Home

Rechtbank Noord-Nederland, 25-04-2024, ECLI:NL:RBNNE:2024:1479, AWB_LEE 22/1434, 22/1435 en 22/1436

Rechtbank Noord-Nederland, 25-04-2024, ECLI:NL:RBNNE:2024:1479, AWB_LEE 22/1434, 22/1435 en 22/1436

Gegevens

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
25 april 2024
Datum publicatie
3 mei 2024
ECLI
ECLI:NL:RBNNE:2024:1479
Zaaknummer
AWB_LEE 22/1434, 22/1435 en 22/1436
Relevante informatie
Art. 17 Wet WOZ, Art. 22 Wet WOZ, Art. 40 Wet WOZ, Art. 2 Uitv reg uitg obj, Art. 6:17 Awb, Art. 7:4 Awb

Inhoudsindicatie

WOZ – waarde van drie aan het water gelegen recreatiewoningen in een recreatiepark is niet te hoog vastgesteld – de rechtbank oordeelt dat van de gedeelten van de percelen bij de onderhavige objecten die uit water bestaan, niet kan worden gezegd dat deze een ‘openbare waterweg’ vormen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder d, van de Uitvoeringsregeling. Niet alleen zijn die watergedeelten door de afgesloten brug niet voor een ieder vrij toegankelijk en kan een ieder dus niet vrij daarvan gebruik maken, ook maken zij geen deel uit van een vaarweg zoals gedefinieerd door de Hoge Raad, die aan het begrip ‘openbaar vaarwater’ een engere betekenis toekent dan aan het begrip ‘openbaar water’ – overige (formele) punten slagen niet – beroepen ongegrond

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummers: LEE 22/1434, 22/1435 en 22/1436


uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 25 april 2024 in de zaken tussen

[X B.V.] , uit Enschede, eiseres

(gemachtigde: mr. A. Bakker),

en

de heffingsambtenaar van de gemeente De Fryske Marren

(gemachtigde: W.M. Olivier).

Inleiding

1.1.

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eiseres tegen de uitspraken op bezwaar van de heffingsambtenaar van 8 maart 2022.

1.2.

De heffingsambtenaar heeft bij in één aanslag opgenomen besluiten de waarde van de in [plaats A] gelegen onroerende zaken aan [locatie A] (LEE 22/1434), [locatie E] (LEE 22/1435) en [locatie F] (LEE 22/1436) per waardepeildatum 1 januari 2021 voor het belastingjaar 2022 vastgesteld op respectievelijk € 330.000, € 231.000 en € 234.000.

1.3.

De heffingsambtenaar heeft de, in één geschrift opgenomen, bezwaren van eiseres tegen de vastgestelde waarden bij, in één geschrift opgenomen, uitspraken op bezwaar van

8 november 2022 ongegrond verklaard.

1.4.

De heffingsambtenaar heeft op de, in één geschrift ingestelde, beroepen gereageerd met een verweerschrift.

1.5.

De rechtbank heeft de beroepen gezamenlijk op 12 april 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de heffingsambtenaar, bijgestaan door mr. A.J. van Griethuysen.

Feiten

Beoordeling door de rechtbank

Beslissing

Informatie over hoger beroep