechtbank Noord-Holland, 15-06-2023, ECLI:NL:RBNHO:2023:6346, AWB - 22 _ 2099
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Noord-Holland
- Datum uitspraak
- 15 juni 2023
- Datum publicatie
- 7 juli 2023
- Zaaknummer
- AWB - 22 _ 2099
- Relevante informatie
- Art. 17 Wet WOZ, Art. 22 Wet WOZ
Inhoudsindicatie
Beroep met betrekking tot PKV; rb draagt verweerder op de kosten van de bezwaarfase te vergoeden; gemachtigde van eiser schendt gemaakte werkafspraken en start overbodig beroepsprocedure, om deze reden pkv voor beroepskosten afgewezen.
Uitspraak
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 22/2099
(gemachtigde: G. Gieben),
en
Procesverloop
Verweerder heeft bij beschikking van 26 februari 2021 op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ), de waarde van de onroerende zaak [de woning] (hierna: de woning) voor het kalenderjaar 2021 vastgesteld op € 381.000. In hetzelfde geschrift is ook de aanslag onroerendezaakbelastingen 2021 bekendgemaakt.
Bij uitspraak op bezwaar van 2 februari 2022 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en de waarde van de woning gehandhaafd.
Verweerder heeft naar aanleiding van een telefoongesprek met eiser ambtshalve de waarde van de onroerende zaak alsmede de aanslag onroerendezaakbelastingen voor het kalenderjaar 2021 verlaagd naar € 310.000. Dit heeft verweerder op 11 februari 2022 via een vermindering aanslag bekendgemaakt.
De gemachtigde van eiser heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft voorafgaand aan de zitting een nader stuk ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 mei 2023 te Haarlem. Eiser is vertegenwoordigd door H.J. van Zelst, kantoorgenoot van gemachtigde G. Gieben. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam 1] .
Overwegingen
Feiten
1. Eiser is eigenaar van de onroerende zaak [de woning] (hierna: de woning).
2. De heffingsambtenaar heeft bij WOZ-beschikking van 26 februari 2021 de WOZ-waarde van de woning vastgesteld op € 381.000. Tegelijk hiermee is de aanslag OZB voor het jaar 2021 vastgesteld.
3. Verweerder heeft op 8 maart 2021 een bezwaarschrift van eiser ontvangen waarin de bezwaren hiertegen zijn kenbaar gemaakt.
4. Het bestreden besluit is op 2 februari 2022 aan gemachtigde van eiser toegestuurd. In deze uitspraak is onder meer vermeld dat de waarde van de woning wordt gehandhaafd op een bedrag van € 381.000.
5. Op 9 februari 2022 heeft eiser buiten zijn gemachtigde om telefonisch contact opgenomen met een medewerker van GR Cocensus en geeft tijdens dit telefoongesprek aan dat bij de waardering uit is gegaan van te veel vierkante meters.
6. De medewerker van GR Cocensus heeft deze informatie naar mevrouw [naam 2] (taxateur verbonden aan GR Cocensus) doorgemaild. Naar aanleiding daarvan heeft de taxateur bij ambtshalve genomen beschikking met dagtekening van 11 februari 2022 de WOZ-waarde van de woning verminderd tot € 310.000 en de aanslag OZB dienovereenkomstig verminderd (hierna: de verminderingsaanslag). De medewerker heeft deze vermindering rechtstreeks aan eiser verzonden.
7. Eiser heeft hiervan zijn gemachtigde op omstreeks 11 februari 2022 op de hoogte gesteld van het telefonisch contact en de uitkomst daarvan. De gemachtigde heeft nadien telefonsich of schriftelijk contact opgenomen met verweerder.
Geschil
8. In geschil is of eiser, beter gezegd de gemachtigde van eiser, aanspraak kan maken op een vergoeding voor proceskosten voor de bezwaarfase zowel als voor de beroepsfase. Voorts verzoekt hij om terugwijzing naar verweerder.
9. Eiser stelt dat verweerder na de bestreden uitspraak de waarde heeft verlaagd. Verweerder had derhalve aan de gemachtigde van eiser een gegronde uitspraak moeten doen toekomen. Op deze manier probeert verweerder zijn plicht tot het vergoeden van de proceskosten te ontlopen. Er is niet gebleken van nieuwe feiten of omstandigheden waardoor verweerder pas na het doen van uitspraak op bezwaar op de hoogte raakte van het feit dat een waardevermindering toch op zijn plaats was. Derhalve is verweerder alsnog een proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase verschuldigd en dient terugwijzing te volgen. Tevens wordt een proceskostenvergoeding voor de beroepsfase gevraagd.
Verweerder heeft zich – zakelijk weergegeven – primair op het standpunt gesteld dat het beroep ten onrechte is ingesteld. Hij wijst op het bestaan van een werkafspraak voor de bezwaarafhandeling van het belastingjaar 2021 (bijlage 2 bij het verweerschrift) tussen het kantoor waaraan gemachtigde verbonden is en GR Cocensus. De inhoud daarvan luidt – voor zover hier van belang - als volgt:
“Bij procedurele fouten zoals een fout in de toekenning van de proceskostenvergoeding of wanneer er per ongeluk niet is gehoord, zal door u eerst contact opgenomen worden met ons om beroepsprocedures te voorkomen.”
Subsidiair heeft hij zich op het standpunt gesteld dat indien de rechtbank het beroep toewijst het gewicht voor de beroepsfase op een kwart wat het gewicht van de zaak betreft dient te worden gesteld.
11. De gemachtigde heeft tijdens de mondelinge behandeling van het beroep zijn eerder ingenomen standpunt tot terugwijzing laten vallen. Naar het oordeel van de rechtbank mist dat standpunt steun in het recht; immers het instellen van beroep strekt tot finale geschilbeslechting en tot een noodzaak of wettelijke grondslag tot terugwijzing is niets gebleken. De waarde is verminderd dan tot een lager bedrag dan de gemachtigde in bezwaar heeft verdedigd (€ 321.000).
12. Naar het oordeel van de rechtbank vloeit zowel uit de tekst als uit doel en strekking van het geciteerde onderdeel van de werkafspraak voort dat het op de weg van de gemachtigde heeft gelegen nadat hij door zijn cliënt (eiser) op de hoogte was gesteld van diens eigen initiatief en de uitkomst daarvan om contact op te nemen. Dit met het doel alsnog een proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase te mogen ontvangen. Indien verweerder zou hebben geweigerd die vergoeding toe te kennen bestaat er naar het oordeel een gegronde reden tot het instellen van beroep. Door gedurende de periode van 11 februari 2022 tot het indienen van het beroepschrift op 16 maart 2022 geen contact op te nemen met verweerder schendt hij de afspraak en is hij volstrekt overbodig een beroepsprocedure - met de bijbehorende kosten voor verweerder en de rechtbank - gestart. Van een professioneel optredend gemachtigde had anders mogen dat wil zeggen: moeten worden verwacht.
13. Dat verweerder na de ambtshalve vermindering geen contact met gemachtigde heeft opgenomen is naar het oordeel van de rechtbank te verklaren dat de administratief medewerker van verweerder niet wist van de rechtsbijstand en daar om rechtstreeks met eiser in persoon heeft bericht. Voorts heeft de gemachtigde na 11 februari 2022 geen enkel initiatief ontplooid indien hij meende recht te hebben op een proceskostenvergoeding, hetgeen toch (ook) op zijn weg had gelegen.
14. Nu verweerder heeft toegezegd alsnog de kosten van de bezwaarfase te vergoeden tot een bedrag van € 720,96 hetgeen tussen partijen niet in geschil is, mede omvattende kosten van de administratieve taxatie zal de rechtbank overeenkomstig beslissen.
15. Anders dan aanvankelijk in de pleitnota verzocht ontbreekt een grondslag voor een vergoeding van immateriële schade nu de hoofdzaak binnen een periode van tweejaar na ontvangst van het bezwaarschrift op 8 maart 2021 is beslecht namelijk op 11 februari 2022.
16. De rechtbank acht geen termen aanwezig gelet op het vorenoverwogene om het griffierecht terug te geven dan wel verweerder te gelasten dat aan eiser te vergoeden nu het instellen van beroep en de daaraan verbonden kosten niet in redelijkheid zijn gemaakt. Datzelfde geldt voor de kosten van het beroep en de aanwezigheid op de mondelinge behandeling.
Beslissing
De rechtbank:
- -
-
verklaart het beroep ongegrond;
- -
-
draagt verweerder voor zover nog nodig de koeten van de bezwaarfase tot een bedrag van € 720, 26 te vergoeden, en
- -
-
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Walderveen, rechter, in aanwezigheid van
N. Choa, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 juni 2023.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op: