Home

Rechtbank Noord-Nederland, 02-02-2023, ECLI:NL:RBNNE:2023:265, AWB - 21 _ 3715

Rechtbank Noord-Nederland, 02-02-2023, ECLI:NL:RBNNE:2023:265, AWB - 21 _ 3715

Gegevens

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
2 februari 2023
Datum publicatie
9 maart 2023
ECLI
ECLI:NL:RBNNE:2023:265
Zaaknummer
AWB - 21 _ 3715
Relevante informatie
Art. 17 Wet WOZ, Art. 22 Wet WOZ

Inhoudsindicatie

WOZ, niet concreet uitgewerkte beroepsgronden maken dat de uitspraak op bezwaar niet gemotiveerd is betwist, omdat niet is uitgewerkt waarom deze beroepsgronden enige relatie hebben met het gewaardeerde object. Ongegrond.

Uitspraak

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 21/3715

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 2 februari 2023 in de zaak tussen

(gemachtigde: mr. D.A.N. Bartels),

en

(gemachtigde: S. Tiesma-Weima).

Procesverloop

Bij besluit van 26 februari 2021 heeft verweerder op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [adres] te [plaatsnaam] (de onroerende zaak), per waardepeildatum 1 januari 2020 vastgesteld voor het kalenderjaar 2021 op € 594.000

Bij uitspraak op bezwaar van 21 oktober 2021 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiseres heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 januari 2023 via een beeldverbinding. De gemachtigde van eiseres is, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door taxateur [persoon 1] .

Overwegingen

Feiten

1. De onroerende zaak is een kantoor/opslag/distributie. Het kantoor heeft een brutovloeroppervlakte van 536 m2, de opslag/distributie heeft een brutovloeroppervlakte van in totaal 3.620 m2. De onroerende zaak heeft een kaveloppervlakte van 3.938 m².

Geschil en beoordeling

2. Partijen verschillen van mening over de waarde van de onroerende zaak per

1 januari 2020. Eiseres vindt dat de waarde te hoog is vastgesteld en verweerder staat een waarde voor van € 594.000.

3. Op verweerder rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat de door hem voorgestane waarde per 1 januari 2020 niet hoger is dan de waarde in het economische verkeer op die datum. Als verweerder niet aan deze bewijslast voldoet, komt de vraag aan de orde of eiseres de door haar bepleite waarde aannemelijk heeft gemaakt. Indien ook dat laatste niet het geval is, zal de rechter als regel de waarde zelf vaststellen1.

4. Eiseres heeft in haar beroepschrift en haar nadere stuk van 6 januari 2023 volstaan met een opsomming van een aantal niet concreet uitgewerkte beroepsgronden en een algemene verwijzing naar het door haar ingediende bezwaarschrift.

5. Verweerder heeft de stellingen van eiseres gemotiveerd weersproken.

6. De rechtbank overweegt dat eiseres in haar beroepschrift heeft volstaan met een opsomming van een aantal niet concreet uitgewerkte beroepsgronden en een verwijzing naar het door haar ingediende bezwaarschrift. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres met deze algemene beroepsgronden de waardebepaling van verweerder in zoverre niet gemotiveerd betwist, omdat niet is uitgewerkt waarom deze beroepsgronden enige relatie hebben met het gewaardeerde object. Deze standaardgronden kunnen daarom niet leiden tot de conclusie dat het beroep gegrond is. In dit verband is mede van belang dat verweerder in zijn taxatierapport transacties van referentieobjecten heeft gebruikt, terwijl eiseres niet heeft uitgewerkt waarom deze referentieobjecten niet geschikt zijn.

7. Ook de verwijzing naar het door eiseres ingediende bezwaarschrift kan niet leiden tot gegrondheid van het beroep. Uit de enkele verwijzing naar de gronden in het bezwaarschrift kan immers niet worden geconcludeerd dat verweerder de waarde te hoog heeft vastgesteld, nu verweerder hierop in de bestreden uitspraak op bezwaar is ingegaan en eiseres in haar beroepsgronden niet heeft aangegeven waarom de weerlegging van verweerder niet juist is.

8. Ter onderbouwing van de beschikte waarde heeft verweerder verwezen naar een taxatierapport, waaruit volgt dat de waarde van de onroerende zaak door toepassing van de methode van huurwaardekapitalisatie tot stand is gekomen. Aan de hand van deze methode heeft de taxateur de waarde van de onroerende zaak per 1 januari 2020 bepaald op € 606.000. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder daarmee de waarde van de onroerende zaak als zodanig op een voldoende verifieerbare en controleerbare wijze onderbouwd en in voldoende mate uiteengezet hoe de waarde tot stand is gekomen. De rechtbank betrekt daarbij dat een bottom-up berekening van de kapitalisatiefactor en onderbouwende marktgegevens van referentieobjecten bij het taxatierapport zijn gevoegd.

9. Gelet op voorgaande heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk gemaakt dat de door hem voorgestane waarde van de onroerende zaak per waardepeildatum 1 januari 2020 niet te hoog is. Al hetgeen eiseres overigens heeft aangevoerd brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel.

10. Het beroep is ongegrond.

Immateriële schadevergoeding (ISV)

11. Eiseres heeft verzocht om toekenning van ISV wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank wijst dit verzoek af, omdat de redelijke termijn ten tijde van deze uitspraak niet is overschreden.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om immateriële schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.P.D. Mathey-Bal, rechter, in aanwezigheid van mr. T.R. Bontsema, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 februari 2023.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel