Rechtbank Noord-Nederland, 13-12-2017, ECLI:NL:RBNNE:2017:4769, C/17/142120 / HA ZA 15-174
Rechtbank Noord-Nederland, 13-12-2017, ECLI:NL:RBNNE:2017:4769, C/17/142120 / HA ZA 15-174
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Noord-Nederland
- Datum uitspraak
- 13 december 2017
- Datum publicatie
- 13 december 2017
- ECLI
- ECLI:NL:RBNNE:2017:4769
- Formele relaties
- Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2020:1092, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
- Zaaknummer
- C/17/142120 / HA ZA 15-174
Inhoudsindicatie
Belegging in een vastgoedfonds, misleidend prospectus en bestuurdersaansprakelijkheid:
Het in het prospectus geschetste beeld van een investering in vastgoed is te rooskleurig geweest.
De beleggers liepen in werkelijkheid veel meer risico’s, omdat feitelijk sprake was van een investering in een financieringsmaatschappij.
De liquide middelen om die risico’s op te vangen ontbraken. De vastgoedfondsen hebben onrechtmatig gehandeld in de zin van
artikel 6:194 BW.
Middellijk bestuurder van de vastgoedfondsen kan hiervan persoonlijk een ernstig verwijt worden gemaakt, zodat hij onrechtmatig jegens de belegger heeft gehandeld.
Middellijk bestuurder is aansprakelijk voor de door de belegger gevorderde schadevergoeding (terugbetaling inleg). Particuliere belegger
heeft gemotiveerd gesteld dat hij het geld niet in een ander vastgoedfonds zou hebben geïnvesteerd. Het causaal verband tussen het onrechtmatig
handelen van de middellijk bestuurder en de schade van de belegger is voldoende komen vast te staan.
Niet is komen vast te staan dat bestuurder van de Stichting Obligatiehouders (opgericht voor het behartigen van de belangen van de beleggers) onrechtmatig jegens
de belegger heeft gehandeld. Op bestuurder van de Stichting Obligatiehouders rustte geen verplichting om de structuur en de geldstromen binnen de
vastgoedfondsen proactief te controleren.
Uitspraak
vonnis
Afdeling privaatrecht
Locatie Leeuwarden
zaaknummer / rolnummer: C/17/142120 / HA ZA 15-174
Vonnis van 13 december 2017
in de zaak van
1 [eiser sub 1] , en
2. [eiseres sub 2],
beiden wonende te [woonplaats] ,
eisers,
advocaat mr. W.M. Schonewille te 's-Gravenhage,
tegen
1 [gedaagde sub 1] ,
wonende te Apeldoorn,
2. [gedaagde sub 2],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagden,
advocaat mr. C.M. Reijnen te Amsterdam.
Partijen zullen hierna respectievelijk [eisers] , [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] genoemd worden.
1 De procedure
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- -
-
het tussenvonnis van 19 oktober 2016;
- -
-
de brief van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] van 11 november 2016 inhoudende een verzoek om tussentijds hoger beroep te mogen instellen;
- -
-
de akte van [eisers] van 16 november 2016;
- -
-
de brief van [eisers] van 18 november 2016 waarin bezwaar wordt gemaakt tegen het verzoek tot het tussentijds instellen van hoger beroep;
- -
-
de rolbeslissing van 30 november 2016 inhoudende afwijzing van het verzoek tot het tussentijds instellen van hoger beroep;
- -
-
de antwoordakte van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] van 25 januari 2017;
- -
-
de akte houdende het verzoek terug te komen op bindende eindbeslissingen
van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] van 25 januari 2017;
- de antwoordakte van [eisers] van 22 februari 2017.
Ten slotte is wederom vonnis bepaald.