Home

Rechtbank Noord-Holland, 03-07-2024, ECLI:NL:RBNHO:2024:6722, AWB - 23 _ 5102

Rechtbank Noord-Holland, 03-07-2024, ECLI:NL:RBNHO:2024:6722, AWB - 23 _ 5102

Gegevens

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
3 juli 2024
Datum publicatie
30 oktober 2024
ECLI
ECLI:NL:RBNHO:2024:6722
Zaaknummer
AWB - 23 _ 5102
Relevante informatie
Art. 17 Wet WOZ, Art. 22 Wet WOZ

Inhoudsindicatie

WOZ. Verweerder heeft de waarde van de woning in beroep verminderd, beroep gegrond. Eigen aankoopcijfer.

Uitspraak

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 23/5102

(gemachtigde: [naam 3] ),

en

Procesverloop

Verweerder heeft bij beschikking van 24 februari 2023 op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak [adres] (hierna: de woning) voor het kalenderjaar 2023 vastgesteld op € 443.000. In hetzelfde document is ook de aanslag onroerendezaakbelasting 2023 bekendgemaakt.

Bij uitspraak van 28 juni 2023 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en de waarde van de woning gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 juni 2024 te Haarlem. Eiser is verschenen, vergezeld door [naam 1] en bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam 2] .

Overwegingen

Feiten

1. Eiser is genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van de woning. De woning is een tussenwoning, gebouwd in 1988. De gebruiksoppervlakte van de woning is 99 m². De woning is voorzien van een aanbouw (2 m²), vier dakkapellen en een vrijstaande berging/schuur. De oppervlakte van het perceel is 178 m².

Geschil 2. In geschil is de waarde van de woning op de waardepeildatum 1 januari 2022 (hierna: de waardepeildatum).

3. Eiser bepleit een waarde van € 395.000 en wijst ter onderbouwing van zijn standpunt op diverse door hem ingediende berekeningen. Eiser concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, verlaging van de vastgestelde WOZ-waarde en veroordeling van verweerder tot vergoeding van de proceskosten voor zowel de bezwaar- als de beroepsfase.

4. Verweerder stelt in zijn verweerschrift dat hij de waarde te hoog heeft vastgesteld en ziet aanleiding de waarde te verminderen naar € 434.000. Ter onderbouwing wijst hij onder meer op het eigen aankoopcijfer en de bij het verweerschrift gevoegde matrix. Verweerder concludeert tot gegrondverklaring van het beroep.

Beoordeling van het geschil

5. Op grond van artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ wordt de waarde van de woning bepaald op de waarde die aan de woning dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Deze waarde is naar de bedoeling van de wetgever "de prijs welke door de meestbiedende koper besteed zou worden bij aanbieding ten verkoop op de voor de zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding". Op verweerder rust de last aannemelijk te maken dat hij de waarde van de woning niet op een te hoog bedrag heeft vastgesteld.

6. In een geval waarin een belanghebbende een woning kort vóór of na de waardepeildatum heeft gekocht, moet er in de regel van worden uitgegaan dat de waarde als bedoeld in artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ overeenkomt met de door de belanghebbende betaalde prijs (HR 29 november 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA8610).

7. De rechtbank overweegt als volgt. Eiser heeft de woning gekocht op 31 mei 2022 voor € 450.000. Verweerder heeft dit eigen aankoopcijfer geïndexeerd naar de waardepeildatum volgens de in de matrix opgenomen ‘prijs index gemeente Purmerend’. Eiser heeft daar tegenover gesteld dat rekening moet worden gehouden met een stijging van 1,25% per maand. Ter onderbouwing hiervan heeft hij gewezen op bijlage 2 van zijn nader ingediende stuk van 27 mei 2024. De rechtbank volgt het standpunt van verweerder met betrekking tot de indexering, met dien verstande dat teruggerekend moet worden van 31 mei 2022, zijnde de datum van de koopovereenkomst, naar de waardepeildatum. Dit resulteert in een hogere waarde dan de WOZ-waarde die verweerder nu in beroep bepleit. De onderbouwing van eiser over de indexering kan de rechtbank niet volgen omdat eiser de WOZ-waarde over 1 januari 2021 doorrekent naar 1 januari 2022. Dit zegt niets over de marktontwikkeling over de periode daarna, nog daargelaten dat de WOZ-waardes niet met elkaar vergeleken kunnen worden. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde van € 434.000 niet te hoog is.

8. Het vorenstaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat de door verweerder in beroep voorgestane waarde niet te hoog is. Wat eiser overigens heeft aangevoerd, doet aan het hierboven gegeven oordeel niet af omdat die grieven zien op de methode van vergelijking met andere objecten. De rechtbank zal de waarde van de woning voor het belastingjaar 2023 dan ook vaststellen op € 434.000 en de aanslag dienovereenkomstig verminderen.

Proceskosten en griffierecht

9. Op grond van het bepaalde in artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht kan de vergoeding van proceskosten betrekking hebben op kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Volgens vaste jurisprudentie van de hoogste bestuursrechters is sprake van beroepsmatig verleende rechtsbijstand als het verlenen van rechtsbijstand door de rechtsbijstandverlener "een vast onderdeel vormt van een duurzame, op het vergaren van inkomen gerichte taakuitoefening". Daarvan is in dit geval naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Ter zitting heeft gemachtigde verklaard dat hij naast vertegenwoordigen van zijn dochter en schoonzoon, alleen zaken van buren op zich genomen heeft. Gemachtigde heeft niet gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt, dat sprake is van beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Gelet hierop is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

10. Omdat het beroep gegrond wordt verklaard, dient verweerder wel het door eiser betaalde griffierecht te vergoeden.

Beslissing

Rechtsmiddel